2-96

2-96

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 15 FÉVRIER 2001 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Vincent Van Quickenborne au ministre des Finances sur «la portée de l'exemption de la TVA pour les prestations de services exécutées par les avocats» (n° 2-351)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). -. De vraag om uitleg blijkt de enige uitweg om snel antwoord te krijgen. Misschien moet de Senaat zijn Reglement aanpassen zodat schriftelijke vragen een gunstigere behandeling krijgen. Het is nogal onzinnig dit soort vraag voor de openbare vergadering te reserveren en zoveel collega's hiervoor 's avonds laat te laten blijven. (Glimlachjes)

Op grond van artikel 2 van de zesde BTW-richtlijn zijn alle leveringen van goederen en diensten welke door als zodanig handelende belastingplichtigen worden verricht, onderworpen aan BTW. Artikel 44, §1, 1° van het BTW-Wetboek voorziet in een vrijstelling van de belasting voor diensten verricht door advocaten in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid. Die vrijstelling wil voorkomen dat de rechtspleging met nieuwe fiscale lasten wordt bezwaard.

Sinds de invoering van de BTW heeft de administratie, zich steunende op de memorie van toelichting van het wetsontwerp tot invoering van het BTW-Wetboek, altijd gesteld dat de vrijstelling slechts kon worden ingeroepen door advocaten die waren ingeschreven bij een Belgische balie. Dit impliceerde dat in het buitenland gevestigde advocaten, natuurlijke personen, enkel de BTW-vrijstelling konden genieten wanneer ze waren ingeschreven bij een Belgische balie en dat diensten verricht door burgerlijke advocatenvennootschappen enkel van BTW waren vrijgesteld wanneer de meerderheid van de vennoten-advocaten waren ingeschreven bij een Belgische balie. Hieruit volgde onder meer dat, wanneer een Belgische advocaat ingeschreven bij een Belgische balie, een beroep deed op de diensten van een in een andere lidstaat gevestigde confrater, die niet was ingeschreven bij een Belgische balie, de door deze laatste gefactureerde diensten aan de Belgische BTW onderworpen dienden te worden, uiteraard zonder recht op aftrek. Wanneer dezelfde diensten hem werden verleend door een Belgische advocaat die was ingeschreven bij een Belgische balie, gold een BTW-vrijstelling.

Ingevolge de ingebrekestelling die op 22 oktober 1999 door de Europese Commissie aan België werd gericht en waarin de Commissie de in België toepasselijke vrijstellingsregeling voor advocaten strijdig heeft bevonden met artikel 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en met artikel 4, eerste lid van richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977, diende de draagwijdte van de vrijstelling van artikel 44, 1, 1° van het BTW-Wetboek te worden verruimd en diende ook de administratie derhalve haar standpunt hieromtrent te herzien.

In een administratieve aanschrijving van 9 november 2000 wordt de vrijstelling van artikel 44, §1, 1° van het BTW-Wetboek derhalve uitgebreid tot alle diensten verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid door in het buitenland gevestigde advocaten die zijn ingeschreven bij een balie of een gelijkaardige organisatie van een lidstaat van de Europese Unie en die er gerechtigd zijn om een beroepstitel te dragen die overeenstemt met die van advocaat in België. Burgerlijke advocatenvennootschappen gevestigd in België genieten de vrijstelling voor zover de meerderheid van de advocaten vennoten zijn die zijn ingeschreven bij een balie in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie. Het Belgische kantoor van een in het buitenland gevestigde advocatenvennootschap geniet eveneens voornoemde vrijstelling op voorwaarde dat de meerderheid van de advocaten vennoten zijn die zijn ingeschreven bij een balie in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie.

