Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-29

ZITTING 2000-2001

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking

Vraag nr. 975 van mevrouw de Bethune d.d. 12 december 2000 (N.) :
Gelijke kansen voor mannen en vrouwen in het beleid. ­ Strategische doelstellingen. ­ Middelen. ­ Methodologie.

De tekst van deze vraag is dezelfde als die van vraag nr. 968 aan de minister van Landsverdediging, die hiervoor werd gepubliceerd (blz. 1426).

Antwoord : Ik verwijs naar mijn beleidsnota « Kwaliteit in solidariteit » van 5 april 2000 (punt III.7) : « Gender » : streven naar meer gelijkheid tussen vrouwen en mannen :

« De Belgische samenwerking streeft naar meer gendergelijkheid via een twee-sporenbeleid :

­ het inbrengen van het gendergelijkheidsprincipe, door de integratie van de belangen van vrouwen in programma's en sectoren; de vergroting van hun actieve deelname aan programma's ondersteund door de Belgische samenwerking en door de bijdrage van vrouwen aan de kwaliteitsverbetering van de internationale samenwerking in haar geheel;

­ het verlenen van directe steun aan de vrouwenbeweging in de partnerlanden, in hoofdzaak voor capaciteitsopbouw en steun aan beleidsontwikkeling op specifieke onderwerpen waar de genderongelijkheid het grootste is en structurele maatregelen het meest noodzakelijk zijn (zoals reproductieve gezondheidszorg binnen de gezondheidssector; strijd tegen geweld op vrouwen binnen het kader van democratisering, mensenrechten en goed bestuur).

Dit twee-sporenbeleid moet geconcretiseerd worden via volgende acties :

­ verdere ontwikkeling van de visie, sensibilisering en vorming rond het thema;

­ vertaling van de positieve ervaringen op het micro-niveau van projecten naar strategieën op nationale schaal (meso-niveau) en binnen ruimere internationale verhoudingen (macro-niveau);

­ versterking van de institutionele aspecten : verdere uitbouw van de cel Vrouwen en ontwikkeling binnen de dienst Strategieën en van het netwerk van aanspreekpunten rond gender doorheen het departement middels het aanwerven van een expert met bijzondere kwalificaties rond gender; door verdere optimalisering van het genderaspect in de beheerscyclus en de beheersinstrumenten PRIMA (Process Integrated Management) en door het ter beschikking stellen van lokale genderexpertise aan de partnerlanden bij het opstellen van hun indicatieve samenwerkingsprogramma's;

­ opwaardering van de adviserende en sensibiliserende rol van de commissie Vrouwen en Ontwikkeling;

­ verfijnen en verdere operationalisering van het genderaspect in de prioritaire sectoren en thema's zoals bepaald door de wet op de internationale samenwerking;

­ permanente opvolging van het genderaspect in zowel de eigen publicaties (dimensie 3) als de audio-visuele coproductie (TV).

Bij dit alles moet de culturele en institutionele achtergrond van het partnerland in acht worden genomen. Niet in alle landen worden vrouwen op dezelfde wijze achtergesteld. Er zijn zelfs ontwikkelingslanden waar vrouwen een minstens zo vooraanstaande positie innemen als in sommige rijkere landen. Zoals voor andere aspecten van samenwerking geldt ook hier dat niet het westerse superioriteitsgevoel maar de lokale belangen en mogelijkheden richtinggevend zijn. »

2. Statistisch werd tot heden de indicator « gender/gelijke kansen voor mannen en vrouwen » niet van bij de opzet van een interventie opgevolgd. De statistische cijfers werden berekend door een analyse van de voorbije jaarlijkse uitgaven.

De DAC/OESO indicators conform aan het zogenaamd SNPC/CRS (SNPC : Système de notification des pays créanciers/CRS : Creditor Reporting System) statistisch systeem, laten evenmin toe de aspecten « gelijke kansen voor mannen en vrouwen » in de (Belgische) projecten op te volgen.

