2-250

2-250

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 12 DÉCEMBRE 2002 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Projet de loi concernant les méthodes particulières de recherche et quelques autres méthodes d'enquête (Doc. 2-1260)

Discussion générale

M. le président. - Dans l'attente de la rapporteuse, Mme Taelman, je donne la parole à M. Vandenberghe.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Verschillende onderzoekscommissies in Kamer en Senaat hebben, tijdens de huidige en de vorige zittijd, aangedrongen op een wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsmethoden. De vraag naar een wettelijk kader werd in het verleden gesteld, onder meer vanuit de bendecommissies, de commissie-Dutroux en de commissie Georganiseerde Criminaliteit van de Senaat. Terzake is bijvoorbeeld het Tweede Tussentijds Verslag 1997-1998 van de Opvolgingscommissie bijzonder verrijkend.

Ook vanuit het Comité I wordt gepleit voor een wettelijke regeling voor de bijzondere opsporingstechnieken die door de Staatsveiligheid worden gehanteerd.

De bijzondere opsporingsmethoden zijn een realiteit op het terrein die al vele jaren geregeld wordt via geheime omzendbrieven uit 1990 en 1992. Een wettelijke regeling was dus een absolute noodzaak, ook en vooral gelet op artikel 8 van het EVRM en de rechtspraak van het Europese Hof Mensenrechten dat de wettelijke basis voor bijzondere opsporingstechnieken altijd heeft onderstreept. Dat nu eindelijk aan de bijzondere opsporingsmethoden een wettelijke basis wordt gegeven, kan de volledige goedkeuring van de CD&V-fractie wegdragen.

Ik wijs er echter onmiddellijk op dat de huidige aanpak voor de Vlaamse christen-democraten beter had gekaderd in een meer globale aanpak van de georganiseerde criminaliteit. De minister weet dat ik meermaals heb gepleit voor een algemene antimaffiawet. De huidige aanpak, hoe verdienstelijk ook, heeft een vertragend effect en laat andere problemen onaangeroerd. Zo blijft de vraag of de Staatsveiligheid telefoontap kan uitvoeren. In een interview met vijf procureurs des Konings in de Financieel Economische Tijd van vorige zaterdag, verklaart de nieuwe procureur des Konings van Brussel, de heer De Gryse, dat de georganiseerde criminaliteit in alle sectoren van het leven steeds verder doordringt. We slagen er dus niet in dit probleem onder controle te krijgen, integendeel, het wordt steeds groter. De aanpak via verschillende wetten is meer een soort salamipolitiek dan een coherente aanpak van de georganiseerde criminaliteit.

In dit verband heb ik tijdens de bespreking in de commissie ook gewezen op een nieuw fenomeen dat mijns inziens de volgende jaren nog aan betekenis zal winnen, namelijk de link tussen de georganiseerde, zware criminaliteit en terroristische activiteiten. Om dergelijke vormen van criminaliteit aan te pakken, is er nood aan een anticiperende overheid. Een goed doordachte antimaffiawet zou een voorbeeld kunnen zijn van het proactief optreden van de overheid, die al te vaak reactief handelt.

In verband met het voorliggende ontwerp wil ik twee grote vaststellingen doen. Een eerste betreft het evenwicht tussen de nodige rechtsbescherming en de nood aan soepelheid. Een tweede behandelt een aantal meer specifieke opmerkingen in verband met de tekst.

Mijn eerste punt is dus het evenwicht tussen rechtsbescherming en het vermijden van contrastrategieën. De nood aan een wettelijk kader is evident en kan door iedereen worden ondersteund. De parketten en politiediensten zijn vragende partij voor een duidelijke wettelijke regeling. Bijzondere opsporingmethoden houden vaak een verregaande inbreuk in op de privacy van personen en wijken vaak sterk af van de gewoonlijk gehanteerde onderzoeksprocedures. Niet zelden is de grens met een inbreuk op de rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces flinterdun. De wetgever moet op dit punt dus voorzichtig zijn. Dit bleek ook duidelijk in de hoorzittingen. Het gebruiken van bijzondere opsporingstechnieken kan natuurlijk gemakkelijk aanleiding geven tot misbruiken.

Tegelijk moeten we vermijden een té gedetailleerd beschrijving te geven van de wijze waarop de opsporingsmethodes worden uitgevoerd om het uitwerken van contrastrategieën door de georganiseerde criminaliteit te voorkomen. Het uitwerken van een wet die de bijzondere opsporingstechnieken een wettelijk kader biedt, is dus steeds een moeilijke evenwichtsoefening.

In dit verband is het zeker geen overbodige luxe om onder meer bij onze noorderburen te rade te gaan en rekening te houden met de ruime praktijkervaring die zij reeds hebben opgedaan, zowel op het vlak van uitschuivers door de uitvoerende politiediensten - de minister zal zich zonder twijfel de IRT-affaire herinneren die aanleiding heeft gegeven tot de parlementaire onderzoekscommissie-Van Traa - als op het vlak van het uitwerken van een nieuwe wetgeving inzake bijzondere opsporingsmethodes.

Het evenwicht tussen beide bekommernissen is ontegensprekelijk altijd delicaat. De CD&V-fractie is van oordeel dat het ontwerp dat we vandaag bespreken in het algemeen dit evenwicht goed tracht te bereiken. Tijdens de bespreking in de commissie hebben verscheidene leden geprobeerd de tekst toch nog verder te verbeteren en evenwichtiger te maken. Op een paar punten van deze discussie zal ik nu verder ingaan met specifieke opmerkingen, die meteen ook betrekking hebben op de amendementen die we opnieuw hebben ingediend.

Ik begin met de strafuitsluitende verschoningsgrond en het recht van overheidsambtenaren en meer bepaald politiediensten om wederrechtelijke handelingen te plegen. Ik begrijp volkomen dat vermeden moet worden dat criminele organisaties gebruik kunnen maken van de zogenaamde `lakmoesproef' en dat daarom de publicatie van een lijst van toelaatbare inbreuken in het Belgisch Staatsblad bijzonder delicaat is. De minister heeft dit in de commissie trouwens herhaaldelijk onderstreept.

Toch vraag ik me af of er niet ergens een absolute grens moet zijn, los van de feiten of criminele organisaties die door de politiediensten worden onderzocht. In dit verband kunnen we denken aan het niet aantasten van de fysieke integriteit van personen. Moet de samenleving dit niet principieel als norm vastleggen, zonder de toepassing van de bijzondere methodes onmogelijk te maken?

In dit verband stelde de Raad van State trouwens vast dat het bezwaarlijk toelaatbaar lijkt dat de staat zijn eigen ambtenaren kan toestaan bepaalde soorten strafbare feiten te begaan, terwijl diezelfde staat krachtens de artikelen 2, 3 en 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens eenieders recht op leven moet beschermen en foltering, onmenselijke of vernederende handelingen, slavernij en dwangarbeid moet verbieden.

In deze context moeten we er ook op wijzen dat het internationaal recht inderdaad reeds absolute grenzen stelt, zoals bijvoorbeeld het verbod op foltering. Naar mijn oordeel kan hierop in geen enkel geval een uitzondering worden gemaakt en de wet kan ook niet in die zin worden gelezen, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks. Dit geldt echter niet voor alle mensenrechten en daarom kan eventueel toch een zekere grens overwogen worden.

Bepaalde noodsituaties waarin politieambtenaren in de praktijk toch kunnen terechtkomen en waarbij de diensten effectief geweld gebruiken, kunnen bovendien nog steeds ondervangen worden met de bestaande rechtsfiguren, zoals de wettige zelfverdediging.

In mijn uiteenzetting in de commissie heb ik als oplossing voor dit probleem gepleit voor de opheffing van de wederrechtelijkheid in plaats van te zeggen dat er geen misdrijf is.

Een tweede opmerking betreft de vereiste van proportionaliteit bij een observatie, die een verregaande inbreuk op de privacy van de burger kan uitmaken, temeer daar ze niet is aangekondigd. Volgens de huidige tekst is de proportionaliteit enkel vereist voor de observaties die gebruik maken van technische hulpmiddelen. Het lijkt ons beter ook voor de gewone observaties de proportionaliteit in de wet op te nemen. Onnodig te zeggen dat we moeten vermijden dat voor allerlei kleinere feiten systematische observaties worden georganiseerd.

Een derde aandachtspunt betreft de wettelijke basis voor de bijzondere politionele onderzoekstechnieken. De wet machtigt de Koning om daar een regeling voor uit te werken, zoals de pseudokoop, de gecontroleerde aflevering en dergelijke. Deze technieken zijn onontbeerlijk in de strijd tegen de zware criminaliteit. Dit staat trouwens duidelijk te lezen in de verslagen van de Opvolgingscommissie inzake de Georganiseerde Criminaliteit. Voor de rechtszekerheid en gelet op het verregaande karakter van de gehanteerde technieken, lijkt het ons evenwel aangewezen in de wet zelf duidelijk te omschrijven welke technieken in ons land toegelaten zijn. Dit is een materie die de wetgever niet mag overlaten aan de Koning, hij moet daarover zelf expliciet en duidelijk uitspraak doen.

