2-101

2-101

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 15 MAART 2001 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Iris Van Riet aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over ęde resultaten van het RosettaplanĽ (nr. 2-377)

Mevrouw Iris Van Riet (VLD). - Van bij de aanvang was er enige scepsis tegenover de toepasbaarheid van het startbanen- of Rosettaplan op de Vlaamse arbeidsmarkt. Gezien de relatief geringe jongerenwerkloosheid in Vlaanderen werd de doelgroep van het plan door middel van de uitvoeringsmodaliteiten verbreed. Uit nieuwe cijfers die werden gegeven in antwoord op een schriftelijke vraag, blijkt andermaal dat twee derde van de startbaanovereenkomsten met Vlaamse jongeren worden gesloten. Ofschoon het Rosettaplan aanvankelijk de kritiek kreeg een plan te zijn dat vooral op Waalse leest was geschoeid, blijkt uit de cijfers dat amper 26% van de overeenkomsten met Waalse jongeren werden gesloten. Dit resultaat is verrassend, gezien de hoge Waalse werkloosheid. In de periode juni 1999 - december 2000 kende WalloniŽ een toename van het aantal niet-werkende werkzoekenden jonger dan 25 jaar met 9,9%. Bij de groep tussen 25 en 30 jaar was er een afname met 3,9%. Deze cijfers wijken echter opvallend af van de federale cijfers, waar we respectievelijk een stijging met 6,9% en een daling met 8,2% zien, en meer nog van de Vlaamse cijfers, waar het gaat om een stijging met 2,8% en een daling met 14,3%.

De feitelijke verdeling van de Rosetta-overeenkomsten over de verschillende regio's correspondeert ook niet met de vooropgestelde verdeling van de financiŽle middelen. Naar we vernemen zou er op jaarbasis maximum 423,6 miljoen naar de VDAB, 412,4 naar Forem en 84,6 miljoen naar de BGDA gaan. Dit betekent dat het maximumbedrag voor Forem ongeveer even groot is als dat voor de VDAB, terwijl er tegenover elke Rosetta-overeenkomst in WalloniŽ 2,5 overeenkomsten in Vlaanderen staan.

Gezien de cijfers van het Rosettaplan enerzijds en die van de werkloosheid anderzijds, lijkt het paradoxaal dat de regio met de hoogste werkloosheid tegenvallende resultaten boekt in het Rosettaplan. Het is dan ook opmerkelijk dat er uitgerekend in Vlaanderen kritiek is gekomen op het verplichtend karakter van Rosetta.

Het valt eveneens op dat een meerderheid van de Rosetta-overeenkomsten wordt gesloten met hogergeschoolde jongeren, terwijl de maatregel aanvankelijk vooral gericht was op de laaggeschoolde werkzoekenden. De oorspronkelijke Rosettawetgeving voorzag in een vermindering van de patronale bijdragen, toegekend op basis van het voordeelbanenplan voor bedrijven die jongeren na hun stagetijd wilden aanwerven. Omdat het voordeelbanenplan enkel een lastenverlaging toekent bij de aanwerving van werklozen, voorzag Rosetta in een gelijkstelling van de stagetijd met een periode van werkloosheid. Eind vorig jaar werd echter een einde gemaakt aan de lastenverlaging voor bedrijven die hogergeschoolde jongeren na hun stagetijd aanwerven. Met deze maatregel zet de minister een stap terug tegenover het oorspronkelijk opzet van het Rosettaplan. Het hoeft dus niet te verwonderen dat vooral vanuit het Vlaamse bedrijfsleven kritiek te horen viel.

Hoe valt het lage aandeel van het Waals Gewest in het Rosettaplan te verklaren rekening houdend de hogere werkloosheidscijfers in WalloniŽ?

Op basis van welke parameters werd de verdeling van de financiŽle middelen tussen het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en Brussel vastgelegd?

Hoeveel hebben de diverse regio's effectief ontvangen in het jaar 2000?

