Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-57

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Sociale Zaken en Pensioenen

Vraag nr. 2165 van de heer Vandenberghe d.d. 5 juni 2002 (N.) :
Generische geneesmiddelen. ­ Laag verbruik in België.

Volgens de Belgische Federatie van producenten van generische geneesmiddelen (FeBelGen) ligt het verbruik van generische geneesmiddelen in België op iets meer dan 5 %.

In december 2001 bedroeg het marktaandeel van generische geneesmiddelen nog 5,9 %. In maart 2002 zakte dit marktaandeel tot 5,2 %.

Nochtans stimuleerde u het verbruik van generische geneesmiddelen ten koste van de oorspronkelijke medicijnen door de invoering van het referentieterugbetalingssysteem en door het voeren van een informatiecampagne.

Vergeleken met onze buurlanden scoren we wat het verbruik van generische geneesmiddelen betreft ontzettend slecht. Afhandelijk van de bron ligt het marktaandeel in onze buurlanden veel hoger, namelijk tussen de 30 en de 60 %.

Graag had ik van de minister het volgende vernomen :

1. Acht de minister het wenselijk nieuwe maatregelen te nemen om het verbruik van generische geneesmiddelen ten koste van de oorspronkelijke medicijnen te stimuleren ?

2. Welke factoren bepalen de vooroordelen tegen het gebruik van generische geneesmiddelen ? Welke maatregelen zal u nemen om deze vooroordelen weg te werken ?

3. Van welke geneesmiddelen scoort het generisch alternatief het best ? Van welke geneesmiddelen wordt het generisch alternatief zelden of nooit genomen ?

Antwoord : 1. Vanaf 1 juli 2002 heb ik het referentiesysteem aangescherpt. Generische geneesmiddelen komen vanaf dan nog slechts in aanmerking voor terugbetaling als ze 20 % goedkoper zijn dan de originele geneesmiddelen. Ook het niveau van de terugbetaling voor de originele geneesmiddelen in het kader van de referentieterugbetaling zakt met 20 %. Op die manier wordt de concurrentie tussen identieke moleculen, beschikbaar aan een verschillende prijs, nog verhoogd.

2. In samenwerking met de geneesmiddelencommissie en de Algemene Farmaceutische Inspectie van het federaal ministerie van Volksgezondheid, is een kwaliteitswaarborg voor de generische specialiteiten op punt gesteld.

De vroegere problemen inzake bioequivalentie tussen de originele en de generische specialiteiten zijn uitgeklaard en opgelost.

Zesmaandelijks wordt elke arts, tandarts en apotheker met een handige brochure op de hoogte gebracht van de laatste stand van zaken over de referentietegemoetkoming.

Vanaf 1 juli 2002 krijgen ook de ziekenhuizen een brochure over de generische specialiteiten toegestuurd.

Iedereen kan ook de website van het RIZIV over dit onderwerp raadplegen. Deze wordt maandelijks bijgewerkt.

De website is www.riziv.fgov.be, daarna klikken op « bijzondere domeinen » gevolgd door « geneesmiddelen », gevolgd door « Referentievergoedingssysteem ».

3. Het generisch alternatief scoort in de ambulante sector het best voor het antiulcusgeneesmiddel ranitidine, de orale glucoseverlagende middelen metformine en gliclazide, de antihypertensiva atenolol, bisoprolol en captopril, de breedspectrumpenicillinen amoxicilline, amoxicilline/clavulaanzuur, het niet-steroïde anti-inflammatoire middel piroxicam, de pijnstiller tramadol en het antidepressivum fluoxetine.

Geneesmiddelen waarvoor het generisch alternatief tot nu toe nog niet voorgeschreven werd, zijn het maagmiddel metoclopramide, het antibioticum cefuroxim en het folinezuur.