Een vierde punt slaat op inkijkoperaties met het oog op het verzamelen van bewijsmateriaal. De tekst van het ontwerp maakt die mogelijk. Voor de CD&V-fractie zou de inkijkoperatie beter worden teruggeschroefd tot de eerste en de derde finaliteit. Het speurend rondkijken en het binnendringen van de woning om afluisterapparatuur te plaatsen zijn aanvaardbaar. Het verzamelen van harde bewijzen die men bij een inkijkoperatie vindt, zou uitsluitend mogen gebeuren middels een rechtsgeldig huiszoekingsbevel in aanwezigheid en met kennis van de verdachte, desgevallend in onmiddellijke navolging van de inkijkoperatie. Vanzelfsprekend is dit een afweging die de wetgever moet maken, aangezien dit het verdere verloop van het gerechtelijk onderzoek of opsporingsonderzoek sterk kan beïnvloeden.

Dit zijn de kanttekeningen die de CD&V-fractie maakt bij dit ontwerp, dat in globo evenwel onze steunt zeker verdient. Onze fractie zal evenwel rond de gemaakte punctuele opmerkingen tijdens de plenaire vergadering opnieuw amendementen indienen ten einde ze opnieuw ter discussie te stellen.

(Mme Sabine de Bethune, première vice-présidente, prend place au fauteuil présidentiel.)

Mevrouw Martine Taelman (VLD), rapporteur. - De commissie voor de Justitie van de Senaat heeft dit wetsontwerp besproken tijdens de vergaderingen van 15 en 22 oktober, 6 en 13 november en 10 december 2002.

Het ontwerp regelt een aantal opsporingsmethoden die als bijzonder gekenmerkt worden door het heimelijk karakter, de mogelijke inbreuk op de fundamentele grondrechten, de eventuele aantasting van het beginsel van de loyaliteit in de bewijsgaring en door het feit dat ze het recht op een billijk proces in gevaar kunnen brengen. Alhoewel de meeste methoden reeds in de praktijk worden toegepast, zijn ze voorlopig nog gebaseerd op een precaire juridische basis, namelijk circulaires. Het uitwerken van een wettelijke basis moet volgens de regering ten goede komen aan de rechten van de verdediging, aan de eisen van een billijke procesvoering en aan de verzuchtingen van de betrokkenen zoals politieambtenaren en rechtzoekenden.

Het ontwerp regelt drie methoden, te weten de observatie, de infiltratie en de informantenwerking, en legt de basis voor de technieken die worden toegepast binnen die methoden. Daarnaast worden nog vijf andere methoden omschreven die nauw aanleunen bij de opsporingsmethoden, maar die niet als bijzonder worden omschreven. Hier gaat het over de inkijkoperatie, het gericht afluisteren, het onderscheppen van post, de uitgestelde tussenkomst en het inwinnen van gegevens over bankrekeningen en banktransacties.

Sommige punten van het ontwerp lokten heel wat discussie uit. Het ging onder meer over de rol van de onderzoeksrechter in het geheel en over de kennisgeving van de bijzondere opsporingsmethoden aan de persoon op wie ze zijn toegepast.

De rode draad doorheen de tekst wordt gevormd door subsidiariteit en proportionaliteit. De methoden zijn enkel toepasbaar als de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan en daarenboven moet de gebruikte maatregel in verhouding staan tot de zwaarte van het misdrijf en tot het beoogde doel. Het proportionaliteitsbeginsel en de subsidiariteitsvereiste gelden niet voor de informantenwerking. Belangrijk is ook dat er een verbod is ingesteld op provocatie. Met bewijsmiddelen verkregen door provocatie wordt geen rekening gehouden.

De permanente controle over de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden op het niveau van de magistratuur ligt bij de procureur des Konings, zelfs al is er sprake van een gerechtelijk onderzoek. De procureur des Konings dient in een aantal gevallen ook de federale procureur op de hoogte te brengen. Op het niveau van de politiediensten ligt de controle bij een daartoe speciaal aangewezen officier. Achteraf is er ook steeds een post factum controle mogelijk door de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling. Politieke controle is mogelijk via de jaarverslagen. De rol van de onderzoeksrechter is zowel controlerend, gelet op de soms ernstige bedreigingen van fundamentele rechten, als puur reactief.

Het ontwerp huldigt het principe dat er in het kader van de bijzondere opsporingsmethoden geen misdrijven mogen worden gepleegd, maar bevat toch een aantal uitzonderingen op deze regel. Zo is er een strafuitsluitende verschoningsgrond ingevoerd voor politieambtenaren die zich in bepaalde omstandigheden toch genoodzaakt zien om een misdrijf te plegen. Voorts wordt er een onderscheid gemaakt tussen voorzienbare en onvoorzienbare misdrijven en kan in een aantal gevallen een rechtvaardigingsgrond worden ingeroepen.

De commissie voor de Justitie heeft verscheidene hoorzittingen gehouden, waarop ik kort zal ingaan. Voor meer details verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

De heer Vandermeersch, onderzoeksrechter en vertegenwoordiger van de Association syndicale des magistrats, zegt dat die vereniging vragende partij is voor een wetgevend initiatief in deze materie. Niettemin ziet hij wel enkele knelpunten. Zo haalt hij onder meer de mogelijke aantasting van de persoonlijke levenssfeer aan en de discussie rond het geheime karakter van de methoden. Er zou meer transparantie moeten komen met betrekking tot het vertrouwelijke dossier. De heer Vandermeersch heeft ook problemen met de rol van de onderzoeksrechter, die volgens hem louter instrumenteel zou worden. De politie krijgt een grotere bevoegdheid toebedeeld en het parket een meer centrale rol.

De heer Quairiat, eveneens van de ASM, pleit voor een evenwichtige benadering van het geheel. Alhoewel de wetgeving zeker broodnodig is, dient er alleszins ook met andere aspecten rekening te worden gehouden, zoals de persoonlijke levenssfeer en de mensenrechten in het algemeen.

De vertegenwoordiger van de Liga voor mensenrechten, de heer Lode Van Outrive, en van de Ligue des droits de l'homme, mevrouw Maïté De Rue, laten een deels gelijklopend discours horen. Zo zegt mevrouw De Rue dat het wetsontwerp wel verwacht en gewenst is, maar beide verenigingen zien toch verschillende tekortkomingen opduiken. Ze vinden het toepassingsgebied van het ontwerp te ruim en zien een verschuiving van de rechterlijke macht naar de uitvoerende macht, waardoor onder meer de rol van de onderzoeksrechter verminderd wordt ten voordele van het parket.

De heren Thomas en De Schutter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer merken op dat de commissie in haar adviezen steeds de voorkeur geeft aan het systeem van een onderzoeksrechter en de controlewaarborgen die deze biedt. De Commissie is in hoofdzaak ingegaan op de problemen die kunnen rijzen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de wetgeving hierrond. Ze heeft de legaliteit, de transparantie, de controleerbaarheid, de subsidiariteit en de proportionaliteit onderzocht en ter zake weinig of geen bijzondere opmerkingen gemaakt.

De heer Henry, vertegenwoordiger van de Union professionelle des magistrats, stelt dat de UPM tevreden is met dit wetsontwerp, maar dat de specifieke bepaling van artikel 47undecies van het ontwerp, dat handelt over de wettigheidscontrole, de procedure nodeloos verzwaart.

Als laatste kwamen de heren Bosquet en De Baerdemaeker van de Ordre des barreaux francophones et germanophone aan de beurt. Volgens hen brengt de tekst de normale uitoefening van de rechten van de verdediging in gevaar.

Tijdens de commissiewerkzaamheden maken verschillende leden van de Senaatscommissie opmerkingen. Alle leden zijn het er evenwel uitdrukkelijk en unaniem over eens dat een wetgevend kader dringend noodzakelijk is.

De heer Vandenberghe haalt aan dat in het verleden reeds verschillende instanties gewezen hebben op de noodzaak van een wettelijke regeling voor de bijzondere opsporingstechnieken. Ook hij is voorstander van een wettelijke regeling, aangezien dit voordelen kan bieden. Niettemin betreurt hij dat er geen algemene wetgeving inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit tot stand is gekomen en dat we nu terechtkomen in een vorm van `salamiwetgeving'. Hij heeft ook vragen met betrekking tot de bewijsmiddelen en het toepassingsgebied van het ontwerp.

Ook de heer Guilbert kaart enkele problemen aan, zoals de rol van de onderzoeksrechter en de mogelijkheid dat politiemensen in een aantal gevallen misdrijven kunnen plegen. Verder doen zich volgens de heer Guilbert ook problemen voor met betrekking tot de notie van het geheim, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de rechten van de verdediging.