Heeft het lage aandeel van WalloniŽ in Rosetta gevolgen voor de verdeling van de financiŽle middelen?

Wat is de numerieke en budgettaire impact van de voorgestelde intrekking van de Rosettasteun voor de aanwerving van hooggeschoolde jongeren in het Vlaams Gewest, Waals Gewest en Brussel?

Wat denkt de minister van de kritiek van het Vlaams bedrijfsleven dat de bedrijven de rekening moeten betalen voor de bijsturing van het Rosettaplan en dat de maatregel als contractbreuk kan worden beschouwd?

Waarom heeft de minister geopteerd voor een maatregel met terugwerkende kracht? Plant ze een eventuele bijsturing zodat bedrijven, die reeds hooggeschoolden hebben aangeworven in het kader van het Rosettaplan, toch nog een beroep zouden kunnen doen op de lastenverlaging?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Alvorens de vragen van mevrouw Van Riet te beantwoorden, wens ik toch twee opmerkingen te maken.

Ten eerste, het begrip "geschoolde" of "laaggeschoolde" jongere is relatief. Van zodra jongeren over het diploma van het hoger secundair onderwijs beschikken, behoren ze tot de categorie geschoolde jongeren. Tot deze categorie behoren dus: de houders van een diploma van het universitair onderwijs, het hoger onderwijs van het lange type, het hoger onderwijs van het korte type, de vierde graad van het secundair technisch- en beroepsonderwijs, het zevende jaar beroepsonderwijs, het zesde jaar technisch onderwijs en het zesde jaar van het algemeen onderwijs.

Het begrip hooggeschoolde jongere moet dus worden genuanceerd. Een houder van het diploma van het zesde jaar van het beroepsonderwijs en van het kwalificatiegetuigschrift kan in sommige gevallen hoger geschoold zijn dan een houder van het diploma van het zesde jaar van het algemeen secundair onderwijs.

Ten tweede, de technische verbetering om alleen voor de laaggeschoolde jongeren de periode van de startbaanovereenkomst gelijk te stellen met een periode van werkloosheid gebeurde in overleg met de sociale partners. Dit is geen stap achteruit, maar een bijkomende inspanning voor de laaggeschoolden.

Deze maatregel heeft overigens geen invloed op de hooggeschoolde jongeren die op het ogenblik van de reglementeringwijziging eventueel reeds met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur tewerkgesteld waren.

Meer dan 11.000 Waalse jongeren kregen een startbaanovereenkomst. Dat is niet onbelangrijk. De analyse moet nog verfijnd worden. Bovendien mag niet worden vergeten dat alle overeenkomsten met de Vlaamse bedrijven, ook met diegene waarvan de maatschappelijke zetel in WalloniŽ of in Brussel gevestigd is, in de Vlaamse statistieken zijn opgenomen.

Voor de berekening van het aantal jongeren geldt de plaats waar ze als werkzoekenden zijn ingeschreven en niet de woonplaats.

De Vlaamse arbeidsmarkt biedt momenteel overigens betere vooruitzichten dan de Waalse. In de Vlaamse bedrijven zijn gemiddeld meer werknemers tewerkgesteld. Die bedrijven zijn dus onmiddellijk aan de reglementering onderworpen.

In de eerstkomende weken zullen informatie-acties worden georganiseerd voor KMO en ambacht om ze te sensibiliseren voor de mogelijkheden die startbaanovereenkomst biedt voor de aanwerving van jonge medewerkers.

We verwachten daarvan vooral in WalloniŽ en in Brussel resultaten.

Ik veronderstel dat de genoemde financiŽle middelen slaan op de globale federale plannen die de ministerraad in februari 2000 heeft goedgekeurd. De regering heeft immers beslist jaarlijks 2000 startbaanovereenkomsten aan te bieden. Ze kunnen in drie categorieŽn worden opgesplitst.