Ik heb dan ook volgende vragen:

De vrijstelling van artikel 44, §1, 1°, van het BTW-Wetboek is gebaseerd op artikel 28, §3, b, van de zesde BTW-richtlijn, volgens dewelke de lidstaten worden gemachtigd om gedurende een overgangsperiode, de handelingen genoemd in bijlage F bij dezelfde richtlijn, te blijven vrijstellen onder de in die lidstaat vigerende voorwaarden. Bijlage F vermeldt onder meer de diensten van advocaten.

In dit verband wijs ik op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 8 juli 1986 in de zaak C-73/85, Kerrutt tegen Finanzamt Mönchengladbach-Mitte. In deze zaak oordeelde het Hof van Justitie dat, blijkens zijn formulering, de bepaling van artikel 28, §3, b, van de Zesde BTW-richtlijn ingaat tegen de vaststelling van nieuwe vrijstellingen of de verruiming van reeds bestaande vrijstellingen na de inwerkingtreding van de richtlijn.

In een arrest van 29 april 1999 preciseerde het Europese Hof van Justitie in de zaak C-136/97, Norbury Developments Ltd. t. Commissioners of Customs & Excise dat artikel 28, §3, b, van de zesde BTW-richtlijn de invoering belet van nieuwe vrijstellingen of de verruiming van de draagwijdte van bestaande vrijstellingen.

Het Hof herhaalt deze zienswijze in een arrest van 13 juli 2000.

Kan de minister bevestigen dat gelet op de bepaling van artikel 28, §3, b, van de zesde BTW-richtlijn en de houding van het Europees Hof van Justitie ter zake, België het recht had om de bestaande toepassingsvoorwaarden voor de BTW-vrijstelling bepaald in artikel 44, §1, 1°, van het BTW-Wetboek voor diensten die door advocaten worden verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid, uit te breiden overeenkomstig de bepalingen van de aanschrijving nr. 4 van 9 november 2000. Is het standpunt van de administratie, zoals geformuleerd in die aanschrijving van 9 november 2000 conform de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie en conform de zesde BTW-richtlijn?

Bijlage G bij de Zesde BTW-richtlijn verleent de lidstaten het recht om ten aanzien van de handelingen bedoeld in bijlage F bij dezelfde Richtlijn, waarvoor de lidstaten de vrijstelling van de BTW handhaven, aan de belastingplichtigen het optierecht te verlenen om deze handelingen aan de BTW te onderwerpen.

Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, is mijn vraag of de minister de invoering overweegt van een optionele belastingplicht voor de buitenlandse advocaten gevestigd in België of voor de Belgische vestigingen van buitenlandse advocatenkantoren die voorheen aan de BTW waren onderworpen?

Ten derde, is de minister zich ervan bewust dat niet-Europese advocatenkantoren die in België zijn gevestigd, bevoordeeld worden, zoals ook wordt vermeld in het magazine Trends van vorige week? Er kan immers worden aangenomen dat de meerderheid van hun vennoten niet zijn ingeschreven bij een balie in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie?

Vierde vraag. De aanschrijving nr. 4 van 9 november 2000 voorziet in de onmiddellijke inwerkingtreding vanaf 1 januari 2001 van de bepalingen ten aanzien van de Belgische vestigingen van de buitenlandse advocatenkantoren, terwijl voor de Europese advocaten gevestigd in België, hiertoe de omzetting is vereist van de Europese richtlijn 89/5/EG. Daardoor kan de situatie ontstaan waarbij een in België gevestigde zelfstandige medewerker van de Belgische vestiging van een buitenlands kantoor, BTW dient te factureren, terwijl het kantoor voor het verrichten van dezelfde diensten in België van de BTW is vrijgesteld en deze BTW bijgevolg niet in aftrek kan brengen. Stelt de minister hier overgangsmaatregelen in het vooruitzicht?

Vijfde vraag. Is de minister zich ervan bewust, indien de invoering van een optionele belastingplicht waarvan sprake is in mijn tweede vraag, niet kan worden overwogen, dat de nieuwe administratieve regeling en de daaruit voortvloeiende 5- of 15-jarige herziening op investeringen een ernstige financiële last meebrengt voor de Belgische inrichtingen van buitenlandse advocatenkantoren? Heeft de minister in een compensatie voorzien of stelt hij eventueel andere overgangsmaatregelen in het vooruitzicht?

