2-177

2-177

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 31 JANVIER 2002 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Projet de loi relatif à l'anonymat des témoins (Doc. 2-876) (Procédure d'évocation)

Discussion générale

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD), rapporteur. - Ik betreur dat zo weinig senatoren interesse vertonen voor het debat over dit belangrijke wetsontwerp. De anonieme getuigen kunnen in bepaalde omstandigheden immers erg belangrijk zijn. Ik verwijs naar recente gebeurtenissen waarbij anonieme getuigen wellicht meer duidelijkheid hadden kunnen brengen.

Dit wetsontwerp van de regering werd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers geamendeerd goedgekeurd. Op 10 oktober 2001 werd het door 47 senatoren geëvoceerd. De commissie voor de Justitie heeft het ontwerp grondig besproken en aanvaardde heel wat amendementen, zowel van de meerderheid als van de oppositie.

Dit ontwerp zal een uiterst belangrijk instrument zijn in de strijd tegen de mensenhandel en de internationale georganiseerde criminaliteit. Het kwam tot stand als gevolg van aanbevelingen van enkele parlementaire onderzoekscommissies en een rechtsvergelijkende studie door twee universiteiten. In dat kader kwam ook de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitvoerig aan bod.

Het ontwerp voorziet in twee vormen van anonimiteit. Er is ten eerste de gedeeltelijke bescherming waarbij de onderzoeksrechter of de bodemrechter kan beslissen dat bepaalde wettelijk voorgeschreven identiteitsgegevens van een getuige kunnen worden weggelaten. Er moet daarbij een redelijk vermoeden bestaan dat de getuige of een persoon van zijn naaste omgeving een ernstig nadeel zou kunnen lijden door de bekendmaking van deze gegevens en ten gevolge van de afgelegde verklaring. De rechter moet zijn beslissing uiteraard motiveren. Er is ten tweede de volledige anonimiteit van de identiteit van de getuige die slechts kan worden gewaarborgd wanneer de getuige of een persoon uit zijn naaste omgeving zich door het nog af te leggen getuigenis in zijn integriteit bedreigd voelt, waardoor de getuige zou beslissen geen verklaring af te leggen.

Ik verwijs in dat verband naar vrouwen die het slachtoffer zijn van mensenhandel en geen getuigenis durven afleggen als hun volledige anonimiteit niet kan worden gewaarborgd.

Is die getuige een overheidsagent dan moeten er precieze en ernstige aanwijzingen zijn dat hij of een naaste persoon gevaar lopen. Bovendien mag de woonplaats van de persoon nooit vermeld worden, alleen zijn dienstadres. Bijkomende voorwaarden zijn dat het moet gaan om uitzonderlijke omstandigheden, dat het onderzoek naar de feiten zulks vereist en dat er nog ander bewijsmateriaal ter beschikking is. Men mag zich nooit baseren op de anonieme getuigenis alleen.

De onderzoeksrechter verricht het anonieme verhoor. Hij kent de volledige identiteit van de getuige, onderzoekt diens betrouwbaarheid en controleert of de ingeroepen motieven om volledige anonimiteit te verkrijgen, gemotiveerd en geldig zijn. Hij beslist over de eventuele toekenning van de anonimiteit.

De gegevens met betrekking tot de getuige moeten in een register worden opgetekend, dat zorgvuldig wordt bewaard en dat enkel kan worden geraadpleegd door de persoon die het register invult, namelijk de onderzoeksrechter.

De commissie heeft lang gediscussieerd over de gedeeltelijke en de gehele anonimiteit en over het feit of de anonieme getuigenis als enig bewijsmateriaal in aanmerking kan komen. De minister heeft de vragen en opmerkingen uitvoerig beantwoord en heel wat amendementen, zowel van de meerderheid als van de oppositie, werden door de commissie aangenomen.

Artikel 5, dat bepaalt dat in het Wetboek van strafvordering een artikel 155bis wordt ingevoegd, wordt aangevuld en luidt nu als volgt: "De rechtbank die een getuige wil verhoren die niet door de onderzoeksrechter gehoord is, kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de getuige, hetzij op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadslieden, beslissen dat ter terechtzitting en in het proces-verbaal van de terechtzitting geen melding wordt gemaakt van bepaalde van de identiteitsgegevens bedoeld in artikel 155..." Voorts werd er een amendement ingediend ter aanvulling van het tweede lid van artikel 5. De tekst luidt: "De getuige aan wie reeds gedeeltelijke anonimiteit werd toegekend overeenkomstig artikel 75bis, behoudt zijn gedeeltelijke anonimiteit." Deze zin moet als volgt worden aangevuld: "De gedeeltelijke anonimiteit toegekend overeenkomstig artikel 75bis of overeenkomstig het eerste lid van dit artikel staat het verhoor van de getuige ter terechtzitting niet in de weg." De tekst van deze toevoeging zal straks worden rondgedeeld.

Artikel 9, dat in hetzelfde Wetboek een artikel 317bis invoegt, wordt eveneens aangevuld: "De voorzitter die een getuige wil verhoren die niet door de onderzoeksrechter verhoord is, kan...". Een andere toevoeging aan dit artikel luidt: "De getuige aan wie reeds gedeeltelijke anonimiteit werd toegekend overeenkomstig artikel 75bis, behoudt zijn gedeeltelijke anonimiteit."

Wat de volledige anonimiteit van getuigen betreft, wordt enkel artikel 14 aangepast. Dit artikel luidt nu als volgt: "De rechtbank kan hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar minister, hetzij op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadslieden, de onderzoeksrechter gelasten om deze getuige opnieuw te verhoren of om een nieuwe getuige te verhoren met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter...".

Onderaan artikel 14 wordt toegevoegd: "De veroordeling van een persoon mag niet uitsluitend of zelfs in overheersende mate gegrond zijn op anonieme getuigenverklaringen die met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter zijn verkregen. Die laatste moeten in afdoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen." Dat is de leidraad in dit wetsontwerp.

Artikel 15 wordt op dezelfde manier geamendeerd als artikel 14: in het tweede lid van het voorgestelde artikel 315bis worden de woorden "of van de burgerlijke partij" vervangen door de woorden ", de burgerlijke partij of hun raadslieden".