Volgens de heer Mahoux balanceert men met de opgesomde technieken tussen een verbetering inzake de efficiëntie van de opsporing en het respect voor de rechten van de verdediging. Hij heeft ook opmerkingen bij de rol van de onderzoeksrechter. Hij vraagt zich af of de tussenkomst van het parket efficiënter zal zijn dan deze van de onderzoeksrechter. Hij heeft ook vragen bij het begrip `provocatie'.

Mevrouw de T' Serclaes vindt het feit dat de bijzondere opsporingsmethoden het voorwerp uitmaken van een controle door het gerecht, een belangrijk element. Zoals de andere sprekers gaat ze in op de rol van de onderzoeksrechter en op de controle op de bijzondere opsporingstechnieken, die in het ontwerp uitsluitend toevertrouwd wordt aan de procureur des Konings. Een ander probleem is volgens haar het vertrouwelijk dossier.

Mevrouw Nyssens doet opmerken dat een evenwicht moet worden gevonden tussen de efficiëntie van het opsporen van misdrijven en het respect voor de rechten van de verdediging. Ze heeft vragen bij het ruime toepassingsgebied van de wet, maar ook bij de rol van de onderzoeksrechter. Ze heeft ook bedenkingen bij de praktische toepasbaarheid van de wet en de transparantie en de tegensprekelijkheid van het geheel.

In zijn antwoord verwijst de minister van Justitie naar de parlementaire onderzoekscommissies die de noodzaak hebben onderstreept van een wettelijk kader voor de bijzondere opsporingsmethoden. Dat de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit in aparte wetten wordt gegoten, kan worden betreurd, maar heeft niet belet dat de ontwerpen steeds op diepgaande manier werden uitgespit.

Hij merkt op dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een gunstig advies heeft gegeven bij het ontwerp. De rol die de onderzoeksrechter toegewezen krijgt, is gebaseerd op het feit dat die rechter in wezen slechts reactief optreedt. Als de onderzoeksrechter de controle over de bijzondere opsporingsmethoden zou krijgen, zouden deze methoden niet meer kunnen worden aangewend in het kader van de proactieve recherche.

Inzake het toepassingsgebied zijn er volgens de minister twee ankerpunten: de wet op de voorlopige hechtenis en het Schengenakkoord. Een ander punt waarover hij duidelijkheid wil scheppen, betreft het vertrouwelijk dossier. Dit is een absolute noodzaak, gelet op het geheime karakter van de methoden. De processen-verbaal zullen dan ook maar na afsluiting van het strafdossier bij het dossier kunnen worden gevoegd. Er wordt een zeer specifieke controle ingesteld.

De minister meent dat het om verschillende redenen niet wenselijk is een limitatieve lijst op te stellen van misdrijven die door politiemensen kunnen worden gepleegd. Het is onmogelijk om elke situatie waarin een politieman kan verzeilen, te voorzien. Zo'n lijst zou het voor het criminele milieu makkelijk maken een dergelijk misdrijf uit te lokken om de politie-infiltrant te ontmaskeren.

Er worden amendementen ingediend door de heren Vandenberghe en Guilbert en door mevrouw Nyssens. Voor de artikelsgewijze bespreking verwijs ik naar het schriftelijk verslag. De commissie heeft het ontwerp ongewijzigd aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Tot slot een technische opmerking. In de door de Kamer aangenomen tekst, stuk 1688/015, is op pagina 13 in artikel 47undecies in de Nederlandstalige tekst een vertaalfout geslopen. Waar `regelmatigheidscontrole' staat, moet `wettigheidscontrole' staan.

Ik geef nu een aantal beschouwingen namens de VLD-fractie. Ons strafrecht dateert grotendeels uit de negentiende eeuw. Op verschillende vlakken hinken zowel het Strafwetboek als het strafprocesrecht hopeloos achter op onze hedendaagse maatschappij. Zo wordt aan de onderzoeksrechter een centrale rol toegekend in het gerechtelijk onderzoek. Nochtans is reeds geruime tijd een evolutie merkbaar. In de praktijk ligt de opsporing grotendeels bij de politie en het openbaar ministerie. Er is over de jaren heen een politionele verzelfstandiging opgetreden. Dat heeft verschillende kritieken op het strafrecht uitgelokt.

We moeten nagaan of de onderzoeksrechter nog een centrale rol dient te spelen, zeker ten aanzien van de bijzondere opsporingsmethoden. De onderzoeksrechters worden nu al overbelast, terwijl de politie evolueert van een los verband van laaggeschoolde speurders naar een modern opsporingsapparaat met goed opgeleide mensen.

Er wordt dan ook gerefereerd aan rechtsfiguren zoals de rechter-commissaris in Nederland of de Ermittlungsrichter in Duitsland, die beide veeleer de rechter van het onderzoek zijn. Het debat kan dus ruimer bekeken worden. Moet ons strafrecht niet grondig worden herzien?

De noodzaak om een wetgeving voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in het leven te roepen, is belangrijk. België is wegens verschillende redenen een zeer aantrekkelijk land voor de georganiseerde misdaad: de centrale ligging in Europa, de aanwezigheid van verschillende Europese en internationale instellingen, de relatieve economische welvaart, ...

De hedendaagse maatschappij is geëvolueerd naar een risicomaatschappij die de burger niet langer 100 percent veiligheid kan garanderen. Iedereen maakt kans om het slachtoffer van een strafbaar feit te worden. Het is de taak van de overheid ervoor te zorgen dat deze kans zo klein mogelijk wordt gehouden. Een dergelijke inperking van de risico's kan met een preventief beleid. Voorkomen is nog steeds beter dan genezen. De bijzondere opsporingsmethoden kaderen ten dele in deze politieke visie, aangezien ze proactief werken.

Een efficiënte aanpak van de georganiseerde criminaliteit impliceert een proactieve recherche, anders zal men zich niet kunnen toespitsen op het criminele samenwerkingsverband of op de criminele organisatie. Bij de klassieke, gewone opsporingsmethode, wordt er alleen rekening gehouden met die éne dader die verantwoordelijk is voor de daden die men opspoort en berecht. In de criminele organisatie bevinden die geviseerde personen zich echter meestal op het laagste niveau, waardoor de leiders buiten schot blijven. De traditionele opsporingsmethoden gaan er ook veelal van uit dat de normovertreder individueel handelt en maar toevallig tot bendevorming overgaat.

Indien we niet ingaan op de vraag naar bijzondere opsporingsmethoden, zal de typische voorbereidingsfase bij de georganiseerde criminaliteit volledig aan de aandacht van het opsporingsapparaat ontsnappen omdat de wettelijke mogelijkheden tot vooronderzoek niet tot die typische fase kunnen doordringen.

De jaarverslagen inzake de georganiseerde criminaliteit tonen in ruime mate aan dat de georganiseerde criminaliteit in België voet aan grond heeft. In 2000 waren 223 onderzoeken naar criminele organisaties. Dat is minder dan de jaren voordien, maar daarvoor kunnen verschillende verklaringen zijn, onder meer een betere contrastrategie. In 23,8% van de in het jaar 2000 onderzochte dossiers was er namelijk sprake van contrastrategieën. In 2000 waren 1577 verdachten betrokken bij onderzoeken naar de georganiseerde misdaad. Het ging om misdrijven zoals illegale handel in verdovende middelen, witwassen en heling, criminaliteit ten opzichte van personen en illegale winsten. Het totaal van het onderzochte vermogensvoordeel bedroeg maar liefst 46,5 miljard frank! De strijd tegen de georganiseerde criminaliteit moet dus in de hoogste versnelling blijven.

Het ontwerp is de wettelijke bevestiging van wat reeds meer dan 10 jaar in de praktijk toegepast wordt, maar zich door omstandigheden in een grijze zone bevindt. Al jaren passen de opsporingsdiensten, politie en openbaar ministerie in België bijzondere opsporingstechnieken toe. Ze baseren zich daarvoor op twee circulaires van in het begin van de jaren negentig. Die wettelijke grond is eigenlijk maar drijfzand en biedt alle betrokkenen, zowel politie als rechtonderhorigen, onvoldoende rechtsbescherming en rechtszekerheid.

Vroeger overheerste de idee dat dergelijke methoden niet in het strafrecht moesten worden ingeschreven wegens het geheime karakter ervan. Denken we maar aan het bureau de sûreté te Parijs, dat in 1720 al gelijkaardige methoden toepaste. Gelet op de tijdsgeest van toen niet echt een voordeel...

Het beste voorbeeld van de evolutie in de ons omringende rechtsstaten is wel Nederland, omdat dat land het best met België kan worden vergeleken. Nederland heeft naar aanleiding van enkele grote schandalen rond de politiewerking ook parlementaire onderzoekscommissies opgericht. De belangrijkste is de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden, beter bekend als de commissie-Van Traa, die in 1995-1996 werkte. De interessantste conclusie van deze commissie was dat de wetgever te weinig expliciete, wettelijke regels inzake de opsporing heeft uitgewerkt. Zowel wetgever als rechter hadden te gemakkelijk aangenomen dat de algemene opsporingsbevoegdheid en algemene rechtsbeginselen de bijzondere opsporingsmethoden konden normeren. Inmiddels is deze lacune weggewerkt door de wet op de bijzondere opsporingsbevoegdheden, verder de wet-BOB genoemd. Die wet is op 26 november 1998 door de Tweede Kamer aangenomen en op 1 februari 2000 in werking getreden.

