3-61

3-61

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 3 JUNI 2004 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęhet tekort aan voogden voor de niet-begeleide minderjarige vreemdelingenĽ (nr. 3-281)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het verdwijnen van niet-begeleide minderjarige asielzoekers in BelgiŽ neemt dramatische vormen aan. Child Focus, het centrum voor vermiste kinderen, opent iedere dag minstens ťťn nieuw dossier. Al duizend minderjarigen, afkomstig uit landen buiten de Europese Unie, zijn spoorloos. Per maand komen zowat 150 minderjarigen zonder ouders ons land binnen, of naar schatting 1800 per jaar. Sommigen vragen asiel in BelgiŽ, anderen zijn het slachtoffer van kinderhandel, nog anderen zien BelgiŽ als een transitland en `verdwijnen' na verloop van tijd weer. Zo blijkt uit het jaarverslag van Child Focus dat in 2003 slechts een honderdtal vermiste minderjarigen kon worden opgespoord, terwijl er 896 als `verdwenen' werden gesignaleerd. Uit de statistieken van Child Focus blijkt dat ongeveer 80% van deze kinderen jongens zijn en 20% meisjes. Een betere opvang en opvolging van deze minderjarigen is dan ook hoog nodig. Een stap in de goede richting was het instellen van een voogdijstelsel, ware het niet dat dit stelsel op een mislukking dreigt uit te lopen indien niet wordt ingegrepen.

Er wordt tussen de federale regering en de deelstaten sinds jaren getwist over de bevoegdheden inzake opvang van de specifieke groep van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. De verdeling van het kostenplaatje was daar natuurlijk niet vreemd aan. Uiteindelijk werd er in de programmawet van december 2002 een regeling goedgekeurd tot het instellen van een voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Er werd geen vaste datum voor inwerkingtreding bepaald omdat er nog geen akkoord was met de Gemeenschappen. Na veel talmen en twisten verscheen er op 22 december 2003 eindelijk het koninklijke besluit tot regeling van de inwerkingtreding.

Alle niet-begeleide minderjarige buitenlanders, welk statuut ze ook hebben, moesten bijgevolg vanaf 1 mei een voogd toegewezen krijgen onder coŲrdinatie van de Dienst Voogdij, onderdeel van de FOD Justitie, een bevoegdheid van de minister van Justitie.

Er hebben zich echter slechts ongeveer 50 mensen kandidaat gesteld om voogd te worden van een niet-begeleide minderjarige, wat veel te weinig is.

Ik heb toevallig de advertentie gezien waarmee bekend werd gemaakt dat mensen zich kandidaat konden stellen om voogd te worden. Ik sta achter de idee van dergelijke advertenties, maar ik ben van oordeel dat er heel wat schort aan de communicatie rond dit thema. Als de minister de advertenties gezien heeft, zal ze inzien dat ze op een onbegrijpelijke manier zijn opgesteld. Het is immers onmogelijk te achterhalen welk engagement er van de voogd verwacht wordt, of hij het kind bij zich thuis moet opvangen, of hij alleen maar een juridische verantwoordelijkheid heeft, enzovoort. Ik kreeg verschillende vragen van mensen die de kinderen wel een warm hart toedragen en bereid zijn zich te engageren maar die de advertentie helemaal niet begrepen hebben. Ik heb die mensen doorverwezen naar de diensten van de minister.

De voogden mogen maximum 25 personen tegelijk begeleiden. Gelet op het gemiddelde aantal nieuwe minderjarigen dat elk jaar binnenkomt, zijn er per jaar minstens 64 voogden nodig om de nieuw aangekomen minderjarigen te begeleiden.

Met amper 50 personen zijn er zelfs dit jaar al grote tekorten. Daarbij zijn dan de minderjarige onbegeleide vreemdelingen nog niet gerekend die zich al in het land bevonden en die ook recht hebben op een voogd. Het is dus duidelijk dat er dringend aanpassingen nodig zijn aan het systeem van opvolging van de minderjarige niet begeleide vreemdelingen, alsook aan het voogdijstelsel.

Welke beleidsmaatregelen overweegt de minister om het voogdijstelsel wel operationeel te maken?

Is er een betere communicatie gepland en een verduidelijking van de jobinhoud en van de arbeidsvoorwaarden, zodat er meer voogden kunnen worden aangesproken?

Is er een aanpassing mogelijk van de vergoeding en een verbetering van de begeleiding van de voogden?