Ik hoop dat dit wetsontwerp een echt hulpmiddel zal zijn in de strijd tegen de mensenhandel en de georganiseerde internationale criminaliteit. Het verheugt me dat het door de commissie in zijn geheel werd aangenomen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen. Het verslag werd eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Le projet à l'examen met en oeuvre les recommandations de plusieurs commissions d'enquête parlementaire. Ces commissions ont estimé que les violences commises par des organisations criminelles, en particulier sur les témoins, rendent nécessaire l'instauration d'un système de protection de ceux-ci. Les rapports annuels sur la situation de la criminalité organisée en Belgique montrent aussi la nécessité de prendre des mesures visant à protéger les témoins.

Au niveau européen, la résolution du 23 novembre 1995 du Conseil des ministres de l'Union européenne impose aux États membres de prendre, dans le cadre de la lutte contre la criminalité organisée, des mesures radicales de protection des témoins menacés et des mesures d'encouragement des témoignages, notamment en garantissant l'anonymat. Une recommandation du Comité des ministres du Conseil de l'Europe va dans le même sens.

Une étude sur la question de l'anonymat des témoins avait déjà été initiée sous l'ancienne législature, en vue du dépôt d'un projet de loi. En effet, déjà en 1996, l'université de Gand avait été chargée d'examiner la question de l'anonymat des témoins. En 1998 s'était tenu au Sénat un colloque sur la réforme de la procédure pénale, au cours duquel de nombreuses personnalités du monde judiciaire, de la police, d'associations concernées par la procédure pénale avaient été amenées à s'exprimer. Il y avait été débattu de l'éventualité de règles dérogatoires concernant les organisations criminelles en vue d'encourager et de faciliter le témoignage des repentis et du renversement de la charge de la preuve concernant les biens dont on soupçonne qu'ils sont le produit d'une activité liée au crime organisé.

Cependant, l'intérêt que représente le témoignage anonyme dans la lutte contre le crime organisé ne doit pas faire oublier les risques d'atteinte aux droits de la défense que le recours à ce procédé peut entraîner. À cet égard, la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme doit nous servir de guide constant pour réaliser ce délicat équilibre entre, d'une part, les besoins de la lutte contre la criminalité organisée et le principe du respect des droits de la défense, d'autre part. Il apparaît ainsi que le recours au témoignage anonyme, correctement et rigoureusement encadré par les principes dégagés de la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme, ne doit pas être considéré de manière absolue comme une violation inadmissible des droits de la défense.

Mais ce projet respecte-t-il bien les principes dégagés par cette jurisprudence ? Force est de constater à cet égard que, malgré quelques amendements dont certains déposés par mes soins, qui ont recueilli l'assentiment de la Commission, le texte aurait encore pu être amélioré.

Quant à l'interprétation de la jurisprudence de la Cour de Strasbourg en cette matière, une certaine ambiguïté voire contradiction dans l'exposé des motifs du projet de loi mérite d'être mentionnée. D'un côté, l'exposé des motifs souligne que l'enquête De Meester-Traest a montré que la Cour européenne « impose une ligne claire » et ne laisse aux gouvernements qu'une « marge de manoeuvre réduite dans l'élaboration des textes légaux relatifs aux témoins anonymes ». D'un autre côté, il est dit plus loin qu'eu égard « au nombre relativement réduit d'affaires dans lesquelles la Cour a jugé de l'emploi de témoins anonymes et à la conception habituellement strictement casuistique du jugement de la Cour, il n'est pas simple de définir clairement les conditions précises auxquelles doit satisfaire le recours aux témoins anonymes dans le cadre de la procédure pénale ». Il existerait, poursuit le ministre, encore et toujours plusieurs interprétations.

Quoiqu'il en soit, si l'on examine le projet au regard des principes dégagés par la Cour européenne des droits de l'homme, d'aucuns considèrent, en particulier le Conseil d'État, qu'à maints égards, le texte proposé ne respecterait pas ou pas parfaitement les exigences de cette jurisprudence. C'est dans une certaine mesure une opinion que je partage.

Tout d'abord, la considération qu'un juge d'instruction procède à l'audition de témoins anonymes ne suffit pas, à mon sens, à garantir que les droits de la défense sont saufs. Il semble que la Cour accorde la priorité à l'audition du témoin par le juge du fond, laquelle devrait constituer la règle. L'audition du témoin par un juge d'instruction ne serait admissible qu'à titre tout à fait exceptionnel et à condition que les obstacles auxquels se heurte la défense en raison d'une déposition anonyme soient suffisamment compensés par la procédure suivie devant les autorités judiciaires.

Dans le cadre de l'anonymat complet, le projet de loi met les juges du fond - cour d'assises et tribunal correctionnel - totalement dans l'impossibilité d'entendre les témoins. N'est-ce pas une violation du principe de l'intime conviction du juge dans la procédure pénale ? Devant la Cour d'assises où la procédure est orale, le système du projet met en cause le droit des jurés d'interroger un témoin pour forger leur intime conviction. En outre, la solution où le juge du fond est habilité par la loi à donner des ordres à un juge d'instruction en matière d'audition de témoins me paraît difficilement praticable.

Ensuite, l'absence de recours du témoin contre les décisions refusant l'anonymat me paraît aussi problématique. Les barreaux nous ont d'ailleurs envoyé un courrier portant des observations critiques sur ce projet ; ils insistent et s'interrogent sur l'absence de ce recours.

Dans le système mis en place, seul le témoin est dans l'impossibilité de contester la décision refusant de lui accorder l'anonymat. Alors que l'objectif poursuivi par le projet est de protéger le témoin, cette personne est la seule, nous dit le Conseil d'État, qui ne peut mettre en oeuvre un quelconque recours. Cette situation est d'autant plus grave que des sanctions pénales peuvent lui être infligées s'il refuse de témoigner. Le Conseil d'État se demande à juste titre si cette absence de recours dans le chef du témoin n'est pas disproportionnée par rapport au but poursuivi et si le projet ne viole pas, sur ce point, le principe constitutionnel d'égalité et de non-discrimination.