Dit wetsontwerp is een gedeeltelijke omzetting, met de nodige aanpassingen, van wat onder invloed van de samenleving in de praktijk reeds bestond. De omzendbrieven regelden al de bijzondere opsporingstechnieken die ontstaan zijn uit onderzoeken naar het grootbanditisme en de hormonenhandel. Ettelijke onderzoekscommissies hebben dit thema onder de loep genomen en hebben gepleit voor een wettelijke verankering. In 1998 werd in artikel 28bis van het Wetboek van strafvordering trouwens een inleidende zin ingeschreven. Het is dus de hoogste tijd om het begrip verder in concreto uit te werken.

Het is de verdienste van de huidige minister van Justitie dat eindelijk werk gemaakt wordt van een wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsmethoden. Dat kadert trouwens in het beleid van de regering om van de aanpak van de georganiseerde misdaad een prioriteit te maken. Ondertussen zijn zowel in Kamer als Senaat verschillende ontwerpen definitief goedgekeurd. Ik verwijs naar de wetgeving betreffende het federale parket, de anonieme getuigen, de beschermde getuigen, het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media.

In 1995 stelde de VLD al dat er nood was aan een goede omkadering van de bijzondere politietechnieken en dat er voor deze materie ook een wettelijke omschrijving moest komen. Voor alle betrokkenen, zowel de politiediensten als de rechtsonderhorigen, werd het hoog tijd dat er rechtszekerheid kwam. Mijn fractie zal het ontwerp dan ook enthousiast goedkeuren.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). - Le CDH n'est évidemment pas opposé au principe d'une législation dans le domaine des méthodes particulières de recherche. Nous estimons cependant que, compte tenu des atteintes que ces techniques impliquent à l'égard des droits et principes fondamentaux de notre société démocratique, il importe de réserver ces techniques à des situations très précises et de n'en user qu'en cas d'absolue nécessité. Par ailleurs, un contrôle très strict de l'utilisation de ces méthodes doit être mis en place.

J'ai suivi avec intérêt les auditions qui se sont déroulées en commission de la Justice du Sénat et je pense que le projet de loi ne répond toujours pas suffisamment aux critiques émises par les différents acteurs à l'encontre du texte. Je voudrais résumer brièvement ces critiques. Les techniques décrites dans le projet sont de trois types :

1º Les « méthodes particulières de recherche » : l'observation, l'infiltration et le recours aux indicateurs.

2º Les « autres méthodes d'enquête » : l'interception de courrier, les écoutes directes, les contrôles visuels discrets, l'intervention différée ainsi que la collecte de données relatives aux comptes et transactions bancaires.

3º Les techniques pouvant être mises en oeuvre à l'occasion d'une des méthodes visées au 1º ou 2º, lesquelles seront fixées par arrêté royal, par exemple le pseudo-achat.

La différence entre les premières techniques et les secondes se situe au niveau de l'existence ou non du dossier confidentiel : ce dossier existe pour les premières ; pour les secondes, toutes les pièces sont jointes au dossier judiciaire qui peut être consulté par les parties.

Or, il s'avère qu'en définitive, comme le souligne le Conseil d'État, ces distinctions sont ambiguës. Il eût fallu envisager un régime identique pour les méthodes présentant les mêmes caractéristiques en termes d'atteintes à nos libertés individuelles.

Par ailleurs, il ne semble pas conforme, comme l'a souligné le Conseil d'État à l'article 22 de la Constitution de renvoyer à un arrêté royal pour déterminer des techniques qui impliquent de facto une atteinte au respect de la vie privée. Une loi eût été nécessaire. Le simple fait que ces techniques accompagnent des méthodes, par ailleurs définies dans une loi, ne suffit pas pour assurer le respect du prescrit constitutionnel. J'ai déposé un amendement en commission afin d'améliorer le texte à cet égard.

Le champ d'application dépend de la technique utilisée.

1º L'observation sans l'usage de moyens techniques, le recours aux indicateurs et l'intervention différée ne nécessitent pas, pour leur mise un oeuvre, le franchissement d'un seuil pénal déterminé.

2º L'observation effectuée à l'aide de moyens techniques, l'interception de courrier et la récolte de données bancaires peuvent être mises en oeuvre en cas d'infraction punie par un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou plus.

3º L'observation effectuée à l'aide d'un moyen technique permettant une vue dans une habitation, l'infiltration, les contrôles visuels discrets et les écoutes directes peuvent être mises en oeuvre pour les infractions visées à l'article 90ter paragraphes 2 à 3 du Code d'instruction criminelle ou commises dans le cadre d'une organisation criminelle.

Mes remarques à ce sujet sont les suivantes à cet égard :

L'observation, même sans moyens techniques, constitue déjà une intrusion dans la vie privée : elle ne devrait pas être possible pour tous les types d'infractions.

Le recours aux indicateurs doit, conformément à la jurisprudence, conserver un caractère subsidiaire et exceptionnel. Le Conseil d'État a par ailleurs rappelé qu'il convenait de fixer dans la loi les conditions de participation de ces personnes à l'administration de la justice. J'ai également déposé un amendement à ce sujet.

Le seuil d'un an d'emprisonnement principal est quant à lui inacceptable. L'observation à l'aide de moyens techniques, l'interception de courrier et la récolte de données bancaires devraient être réservées aux actes criminels les plus graves. Le principe de proportionnalité qu'a rappelé la commission parlementaire d'enquête sur la criminalité organisée est en l'espèce violé. Au lieu d'un champ d'application défini en fonction de la peine, il eût fallu préférer un champ d'application strictement défini par une énumération limitative d'infractions.

Le renvoi aux articles 90ter du Code d'instruction criminelle et 324bis du Code pénal n'est peut-être pas adéquat non plus, car l'énumération de l'article 90ter est devenu très large, trop large pour justifier par elle-même le recours à des techniques spéciales.

En définitive, le recours aux méthodes particulières de recherche n'est justifié que pour combattre la criminalité grave et organisée, ce que reconnaît d'ailleurs l'exposé des motifs du projet de loi, mais que contredit le texte même du projet.

Ces méthodes peuvent être utilisées tant dans une phase réactive, après qu'une infraction a été commise, que dans le cadre de la recherche proactive, alors qu'aucune infraction n'a été commise, mais que des infractions vont l'être.

Outre que l'interprétation de l'article 28bis du Code d'instruction criminelle selon laquelle cet article permet l'utilisation de méthodes particulières de recherche dans le cadre d'une enquête proactive est sujette à discussion, il faut constater que le projet utilise de manière très extensive la notion de proactivité au cas où des personnes commettraient des infractions ou au cas où des faits constitueraient un délit.

Or, le principe de proportionnalité implique que l'on dispose d'informations suffisantes quant à l'existence ou la préparation d'une infraction ou permettant de supposer que des personnes commettent des infractions ou sont sur le point de le faire, pour pouvoir mettre en oeuvre une technique spéciale de recherche.

Autre critique : le projet augmente de manière disproportionnée les compétences du procureur du Roi au détriment du juge d'instruction. Nous avons eu de longues discussions à ce sujet en commission de la Justice. Il y a, je crois, confusion des rôles tant au niveau des autorisations qu'au niveau du contrôle de l'exécution des méthodes particulières de recherche.

En effet, le procureur du Roi dirige l'information qui ne peut en principe comporter aucun acte de contrainte ou aucune atteinte aux libertés individuelles.

Le juge d'instruction, quant à lui, dirige l'enquête et est le garant de nos libertés individuelles. Or, c'est le procureur du Roi qui se voit habilité, dans le projet, à autoriser la mise en oeuvre de tout type d'observation, d'infiltration, l'interception et la saisie du courrier, ainsi que l'ouverture du courrier en cas de flagrant délit, l'intervention différée et la récolte d'informations bancaires. L'autorisation peut même être donnée verbalement en cas d'urgence. Seules les autorisations pour pratiquer des contrôles visuels discrets et des écoutes directes émanent du juge d'instruction.

Le procureur du Roi reçoit donc le pouvoir d'autoriser des actes qui portent atteinte aux libertés individuelles. Il conviendrait donc, pour respecter le principe de proportionnalité, que le juge d'instruction seul puisse autoriser le recours à certaines observations longues ou avec des moyens techniques, aux infiltrations, à l'interception et à la saisie de courrier et à la récolte d'informations bancaires.

Le contrôle des méthodes particulières d'enquête est, par ailleurs, assuré par le procureur du Roi, même si elles sont mises en oeuvre dans le cadre d'une instruction. Dans ce dernier cas, le procureur du Roi jouera le double rôle d'exécutant et de contrôleur. Il me parait indispensable que le juge d'instruction puisse contrôler les techniques mises en oeuvre dans le cadre de son instruction. Sur ce point, je crois que le projet viole les articles 55 et 56 du Code d'instruction criminelle qui consacre le pouvoir de maîtrise et de contrôle du juge d'instruction sur son instruction. Je renvoie aux amendements déposés par bon nombre de mes collègues sur ce point et notamment à mes amendements 6 et 8 présentés en commission.

