Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-73

ZITTING 2002-2003

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Sociale Zaken en Pensioenen (Sociale Zaken)

Vraag nr. 2674 van mevrouw de Bethune d.d. 14 februari 2003 (N.) :
Gelijke kansen voor mannen en vrouwen. ­ Aandacht in het beleid in 2002.

Krachtens de wet van 6 maart 1996 « strekkende tot controle op de toepassing van de resoluties van de Wereldvrouwenconferentie in Peking » heeft de federale regering de verplichting jaarlijks verslag uit te brengen aan het federale Parlement over het beleid dat werd gevoerd inzake de doelstellingen van deze conferentie.

Vorig jaar stelde ik u een schriftelijke vraag over de middelen die u had ingeschreven in uw begroting van 2002 ter verwezenlijking van de gelijke kansen van vrouwen en mannen in het beleid, en welke strategische doelstellingen inzake gelijke kansen van mannen en vrouwen u bepaald had (schriftelijke vragen nrs. 1672 tot 1688 van 23 november 2001).

Ondertussen zouden de strategische doelstellingen moeten gerealiseerd zijn en de effectief gerealiseerde uitgaven gekend.

1. Welke concrete beleidsmaatregelen en acties hebt u in 2002 genomen ter bevordering van de gelijke kansen van vrouwen en mannen en met welk resultaat ?

2. Hoeveel werd in 2002 effectief uitgegeven (volgens de rekeningen), in globo en per post, ter bevordering van de gelijke kansen van vrouwen en mannen binnen uw bevoegdheidsdomein ?

Antwoord : In antwoord op de vraag van het geachte lid kan ik het volgende meedelen.

Voor 2002 heb ik als strategische doelstelling vooropgesteld : « Concrete beleidsstrategieën uit te werken voor het doorbreken van het rollenpatroon bij de verdeling van zorgtaken ». Daartoe werd in de loop van 2002 een studieproject op het getouw gezet dat op 18 maart 2003 met een symposium werd afgerond.

Dit project heb ik reeds besproken in het antwoord dat ik heb gegeven op vraag nr. 1679 die het geachte lid me op 23 november 2001 stelde.

Beleidsmaatregelen :

1. Gezinsbijslag

Er is een wettelijke en een reglementaire wijziging in het stelsel van de gezinsbijslag voor werknemers doorgevoerd die onrechtstreeks de gelijke kansen van mannen en vrouwen kan bevorderen.

Het koninklijk besluit van 16 juli 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 april 1984 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, breidde met ingang van 1 augustus 2002 de groep « rechthebbenden met personen ten laste » op de bijkomende sociale kinderbijslag voor langdurig arbeidsongeschikten en werklozen en voor gepensioneerden uit.

Als rechthebbende met personen ten laste, wordt nu ook beschouwd, de rechthebbende gescheiden levende ouder, als de andere ouder bijslagtrekkende is voor één of meer kinderen voor wie de rechthebbende een recht opent op kinderbijslag, op voorwaarde dat die bijslagtrekkende geen huwelijk aangaat, geen feitelijk gezin vormt en geen beroeps- of vervangingsinkomsten geniet die hoger zijn dan de in het voormelde koninklijk besluit van 12 april 1984 opgenomen toegelaten maximumgrens.

Zo wordt voortaan op niet gehuwde ouders die gescheiden leven, ongeacht of ze ooit samengewoond hebben, dezelfde juridische regeling met betrekking tot de toekenning van de bijkomende sociale kinderbijslag toegepast als op gehuwde ouders die gescheiden gaan leven of scheiden.

De budgettaire impact van deze wijziging zou ongeveer 1 065 000 euro per jaar bedragen.

De programmawet van 24 december 2002 wijzigt artikel 51, § 3, eerste lid, 6o, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, met betrekking tot de rechthebbende voor de kinderen van de persoon waarmee hij een gezin vormt, of die geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen door deze persoon, of voor de kinderen van de gewezen echtgenoot, of die geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen zijn door de gewezen echtgenoot. Deze wijziging maakt het mogelijk voor deze rechthebbende om met ingang van 1 januari 2003 een recht op kinderbijslag te openen wanneer deze kinderen geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende.

De budgettaire impact van deze wijziging zou minimaal zijn.