Overweegt de minister het subsidiŽren van de NGO's die zich specifiek bezighouden met de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen?

Heeft de minister andere plannen ter zake?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het is misschien wat voorbarig om slechts na een maand werking van de dienst Voogdij te concluderen dat die dienst niet operationeel zou zijn. Op een maand tijd heeft deze dienst 208 signalementen van niet-begeleide minderjarigen geregistreerd en meer dan 70 jongeren onder voogdij geplaatst. Het gaat zowel om minderjarigen die reeds aanwezig waren op het grondgebied vůůr 1 mei 2004 als om jongeren die na de inwerkingtreding van de dienst in ons land zijn aangekomen.

Het permanentiewerk van de dienst en de samenwerking met Fedasil hebben ertoe geleid dat meer dan 92 niet-begeleide minderjarigen naar een noodopvangcentrum zijn overgebracht. Het merendeel van hen is ondergebracht in het huisvestingscircuit van de structuren van Fedasil.

Momenteel zijn er ongeveer 40 voogden en zullen er nog 47 andere worden benoemd. Dagelijks komen er gemiddeld twee kandidaturen binnen.

Elke operationele voogd heeft een basisopleiding gevolgd in overeenstemming met de wettelijke voorschriften. Daarnaast moet de nieuwe dienst samenwerkingsprotocollen uitwerken, onder meer met de Dienst Vreemdelingenzaken en met de diensten die bevoegd zijn inzake opvang.

Om het tekort aan voogden te dekken, zal ik op korte termijn een massale oproep doen via een communicatiecampagne. De doelgroep bestaat uit burgers, maar ook uit verenigingen die rechtstreeks of onrechtstreeks werkzaam zijn in de sector van de opvang en de begeleiding van niet-begeleide minderjarigen.

De dienst heeft een brief gestuurd naar ongeveer 300 organisaties die werkzaam zijn in de sector van het jeugdrecht, de kinderrechten en het vreemdelingenrecht. Tevens is in de maand april een oproep tot kandidaat-voogden op de website van de FOD Justitie geplaatst.

De taakinhoud en de werkvoorwaarden worden op de website van de FOD Justitie goed uitgelegd en er wordt geantwoord op de meest gestelde vragen. Blijven er nog vragen open, dan blijft het personeel van de Dienst Voogdij vanzelfsprekend ter beschikking.

Momenteel wordt er onderzocht of er een verhoging van de forfaitaire vergoedingen mogelijk is. Die verhoging zou de NGO's in staat moeten stellen om de vergoedingen van voogden door hun personeelsleden financieel mogelijk te maken. De aanpassing zou tot een verhoging van het aantal voogden moeten leiden evenals tot een inschakeling van vele professionelen uit de sector.

Bepaalde vragen omtrent de fiscale vrijstelling van de forfaitaire vergoeding die aan de voogden wordt uitgekeerd, worden onderzocht door de FOD FinanciŽn.

Naast de genoemde webstek hebben de Dienst Voogdij en de FOD Justitie een vorming van de voogden georganiseerd. Per maand is er twee en een halve dag vorming. Er is ook een begeleiding van de voogden in samenwerking met de externe medewerkers uit de verenigingswereld en de overheid.

Bovendien verplicht het koninklijk besluit de voogd om jaarlijks een voortgezette multidisciplinaire opleiding te volgen. Die wordt georganiseerd door de Dienst Voogdij.

Na de eerste weken ervaring werkt de Dienst Voogdij aan de eerste algemene richtlijn voor de voogden.

De Dienst Voogdij overweegt binnenkort, op vraag van enkele operationele voogden, een beroepsorganisatie van voogden op te richten. De taken ervan zullen gericht zijn op de bevordering van de communicatie, het verspreiden van informatie en het harmoniseren van praktijken inzake voogdij.

Op het niveau van het kabinet wordt de mogelijkheid bestudeerd om de NGO's, die actief zijn in de sector, op permanente wijze te subsidiŽren. Er hebben reeds twee ontmoetingen met vertegenwoordigers van deze organisaties plaatsgehad.

Ik beoog een optimaal beleid, dit vanzelfsprekend binnen de grenzen van het beschikbare budget.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik hoop dat de campagne die de minister plant, en de verbetering van het statuut waaraan zij werkt, het probleem zullen oplossen en dat de geplande vorming zal beantwoorden aan de kwaliteitsvereisten. Ik hoop uiteraard dat dit project slaagt.