Par ailleurs, l'interdiction de la provocation policière, telle que définie par la doctrine et la jurisprudence n'est pas expressément mentionnée dans le projet. Celui-ci n'est pas non plus suffisamment précis sur les conséquences de la provocation policière, à savoir l'irrecevabilité des poursuites à l'égard du délinquant. En outre, la tenue de dossiers confidentiels rend difficile pour le délinquant d'établir la provocation. Une autre critique : le projet habilite les fonctionnaires de police à commettre des infractions dans le cadre d'une méthode particulière de recherche.

Une remarque préliminaire : une infiltration suppose, par définition, que le fonctionnaire de police commette une infraction, par exemple le port d'une fausse identité. Toutefois, le projet va beaucoup plus loin puisqu'il autorise les fonctionnaires de police à commettre des infractions, sous certaines conditions, dans le cadre de la mise en oeuvre de n'importe quelle méthode particulière de recherche, par exemple l'observation ou le contact avec des indicateurs.

Ensuite, il n'y a pas de limites par rapport aux infractions autorisées, sauf le respect d'une règle de proportionnalité entre les infractions commises par les fonctionnaires de police et l'objectif poursuivi. Il aurait été indiqué de fixer à tout le moins une liste négative reprenant les infractions qu'un fonctionnaire de police ne pourrait jamais commettre, par exemple les atteintes volontaires à l'intégrité physique d'une personne. Sur ce point, plusieurs amendements avaient été déposés et je n'ai pas compris pourquoi ils n'ont pas été retenus. Dans une démocratie, cela me semble être un minimum de mettre des limites aux infractions que pourraient commettre des fonctionnaires de police, même dans le cadre spécifique des techniques particulières.

Le projet ne réalise par l'équilibre entre, d'une part, la sécurité des fonctionnaires de police exécutant les méthodes particulières de recherche et, d'autre part, le respect des droits de la défense. En effet la tenue d'un dossier confidentiel, inaccessible à la partie poursuivie, viole le droit à un procès équitable tel que l'entend la Convention européenne des droits de l'homme.

Le projet prévoit en outre que les fonctionnaires de police pourront, pour des motifs de sécurité personnelle, se dispenser de rédiger un procès-verbal. Cela signifie que le dossier judiciaire soumis à la défense risque d'être incomplet.

Les trois critères cumulatifs relevés par la Cour européenne des droits de l'homme pour justifier le recours aux témoignages anonymes devraient être d'application ici pour justifier le recours aux dossiers confidentiels. Ces critères sont premièrement, l'existence de motifs pertinents et suffisants justifiant la tenue d'un tel dossier ; deuxièmement, le fait qu'une condamnation ne pourrait se fonder uniquement ou de manière déterminante sur des éléments qui n'ont pas été soumis à la contradiction ; troisièmement, l'aménagement de divers mécanismes pour compenser les obstacles auxquels s'est heurtée la défense en raison du caractère confidentiel de certains éléments. Sur ce dernier point, il faut constater que le projet ne permet aucunement de compenser les obstacles qui résulteront pour la défense de l'absence de procès-verbaux. Les droits de la défense ne seront pas garantis puisque le juge aura connaissance d'éléments qui n'auront pas été soumis au prévenu.

En outre, le juge du fond ne peut contrôler la régularité de la procédure puisqu'il n'a pas accès aux rapports confidentiels, qui restent entre les mains du procureur du Roi. Quant au juge d'instruction, il peut les consulter, mais sans les modifier.

En résumé, si mon groupe soutient le principe à la base de ce projet, il émet néanmoins plusieurs critiques.

1.Ce projet viole de manière disproportionnée une série de principes de droit fondamentaux et de libertés individuelles tels que le principe du contradictoire, le respect des droits de la défense et le droit à un procès équitable, ainsi que le principe du respect de la vie privée.

2.Ce projet constitue une généralisation abusive de la proactivité.

3.Ce projet augmente de manière démesurée les pouvoirs du procureur du Roi, au détriment du juge d'instruction.

4.Ce projet ne règle pas de manière satisfaisante le problème de la provocation policière, lequel est intimement lié à l'utilisation de méthodes particulières de recherche.

5.Ce projet n'encadre pas de manière suffisamment précise ni avec la prudence nécessaire la possibilité dans le chef de fonctionnaires de police de perpétrer des infractions dans le cadre d'une méthode particulière de recherche.

6.Le champ des infractions pouvant justifier le recours à ces méthodes est trop large.

7.Le contrôle sur l'exécution de ces techniques pose problème.

En conséquence, mon groupe s'abstiendra lors du vote de ce projet.

M. Michel Guilbert (ECOLO). - Qu'il faille légiférer sur les méthodes particulières utilisées par la police dans le cadre de la lutte contre le grand banditisme et la criminalité organisée, nous ne le contestons pas. Au contraire, nous le souhaitons. Le milieu de la grande criminalité et du grand banditisme est de mieux en mieux organisé et équipé. Notre police doit pouvoir lutter contre lui avec des méthodes adaptées.

Mais il devenait urgent de fixer des règles en la matière, de manière à permettre aux officiers de police d'agir dans la légalité et donc dans un cadre clairement défini. L'exposé des motifs du projet de loi rappelle d'ailleurs que ces méthodes, pour la plupart déjà appliquées dans la pratique, reposent sur une base précaire.

Le problème est que la loi que vous nous proposez, monsieur le ministre, élargit beaucoup trop le champ d'application de ces méthodes et que là où l'on attendait de la clarté, on se retrouve dans le brouillard.

Depuis le 11 septembre, différents pays durcissent leur législation pour mieux s'armer contre le terrorisme mais sous ce prétexte, les limites sont parfois dépassées et les libertés individuelles s'en trouvent menacées.

D'ailleurs, ce texte-ci en inquiète également d'autres.

Ainsi, l'Ordre des Barreaux francophone et germanophone parle du « texte législatif le plus liberticide qu'il lui ait été donné de lire » ! Et l'Ordre va jusqu'à craindre que ce texte n'ouvre la porte à un État policier. La critique est donc extrêmement dure à l'égard de certains acteurs.

L'Ordre dénonce l'accroissement considérable du pouvoir de la police, sous le seul contrôle du parquet, l'autorisation accordée aux fonctionnaires de police de commettre des infractions dans certaines conditions, la réduction considérable du pouvoir du juge d'instruction en matière de garantie du respect des droits constitutionnels, notamment le respect au droit de la vie privée, l'absence quasi totale de théorie de nullité ou de sanctions, la réduction sensible du rôle de contrôle des juridictions d'instruction dans leur mission du contrôle de la régularité de celles-ci et, enfin, la mise en péril de la possibilité d'exercice des droits de la défense.

L'Ordre estime que ces méthodes pourraient être utilisées pour n'importe quelle infraction et que le danger est bien réel de voir criminalisés certains quartiers ou certaines villes, à partir de l'application de ce texte.

Globalement, les mêmes reproches sont adressés à ce texte par l'Association syndicale des Magistrats que nous avons également eu l'occasion d'auditionner en commission, comme Mme Taelman l'a rappelé dans son rapport. L'Association parle d'extension abusive de la proactivité, d'élimination du contrôle juridictionnel, de réduction du rôle du juge d'instruction, et de l'absence de sanctions à l'égard de ceux qui ne respecteraient pas les règles.

L'ASM relève que le projet consiste en une série de dérogations à l'article 28bis du Code d'instruction criminelle qui définit l'information et l'enquête proactive et selon lequel il ne peut être porté atteinte aux libertés et aux droits individuels, sauf dérogations. Dès lors, souligne l'ASM, l'enquête proactive et les méthodes mises en oeuvre à cette occasion doivent nécessairement être limitées à des hypothèses clairement circonscrites et contrôlables. Ce à quoi le projet ne répond pas.

En effet, l'imminence et/ou la quasi certitude qu'une infraction va être commise - conditions à la mise en oeuvre d'une enquête proactive - ne se retrouvent pas dans le projet, ce qui amène l'ASM à penser qu'il ne s'agit plus de techniques de police judiciaire mais de renseignement. Par ailleurs, le champ d'application de ces méthodes est beaucoup trop large, du fait de la référence à l'article 90ter, peu restrictive.