Wat de aard van de diensten betreft, formuleert artikel 44, §1, 1° van het BTW-Wetboek het toepassingsveld van de vrijstelling zeer algemeen. Van BTW zijn vrijgesteld "de diensten die door advocaten worden verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid".

In dit verband zou ik melding willen maken van een arrest van het Europees Hof van Justitie van 14 september 2000. In de zaak C-384/98, die handelde over de toepassing van de vrijstelling die door artikel 13 A, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn wordt verleend, meer bepaald voor de handelingen die bestaan uit "de gezondheidskundige verzorging van de mens in het kader van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat", oordeelde het Europese Hof van Justitie allereerst dat de bewoordingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn strikt moeten worden uitgelegd. De vrijstelling die in dit artikel ligt vervat, is immers een afwijking van het algemene beginsel dat omzetbelasting wordt geheven op elke dienst die door een belastingplichtige wordt verricht onder bezwarende titel.

Gelet op die strikte interpretatie van het Europese Hof van Justitie rijst de vraag of de BTW-vrijstelling waarin artikel 44, §1, 1°, van het BTW-Wetboek voorziet voor diensten die door advocaten worden verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid, enkel van toepassing moeten zijn op de diensten die worden verstrekt in het kader van het voeren van een gerechtelijke procedure of ook bijvoorbeeld op de diensten die bestaan in het verlenen van advies. Laatstgenoemde diensten verschillen immers in niets van de diensten die door juridische adviseurs, niet-advocaten, worden verstrekt en die onderworpen zijn aan de BTW-plicht.

Mme la présidente. - J'invite le gouvernement à respecter les délais de réponse aux questions écrites afin que les membres ne doivent plus recourir à la procédure des demandes d'explications pour poser des questions techniques.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Mevrouw de voorzitter, ik ben het volkomen met u eens. Ik heb dit probleem al in een brief aan de voorzitter van de Senaat gemeld. Alhoewel het probleem van de achterstand in december in de Ministerraad is besproken, stel ik vast dat de opgelegde termijn voor het beantwoorden van schriftelijke vragen nog niet wordt gerespecteerd.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Overeenkomstig artikel 44, §1, 1° van het Wetboek van belasting over de toegevoegde waarde zijn de diensten door de advocaten, verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheden, van de belasting vrijgesteld. Deze bepaling is op 1 januari 1971 in werking getreden en tot op heden werd ze niet gewijzigd. Haar stabiliteit maakt deel uit van de permanente bezorgdheid om te vermijden dat nieuwe fiscale lasten de gerechtelijke procedures zouden bezwaren.

Omdat de advocaten de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige werd ontzegd, hadden ze geen recht op aftrek van de voornoemde belasting. De advocaten die van die maatregel genieten, zijn sinds 1 januari 1993 vrijgestelde belastingplichtigen die ook het recht niet hebben de belasting die hen door de leveranciers aangerekend wordt, af te trekken. In de praktijk wordt de toestand van deze advocaten niet gewijzigd.

Artikel 44, paragraaf 1, 1° zwijgt in alle talen over de hoedanigheid zelf van het beroep van advocaat. Het verwijst daartoe naar de referentiebepalingen opgenomen in de artikelen 428 en volgende van het Gerechtelijk wetboek. Die hebben veranderingen ondergaan sinds 1 januari 1971: allereerst door wijzigingen maar eveneens door toevoegingen en aanvullingen vooral in de artikelen 477bis tot 477sexies en in de artikelen 428bis tot 428decies.

De evolutie betreft voornamelijk de vertaling van de volgende Europese richtlijnen in het Belgisch rechtsbestel:

Die drie richtlijnen worden in het Belgische recht vertaald door een wet van 2 december 1982, een koninklijk besluit van 2 mei 1996 en een koninklijk besluit van 27 maart 1998.