Dans son avis, l'Ordre des Barreaux francophone et germanophone exprime le souhait qu'un appel tant du procureur du Roi que du témoin, de l'inculpé ou de la partie civile puisse être introduit immédiatement devant la chambre des mises en accusation selon une procédure identique à celle mise en place par la loi du 12 mars 1998 réformant la procédure pénale dite loi Franchimont. Ce souhait est partagé par certains auteurs de la doctrine, lesquels soulignent que ce recours a été prévu dans certaines législations étrangères, telle que celle adoptée aux Pays-Bas, et en vertu de la loi sur la protection des témoins que ce pays connaît, la loi du 11 novembre 1993.

L'argument selon lequel un tel recours n'est pas nécessaire, ni du point de vue du procès, ni du point de vue de droit comparé, ni du point de vue des droits de la défense, ne me semble pas convaincant. Une procédure de recours telle que proposée par l'Ordre des Barreaux francophone et germanophone et dans mes amendements n'est, à mon sens, pas susceptible d'entraver lourdement le déroulement de l'enquête pénale.

J'ai aussi des critiques à formuler à l'égard de la distinction que le projet établit entre l'anonymat partiel et l'anonymat complet. De manière générale, ne convenait-il pas de recourir à une seule et même notion, en laissant au juge le soin d'apprécier dans chaque cas si la sécurité du témoin est suffisamment assurée en lui garantissant l'anonymat partiel ou s'il convient de lui accorder l'anonymat complet ? En effet, les critères par ailleurs utilisés pour distinguer le recours à l'une forme plutôt qu'à l'autre ne sont pas clairs : quelle différence existe-t-il entre la notion de « présomption raisonnable de risque de préjudice grave » et la notion de « menace pour l'intégrité » au sens large ?

Je ne vois pas pourquoi on fait des différences entre le témoignage partiel et l'anonymat complet. Sur ce point, mon objection essentielle va à la distinction que fait le projet au niveau de la valeur probante du témoignage entre le témoignage anonyme complet et le témoignage anonyme partiel. C'est vraiment sur ce point que le projet me semble critiquable. Cette distinction ne se justifie pas dans la mesure où l'anonymat partiel peut concerner une ou plusieurs données d'identité essentielles du témoin, voire toutes les données d'identité selon le projet. La Cour de Strasbourg ne fait pas cette distinction dans l'application du principe selon lequel les témoignages anonymes ne peuvent constituer qu'une preuve corroborante.

L'idée de preuve corroborante est essentielle. Dans toutes les législations étrangères - que ce soient celles qui ont une réglementation particulière sur les témoins anonymes ou celles qui ont d'autres réglementations sur les collaborateurs de la justice en général, je pense à la loi italienne de janvier 2001 sur les collaborateurs de la justice - on insiste beaucoup pour que les éléments de preuve recueillis par le biais de témoignages anonymes ou de collaborateurs de la justice ne soient que des éléments du dossier et pour qu'ils soient toujours corroborés par d'autres éléments afin de permettre au juge de se faire une conviction. Le fait de ne pas avoir insisté dans notre projet sur cette preuve corroborante dans l'anonymat partiel pose problème.

Le contrôle de la fiabilité et de la crédibilité du témoin n'est pas non plus prévu pour l'anonymat partiel. Il ressort cependant clairement de l'exposé des motifs du projet de loi qu'un anonymat partiel, au vu des données d'identité omises, pourra dans certains cas équivaloir à un anonymat complet.

Les différences entre les deux régimes se situent également au niveau de la procédure et des étapes de la procédure. À cet égard, de manière générale, tant le Conseil d'État que l'Ordre des barreaux francophone et germanophone avaient émis le souhait que le texte soit plus explicite sur la procédure et formulé des suggestions précises à ce sujet.

Certains de mes amendements que je redépose en séance plénière tentent d'aplanir les différences entre les deux procédures qui, du moins à mes yeux, sont injustifiées.

La disposition envisageant l'hypothèse où le témoin anonyme aurait pu commettre lui-même une infraction en témoignant - soit en faisant un faux témoignage ou un faux serment, soit en portant atteinte à l'honneur ou à la considération des personnes par le biais de la diffamation ou de la calomnie - n'est guère satisfaisante. De manière générale, il importe de régler les conséquences de l'instruction de cette plainte sur le déroulement de l'autre instruction dans le cadre de laquelle l'anonymat a été accordé au témoin. Les juges du fond doivent-ils surseoir à statuer dans ce cas ou écarter le témoignage anonyme des débats ? La question reste ouverte.

Autant de questions de fond et de procédure qui doivent, à mon sens, encore être tranchées. Si je puis donc totalement appuyer l'objectif du projet de loi - parce qu'on ne peut que soutenir des législations qui donnent aux juges les moyens de lutter contre la criminalité organisée - il me semble qu'il faut être excessivement précis et soigneux dans l'élaboration des procédures.

J'appuie donc l'objectif du projet de loi mais il me semble qu'un important travail quant au fond et à la forme pourrait encore être effectué. Il conviendrait en effet de tenir compte des observations, particulièrement intéressantes, formulées par le Conseil d'État, sans oublier les remarques adressées par certains acteurs aux membres du Sénat.

Le groupe PSC votera ce projet, moyennant une abstention, dans le but de faire avancer la réglementation. Le texte amendé sera transmis à la Chambre et j'espère que nos collègues poursuivront la réflexion, essentiellement sur la valeur probante des témoignages recueillis dans le cadre de cette procédure. Un témoignage anonyme ne peut constituer le seul élément de preuve ; il doit être apprécié avec d'autres éléments. Certains articles du projet contiennent cette idée mais elle ne s'applique qu'à une des deux procédures, distinction qui pourrait être considérée comme une entorse au principe reconnu par la jurisprudence en général et par la jurisprudence de la Cour de Strasbourg en particulier.

Voilà, monsieur le ministre, les quelques considérations que je voulais exprimer à l'occasion de l'examen de ce projet de loi en séance plénière.

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - De voorbije weken is duidelijk geworden dat het geen pretje is om in de gevangenis te zitten, maar het grote probleem in België is erin te geraken.

Het uiteindelijke doel van een strafproces is het achterhalen van de waarheid, zodat de onschuldige niet vervolgd wordt en de schuldige daarentegen zijn gepaste straf ondergaat. Om tot deze waarheid te komen zijn er voldoende bewijzen nodig. In België is op het gebied van het strafrecht het principe gehuldigd van de vrije bewijsvoering, wat bijvoorbeeld tot uiting komt in de zinsnede "de rechter oordeelt soeverein over de bewijselementen die voor hem gebracht zijn".

