2-105

2-105

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 29 MAART 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de gerechtelijke kantons (Stuk 2-604)

Algemene bespreking

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD), rapporteur. - Het akkoord tot beŰindiging van het belangenconflict werd door het Vlaams Parlement goedgekeurd op 28 maart 2001.

Na terugzending door de plenaire vergadering diende de commissie voor de Justitie op 29 maart 2001 het ontwerp opnieuw te onderzoeken, aangezien de regering amendement nummer 8 (stuk Senaat, 2604/2) en de heer Van Hauthem amendement nummer 9 (stuk Senaat, 2604/7) indienden.

Het regeringsamendement bij artikel 21 strekt ertoe de inwerkingtreding van de betrokken bepalingen, die oorspronkelijk gepland was voor 1 januari 2001, te wijzigen aangezien het ontwerp niet voor deze termijn kon worden afgewerkt. Bovendien heeft de wijziging van de territoriale bevoegdheid van de gerechten juridische gevolgen die niet te verzoenen zijn met de terugwerkende kracht ervan.

Het amendement en het aldus gewijzigde artikel werden eenparig aangenomen door de tien aanwezige leden.

Het amendement van de heer Van Hauthem dat ertoe strekt het tweede lid van het voorgestelde artikel 53 paragraaf 5 te doen vervallen werd eenparig verworpen door de tien aanwezige leden.

Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel werd eenparig aangenomen door de tien aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur om in de plenaire vergadering mondeling verslag uit te brengen.

De heer Ludwig CaluwÚ (CVP). - Ik dank de minister van Justitie voor zijn aanwezigheid bij de behandeling van dit wetsontwerp. Hij is totnogtoe de enige minister die vandaag aanwezig is bij een debat over een materie waarvoor hij bevoegd is. Voor de rest hadden we te maken met plaatsvervangers. Ik bewonder de capaciteiten van de huidige ministers, die blijkbaar beslagen zijn in alle materies!

Er bestond een belangenconflict in verband met dit ontwerp, toen voor de kerstvakantie in de Senaatscommissie te elfder ure - letterlijk woensdagavond 11 uur - een amendement werd goedgekeurd. Enkel het Vlaams Parlement, dat kort op de bal speelde, kon nog verhinderen dat het wetsontwerp werd aangenomen en dat het werd overgezonden naar de Kamer met de bedoeling dat het er donderdagavond nog zou worden aangenomen.

De procedure van het belangenconflict heeft ons in de gelegenheid gesteld om de zaak uit te klaren. De eerste interpretatie van de vertegenwoordiger van de minister, die beweerde dat zelfs in de hoofdplaatsen van de kantons waarin faciliteitengemeenten zijn gelegen, affiches in de andere landstaal moeten worden uitgehangen en folders in de andere landstaal aan de loketten moeten worden gelegd, is gelukkig onjuist gebleken. De tekst van het ontwerp moet beperkend worden ge´nterpreteerd. Alleen de inwoners van een faciliteitengemeente die zich in verband met een bestuurszaak tot het loket van het vredegerecht wenden en hierbij gebruik maken van de andere landstaal, zullen in de andere landstaal worden geholpen door een ambtenaar die een voldoende kennis heeft van de andere landstaal.

Er was afgesproken dat deze interpretatie, die in een brief van de minister van Justitie aan de voorzitter van het Vlaams Parlement is vastgelegd, uitdrukkelijk in de stukken zou worden opgenomen. Ik heb nog geen stuk gezien waarin deze interpretatie uitdrukkelijk is vermeld. Ik geloof dat de minister te goeder trouw is en dat de interpretatie nog uitdrukkelijk zal worden vastgelegd, maar ik zou graag vandaag van de minister vernemen op welke wijze dat zal gebeuren. Graag zag ik dat standpunt in de Handelingen opgenomen.

Met de beperkende interpretatie kunnen we vrede nemen. De toepassing van de wet moet echter eveneens op een beperkende wijze gebeuren. Ik reken erop dat de minister terzake voldoende toezicht zal uitoefenen.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om op een concreet probleem terug te komen. Ik heb dat probleem al op 20 juli 2000 aangesneden bij de behandeling van de aanpassing van de indeling van de vredegerechten. Ik heb toen aan de minister een vraag gesteld over de inplantingsplaats van het nieuwe vredegerecht van Ekeren en gezegd dat ik dat opnieuw ter sprake zou brengen op het ogenblik van de behandeling van voorliggend ontwerp.

Het probleem is dat het vredegerecht van het nieuwe kanton Ekeren, met hoofdplaats Ekeren, volgens de huidige berichten zou worden gehuisvest buiten dit kanton, in het Justitiepaleis van Antwerpen. Dat heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat de inwoners van de gemeente Stabroek, die vandaag ressorteren onder het vlakbij gelegen kanton Kapellen, waarvan het vredegerecht gehuisvest is op enkele honderden meters van Stabroek, nu 20 kilometer moeten afleggen.

De minister had op 20 juli 2000 geantwoord dat het zijn bedoeling was om in de resterende periode een deugdelijke huisvesting te zoeken, zo dicht mogelijk bij het kanton en bij voorkeur in Ekeren. Wat is de stand van zaken? EÚn september nadert. Vorige maandag is dit probleem tijdens de vergadering van de districtsraad van Ekeren ter sprake gekomen. De informatie dat het vredegerecht in het justitiepaleis van Antwerpen zal worden gehuisvest, werd er niet weerlegd.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Ik wil twee opmerkingen maken. Het Vlaams Parlement heeft het belangenconflict ingeroepen. Na drie vergaderingen zijn we tot een oplossing gekomen die er ten eerste in bestond dat de minister van Justitie een brief zou schrijven waarin hij zou uiteenzetten hoe de faciliteiten inzake de administratieve handelingen van gerechtelijke overheden moeten worden ge´nterpreteerd.