Een vierde richtlijn wacht op haar beurt om in het Belgisch recht te worden opgenomen. Het betreft Richtlijn nummer 98/5/EEG Europees Parlement en Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven.

Die vier richtlijnen - de eerste drie omgezet, de vierde nog niet - kunnen ongetwijfeld een invloed hebben op de administratieve jurisprudentie inzake de vrijstelling opgenomen in artikel 44, paragraaf 1, 1° van het BTW-wetboek. Het is dan ook voorbarig nu al de mate van vrijstelling te willen bepalen. De omzetting van de vierde richtlijn is daarvoor onontbeerlijk. Van zodra de omzetting een feit is, wordt natuurlijk het omgekeerde mogelijk. Een ministerieel besluit zal dan worden gepubliceerd en een uitvoerige omzendbrief zal voor elk nuttig tijdperk aangeven wel BTW-stelsel van toepassing is op de diensten van advocaten. De aanslag zal op geen enkele manier worden gewijzigd vóór de publicatie van dit commentaar.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Dat ik deze vragen in de plenaire vergadering stel, heeft een oorzaak. In tempore non suspecto heb ik over deze zaak, waarmee ik meermaals ben geconfronteerd, al een brief gestuurd naar de eerste minister. Nu blijkt dat, ondanks de notificatie begin december 2000, opnieuw de termijnen niet worden gerespecteerd. Ik stel permanent schriftelijke vragen maar daarop komt er geen antwoord. Ik verwijs naar het bulletin dat we vandaag hebben ontvangen. Het aantal niet beantwoorde vragen, gemarkeerd met een sterretje, is groter dan het aantal beantwoorde vragen. Dat is de realiteit. In de Kamer wordt dat beter opgevolgd maar misschien is onze instelling voor bepaalde ministers minder belangrijk.

Mme la présidente. - Je partage votre préoccupation. Nous devrions à nouveau insister auprès du premier ministre pour que les départements respectent le règlement en répondant aux questions posées. Il est exact que bon nombre de vos questions n'ont pas obtenu de réponse ; vous n'êtes d'ailleurs pas le seul dans ce cas.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Dit lijkt misschien een heel technische aangelegenheid. Ze is nochtans belangrijk. Niet alleen in de vakliteratuur maar ook in een magazine als Trends wordt er aandacht aan besteed.

Als ik de minister goed heb begrepen, wacht hij de omzetting van de richtlijn in het Belgisch recht af. Graag had ik vernomen wanneer we die kunnen verwachten want daarover bestaat wat onduidelijkheid. Ik heb gewezen op het verschil in behandeling tussen niet-Europese en Europese advocatenkantoren. Daarover bestaat wat wrevel bij de advocaten omdat sommige advocaten wel en de andere niet BTW-plichtig zijn.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Dit was een zeer technische vraag en mijn antwoord was dat eveneens. Ik wil erop wijzen dat we meer en meer schriftelijke vragen krijgen over individuele gevallen en vragen naar toelichtingen bij de wetgeving. We kunnen onmogelijk antwoorden op alle vragen in verband met een of andere wettelijke situatie - die vindt men in het Belgisch Staatsblad - of in verband met individuele gevallen.

Het is misschien beter minder vragen te stellen over individuele gevallen. Het is niet normaal dat de minister van Financiën een precies antwoord moet geven op een vraag over een individueel geval.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het gaat hier niet om een individueel geval.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - We moeten niet alleen uw vragen maar honderden andere vragen beantwoorden.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Nogmaals, het gaat niet om een individueel geval. Het staat in een tijdschrift dat door meer dan honderdduizend mensen wordt gelezen.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Het is niet evident om elke individuele vraag in te gaan. Een vraag die meer in het algemeen wordt gesteld is gemakkelijker te beantwoorden.

-L'incident est clos.