Momenteel staat één van die bewijsmiddelen ten dele ter discussie, namelijk de anonieme getuigenis. Dikwijls zal er tijdens het strafproces een beroep gedaan worden op een getuigenis om te komen tot de volledige waarheid en meestal zal een dergelijke getuigenis voor weinig of geen problemen zorgen. De overtuiging van de rechter die uitspraak doet, is in vele gevallen gebaseerd op wat de getuige tijdens de strafprocedure verklaard heeft en daarom kan de getuigenis dan ook als het belangrijkste element in een welbepaald strafdossier beschouwd worden.

Niettemin zal de getuige in een aantal gevallen, soms terecht, vrezen voor zijn eigen fysieke en/ of psychische integriteit of van iemand die hem dierbaar is.

Anonieme getuigenissen zijn broodnodig in het kader van een doeltreffende aanpak van de georganiseerde criminaliteit. Indien het gerecht dergelijke gevoelige, maatschappelijk zeer storende dossiers wil oplossen, zal het een beroep moeten doen op uitzonderlijke procedures. De idee van de anonieme getuigenis is dan ook al aan bod gekomen in een aantal parlementaire onderzoekscommissies door de jaren heen. Het eerste tussentijdse verslag van de opvolgingscommissie georganiseerde criminaliteit van april 2001 verwees in dat verband nog eens naar de noodzaak van een wettelijke regeling omtrent de anonieme getuigen.

Ook uit de jaarverslagen "georganiseerde criminaliteit" blijkt dat een dergelijke regeling een prioriteit moet vormen. De verschillende verslagen laten vermoeden dat een meerderheid van de geregistreerde criminele organisaties een beroep doen op geweld of een andere vorm van intimidatie met als doel de positie die zij opgebouwd hebben te handhaven. Deze verscheidene vormen van intimidatie zijn dikwijls gericht tegen personen die met de justitie willen samenwerken. Ook mensen binnen de justitie zelf, zoals politiemensen en aanverwante beroepen, krijgen te maken met dit fenomeen van intimidatie.

De praktijk wijst duidelijk uit dat er in een aantal gevallen wel degelijk nood is aan een wettelijke regeling. Tot op heden bestaat er in feite een waas van mysterie rond het gebruik van anonieme getuigenissen. Zo stelt een recent Cassatiearrest van 27 april 1999 dat een getuige ter terechtzitting moet ondervraagd worden, zodat zijn getuigenis per definitie niet anoniem is, maar dat hiervan bij uitzondering kan afgeweken worden. De rechter oordeelt dus geval per geval en er bestaat in België geen echt juridisch sluitend kader. Aangezien we te maken hebben met een controversieel thema en vooral een thema dat de nodige gevaren voor de geldigheid van de procesvoering met zich brengt, kan dit regeringsinitiatief alleen maar toegejuicht worden, want rechtszekerheid komt op die manier in de plaats van juridische onduidelijkheid.

Er wordt dikwijls volledig ten onrechte gezegd dat het wetsontwerp te weinig garanties biedt voor de rechten van de verdediging. Als we kijken naar de situatie vandaag, dan zien we dat die rechten van de verdediging via de verschillende constructies die momenteel opgezet zijn door de rechtspraak, helemaal niet gegarandeerd kunnen worden.

Toch moet te alle prijze vermeden worden dat het geheel van de anonieme getuigenis als bewijsmateriaal wordt uitgesloten. Dit komt neer op het verlenen van een vrijgeleide voor het intimideren van getuigen zodat ze uit schrik hun mond houden. Het criminele milieu kan alleen maar garen spinnen bij een dergelijke houding. De strijd tegen deze vormen van criminaliteit vereist nu éénmaal een aparte en bijzondere aanpak.

Er kan moeilijk nog machteloos worden toegezien op de toestand op het terrein. In het recht dient steeds rekening te worden gehouden met de rechten van de verdediging, maar evenzeer met de rechten van de samenleving en van de burger in het bijzonder die de wetten wel naleeft.

Tussen de rechten van deze actoren - de verdachte langs de ene kant en de samenleving en de law-abiding citizen langs de andere kant - moet een zekere mate van evenwicht worden gevonden. Onze fractie is van mening dat dit het geval is met dit goed uitgebalanceerd wetsontwerp. Volgens het liberaal principe kan de vrijheid van de burger enkel worden gegarandeerd, indien men degenen die deze vrijheid bedreigen, en dus de democratie aantasten, kan vatten.

Een grondige belangenafweging is uiteraard nodig, want met verklaringen van anonieme getuigen moet nu eenmaal voorzichtig worden omgesprongen, aangezien er zowel voor- als nadelen aan verbonden zijn. De balans moet in evenwicht worden gehouden.

In 2000 werd in precies zeventien dossiers gebruik gemaakt van anonieme getuigen. Gezien de terughoudendheid van het gerecht om gebruik te maken van anonieme getuigenissen wegens het ontbrekend juridische kader kan dit cijfer toch al tellen. Mijns inziens wijst het op de nood aan een regeling terzake.

Ik ben mij ervan bewust dat er in dit dossier niet veel manoeuvreerruimte is. Het kader of de krijtlijnen waarbinnen het wetsontwerp moet blijven, zijn reeds uitgetekend en liggen onmiskenbaar vast.

Op Europees vlak werd in tegenstelling met België al veel meer gedebatteerd over dit onderwerp. Zo heeft de Raad van Europa reeds in 1997 een aanbeveling goedgekeurd die betrekking heeft op de anonieme getuigen en heeft ook de Europese Unie aandacht voor dit probleem. Ik verwijs in dit verband naar een resolutie in die zin van de Raad van Ministers daterend van 1995 of een verwijzing naar de problematiek in het Corpus Iuris van de Europese Unie.

Het Actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, daterend uit 1997 en verder uitgewerkt in 2000, afkomstig van de Europese Raad van Ministers stelde als einddatum 31 december 2001 om te komen tot een regeling voor onder meer de anonieme getuigenissen. Inmiddels is het einde januari 2002, tijd dus dat dit dossier de goedkeuring krijgt die het verdient. Langer wachten speelt enkel in de kaarten van de crimineel.