Dans un texte qui nous a été distribué en commission, Emmanuel Berger, chercheur au Centre d'Histoire du Droit et de la Justice, estime que ce projet de loi « vise, ni plus ni moins, à institutionnaliser une justice aux mains du pouvoir exécutif, qu'il légalise des pratiques douteuses de terrain, renforce considérablement les pouvoirs du procureur et plébiscite le secret. »

Le Conseil d'État, lui aussi, s'est montré très critique, de même que la Liga voor Mensenrechten et la Ligue des Droits de l'Homme qui disent leurs inquiétudes quant au respect de droits fondamentaux, s'inquiètent d'une banalisation de techniques qui devraient rester exceptionnelles, regrettent que le champ d'application s'étende bien au-delà de ce qu'autorisent actuellement les circulaires ministérielles, constatant que la police a déjà tendance à utiliser ces méthodes pour des délits moins importants que la grande criminalité et estiment dès lors indispensable de déterminer quel type de criminalité peut être combattu par ces méthodes.

Les Ligues des Droits de l'Homme dénoncent également la marginalisation du rôle du juge d'instruction dans le processus et les atteintes à un procès équitable et à la vie privée. La Ligue francophone va jusqu'à parler de grave danger pour la démocratie.

Comme la Ligue des Droits de l'Homme, nous pensons que le débat n'a pas été suffisant et aurait dû permettre « d'examiner les sacrifices que notre société est prête à consentir au regard des libertés individuelles en vue de contrer la criminalité organisée ».

Car c'est bien là le coeur du débat : ces méthodes - avec un champ d'application qui reste trop indéfini - sont-elles compatibles avec les exigences de justice dans un État de droit, notamment le respect de la dignité des personnes, le principe de loyauté dans le débat judiciaire, le respect de la vie privée, la recherche de la vérité à l'issue d'un débat contradictoire ?

Selon nous - et nous rejoignons là les inquiétudes évoquées par les acteurs cités - ces méthodes particulières de recherche bouleversent une série de principes sur lequel repose le droit de la procédure pénale : le principe de légalité, le fait de commettre une infraction comme critère de légitimité de l'intervention de la police judiciaire, l'exigence de publicité et de contradiction du procès pénal heurté ici par le caractère secret de certaines parties du dossier et le principe de loyauté dans la recherche de la preuve pénale.

Encore une fois, elles pourraient être acceptables dans la lutte contre le grand banditisme et la criminalité organisée, mais ce projet de loi embrasse un champ tellement large qu'on peut légitimement avoir des craintes par rapport au respect de la vie privée, au droit à la sûreté et au procès équitable.

Nous posent également problème le rôle du juge d'instruction, réduit à celui de notaire ou de simple rapporteur et le caractère confidentiel du dossier, qui pose problème par rapport au respect des droits de la défense : comment garantir le droit à la contradiction alors que des éléments restent secrets ? Autres problèmes : la possibilité pour les enquêteurs de commettre des infractions pré-couvertes par le procureur, même dans le cas d'observations et, finalement, le manque de clarté général dans la mise en oeuvre concrète de ces techniques.

Pour tenter de rééquilibrer ce texte et éviter les dérives qu'il pourrait entraîner dans son application, nous avons déposé 27 amendements. Vous les avez tous repoussés, estimant qu'ils n'étaient pas justifiés alors que ce texte reste trop flou. C'est pourquoi nous attendons des précisions, monsieur le ministre.

Les questions restent nombreuses mais je me limiterai à deux points qui me paraissent essentiels et sur lesquels nous attendons un balisage clair : le champ d'application de ces méthodes et le rôle du juge d'instruction.

Commençons par le champ d'application : le point de départ de l'investigation est assez flou, en deçà du critère de l'infraction. On ne peut s'empêcher de voir un risque de dérive potentielle et d'arbitraire, de craindre que les techniques soient parfois utilisées pour elles-mêmes plutôt que pour circonscrire des infractions bien particulières.

Le seuil correspondant à un an d'emprisonnement ou la référence à l'article 90ter nous paraît inacceptable. Le principe de proportionnalité inhérent à toute réglementation des méthodes particulières de recherche est violé. Celles-ci doivent être limitées aux phénomènes les plus graves. Notre commission de suivi de la criminalité a d'ailleurs insisté sur cette nécessité.

Dès lors, nous continuons à penser qu'un champ d'application doit être strictement défini, par une énumération limitative des infractions pour lesquelles le recours à ces méthodes est autorisé. Verra-t-on demain des policiers appliquer certaines de ces méthodes parce qu'ils ont aperçu deux jeunes circuler au milieu d'un parking de voitures et qu'ils estiment, dès lors, qu'ils pourraient être des voleurs potentiels d'autoradios ? Dans quels cas ces méthodes peuvent-elles, ou non, s'appliquer, pour éviter que les services de police ne fassent du renseignement sous couvert du judiciaire ?

Le deuxième point qui nous semble essentiel et sur lequel nous attendons un balisage clair, je l'ai souligné, concerne le rôle du juge d'instruction : « Le juge d'instruction va se sentir instrumentalisé ; il ne sera plus qu'un alibi », déclarait devant notre commission Damien Vandermeersch. Les méthodes particulières ne sont pas uniquement réservées au cadre de la proactivité - on aurait d'ailleurs pu exclure l'infiltration de l'enquête proactive et exiger que, pour pareille technique, le caractère criminel des faits doive être avéré -, des délits peuvent avoir été commis, des personnes soupçonnées et, dès lors, le juge d'instruction peut être saisi de faits infractionnels et faire mener une enquête via des méthodes particulières. Or, votre projet le place abusivement hors jeu.

Le fait qu'il doive faire rapport à la chambre du conseil, tel que prévu à l'article 47undecies, alinéa 1er, sans être habilité à poser le moindre acte d'instruction revient à dénaturer cette fonction de juge d'instruction. Il n'a pas mené les investigations, ne peut poser aucun acte relevant de ses fonctions et n'est donc pas en mesure de garantir le respect de la régularité. Quel est finalement l'intérêt qu'il fasse rapport sur un dossier qu'il n'a pas traité ?

Comment le juge d'instruction, garant de la légalité de l'instruction, peut-il jouer ce rôle s'il ne peut contrôler l'exécution des méthodes particulières de recherche ? Ne peut-on en rester à la répartition actuelle des fonctions entre le juge d'instruction, indépendant par définition, et le procureur qui est partie au procès ?

Monsieur le ministre, de vos réponses dépendra notre positionnement par rapport à ce texte qui, je le répète, dans son principe, est indispensable - il faut légiférer en cette matière - mais qui, dans son application, nous inquiète par rapport au respect de l'État de droit.

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - Dit ontwerp kadert in de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. In het regeerakkoord van 1999 heeft de regering zich voorgenomen de strijd tegen deze vorm van criminaliteit als een prioriteit te beschouwen. Ook de Groenen hebben hun medewerking hieraan verleend en zullen dat blijven doen, want deze kwaal hoort niet thuis in een democratische samenleving.

Het wetsontwerp geeft de bijzondere opsporingsmethoden een wettelijke basis. Dat is een aanzienlijke en noodzakelijke verbetering ten opzichte van de huidige praktijk waarbij het aanwenden van deze technieken een schijnlegitimiteit krijgt via door het publiek onbekende schimmige omzendbrieven en waarbij elke democratische en juridische controle ver te zoeken is. Een reglementering was ook nodig op basis van de rechten van de verdediging. Het siert de regering en de minister van Justitie dan ook dat ze daarvan werk hebben gemaakt, op aansporing van de verschillende parlementaire onderzoekscommissies. Positief in het wetsontwerp is dat uitlokking of provocatie verboden blijft, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, hoewel dat niet expliciet werd vermeld en de burgerinfiltratie daar niet in voorkomt omwille van het gevaar dat ermee verbonden is.

Het debat over de bijzondere opsporingsmethoden, zoals observatie, inkijkoperatie, direct afluisteren, onderscheppen en lezen van de post, leidt ook de discussie in over de eerbiediging van sommige fundamentele rechten en vrijheden, zoals het recht op de eerbiediging van het privé-leven en de rechten van de verdediging. Er moet een delicaat evenwicht worden gevonden tussen, enerzijds, de noodwendigheden van een efficiënte misdaadbestrijding waarvoor een goed uitgerust bestuur nodig is en, anderzijds, het respect voor de fundamentele rechten in een democratische samenleving.

De groene fractie is dan ook op haar hoede als ze een inperking of uitholling van deze rechten opmerkt, ook al gaat het om de efficiëntie van de misdaadbestrijding. Die rechten zijn zo fundamenteel dat inbreuken erop evenredig moeten zijn met het beoogde doel, namelijk de aanpak van de georganiseerde criminaliteit, en dat een onafhankelijke controle moet worden gehouden.

De strafbare feiten die een politiefunctionaris zou begaan tijdens een opdracht of waarvoor de procureur een machtiging zou verlenen, mogen niet ernstiger zijn dan de feiten die men via de bijzondere opsporingsmethoden tracht te achterhalen. De evenredigheid met het beoogde doel moet steeds voor ogen worden gehouden.

