2-164

2-164

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 13 DECEMBER 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie over ęde problemen bij de uitvoering van het Lombardakkoord in een aantal Brusselse gemeentenĽ (nr. 2-796)

De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - In het kader van de Lambermont- en Lombardakkoorden werd gestipuleerd dat de regering vanaf 1 januari 2002 een bedrag van 1 miljard frank ter beschikking zou stellen van die gemeenten van het Brussels Gewest die een Nederlandstalige schepen in hun schepencollege opnemen. Dit bedrag zou verdeeld worden volgens de regels die vastgelegd zijn in de ordonnantie die het Brussels gemeentefonds regelt.

De oppositie heeft de minister van meet af aan gewaarschuwd dat dit een bizarre regeling was waardoor Vlamingen als een soort ordinaire koopwaar worden aangeboden om Brusselse gemeenten meer financiŽle ruimte te geven. De vrees bestond ook dat een aantal gemeenten een zogenaamde "Flamand de service" zouden inhuren om het geld binnen te rijven. Die vrees dreigt bewaarheid te worden, althans in de gemeenten Sint-Gillis en Vorst waar blijkbaar een aantal fictieve Vlamingen worden gecreŽerd.

In Vorst bijvoorbeeld zal iemand als Vlaamse schepen worden voorgedragen die zich in het verleden manifest als Franstalige heeft geuit en trouwens ook de eed in het Frans heeft afgelegd.

Op die manier wordt aan de doelstelling van het Lombardakkoord, met name de gelijkwaardige participatie van de twee gemeenschappen in het beleid van de Brusselse gemeenten, afbreuk gedaan.

Op welke manier worden Nederlandstalige schepenen als dusdanig erkend? Wie in de federale regering bepaalt welke gemeenten van de dotatie kunnen genieten? Wordt de dotatie door de federale regering automatisch toegekend of ziet de federale regering er op toe dat deze niet oneigenlijk wordt verleend?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De wijze waarop de taalaanhorigheid van een gemeentelijk mandataris in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest erkend wordt, verschilt in wezen niet van de wijze waarop dat in het verleden gebeurde. Hierbij is de verklaring van de taalaanhorigheid die door de gemeentelijke mandatarissen afgelegd wordt, bepalend. Alleen een schepen waarvan de taalaanhorigheid het Nederlands is, kan tot de Nederlandse taalgroep behoren.

Die taalaanhorigheid wordt volgens artikel 279, ß3, van de nieuwe gemeentewet bepaald op basis van de regels vervat in het artikel 23bis, ß2, van de gemeentekieswet volgens hetwelk de taalaanhorigheid vastgesteld wordt door een schriftelijke verklaring ondertekend door tenminste 100 gemeenteraadskiezers die behoren tot de taalgroep waar de voordracht de belanghebbende bij indeelt. De taalaanhorigheid van de kiezers wordt bepaald door de taal van hun identiteitskaart.

Overeenkomstig hetzelfde artikel kan de taalaanhorigheid ook worden vastgesteld door ten minste twee leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad die behoren tot de taalgroep waar de voordracht de belanghebbende bij indeelt ofwel door ten minste twee aftredende gemeenteraadsleden die behoren tot de taalgroep waar de voordracht de belanghebbende bij indeelt.

Volgens de wetgever behoort het tot de verantwoordelijkheid van een deel van het kiezerskorps of tot de politieke verantwoordelijkheid van tenminste twee politieke mandatarissen om uit te maken welke taalaanhorigheid een gemeentelijk mandataris in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft.

In het geval van mevrouw Van Vooren, schepen te Sint-Gillis, hebben twee leden van de Nederlandse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, namelijk de heren Vanhengel en Vanraes, de verklaring van taalaanhorigheid mede ondertekend. Volgens de wet moet mevrouw Van Vooren dan ook effectief als Nederlandstalige schepen worden beschouwd.

Wat de tweede en de derde vraag betreft bepaalt artikel 46bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen het bedrag dat jaarlijks door de federale overheid ter beschikking gesteld wordt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De Brusselse regering moet deze speciale dotatie onder de gemeenten verdelen overeenkomstig de criteria die in artikel 46bis zijn vastgelegd. Aangezien niet de federale overheid de middelen moet verdelen, is het aan te raden dat een van de collega's van de heer Van Hauthem in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad deze vragen stelt aan de bevoegde minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Dat laatste is ondertussen reeds gebeurd.

Uit het antwoord blijkt duidelijk dat deze regelgeving niet deugt en dat iemand perfect tijdens dezelfde legislatuur de eed kan afleggen in het Frans en vervolgens van taalaanhorigheid kan veranderen. Onze vrees wordt bewaarheid dat net als bij de FDF-Vlamingen in 1971 opnieuw fictieve Vlamingen worden gecreŽerd.