Bijna alle West-Europese landen hebben trouwens al een wettelijke regeling ingevoerd. De meest in het oog springende regeling is terug te vinden in de Verenigde Staten en in Canada. Daar werd een regeling uitgewerkt onder de noemer Witness Protection Program. In tegenstelling hiermee staan de Europese initiatieven nog in hun kinderschoenen. Dergelijke Witness Protection Programs gaan verder dan het louter beschermen van de identiteitsgegevens van een getuige en zijn goed ingeburgerd in de strafprocedure van zowel de Verenigde Staten als Canada, terwijl men in België niet eens goed kan omgaan met het afschermen van persoonsidentificerende gegevens.

We mogen niet vergeten - dit is feitelijk het belangrijkste van mijn betoog - dat het wetsontwerp betreffende de anonimiteit van de getuigen samenhangt en een groter geheel vormt met de regeling rond de bescherming van getuigen, die nu in de Kamer voorligt.

Het Europees Hof van de Rechten van de Mens heeft zich al een aantal malen kunnen uitspreken over de problematiek. Via casuïstiek heeft het Hof een hele reeks van voorwaarden op een rijtje gezet, die vrij stringent te noemen zijn. Belangrijk is dat het Europees Hof stelt dat het gebruik van anonieme getuigen in de strafprocedure niet strijdig is met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Daarbij dienen evenwel twee voorwaarden te worden vervuld.

Ten eerste is er sprake van een zekere subsidiariteit, aangezien een dergelijke getuigenis noodzakelijk moet zijn voor de vrijwaring van bepaalde legitieme belangen. Ten tweede moet er voorzien worden in een aantal bijkomende proceswaarborgen ter bescherming van de rechten van de verdediging.

Deze proceswaarborgen zijn gegroeid uit de rechtspraak van het Hof. Het nadeel is dan ook dat ze erg casuïstisch geformuleerd zijn. De rechtsleer haalt volgende extra waarborgen aan: de ondervraging dient te gebeuren door een rechterlijke instantie, de identiteit van de anonieme getuige moet aan de verhorende magistraat kenbaar worden gemaakt, de magistraat moet een proces-verbaal opstellen en moet motiveren, de verdediging moet de mogelijkheid krijgen zelf vragen te stellen aan de getuige, de verdediging moet beperkt aanwezig kunnen zijn bij het verhoor en ten slotte mag een dergelijke anonieme getuigenis slechts dienen als steunbewijs.

De Belgische wetgever is zich terdege bewust van al deze verregaande beperkingen. Met deze waarborgen in het achterhoofd hebben we dan ook, met eerbied voor de zienswijze van het Europees Hof, een evenwichtig geheel uitgewerkt, dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden van toepassing zal zijn. Laten we immers niet vergeten dat deze procedure nooit de regel zal worden, maar enkel bedoeld is voor uitzonderlijke en zeer zware gevallen.

Dit wetsontwerp is slechts een schuchtere stap in de goede richting en kadert in de aanpak van de georganiseerde misdaad. Op zich is het natuurlijk geen wondermiddel en dergelijke verwachtingen mogen we dan ook zeker niet creëren. Enkele ontwerpen zijn reeds goedgekeurd - denk maar aan het federale parket - terwijl andere teksten nog in behandeling zijn of op behandeling wachten. We denken in eerste instantie aan het ontwerp op de bescherming van de getuigen dat nauw samenhangt met het ontwerp op de anonieme getuigen.

Het wetsontwerp dat we vandaag bespreken, is de concrete uitvoering van het Federale Veiligheids- en Detentieplan, dat op zijn beurt de verdere uitwerking is van het regeerakkoord. De VLD is reeds geruime tijd voorstander van een wettelijke regeling rond anonieme getuigen. Zo lezen we onder meer al in het V-plan uit 1999 het volgende: "Anonieme getuigenissen, spijtoptanten en omkering van bewijslast kunnen de efficiëntie van de misdaadbestrijding fors opdrijven." Het is jammer dat tijdens de behandeling van het ontwerp en ook nu nog niet iedereen op dezelfde golflengte zat en zit. Voor de VLD wordt het de hoogste tijd dat er eindelijk werk wordt gemaakt van een degelijke regeling, want België loopt achter op verschillende andere landen en vooral op de georganiseerde criminaliteit. De VLD roept hier nog eens op tot het afwerken van alle instrumenten nodig om de georganiseerde criminaliteit in België een hak te zetten. Onze fractie zal dan ook met volle overtuiging deze belangrijke tekst steunen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het is duidelijk dat het ontwerp betreffende de anonimiteit van de getuigen een deelaspect regelt van de strijd tegen de misdadigheid en meer bepaald tegen de georganiseerde criminaliteit. Vanuit politiek en juridisch oogpunt was het beter geweest te werken met één wetsontwerp dat een hele reeks problemen regelt die al jaren aanslepen. Ik denk hier niet alleen aan de anonieme getuigen, maar ook aan de bijzondere opsporingstechnieken en aan de pentiti, de kroongetuigen. Met een omvattend wetsontwerp zouden we een globaal zicht krijgen op de nieuwe middelen die we binnen de beginselen van de rechtstaat kunnen gebruiken om de georganiseerde criminaliteit te bestrijden. We zouden ook gemakkelijker de effectiviteit en de bezwarende mogelijkheden en moeilijkheden van die nieuwe technieken kunnen evalueren.

Het probleem van de anonimiteit van de getuigen is niet nieuw. De regeling ervan kwam voornamelijk via de rechtspraak tot stand. De aanzet was het arrest-Kostovski van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het begin van de jaren negentig. In Nederland werd de vraag gesteld of iemand op grond van een anonieme getuigenis kan worden veroordeeld als er verder geen bewijzend materiaal is. Het Europees Hof gaf als antwoord dat een veroordeling op grond van een anonieme getuigenis alleen, geen voldoende bewijs is voor een strafbaar feit. De uitspraak was een belangrijk precedent omdat het Hof de kwaliteit van het bewijs heeft onderzocht om zich ervan te vergewissen dat de betrokkene een eerlijk proces kreeg. De motiveringsplicht van de rechters werd later, in andere arresten opgelegd.

Het wetsontwerp betreffende de anonimiteit van de getuigen is een slechte benaming want de getuige is niet anoniem. Hij is gekend, hij is alleen anoniem voor de betichte en voor de raadsman van de betichte.