Een eerste groep overeenkomsten behelst de vermindering van het aantal banen die vroeger werden omschreven door het koninklijk besluit nummer 230 op de stages van de RVA.

De tweede groep maakt het voorwerp uit van samenwerkingsakkoorden tussen de staat, de gemeenschappen en de gewesten. De federale staat financiert deze banen voor honderd procent op voorwaarde dat de gewesten en de gemeenschapen het bewijs leveren dat ze hun SBO-verplichtingen zijn nagekomen. In deze groep gaan er 63 banen naar de Franse Gemeenschap, 7 naar de Duitse Gemeenschap, 72 naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 227 naar het Waals Gewest en 315 naar het Vlaams Gewest. Voor 2001 wordt een eerste enveloppe van 500 miljoen frank toegekend, die na de begrotingscontrole nog zal worden aangevuld.

De derde groep overeenkomsten is terug te vinden in de globale federale plannen. Ze komen tot stand op voorstel van diverse ministeries en worden in 2001 gefinancierd met een bedrag van 500 miljoen frank. Een evaluatie van de realisatie van deze plannen wordt georganiseerd tegen het midden van dit jaar.

Voor het opstarten van de startbaanovereenkomsten

hebben de gewesten geen specifieke financiering ontvangen. De gewesten en gemeenschappen zijn verplicht de reglementering inzake de aanwerving van jongeren in het kader van een de SBO, na te leven. Ze financieren deze banen met eigen middelen. De gewesten en gemeenschappen zijn die verplichtingen nagekomen, zodat de federale begroting geen enkele weerslag van deze plannen ondervindt.

Nergens in het land heeft de verandering van de reglementering geleid tot een vermindering van de aanwerving van jongeren. De diensten van mijn departement registreren wekelijks ongeveer 800 nieuwe SBO's. Ze merken geen wijziging, noch in de verdeling van de jongeren over de twee categorieŽn, noch in de bijdrage van de verschillende gewesten.

De stelling dat de Vlaamse bedrijven een eensgezind en eenstemmig blok vormen, moet worden genuanceerd. Ik stel alleszins vast dat 83 procent van de startbaanovereenkomsten wordt gesloten voor ten minste een jaar en 44 procent voor onbepaalde duur. De statistieken vertonen een opvallend gelijkaardig beeld voor de verschillende gewesten. Zoals ik in mijn inleiding heb aangetoond, is hier volgens mij geen sprake van contractbreuk, aangezien mijn diensten de sociale partners hebben geraadpleegd en deze zich akkoord hebben verklaard met de aanpassing. Ik wil er echt naar streven om de werkgevers aan te moedigen die kiezen voor de aanwerving en het behoud in de onderneming van laaggeschoolde jongeren na de afloop van de startbaanovereenkomst.

Ik herhaal dat bedrijven na de afloop van een startbaanovereenkomst voor onbepaalde duur die ze met een `hooggeschoolde' jongere hadden gesloten, niet onder de toepassing vallen van de gewijzigde wetgeving ter zake.

Het zijn de werkgevers zelf die, wanneer ze bijkomend jonge werknemers willen aanwerven, moeten uitmaken of ze er voordeel bij hebben deze mee te laten tellen in het voordeelbanenplan.

Mevrouw Iris Van Riet (VLD). - Het budget voor het jaar 2000 voor de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest samen bedraagt 290 miljoen. Het budget voor het Vlaamse Gewest, waarvan ik aanneem dat het budget van de Vlaamse Gemeenschap erin is vervat, bedraagt 315 miljoen. Het verschil is dus zeer miniem. Het is positief dat voor 2001 de federale regering opnieuw in een enveloppe van 500 miljoen heeft voorzien. Zal dit budget volgens dezelfde verhouding over de gemeenschappen en de gewesten worden verdeeld, of is een andere verdeling mogelijk?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Alle gewesten en gemeenschappen gingen akkoord met de voorgestelde verdeling van het budget.

-Het incident is gesloten.