2-98

2-98

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 22 FEBRUARI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Michiel Maertens aan de minister van FinanciŽn over ęde maatregelen voor de redding van de visserijsectorĽ (nr. 2-363)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Tegen mijn aard in heb ik alle redenen om kwaad te zijn. Voor de tweede keer vandaag is de minister aan wie ik een vraag stel, niet aanwezig is. Mijn vraag was bedoeld voor de minister van FinanciŽn, maar ik had genoegen kunnen nemen met een antwoord van de minister van Landbouw, omdat hij de sector ten minste kent. Nu komt minister Duquesne hier andermaal een tekstje aflezen. Op die manier is elk debat uitgesloten en moet ik wel spreken van een uitholling van ons parlementair recht om ministers te ondervragen en met hen te discussiŽren. Zouden we niet beter maar meteen het reglement wijzigen en de indiener van een vraag de mogelijkheid geven om, zoals een rapporteur voor zijn verslag, te verwijzen naar zijn schriftelijke tekst waarop de minister dan kan verwijzen naar het schriftelijk antwoord van zijn collega? Dan kunnen we de meer dan veertig personeelsleden die hier aanwezig zijn om ons democratisch recht te waarborgen, een paar uur vroeger naar huis laten gaan. Dat zou voor hen een slok op de borrel schelen, om in visserijtermen te spreken.

Maar aangezien het reglement vandaag nog is wat het was, zal ik mijn vraag uitspreken.

Zowel in de Kamer als in de Senaat moest de minister van FinanciŽn in de voorbije weken verscheidene vragen aanhoren over de precaire situatie van de zeevisserijsector. De minister heeft bij herhaling geantwoord dat hij de Europese Commissie zou vragen om de toepassing van de richtlijn 97/c 205/05 van 5 juli 1997 betreffende overheidssteun aan het zeevervoer, te kunnen uitbreiden tot de visserijsector, om ook daar vrijstelling te kunnen verlenen van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing. Daardoor zouden de koninklijke besluiten van december 2000 tot uitvoering van artikel 4, 3į en 4 lid, en van artikel 12, 2į lid, van de wet van 24 december 1999 houdende fiscale en diverse bepalingen en tot wijziging van het koninklijk besluit inzake het Wetboek der Inkomstenbelastingen 1992, uitgebreid worden tot de zeevisserijsector. Op dit aspect wens ik niet verder in te gaan. Het is trouwens een daad van goed bestuur om vooraf aan de Commissie de toestemming te vragen om een herhaling van de Maribeloperatie te vermijden.

Vandaag wil ik de aandacht vestigen op een aantal punten in de hoop de zaak in de goede richting te duwen en de beslissing te versnellen.

De visserij is een heel kleine sector waar het `slechts' om enkele honderden miljoenen gaat. De sector en vooral de bankwereld die de kredietverstrekkers zijn, kunnen nochtans niet langer wachten op een positief signaal van de minister. Om weer in zeevaarttermen te spreken, het water komt hen tot aan de lippen. Daarom moeten we aan de Commissie dringend meedelen hoe we in de gegeven omstandigheden de vrijstelling van heffingen of belastingen als nationale steunmaatregel in de zin van artikel 87, 1įlid - ex artikel 92, 1į lid - van het EG-verdrag juridisch beoordelen en verantwoorden. "De concurrentievervalsing vloeit immers enkel voort uit het feit dat iedere steunmaatregel van een lidstaat of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalst of dreigt te vervalsen, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, als deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beÔnvloedt", zo lezen we in de teksten Quod non!

Die vaststelling is van belang. Sommige lidstaten geven naast de FIOV immers ook fiscale stimulansen voor kortere tijd, ondermeer belastingvermindering voor exploitatiekosten. Het doel en de inhoud van dergelijke maatregelen variŽren van lidstaat tot lidstaat. De financiŽle voordelen van zulke maatregelen zijn bijzonder klein in vergelijking met de voordelen van de communautaire steunmaatregelen. De lidstaten zijn nochtans wettelijk verplicht de Commissie in te lichten - dus niet de toelating te vragen - alvorens steun te verlenen. Desgevallend kan de Commissie bepalen dat reeds toegekende steun in strijd is met het gemeenschapsrecht en eisen dat die steun wordt terugbetaald, net zoals destijds met de Maribeloperatie is moeten gebeuren, wat toch een zure oprisping was. Als een bestuur de moeite doet om kennis te nemen van het beperkt aantal teksten in verband met deze reglementering, kan ze perfect voorspellen hoe de Commissie zal reageren, ook in het geval van de visserij.

De Commissie oordeelt aan de hand van gegevens die de betrokken lidstaten moeten verstrekken, of een nationale steunmaatregel verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Hier knelt het schoentje. Het ingediende dossier vormt soms een probleem.