Er rijzen vragen in verband met het bewijsrecht, de geloofwaardigheid van het bewijs en de gelijkheid van de partijen in het proces.

Wat het bewijsrecht betreft moet ervan worden uitgaan dat in strafzaken de rechter zich door zijn innerlijke overtuiging laat leiden om op de schuldvraag met ja of neen te antwoorden. In strafzaken is er, net zoals in burgerlijke zaken overigens, geen formeel bewijsrecht. Er kan niet alleen worden gesteund op feiten, maar ook op vermoedens die uit feiten worden afgeleid. De vraag is wanneer anonieme getuigenissen moeten worden toelaten. Als door anonieme getuigenissen enerzijds een essentieel bewijs kan worden aangevoerd dan is anderzijds de kans op mythomanie groot. De gerechtelijke wereld is omringd door mythomanen die met allerlei verhalen voor de dag komen waarvan niemand de objectiviteit van de bewering kan toetsen.

Sommigen beweren dat we zullen te weten komen wie de daders van de overvallen van de Bende van Nijvel zijn als het wetsontwerp betreffende de anonimiteit van de getuigen is aangenomen. In de vorige legislatuur was ik samen met de heer Lallemand voorzitter van de commissie voor de Georganiseerde criminaliteit. De heer Lallemand werd toen benaderd door een bekend Brussels strafpleiter die verklaarde dat een van zijn cliënten wist wie de daders van de overvallen van de Bende van Nijvel waren en bereid was de namen mee te delen op voorwaarde dat hij in vrijheid werd gesteld of een strafvermindering kreeg. Als evenwel de bewering op geen enkel ander element steunt, dan kan om het even wie misbruik maken van de maatregel.

De vraag is of, als we terzake wetgevend optreden, een regeling moet worden uitgewerkt die erg verschilt van de rechtspraak van het Europees Hof, die ik vrij bevredigend vind. We hebben zelf een zekere jurisprudentiële basis voor de anonimiteit van de getuigen die we als wetgever met het oog op een betere omkadering van de ontvankelijkheid van dit middel misschien best bekrachtigen, maar we moeten daarbij zo dicht mogelijk bij de rechtspraak van het Europees Hof blijven. Daarin staan twee zaken centraal, namelijk de kwaliteit van het bewijsrecht en de wapengelijkheid.

Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat de anonieme getuige de wapengelijkheid bedreigt. De procureur kent de identiteit van de anonieme getuige en ook de onderzoeksrechter en zelfs de beoordelende rechter zullen die in bepaalde gevallen achterhalen, aangezien zij de anonieme getuige ontmoeten. Er kan niet van worden uitgegaan dat iedereen die geacht wordt te zwijgen, dat ook in alle omstandigheden doet. Spreken is zilver, zwijgen is goud, maar in de juridische wereld verdienden velen hun geld niet met te zwijgen, maar met te spreken. Precies daarom moeten we, met het oog op de wapengelijkheid, de procedures flink insnoeren.

De kernvraag is in welke mate, om ontvankelijk te zijn, naast het anoniem bewijs ander bewijsmateriaal moet bestaan. We aanvaarden allemaal dat anonieme getuigenissen op zichzelf niet volstaan om iemand te veroordelen. Daarom verheugt het ons dat de commissie voor de Justitie ons amendement heeft aanvaard dat bepaalt dat de volledige anonimiteit kan worden gewaarborgd voor ieder misdrijf dat gepleegd werd in het kader van een criminele organisatie. Tegenover dit soort misdadigheid moeten we bijzonder alert zijn en evenredige middelen uitwerken. Er is echter geen enkele reden om in uitzonderlijke gevallen de anonieme getuige uit te sluiten bij het gebruik van de mini-instructie. Daarom hebben wij ons amendement opnieuw ingediend.

Wat betreft het steunbewijs zelf lijkt de tekst ons nog altijd voor verbetering vatbaar. De Kamer heeft namelijk een nogal ongelukkige formulering gekozen, die door de senaatscommissie voor de Justitie lichtjes is verbeterd, maar die volgens de CD&V-fractie nauwer moet aansluiten bij de rechtspraak van het Europees Hof. Daarom hebben we ons amendement opnieuw ingediend zodat we dan ten minste weten waarover we straks stemmen. Het Europees Hof heeft immers de voorbije tien jaar het begrip anonieme getuigenissen en de bewijswaarde ervan in verschillende arresten uitgewerkt. Als we de bewoordingen en de overwegingen daaruit overnemen, sluiten we elke mogelijke twijfel in hoofde van de rechters uit.

Het Hof oordeelt dat de anonieme getuigenissen in beslissende mate moeten worden gesteund door andere bewijzen. Dat lijkt ons een goed criterium. Ook al kunnen de bepalingen hier en daar misschien nog wat worden verfijnd, ze zijn alleszins beter dan die van het ontwerp, want die kunnen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd.

Ik heb meer bepaald vragen bij de woorden "in overheersende mate" in de eerste zin van het amendement van mevrouw Leduc c.s., waar in de tweede zin "in belangrijke mate" staat. Volgens juristen geeft het gebruik van verschillende woorden verschillende betekenissen aan.

De huidige tekst bepaalt overigens dat een veroordeling van een persoon niet uitsluitend gegrond mag zijn op anonieme getuigenverklaringen. Dat is mijn inziens een overlapping aangezien elders wordt bepaald dat de anonieme getuigenverklaring moet gesteund zijn door de andere bewijsmiddelen.

Het wetontwerp beantwoordt in grote mate aan de verwachtingen vanuit de praktijk. Het heeft onze steun maar is op sommige punten nog te verbeteren, ook na de wijzigingen die reeds in de commissie voor de Justitie van de Senaat werden aangebracht.

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - Onze fractie steunt dit wetsontwerp en zal het met volle overtuiging goedkeuren. Als juriste en als lid van de wetgevende macht ben ik verheugd dat ik kon meewerken aan het totstandkomen van een instrument dat bruikbaar is om uit de impasse te raken bij een aantal gerechtelijke dossiers, onder andere in de sfeer van de georganiseerde criminaliteit.

Het wetsontwerp volgt het principe van de subsidiariteit. Pas als een gerechtelijk onderzoek niet kan worden gevoerd met een gewone getuigenverklaring, kan beslist worden tot de gedeeltelijke anonimiteit van de getuige, en pas als dit ook niet voldoet, kan worden beslist tot de volledige anonimiteit. Dat biedt een bijzondere garantie voor de betrokkenen.