Ik wil het in het bijzonder nog hebben over de privacy en de rechten van de verdediging. Alle maatregelen waarin het wetsontwerp voorziet, zijn ingrijpend voor het privé-leven van de burgers. Volgens ons strafrecht ziet de onderzoeksrechter als onafhankelijke instantie toe op mogelijke inbreuken hierop. Voorliggend ontwerp bepaalt dat voor sommige onderzoeksmethodes de onderzoeksrechter machtiging geeft, terwijl voor andere alleen de procureur des Konings die machtiging mag verlenen. Op die wijze verschuift de uitoefening van de juridische controle op de eerbiediging van het recht op privacy van de onderzoeksrechter naar de procureur des Konings. Wij hadden liever gehad dat, overeenkomstig de wet-Franchimont, alleen de onderzoeksrechter bevoegd gebleven was voor de controle op alle bijzondere opsporingsmethoden die een inbreuk vormen op dat recht.

Wat de rechten van verdediging betreft, zitten we in de context van de bijzondere opsporingsmethodes met een vertrouwelijk dossier, waarin alle vertrouwelijke verslagen worden opgenomen en dat noch voor de verdediging, noch voor de feitenrechter toegankelijk is. Zelfs de onderzoeksrechter heeft geen vat op het vertrouwelijk dossier omdat hij de elementen daarin niet mag gebruiken. Wij blijven bezorgd over het feit dat het recht op een tegensprekelijk debat wel eens in het gedrang zou kunnen komen omdat de verdediging niet alle stukken heeft of niet alle informatie kent. De andere kant van de medaille is dat de feitenrechter wel eens het proces ongedaan kan maken omwille van het onrechtmatig gebruik van de bijzondere opsporingsmethoden en zelfs een technische vrijspraak kan uitspreken. Ook de informantenwerking verdient onze waakzaamheid, aangezien deze bijzondere opsporingsmethode niet beperkt wordt door het proportionaliteitsbeginsel, noch door het subsidiariteitsbeginsel.

Het gebruik van bijzondere opsporingsmethodes dient alleen in subsidiaire orde gebruikt te worden voor de zware georganiseerde criminaliteit en zeker niet om enkel gegevens omtrent een persoon te verzamelen en te stockeren, zoals bij de operatie- Rebel in het verleden, omdat in een democratische samenleving de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden, zoals het recht op privacy en de rechten van verdediging, niet zomaar kunnen ingeperkt worden of het voorwerp kunnen uitmaken van een inbreuk.

Recherchemanagement kan niet tot in het absolute doorgetrokken worden zonder juridische controle daarop. Daarom is dit wetsontwerp noodzakelijk. De Agalev-fractie zal het goedkeuren, maar met inachtneming van een gezonde dosis waakzaamheid.

M. Philippe Mahoux (PS). - Je ne veux pas revenir sur tout ce qui a déjà été dit à propos de ce projet de loi. Toutefois, je rappellerai que les débats en commission ont, par leur intensité, bien traduit les réserves que nous formulions sur le contenu de ce projet. Ces réserves ont trait aux droits de la défense, au respect de la vie privée et à l'application de la règle de proportionnalité. Nous avons entendu à ce sujet les réponses du ministre. Nous avons obtenu beaucoup de précisions. Nous avons tenu compte aussi du travail de nos collègues de la Chambre ; c'est un élément important.

Je tiens à le souligner, puisque des interrogations persistent sur ce projet, il importe fondamentalement que soit assuré le contrôle de l'application de cette loi. Les événements récents nous ont montré que lorsque les contrôles ne sont pas effectués sur le plan interne, le danger existe que certains s'arrogent le droit de les effectuer eux-mêmes. J'insiste dès lors, monsieur le ministre, pour que, dans l'application de cette loi au quotidien, tout soit mis en oeuvre afin de garantir une plus grande efficacité de la lutte contre la grande criminalité, ce qui me paraît un objectif essentiel, mais de garantir aussi le respect des règles de la démocratie et de l'État de droit qui comprennent le respect des droits de la défense et celui de la vie privée.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Dit debat toont aan hoe gevoelig een materie als de bijzondere opsporingsmethodes ligt. Dat lijkt mij ook volkomen normaal want het voorliggend ontwerp regelt een aantal opsporingsmethodes die als bijzonder worden aangezien door hun heimelijk karakter, door het feit dat ze betrekking hebben op fundamentele rechten, doordat ze betrekking hebben op het beginsel van de loyaliteit in de bewijsgaring en door de mogelijke aantasting van de rechten op een billijk proces.

Het regeringsbeleid voorziet in een globale aanpak van de georganiseerde criminaliteit en van het zware banditisme. Mijnheer Vandenberghe, we hebben al meer dan eens spreekwoordelijk de degens gekruist, wanneer we het hadden over de wijze van aanpak. Bij de regering heeft de klemtoon altijd gelegen op het bekomen van meer en kwalitatief beter bewijs in strafzaken, maar telkens met inachtneming van de rechten van verdediging.

Er werd gepleit voor een globale antimaffiawet. Wij hebben echter geopteerd voor een stapsgewijze invulling, onder meer door de wet op de anonieme getuigen. Ik verwijs ook naar het verslag, dat verschillende andere wetgevingen opsomt, zoals de bescherming van bedreigde getuigen, het gebruik van audiovisuele middelen, de inbeslagname en de verbeurdverklaring in strafzaken en de mogelijkheid om de bewijslast te verdelen. Het zijn stuk voor stuk etappes die daarin kunnen thuishoren. U bent terecht nog verder gegaan. Er zijn inderdaad nog een aantal andere zaken die mijns inziens ook dringend moeten geregeld worden. U stelde bijvoorbeeld dat de Staatsveiligheid ook over de administratieve tap zou moeten beschikken. Ik denk dat U gelijk hebt en dat die materie kan thuishoren in een antimaffiawet.

De politieke realiteit heeft ons evenwel geleerd dat het niet altijd eenvoudig is om een grote constructie tot stand te brengen en dat het aantal weerstanden die daardoor worden opgeroepen eigenlijk nog toenemen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik twijfel niet aan het goede inzicht van de minister. Als ik echter zie welke programmawet de regering indient en als ik als antwoord krijg dat het onmogelijk is om grote constructies met alle regelingen door het parlement te krijgen en ik moet mij tijdens de kerst- en nieuwjaarsdagen door de programmawet worstelen, dan vind ik dat toch enigszins ongeloofwaardig.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik ben geen voorstander van programmawetten. Ik kan me trouwens nauwelijks inbeelden dat men bijvoorbeeld een grote antimaffiawet in een programmawet zou opnemen. Op dat vlak zitten we op dezelfde golflengte.

Dit ontwerp regelt een aantal onderzoeksmethoden die eigenlijk niet zo nieuw zijn, want ze worden in de praktijk al toegepast. Naar aanleiding van verschillende parlementaire onderzoekscommissies is evenwel gebleken op welke precaire basis dat is gebeurd.

De ministeriële omzendbrieven van 24 april 1990 en 5 maart 1992 zijn onvoldoende als wettelijke basis.

Zowel de rechtsleer, de rechtspraak als diverse parlementaire onderzoekscommissies hebben aangetoond dat er op dit vlak ondoorzichtigheid en onzekerheid was. Een wettelijk karakter zorgt voor een ondubbelzinnige normering, meer transparantie en een duidelijkere controle.

Het overheidsoptreden dat wordt waargenomen door de procureur des Konings, via de parketten, de onderzoeksrechter en de politie, krijgt een solide basis. De controlemechanismen, de operationele uitwerking van de opsporingen, de rapportage, de nauwkeurige beschrijving van het plegen van misdrijven tijdens de uitvoering en het toezicht op de onderzoeksverrichtingen nemen het wantrouwen om dergelijke technieken toe te passen in de praktijk voor een stuk weg.

Niet alleen de rechten op de verdediging en de eisen van een billijke procesvoering zullen daarmee gebaat zijn, maar er wordt ook tegemoetgekomen aan de verzuchtingen van de politie-ambtenaren die alle belang hebben bij een duidelijk wettelijk kader. Dit wetgevende initiatief is alleszins een stap in die richting.

Je voudrais néanmoins revenir à certaines questions soulevées tant par Mme Nyssens que par M. Guilbert.

En premier lieu, je m'attarderai à quelques points qui sont apparus extrêmement délicats lors de l'élaboration du texte.

Tout d'abord, le rôle du juge d'instruction. Étant donné le risque, parfois sérieux, que l'application des méthodes réglées dans le projet ne porte préjudice à des droits fondamentaux, certains souhaitaient confier leur application quasi exclusive au juge d'instruction.

Or, le juge d'instruction est un organe qui n'intervient en fait qu'en phase réactive. C'est un choix que nous avons fait délibérément en 1998, lors de la mise en oeuvre de la loi Franchimont.

Un tel point de vue implique que les méthodes en question ne pourraient pas être utilisées dans le cadre de la recherche proactive. Or, nous savons très bien que cette recherche proactive contribue à une meilleure prévention et donc, à des résultats encourageants dans le cadre des enquêtes que nous menons.

Voilà pourquoi on rencontre dans le texte certains compromis comme, par exemple, l'article 16 en projet qui complète l'article 28septies du Code d'instruction criminelle.