Veel landen binnen en buiten de Unie geven via allerlei regelingen financiŽle steun aan hun visserij, bijvoorbeeld belastingvrijstellingen. Dat gebeurt niet door rechtstreekse betalingen, maar verloopt via de klassieke achterpoortjes. Zolang de verschillende vormen van steunverlening aan de visserij niet beter worden gedefinieerd op basis van betrouwbare gegevens, blijft een serieuze discussie terzake erg moeilijk, en blijft het noodzakelijk dat de lidstaten een stevig dossier voorleggen. De vraag is of ons land dat wel doet.

Indien die definities van steun uitblijven, zullen alleen die sectoren die transparant bezig zijn - onze visserij bestaat uit amper 128 bootjes en 800 mensen - het voorwerp en het slachtoffer zijn van kritiek en van concurrentievervalsende maatregelen, ook al vervalsen zij zelf niet. De Commissie moet daarop worden gewezen.

Het verwondert me dat niemand op de hoogte was van de recente richtlijnen voor het onderzoek van de steunmaatregelen van de staten in de visserij- en aquacultuursector verschenen op 20 januari 2001 in het publicatieblad 2001/C/19/05. In de inleiding wordt duidelijk gesteld dat "alle staatssteun die afwijkt van de regelingen voor communautaire steun, moet zorgvuldig worden onderzocht en kan uitsluitend worden goedgekeurd als kan worden aangetoond dat deze steun niet bijdraagt tot de instandhouding of verdere ontwikkeling van de vangstcapaciteit in visserijtakken met een overcapaciteit en niet bijdraagt tot een vermindering van de biodiversiteit". Voor onze visserij is er geen probleem. Daarbij verwijs ik ook naar het punt 2.2.4 van de richtlijn, namelijk de steun voor de redding en de herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden. Het is noodzakelijk dat de zeevisserijsector in zijn geheel, of toch een groot aantal rederijen ervan, onmiddellijk worden erkend als "verkerende in moeilijkheden", waarmee een signaal wordt gegeven aan de kredietverleners.

Graag had ik van de minister vernomen of hij al de sector in zijn geheel of een aantal rederijen in het bijzonder, officieel wil erkennen als zijnde in moeilijkheden.

Op welke datum heeft hij aan de Europese Commissie de vraag gesteld om eventueel voorlopige vrijstelling te kunnen verlenen van het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing? Voor welke perioden heeft hij dat gevraagd en met welke argumenten? Tegen welke datum heeft hij aan de Commissie een antwoord gevraagd? De visserij kan immers niet lang wachten. Het water komt hen tot aan de lippen.

Welk signaal geeft de minister aan de kredietsector opdat deze de reders in nood steunen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De minister van FinanciŽn bevestigt dat hij eind vorige week een brief gezonden heeft aan de permanente vertegenwoordiger van BelgiŽ bij de Europese Unie met het verzoek de Europese Commissie, directie Vervoer en Energie, subdirectie G Zeevervoer, te benaderen teneinde de overheidssteun voor het zeevervoer te kunnen uitbreiden tot de zeevisserijsector in zijn geheel.

In de brief wordt geen referteperiode voor de maatregel aangegeven. De volgende argumenten worden onder andere aangevoerd: de draconische maatregelen inzake visserijcontingenten van de Europese Unie, de steunmaatregelen die reeds door enkele landen werden genomen, de nagenoeg onoverkomelijke moeilijkheden van de visserijsector en de nadelige invloed van de maatregelen ten behoeve van de sector van het zeevervoer op de zeevisserijsector.

Alleen als de Europese Commissie eerst een gunstig advies over dit verzoek uitbrengt, kan de steunmaatregel worden uitgebreid. Rekening houdend met de gemeenschapsverplichtingen van BelgiŽ en met de negatieve uitwerking indertijd op het publiek en op de bedrijven toen deze laatste verplicht werden de Maribelsteun terug te betalen, kan de minister op het ogenblik niet meer dan een officieel verzoek te richten tot de Commissie. Dit verzoek moet worden beschouwd als een noodkreet voor hulp aan een sector die in grote moeilijkheden verkeert.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn duidelijk en uitvoerig antwoord. Ik ben blij dat de brief reeds einde vorige week werd verzonden. We kunnen uiteraard moeilijk een referteperiode aan de Commissie opleggen. Daarmee ben ik het eens.

Toch wil ik nog even ingaan op de verwijzing naar de draconische maatregelen. Op dit ogenblik geldt er een vangstverbod voor kabeljauw in een groot gebied van de Noordzee en krijgen vele vissers zelfs een premie om niet uit te varen. Eigenlijk zint dat de vissers niet. De vissers wensen op visvangst te gaan in plaats van niets te doen. Dat heeft eigenlijk niets met mijn vraag te maken.

Ik ben het volkomen eens met het uitspraak van de minister over de nadelige invloeden. Ik ben blij dat hij met dezelfde noodsituatie voor ogen dezelfde noodkreet slaakt, niet alleen voor onze achthonderd vissers, maar voor de hele sector, met inbegrip van de verwerkende nijverheid.

De minister doet een stap in de goede richting. Dat verheugt mij al had ik daarover graag in detail van gedachten gewisseld met de minister zelf of met de minister van Landbouw, die bevoegd is voor de visserijsector.

-Het incident is gesloten.