Alle betrokkenen in een zaak kunnen de anonimiteit van de getuige vragen: de getuige zelf, de verdachte, de onderzoeksrechter, de rechter, de voorzitter en de parketten.

Mevrouw Nyssens vermeldde dat er geen rechtsmiddel is om tegen de weigering van een anonieme getuigenverklaring in beroep te gaan. Dat is juist, maar het betekent dat er een grote verantwoordelijkheid wordt gelegd bij de advocaten en bij de magistratuur die over de anonimiteit moet beslissen.

In artikel 14 wordt bepaald dat de veroordeling niet uitsluitend of zelfs niet in overheersende mate mag gebaseerd zijn op anonieme getuigenverklaringen.

Die laatste moeten in afdoende mate door andere bewijsmiddelen worden gesteund. Nu dit amendement in de commissie is aangenomen, stemt onze wetgeving overeen met de gangbare jurisprudentie in Straatsburg.

Niemand mag veroordeeld worden uitsluitend op grond van anonieme getuigenissen. Ik waardeer het ten zeerste dat collega Decroly in de Kamer hiervoor zijn nek heeft uitgestoken en zodoende de weg heeft geopend om de Belgische wetgeving op dit punt te wijzigen.

Ik kijk uit naar de totstandkoming van een wettelijke regeling voor de bijzondere onderzoeksmethoden. In het kader van de Europese regelgeving en jurisprudentie moeten er garanties komen zowel voor de onderzoekers als voor de slachtoffers, met respect voor de rechten van de verdediging en de rechten van de mens, om de gerechtelijke achterstand te kunnen inhalen.

De anonimiteit van de getuigen is een belangrijke eerste stap, maar de gerechtelijke macht verwacht dat wij nog andere wettelijke instrumenten ter beschikking stellen. Ik zal graag mijn medewerking verlenen aan dit wetgevende werk en ik hoop dat een en ander nog in de loop van deze zittingperiode zal worden verwezenlijkt.

M. Marc Verwilghen, ministre de la Justice. - La semaine dernière, le Sénat était réuni quasi au complet à l'occasion d'un incident, certes d'une certaine gravité, mais bien moins important, me semble-t-il, sur le plan judiciaire, que le sujet dont nous débattons aujourd'hui. Je dois bien avouer être quelque peu surpris par le manque d'intérêt de bon nombre de sénateurs pour cette matière.

Dit ontwerp is de vrucht van een reeks van aanbevelingen die werden geformuleerd door verschillende parlementaire onderzoekscommissies. Reeds op het einde van de jaren '80 kwamen die tot de bevinding dat in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en tegen zware vormen van criminaliteit de middelen die ter beschikking stonden van de parketten en van de onderzoeksrechters, niet altijd afdoende waren. Men zal in de klassieke benadering van de criminaliteit toch wel uit een ander vaatje moeten tappen als het erop aankomt de strijd aan te binden tegen de zware en de georganiseerde criminaliteit.

Ik heb daarstraks met belangstelling geluisterd naar wat collega Vandenberghe heeft verklaard over de gelijkheid van de middelen. Ik denk dat in een proces - en daarin volg ik hem volledig - beide partijen, dit wil zeggen de openbare aanklager en het slachtoffer alsmede de verdediging, over gelijke wapens moeten kunnen beschikken. Die gelijkheid van wapens is hoegenaamd niet verwezenlijkt. U zult maar slachtoffer worden van een bende die zich schuldig maakt aan georganiseerde criminaliteit en als slachtoffer maar eens pogen uw rechten te laten gelden en schadevergoeding trachten te bekomen voor de schade die u hebt geleden. De realiteit heeft ons al lang geleerd dat men op dat moment als slachtoffer, aanstaande burgerlijke partij, als een vijfde wiel aan de wagen functioneert. Zelfs als er nu al meer procesgelijkheid is totstandgekomen dankzij de hervorming-Franchimont, betwijfel ik nog altijd of de balans wel in evenwicht is. Ik blijf er trouwens bij dat de rechten van de verdediging een te grote impact hebben op de strafprocedure.

Het ontwerp voorziet in de gedeeltelijke of volledige anonimiteit van de getuigen. Ter voorbereiding van de tekst werd een rechtsvergelijkende studie uitgevoerd door de universiteit van Gent en de Université Libre de Bruxelles. In die studie wordt niet alleen een vergelijking gemaakt van de systemen van de ons omringende landen, maar wordt ook aandacht besteed aan de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de mens te Straatsburg. Het document diende dan ook als richtsnoer voor de uitwerking van het ontwerp.

Ik geef toe dat één groot wetsontwerp de georganiseerde criminaliteit beter zou kunnen bestrijden, maar ik houd mijn hart vast voor dergelijke grote oefeningen. Ik heb in het verleden immers vastgesteld dat de werkzaamheden die een brede uniformiteit moesten realiseren, enorm veel tijd in beslag namen en uiteindelijk toch mislukten. Ik had het voorrecht strafrecht gedoceerd te krijgen van wijlen Professor Bekaert die een fameuze kater had overgehouden aan een hervorming van het strafrecht waarmee hij als koninklijk commissaris was belast. Zijn conclusie was dat dergelijke grote projecten zelden tot een goed einde kunnen worden gebracht, met alle gevolgen van dien. Als minister van Justitie kan ik dat nu ten volle beamen. Dergelijke mislukkingen spelen nog meer in de kaart van de georganiseerde criminaliteit.

Je m'attarderai quelques instants sur l'avis du Conseil d'État, car Mme Nyssens l'a évoqué longuement.

Première remarque : ce n'est qu'un avis et je me réjouis qu'il ne soit contraignant ni pour le législateur, ni pour l'Exécutif, ni pour le pouvoir judiciaire. Il faudrait tout de même en finir avec la vision unilatérale qui semble récurrente pour cette chambre du Conseil d'État qui forge son opinion sur une seule partie de la doctrine en vigueur dans ce pays. Apparemment, elle ne tient compte que de certains auteurs reconnus sur le plan international. Je ne doute nullement de leurs qualités, mais notre pays compte aussi d'autres spécialistes, professeurs en la matière, qui ne sont apparemment pas connus par cette chambre du Conseil d'État. Pourtant, ces personnes bénéficient également d'une reconnaissance internationale et sont des autorités dans leur domaine. Or, je constate que les ouvrages de M. Traest ou du professeur Vanderbeken ne sont jamais mentionnés par cette chambre. Elle s'appuie sur une doctrine connue depuis plusieurs années mais elle ne tient pas toujours compte de l'évolution de la jurisprudence et, plus particulièrement, de la jurisprudence de la Cour européenne. Il faut donc être prudent.