Wij waren met deze oplossing vrij tevreden. Die komt erop neer dat het alleen om inwoners van taalgrensgemeenten gaat, in dit geval de gemeente Bever, en alleen om individuele contacten over zuiver administratieve handelingen die door gerechtelijke overheden moeten worden uitgevoerd.

Ten tweede zou de brief van de minister over de toepassing van de faciliteiten inzake de administratieve handelingen van gerechtelijke overheden integraal deel uitmaken van de voorbereidende werken van het wetsontwerp.

Gisteren heeft het Vlaams parlement beslist een einde te maken aan het belangenconflict. Ik heb er op aangedrongen dat de brief effectief deel zou uitmaken van de voorbereidende werken. Er werd dan ook beslist dat de voorzitter de brief integraal in openbare vergadering zou voorlezen. De Senaatscommissie voor de Justitie heeft hier een aanvullend verslag uitgebracht. Mevrouw Leduc, rapporteur, haalt daarin eigenlijk maar twee dingen aan: het amendement van de regering en het amendement van onze fractie. Over de interpretatie die toch zeer belangrijk is, wordt echter met geen woord gerept. De brief van de hand van de minister van Justitie behoort tot op de dag van vandaag nog steeds niet tot de voorbereidende werken.

Dat is een voldoende reden om het wetsontwerp niet goed te keuren.

Gezien de ministeriŰle interpretatie van de taalwetgeving inzake bestuurszaken, waaraan ook de gerechtelijke overheden zijn onderworpen wanneer ze administratieve handelingen verrichten, lijkt het amendement dat collega Mahoux destijds heeft ingediend in de commissie voor de Justitie overbodig.

Voor het toestaan van deze faciliteiten is het niet vereist aan beide zijden van de taalgrens iemand in dienst te nemen die via een examen blijk heeft gegeven van de kennis van de andere landstaal.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik wens toch in te gaan op het ontstaan van het belangenconflict. Bij de discussie over de wet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de gerechtelijke kantons, die een evaluatie inhield van de wet van 25 maart 1999, ontstond een belangenconflict naar aanleiding van een, op zijn zachtst uitgedrukt, onvolkomenheid in voornoemde wet. De vorige regering had namelijk uit het oog verloren dat er ook in het gerechtelijk kanton Sint-Pieters-Leeuw een probleem kon ontstaan.

Het belangenconflict dat door het amendement van de heer Mahoux c.s. was ontstaan, werd opgelost door een brief die ik op 13 maart 2001 aan de voorzitter van het Vlaams Parlement heb gestuurd.

Deze brief luidt als volgt. "Het betwiste amendement heeft geenszins tot doel de wettelijk bepaalde faciliteiten uit te breiden, noch heeft het dit tot gevolg. Evenmin beoogt dit amendement de wettelijk voorziene faciliteiten in te krimpen. Het amendement heeft als enige doelstelling rekening te houden met het artikel 1, ž1, 4░, van de geco÷rdineerde wet van 18 juli 1966 op het taalgebruik in bestuurszaken, dat bepaalt dat deze wetten van toepassing zijn op de administratieve handelingen van de rechterlijke macht en van dezer medewerkers zoals zij in de wetten limitatief worden omschreven. Een kanton dient immers overeenkomstig de voormelde wetgeving beschouwd te worden als een gewestelijke dienst en eventueel een plaatselijke dienst en moet voldoen aan de vereisten die terzake door de taalwetgeving in bestuurszaken aan die diensten worden opgelegd. Het amendement strekt er in deze enkel toe om de kantonale dienstverlening de nodige instrumenten te verschaffen wat toelaat de taalwetgeving op de wettelijk voorziene wijze toe te passen. Daarbij wordt uiteraard binnen de filosofie van het amendement voornamelijk de optimale individuele mondelinge en desgevallend schriftelijke dienstverlening aan de burger beoogd. Hierbij moet eveneens benadrukt worden dat enkel de minder frequent voorkomende dienstverlening aan de inwoners van de taalgrensgemeenten met taalfaciliteiten op bestuurlijk vlak beoogd wordt en dat inwoners van andere gemeenten zonder taalfaciliteiten binnen eenzelfde kanton geenszins dergelijke rechten kunnen laten gelden. Zo moet opgemerkt worden dat bij wijze van voorbeeld de griffie van het toekomstige kanton Herne-Sint-Pieters-Leeuw, wat betreft haar individuele betrekkingen ten aanzien van de inwoners van de taalgrensgemeente Bever en uitsluitend ten aanzien van hen zich, in het antwoord moeten bedienen van de Franse taal indien de betrokken particulier zich hiervan bedient op de wijze zoals in de taalwetgeving in bestuurszaken voorzien is".

Deze regeling wordt trouwens op identieke wijze toegepast in andere gerechtelijke kantons, zowel in Vlaanderen als in WalloniŰ. Ik zal uiteraard toezicht houden op de correcte toepassing. Ik heb daar geen enkele moeite mee.

Ik was niet voorbereid op de slotvraag van de heer CaluwÚ. Voor zover ik mij herinner hebben maar twee van de 18 nieuwe kantons nog geen definitieve huisvesting. Er is wel een tijdelijke oplossing uitgewerkt. Voor Ekeren zou echter een definitieve oplossing in de bus zitten. Ik ben er dus vrij gerust in dat de kantons tegen 1 september zullen kunnen functioneren.

-De algemene bespreking is gesloten.