2. Onderwerping

a) Sociale bescherming voor meewerkende echtgenoot van zelfstandigen

De programmawet van 24 december 2002 voert met ingang van 1 januari 2003 een sociaal en fiscaal statuut van de meewerkende echtgenoot in. De meewerkende echtgenoten van zelfstandigen worden gedurende een eerste periode, die eindigt op 1 januari 2006, verplicht onderworpen aan de ziekte- en invaliditeitsverzekering, tak uitkerings- en moederschapsverzekering, omdat dit de enige tak is binnen het sociaal statuut waarvoor zij thans geen afgeleide rechten genieten via hun partner. Tijdens die eerste periode kunnen zij nochtans ook vrijwillig toetreden tot het volledige sociaal statuut van zelfstandigen, zodat zij volwaardig sociaal verzekerd worden. Niet alleen voor uitkeringen via de ziekteverzekering, maar ook voor pensioen, gezondheidszorg en gezinsbijslagen.

Daarna, vanaf de tweede fase, wordt er voor alle personen die gehuwd zijn of contractueel samenleven met een zelfstandige, en die geen eigen sociaal statuut bezitten, van uit gegaan dat ze onderworpen zijn aan het gehele sociaal statuut van zelfstandige. Zij zullen dit vermoeden kunnen weerleggen via een verklaring op eer dat zij hun partner niet helpen in de zaak. Er wordt een overgangsregeling uitgewerkt voor oudere personen die geen loopbaan kunnen opbouwen die lang genoeg is om recht te hebben op een pensioen. Deze personen zullen een lagere bijdrage betalen.

Het nieuwe statuut voor de meewerkende echtgenoten bevat ook een belangrijk fiscaal luik. Voortaan wordt er van uit gegaan dat ze een volwaardig eigen beroepsinkomen hebben, hetgeen fiscaal betekent dat zij hun eigen sociale bijdragen als kost kunnen aftrekken, dat zij een forfait voor beroepskosten van 5 % zullen kunnen toepassen op hun beroepsinkomen, en dat ze in aanmerking komen voor het toekomstige belastingskrediet indien hun inkomen bescheiden is.

b) Sociale bescherming van onthaalouders

Titel III van de programmawet van 24 december 2002 voorziet maatregelen in verband met de sociale bescherming van onthaalouders.

Deze maatregelen voorzien in een sociale dekking wat gezondheidszorgen (ziekte en invaliditeit), rustpensioen, kinderbijslag, arbeidsongevallen en beroepsziekten betreft. De betrokkenen hebben ook recht op een opvanguitkering vanwege de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening wanneer een kind dat normaalgezien opgevangen wordt niet naar de opvang komt. Deze maatregel heeft het voordeel dat aan de onthaalouders uit hoofde van hun beroep een sociale bescherming geboden wordt; dit beroep wordt voor het merendeel door vrouwen uitgeoefend.

3. Geneeskundige verzorging en uitkeringen

Vanaf 1 juli 2002 werd het vaderschapsverlof van drie op tien dagen gebracht, te kiezen door de betrokkene binnen de dertig dagen vanaf de bevallingsdatum. Voor de drie eerste dagen ontvangt de werknemer zijn normale loon. Voor de volgende zeven dagen heeft hij recht op een uitkering van 82 % van zijn geplafonneerd gederfde loon ten laste van de uitkeringsverzekering.

Een adoptieverlof van tien dagen voor de vader én de moeder werd eveneens voorzien om een kind in het kader van een adoptie in zijn familie op te nemen; te kiezen binnen dertig dagen die volgen op de inschrijving van het kind in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van zijn hoofdverblijfplaats.

Sedert 1 juli 2002 werden in deze wetgeving de borstvoedingspauzes ingevoerd. De werkneemster die haar kind wil zogen ontvangt tot zeven maanden na de geboorte uitkeringen voor de uren (een uur per dag bij voltijds werk) of de halve uren (bij deeltijds werk) borstvoedingspauze die haar werden toegekend overeenkomstig de arbeidsreglementering.

Deze uitkering is gelijk aan 82 % van het bruto-loon van het niet-geplafonneerde gederfde loon dat verschuldigd was voor de uren of halve uren borstvoedingspauzes.

Ten slotte werd er nog in het stelsel van de zelfstandigen een moederschapsverzekering gecreëerd voor zelfstandige werkneemsters en voor meewerkende echtgenoten, verschillend van de verzekering voor arbeidsongeschiktheid.

Het moederschapsverlof werd van 3 op 6 weken gebracht en de forfaitaire uitkering respectievelijk van 962,03 euro (bedrag op 1 februari 2002) op 1 924,06 euro.

Voor de bevordering van gelijke kansen van vrouwen en mannen werd in het budget 2002 van mijn beleidsdomein geen specifieke post voorzien. De realisatie van de strategische doelstelling is bijgevolg begrepen in het budget 2002 van de sector Sociale Zekerheid.