J'ai constaté que les éléments de critique formulés par le Conseil d'État ne tiennent pas compte des réponses qui ont déjà été données soit par la jurisprudence soit par la doctrine, ce qui m'amène à cette idée d'Érasme qui disait déjà, au XVIème siècle, que la science la plus difficile à mener était la justice et les sciences judiciaires, car elles font l'objet d'une surenchère de lois, d'explications et de sur-explications, ce qui rend la tâche extrêmement difficile.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Erasmus was een belangrijk persoon, maar we zouden van hem ook de Lof der Zotheid kunnen citeren.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Daar heb ik het over.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Hij heeft daarin over de juristen ook nog iets anders gezegd, maar dat zal ik nu niet herhalen.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Nous vivons une époque passionnante, nous revivons la période de la Renaissance et d'Érasme. Si l'on interroge dix juristes, on entend dix opinions différentes

M. Marc Verwilghen, ministre de la Justice. - Absolument, et c'est précisément cela que le citoyen ne comprend pas ou ne veut pas admettre plus longtemps. Il faut donc trouver des solutions.

In het wetsontwerp proberen we zowel de gedeeltelijke als de volledige anonimiteit een wettelijke basis te geven.

L'anonymat partiel, qui est décidé soit par le juge d'instruction, soit par le juge du fond, consiste à omettre une ou plusieurs données de l'identité du témoin dont la mention est prescrite par la loi. Cette décision ne peut être prise qu'à condition qu'il existe une présomption raisonnable que le témoin, ou une personne de son entourage, pourrait subir un préjudice grave à la suite de la divulgation de ces données et de sa déposition. Le juge prend cette décision d'office, sur réquisition du ministère public ou à la demande du témoin, de l'inculpé ou de son conseil.

Le projet prévoit que les personnes qui témoignent en raison de leurs activités professionnelles, comme les policiers de terrain qui travaillent sur le dossier, ne doivent pas mentionner leur adresse de résidence mais bien leur adresse de service.

Het onderscheid tussen de volledige en gedeeltelijke anonimiteit gaf aanleiding tot heel wat discussie, volgens mij onterecht. Dit onderscheid wordt immers ook gemaakt in de Europese rechtspraak en in de nationale rechtspraak van de landen die met het probleem geconfronteerd werden.

Dat onderscheid is nodig. Het spreekt vanzelf dat een gedeeltelijke anonimiteit veel minder problemen doet rijzen dan een volledige anonimiteit. De volledige anonimiteit moet bijgevolg aan bijzondere voorwaarden onderworpen worden. Er moet zeker een subjectief criterium zijn, maar er moet ook een objectief criterium in acht worden genomen om de anonimiteit te waarborgen van de personen die beroepshalve - ik denk dan aan politieagenten - getuigenissen zullen moeten afleggen.

Het is even evident dat de volledige anonimiteit maar in bepaalde strikt omschreven gevallen kan worden verleend, namelijk in misdrijven waarvoor de onderzoeksrechter krachtens artikel 90ter, paragrafen 2 tot en met 4 van het Wetboek van Strafvordering een telefoontap kan bevelen, wanneer het gaat om misdrijven die gepleegd worden in het kader van een criminele organisatie en wanneer het gaat om inbreuken op de wet van 16 juni 1993 ter bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.

Daarbij wordt op een weloverwogen manier rekening gehouden met de principes van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het is de onderzoeksrechter die volledig anoniem verhoort, ook als het verhoor bevolen wordt door de bodemrechter. Dat doet weliswaar de vraag rijzen in hoeverre de discretie en de volledige anonimiteit kunnen worden gegarandeerd. Het moet mij daarbij van het hart dat we het onderscheid moeten kunnen blijven maken tussen de rechterlijke macht waarvan de kenmerken toch onafhankelijkheid en discretie zijn, en andere fora die soms ook een beroep doen op anonieme getuigen. Zo heb ik als lid van de onderzoekscommissie Agusta meegemaakt dat daar een anonieme getuige is opgeroepen, die vandaag senator is. Het getuigenis van de persoon in kwestie maakte toen al vele commissieleden nieuwsgierig een riep heel wat vragen op. Dat soort wrevel dat kan ontstaan, moet de rechtsstaat niet beletten de rechterlijke macht, en meer bepaald de zittende magistratuur, het instrument van deze wet ter beschikking te stellen met de discretie die ermee gepaard gaat. En die discretie die de wetgever heeft gewild, moet worden gerespecteerd, zoniet krijgen we incidentrijke discussies zoals we die in de voorbije dagen hebben gekend.

Het volledig anoniem getuigenis kan alleen als steunbewijs gelden. Het zal dus door andere bewijsmiddelen moeten worden geschraagd.

J'estime que le projet de loi que nous examinons ne doit pas faire l'objet d'une étude plus approfondie, tant à la Chambre qu'au Sénat, et doit dès à présent être soumis au vote.

Les amendements adoptés par la commission de la Justice du Sénat portent essentiellement sur un certain nombre d'imperfections d'ordre technique et, sur certains points, mettent davantage le projet en adéquation avec la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme, ce dont je me réjouis.

Ce projet de loi offre aujourd'hui aux autorités judiciaires un nouveau moyen efficace de lutter contre la criminalité grave et la criminalité organisée, dans le respect des droits de chacun et pas uniquement de la défense.

Ik hoop dat deze maatregelen de eerste zijn van een ganse reeks. De wetgeving over het federaal parket, de bedreigde getuigen, de audiovisuele opname van getuigenissen, de verdeling van de bewijslast en de bijzondere opsporingstechnieken moeten ons de middelen verschaffen waarover een modern openbaar ministerie en een onderzoeksrechter moeten kunnen beschikken om de strijd aan te binden tegen de georganiseerde misdaad.

-La discussion générale est close.