3-66

3-66

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 24 JUNI 2004 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over ęde gemeentelijke internationale samenwerkingĽ (nr. 3-307)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Tot op vandaag is er nog altijd geen koninklijk besluit dat het federaal programma van de gemeentelijke internationale samenwerking voor het jaar 2004 regelt. Dat koninklijk besluit is geen formaliteit, het legt de regels en het subsidiebudget vast voor de steden en gemeenten die aan ontwikkelingssamenwerking doen. De gevolgen zijn voor de steden en gemeenten desastreus. Gemeenten stellen hun projecten uit, tenzij ze het geld zelf kunnen voorschieten.

Voor 2004 hebben 30 Belgische steden en gemeenten waarvan 9 Vlaamse, 6 Brusselse en 15 Waalse een programma ingediend om van de federale overheid subsidies te verkrijgen voor ontwikkelingsprojecten. Lokale besturen zowel in het noorden als in het zuiden spelen een steeds belangrijkere rol in kleinschalige projecten, capaciteitsopbouw van lokale besturen en een impactvolle sensibilisering. De resultaten zijn heel vaak bemoedigend.

Als antwoord op mijn vraag om uitleg nr. 3-214, zei de minister enkele weken geleden "We kunnen er dus van uitgaan dat het KB wordt getekend tegen 15 mei aanstaande", wat op zich al schromelijk te laat is. Straks gaan we de zevende maand van het jaar in en er is nog altijd geen teken van KB. De dertig betrokken steden en gemeenten verkeren in de grootste onzekerheid.

Informeel werd een bedrag van 1,6 miljoen euro toegezegd voor dit programma. In 2003 werd 1.487.361 euro voor dit programma uitgetrokken. Conform de procedure van 2003 zou er begin dit jaar al 50% gestort moeten zijn op de rekeningen van de gemeenten. Stilaan naderen we de tweede virtuele storting van nog eens 30%. Dat maakt dat al 1.250.000 euro aan de gemeenten moest zijn gestort. Voor het gros van de gemeenten zijn dit omvangrijke budgetten die hen in staat stellen hun ontwikkelingsprojecten te realiseren. Ongeveer de helft van de gemeenten is nog niet gestart met zijn jaarproject bij gebrek aan voldoende eigen middelen. De andere helft schiet het voor uit eigen kas. Uit een telefonische rondvraag die ik bij de betrokken gemeenten heb gedaan, blijkt dat de gemeentelijke internationale samenwerking dit jaar dreigt weg te vallen.

Wanneer wordt het koninklijk besluit aangaande de gemeentelijke internationale samenwerking gepubliceerd?

Waarom loopt de publicatie van dit koninklijk besluit zoveel vertraging op?

Worden er maatregelen genomen opdat de gemeenten door de erg laattijdige publicatie alsnog hun programma's zouden kunnen uitvoeren?

Is al begonnen met de voorbereidingen voor 2005 zodat onzekerheid voor de gemeenten kan worden voorkomen en het koninklijk besluit tijdig kan worden gepubliceerd? Zo ja, wanneer mogen we dit voorstel verwachten?

In het antwoord dat de minister gaf op mijn vorige vraag om uitleg, gaf hij aan dat zijn keuze uitging naar een meerjarenplanning. Welke stappen zijn in die zin al gezet?

Er bestaat zowel een Vlaams als een federaal programma voor de gemeentelijke internationale samenwerking. Wordt gekozen voor een beleid waarin beide elkaar versterken, of wordt de onderlinge concurrentie gehandhaafd? Vindt hieromtrent overleg plaats met Vlaanderen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Zowel ikzelf als mijn administratie zijn overtuigd van de betekenis van het gedecentraliseerde bestuur, in dit geval de steden en gemeenten. In het kader van de responsabilisering zijn het echter de gemeentelijke verenigingen die de verantwoordelijkheid dragen voor de implementatie, de opvolging en de evaluatie van de programma's.

De administratie dient erover te waken dat de toekenning van de subsidie en de uitvoering van het programma overeenstemt met de wet betreffende de Belgische Internationale samenwerking van 25 mei 1999 en met de regelgeving van de rijkscomptabiliteit.

Met betrekking tot de criteria van de ontwikkelingsrelevantie, vastgelegd in artikel 4 van de wet van 1999, en ondanks de externe evaluatie en promotiefolders, heeft de administratie sinds het begin van de gesubsidieerde gemeentelijke werking geen informatie of evaluaties ontvangen die de positieve verhalen op het terrein concreet bevestigen.

Wat het actieplan 2004 betreft, werd het koninklijk besluit op 5 juni 2004 door de Koning ondertekend. De gemeentelijke verenigingen werden op 11 juni 2004 over het toegekende bedrag geÔnformeerd. Het koninklijk besluit voorziet in een bedrag van 1.515.693 euro, wat een toename met 10% betekent in plaats van de gevraagde 1.614.417,43 euro, wat een toename met 16% zou zijn geweest. DGOS wacht op een aangepast budget van de Belgische Vereniging voor Steden en Gemeenten. Het bedrag dat in het koninklijk besluit is opgenomen, is gebaseerd op de werking van de verenigingen in het verleden.