Daarom, en conform aan de indicatoren bepaald in de wet op de internationale samenwerking en aan de nieuwe richtlijnen van het DAC/OESO werd beslist in de toekomst complementaire indicatoren op te volgen : gender, armoedebestrijding, leefmilieu, goed beheer.

Wat de directe samenwerking betreft wordt voor het « gender/gelijke kansen mannen en vrouwen » een onderscheid gemaakt tussen de interventies die dit aspect helemaal niet beogen, de interventies die dit als een bijkomende doelstelling beschouwen en de interventies die dit als een hoofddoelstelling beschouwen.

Wat de bilaterale indirecte samenwerking betreft is de (nieuwe) reglementeringen van 1997, met ingang van 1 januari 1998 van toepassing. Daarin worden de indirecte actoren geresponsabiliseerd. Het zijn dus de universiteiten, gespecialiseerde verenigingen en NGO's die initiatieven nemen en dossiers indienen bij mijn administratie ter subsidiëring. Deze initiatieven moeten voorgelegd worden in een vijfjarenprogramma waarvan elk jaar een deel betoelaagd wordt. Alvorens te betoelagen, worden de reglementeringen toegepast, dat wil zeggen, er wordt nagekeken of de coherentie, impact, doeltreffendheid en doelmatigheid, leefbaarheid en duurzaamheid ingebouwd zijn in de acties, die achteraf worden opgevolgd en gecontroleerd. De uitvoering zelf behoort toe aan de vermelde indirecte actoren. Ik kan in de indirecte samenwerking dus geen initiatieven nemen inzake gelijkheid van kansen voor vrouwen en mannen en « onderga » de voorgelegde bedoelingen van de indirecte actoren. Ik kan enkel besluiten een bepaalde actie niet te subsidiëren.

Wat de multilaterale samenwerking betreft bepaalt het koninklijk besluit van 27 april 2000 dat België voortaan een duurzame samenwerking zal organiseren met 22 internationale organisaties waaronder het « Ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties voor de vrouw (UNIFEM) ».

3. Op het kabinet Ontwikkelingssamenwerking is mevrouw Betty Minne belast met het beleid op het vlak van « gelijkheid tussen vrouwen en mannen » of het genderbeleid. Bij het « directoraat-generaal internationale samenwerking » is mevrouw Sophie Pereira verantwoordelijk voor deze materie. Een versterking van deze cel wordt op korte termijn voorzien.

In de conclusies van zijn rapport over de follow-up van het actieplatform, aangenomen op de Vierde Wereldconferentie over vrouwen (Peking, september 1995), heeft de regering zich ertoe verbonden om :

­ per departement een strategische doelstelling te definiëren inzake gelijke-kansenbeleid;

­ op het niveau van elk kabinet en elke administratie een verantwoordelijke te benoemen, belast met de opvolging van het dossier.

Conform deze verbintenissen, heeft een interkabinettenwerkgroep de strategische doelstellingen, die door elke minister werden gedefinieerd, reeds aan de Ministerraad voorgelegd. Zij zullen moeten worden goedgekeurd op de Ministerraad van 19 januari 2001 (uitgesteld tot 26 januari 2001).

Op het budget van Gelijke-kansenbeleid werd een bedrag van 6,5 miljoen frank voorzien om de bestaande interkabinetten- en interadministratiewerkgroep te versterken met een structuur die werd belast met de conceptie, de vorming en de begeleiding van deze thematiek.

Deze structuur, de zogenaamde « cel mainstreaming », samengesteld uit leden van vijf universiteiten : UCL, UIA, ULB, ULG en VUB, heeft als opdracht de verbindingspersonen van de kabinetten en de administratie te begeleiden in het hele proces op het niveau van :

­ vorming;

­ identificatie op basis van de gekozen strategische doelstellingen, in verband met de specifieke situatie van mannen en vrouwen;

­ analyse en evaluatie van de impact van de voorgestelde maatregelen en, desgevallend, de corrigerende maatregelen die moeten worden genomen;

­ evaluatie en verspreiding van « lessons learned » of goede praktijken.