Je comprends également que l'on s'interroge quant au champ d'application des méthodes particulières de recherche. Toutefois, les précédents qui existent en la matière devraient rassurer ceux qui s'inquiètent à ce sujet.

Pour répondre à M. Guilbert, en ce qui concerne la loi sur la détention préventive, quoi de plus grave dans la vie d'une personne que la privation de sa liberté ? Or, cette loi nous la connaissons depuis 1990 dans son état actuel. Même si elle peut être critiquée sur certains points, elle a quand même prouvé qu'elle avait atteint ses objectifs.

Il y a aussi les accords de Schengen qui reprennent les mêmes textes de base et fonctionnent selon les même méthodes d'application.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). - Vous insistez beaucoup sur la loi sur la détention préventive.

Quand vous dites qu'elle a prouvé qu'elle avait atteint ses objectifs, j'entends régulièrement que ce n'est pas le cas et que, d'une manière générale, on l'utilise trop. Je ne sais pas si c'est le législatif qui a fait de mauvais choix ou si ce sont les magistrats qui l'utilisent de manière abusive, mais on entend dire tous les jours que l'objectif de cette loi n'a pas été respecté.

M. Marc Verwilghen, ministre de la Justice. - Déjà en 1509, Érasme disait que la science la plus dure était celle de la jurisprudence parce qu'elle donnait explication sur explication et que l'application de ces explications multipliait les problèmes.

La loi sur la détention préventive a le mérite d'exister, mais je sais que certaines critiques sont formulées quant à son application que d'aucuns estiment trop large.

En tout cas, il y a deux points d'ancrage : le premier est la loi sur la détention préventive ; le second, ce sont les accords de Schengen qui sont une obligation pour bon nombre de pays européens.

Il ne faut pas oublier non plus que nous travaillons selon le principe de la subsidiarité et de la proportionnalité. Ce sont les deux notions clés de cette loi qui expliquent que nous n'allons pas appliquer ces méthodes régulièrement, la subsidiarité s'y oppose. Il s'agit d'un premier verrou. Deuxième verrou, la proportionnalité est absolument nécessaire. Il faut qu'il y ait un lien entre la gravité des infractions ou des crimes commis et la réaction judiciaire.

J'en viens à la notification des méthodes particulières de recherche à la personne qui en fait l'objet aux fins d'en contrôler la légitimité. Le problème se pose plus particulièrement quand de telles méthodes sont utilisées dans le cadre d'une information ultérieurement classée sans suite. Une notification tardive hypothéquerait définitivement la reprise des investigations étant donné qu'un classement sans suite reste provisoire aussi longtemps que l'action publique n'est pas éteinte.

Après que les amendements nécessaires ont été apportés, la commission de la Justice de la Chambre a finalement approuvé un texte acceptable et utilisable sur le terrain. Je suis donc convaincu, tout comme M. Mahoux, que cette matière a été traitée de manière approfondie.

Le contrôle des dossiers classés sans suite dans lesquels des méthodes particulières de recherche ont été appliquées est toujours assuré par la hiérarchie du ministère public, par le procureur général en l'occurrence. Cependant, un système de contrôle politique est intégré par le biais de l'obligation de faire figurer un certain nombre de données statistiques dans les rapports annuels du Collège des procureurs généraux et du procureur fédéral. D'ailleurs, dans ce cadre, le recours aux informateurs a finalement été exclu du passage obligé devant la chambre du conseil à l'issue de l'information.

Het ontwerp regelt drie methodes: de observatie, de infiltratie en de informantenwerking. De basis wordt gelegd voor de technieken die bij deze methodes worden toegepast. Een aantal aanverwante, reeds gedeeltelijk in de praktijk door oneigenlijk gebruik bestaande rechtsfiguren, worden eveneens als bijzonder aangemerkt, onder meer de inkijkoperatie, het gericht afluisteren, het onderscheppen van de post, de uitgestelde tussenkomst en het inwinnen van gegevens over bankrekeningen en banktransacties. Ik zal hier niet dieper op ingaan, maar om elk misverstand te vermijden wil ik er wel op wijzen dat deze methodes uitsluitend een gerechtelijke finaliteit hebben en dus alleen mogen aangewend worden door politieambtenaren die op de koop toe onder permanente controle staan van de magistratuur.

De rode draad doorheen de tekst is er een van subsidiariteit en proportionaliteit. Als de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan zal men dit middel aanwenden. Het strafrechtelijke feit waaromtrent men het bewijs poogt te verkrijgen moet voldoen aan een bepaald strafminimum of moet een welbepaalde strafrechtelijke kwalificatie hebben, anders kan men de methode niet toepassen.

De permanente controle over de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden ligt op het niveau van de magistratuur bij de procureur des Konings, ook als ze werd bevolen door de onderzoeksrechter. Ik weet dat een aantal onderzoeksrechters het daar niet makkelijk mee hebben. In geval van gerechtelijk onderzoek beslist de onderzoeksrechter zelf welke methode hij beveelt, wijzigt of stopzet. Ook hij oefent controle uit op de uitvoering van deze methode van zodra zijn ambt is gevat. Niettemin blijft ook in dat geval de procureur des Konings zijn bevoegdheid van controle behouden. In wezen onstaat hier dus een dubbele controle.

De machtigingen in dit verband, verleend door de onderzoeksrechter, worden trouwens door de procureur des Konings ten uitvoer gelegd. Dat gebeurt nu ook. Een aanhouding gebeurt niet op instructie van de onderzoeksrechter, maar van de procureur des Konings.

Het vertrouwelijke dossier heeft aanleiding gegeven tot een misverstand. Sommigen denken dat een vertrouwelijk dossier hetzelfde is als een geheim dossier. Dat is helemaal niet zo. De vertrouwelijkheid bestaat erin dat bepaalde gegevens die betrekking hebben op personen en methodes, worden afgeschermd. Alle andere informatie stroomt door naar het strafdossier. De rechten van de verdediging kunnen op die manier niet worden geschonden.

Met betrekking tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden, zijn er voldoende controlemechanismen in het wetsontwerp opgenomen.

Op het niveau van de politiediensten, meer bepaald binnen de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst, ligt de controle over de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden bij een officier die daartoe is aangewezen door de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie, na advies van de procureur des Konings.

Een gerechtelijke controle post factum, en dan nog naar aanleiding van een kennisname van het dossier binnen de door het Wetboek van strafvordering reeds voorziene omstandigheden, kan gebeuren door de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling.

Het ontwerp bepaalt tevens dat, wanneer bijzondere opsporingsmethoden worden toegepast in zijn arrondissement, de procureur des Konings de federale procureur daarvan moet inlichten, en omgekeerd.

Quant à l'article 47quater du Code d'instruction criminelle, il traite de l'interdiction de recourir à la provocation. Cela signifie que dans le cadre de l'exécution des méthodes particulières de recherche, un fonctionnaire de police ne peut amener un inculpé à commettre d'autres infractions que celles qu'il avait l'intention de commettre. Tout manquement à cette règle sera sanctionné par l'irrecevabilité de l'action publique en ce qui concerne le fait provoqué.

Le projet vise à apporter une réponse claire à la question de la perpétration d'infractions durant l'application des méthodes particulières de recherche. L'article 47quinquies du Code d'instruction criminelle souscrit au principe selon lequel une infraction ne peut être commise dans le cadre des méthodes particulières de recherche mais il prévoit un certain nombre d'exceptions.

Une cause d'excuse absolutoire ou décisive est invoquée si des infractions sont malgré tout commises, sous certaines conditions.

Les faits strictement nécessaires, prévisibles et proportionnels à l'objectif visé, peuvent être commis avec l'autorisation préalable du procureur du Roi. Les magistrats qui accordent l'autorisation bénéficient également de l'avantage de la suppression du caractère délictueux. Les infractions imprévisibles peuvent tomber sous le même régime pour autant que le procureur du Roi en soit informé sans délai et qu'il soit d'avis qu'elles peuvent être retenues. Enfin, une cause de justification est prévue. Ainsi, le ministre de la Justice et le ministre de l'Intérieur sont autorisés à prendre les mesures organisationnelles particulières qui sont absolument nécessaires pour garantir la protection de l'identité et de la sécurité des fonctionnaires de police dans la préparation et l'exécution de leurs missions. Parmi ces mesures, il convient de mettre en exergue l'organisation et le développement d'une safe house pour des agents travaillant sous couverture.

Les acteurs de terrain attendaient cet outil depuis longtemps. Il leur permettra d'accroître l'efficacité de la lutte contre le crime organisé et le grand banditisme. Nous leur conférons la possibilité légale d'appliquer des méthodes particulières de recherche moyennant le respect de conditions strictes. Ces méthodes feront encore l'objet de nombreux débats. Les procureurs généraux et le procureur fédéral devant régulièrement rendre compte de leur utilisation, elles seront évidemment soumises à des évaluations et à un contrôle politique permanent. Nous serons donc sans nul doute amenés à nous pencher à nouveau sur cette loi.

-La discussion générale est close.