Grote veranderingen hebben zich in het actieplan 2004 niet voorgedaan, maar het aantal projecten werd verminderd en de voorbereidingen voor de meerjarenprogramma's zijn opgevat op een manier die twijfel doet rijzen over hun efficiŽntie.

Meer concreet baseert de administratie zich op de volgende gegevens. De begroting in 2000 bedroeg 50 miljoen Belgische frank. Na twee jaar bedroeg het niet gebruikte deel 10.602.201 frank voor 18 gemeentelijke projecten.

Pas in 2002 werd een nieuwe aanvraag ingediend voor 1.487.361 euro - ongeveer 60 miljoen frank. Na afrekening bedroeg het niet gebruikte deel 282.960 euro - ongeveer 11,3 miljoen frank voor 29 gemeentelijke projecten.

In 2003 werd opnieuw 1.487.361 euro aangevraagd. Dit bedrag werd op verzoek van de Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten teruggebracht tot 1.382.837,75 euro voor 34 gemeentelijke projecten. De eindafrekening wordt verwacht op 30 juni 2004.

In 2004 wordt 1.614.417,43 euro gevraagd, wat door de administratie werd teruggebracht tot 1.515.693 voor 30 projecten met dezelfde gemeenten. Zonder de eindafrekening te kennen, betekent dit een stijging van 10%.

Wat de duurtijd betreft, kan ik het volgende mededelen. Aanvragen voor de subsidie omvatten het volledige actieprogramma. De bundel bevat de aanvraag, de verantwoording en een technisch-financieel dossier - het lastenboek - dat door DGOS, de Inspectie van FinanciŽn en de Beleidscel wordt onderzocht alvorens de ondertekening kan plaatsvinden. Te rekenen vanaf het definitieve aanvraagdossier tot de ondertekening van het koninklijk besluit, bedraagt de gemiddelde omlooptijd acht weken.

Een eerste dossier werd ingediend op 20 januari 2004. Na belangrijke aanvullingen, vooral in verband met de realisatie van het meerjarenprogramma, werd op 16 april 2004 een aangepaste versie ontvangen. Het koninklijk besluit werd definitief ondertekend op 5 juni 2004. Ondanks de vakantiedagen van mei bedraagt de duurtijd iets minder dan zeven weken.

De volgende vragen behoren veeleer tot het terrein van de gemeentelijke verenigingen.

DGOS is geen vragende partij en wil niet tornen aan beleidslijnen, waarbij zou worden getwijfeld aan de verantwoordelijkheid van de aanvragers. DGOS is dus niet van plan het beheer - planning, uitvoering, opvolging, evaluatie - van de BVSG over te nemen. Dat neemt niet weg dat het functioneren van de BVSG, ondanks de geboden hulp zorgen baart. De BVSG heeft er meermaals blijk van gegeven moeite te hebben om op eigen benen te staan. In het belang van de synergie en de eigenheid van de diverse regionale verenigingen werd de internationale cel van de BVSG aangepast, wat de interne discussies ten goede kan komen en tot meer samenwerking en coherentie zal leiden.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De gemeenten hebben dus op 11 juni vernomen dat het koninklijk besluit er is. Heb ik goed begrepen dat de vertraging bij de opstelling van het koninklijk besluit het gevolg was van de twijfels van uw administratie over de ontwikkelingsrelevantie van dit project? Heeft de minister ook vragen over de ontwikkelingsrelevantie en de mogelijkheden ervan in de toekomst? Wordt dit project niet voortgezet?

De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De ontwikkelingsrelevantie wordt door de administratie onderzocht conform artikel 4 van de wet van 1999. Dat verklaart gedeeltelijk de vertraging. De dossiers waren oorspronkelijk onvoldoende gestoffeerd om juiste beslissingen te kunnen nemen. Er werden bijkomende inlichtingen ingewonnen om over de ontwikkelingsrelevantie te kunnen beslissen. Dit euvel is nu van de baan. De gemeenten en BVSG weten nu hoe dit probleem moet worden aangepakt.

De internationale cel van de BVSG werd aangepast. Dat moet het probleem in de toekomst voorkomen. Als dit wordt bewaarheid, is er geen enkel probleem om de plannen verder uit te voeren. Het is dus niet mijn bedoeling om daar een punt achter te zetten.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik begrijp dat de gemeenten en de BVSG de begeleiding versterken en dat het project wordt uitgevoerd. Dat is positief. De gemeenten hebben immers een verantwoordelijkheid in deze materie. Ik benadruk dat het uitblijven van het koninklijk besluit en de onzekerheid die daarvan het gevolg was, de gemeenten niet heeft gemotiveerd om hun dossier op een gepaste manier in orde te brengen. Men kan de hete aardappel van de ene naar de andere overheid blijven doorschuiven. Mijn telefonische bevraging bij de gemeenten heeft mij geleerd dat ze in grote onzekerheid over dit dossier verkeerden.

De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik zou daarmee akkoord kunnen gaan, ware het niet dat vanaf het begin is gezegd op welke punten moest worden bijgestuurd. Misschien hebben de gemeenten dat niet ernstig genoeg genomen, met alle gevolgen van dien. Ik heb ondertussen vastgesteld dat ze nu wel weten hoe die dossiers moeten worden afgehandeld.