Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-38

ZITTING 2000-2001

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Justitie

Vraag nr. 1199 van mevrouw Thijs d.d. 7 maart 2001 (N.) :
Kinderprostitutie door Belgen in het buitenland. ≠ Sancties. ≠ Vervolging. ≠ Veroordelingen.

ę Sekstoerisme Ľ kan dankzij het zogenaamde extraterritorialiteitsbeginsel uit de wet ter bestrijding van de mensenhandel van april 1995 vervolgd worden. Volgens dit wettelijk beginsel kan iedere Belg die in het buitenland de eerbaarheid van een kind aanrandt, met of zonder geweld, en/of een kind verkracht, in BelgiŽ worden vervolgd. Op deze manier tracht men kinderprostitutie te bestrijden als een vorm van internationale criminaliteit.

Daarom de volgende vragen aan de geachte minister :

1. Hoeveel Belgen en personen die in BelgiŽ verblijven, werden sinds april 1995 vervolgd wegens kinderprostitutie in het buitenland ?

2. Hoeveel personen werden uiteindelijk veroordeeld ?

3. In welke sancties voorziet de wet ?

4. In welke mate is er overleg en samenwerking op Europees niveau om deze vorm van internationale criminaliteit juridisch aan te pakken ?

5. In welke mate wisselt men tussen de landen informatie over bekende pedofielen uit ?

6. Voorziet het ministerie van Justitie in een budget voor preventie en informatie betreffende de desastreuze gevolgen voor kinderen in het sekstoerisme en de mogelijke juridische vervolging van de zogenaamde ę sekstoeristen Ľ ?

Antwoord : Op grond van de inlichtingen die mij door de gerechtelijke overheden zijn bezorgd, deel ik het geachte lid het volgende mee.

Sedert april 1995 zijn negen dossiers aangelegd ten laste van Belgen of van personen die in BelgiŽ verblijven wegens zedenfeiten die in het buitenland zijn gepleegd ten aanzien van minderjarigen (artikel 10ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995). Drie van die dossiers zijn aangelegd in het rechtsgebied van het hof van beroep te Gent, de zes andere in het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel.

Drie van voornoemde dossiers zijn beslecht voor de correctionele rechtbank en hebben geleid tot twee veroordelingen en tot een vrijspraak. De zes andere dossiers zijn nog steeds in behandeling in het kader van het opsporingsonderzoek of van het gerechtelijk onderzoek.

Terzake voorziet de wet in de toepassing van artikel 379 van het Strafwetboek of van (het nieuwe) artikel 380, al dan niet samen met de artikelen 372, 373, 374, 375, 376, 377 en 278, alsmede van artikel 10ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering.

In de meerderheid van de dossiers zijn de strafbare feiten gepleegd in niet-Europese landen (Thailand, Vietnam, Cambodja). De onderzoeken die moeten worden gevoerd zijn buitengewoon zwaar en nemen veel tijd in beslag aangezien zij vrijwel volledig in het buitenland verlopen, leiden tot internationale rogatoire commissies en tot de vertaling van stukken en soms ongemakkelijke samenwerking met de plaatselijke gerechtelijke overheden vereisen.