Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-27

ZITTING 2000-2001

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 842 van mevrouw Thijs d.d. 18 oktober 2000 (N.) :
Z -korps. Bevorderingen. Bijkomende proeven.

Volgens artikel 28 van het koninklijk besluit van 19 maart 1997 (Belgisch Staatsblad, blz. 7165) komen houders van officier-brevetten uitgereikt door erkende opleidingscentra in aanmerking om te kunnen bevorderd worden van korporaal tot en met adjudant.

De officier-brevethouders van de brevetten A, B en C en het brevet kandidaat-beroepsofficier komen in aanmerking om te kunnen bevorderen tot onderluitenant. Aan deze brevethouders worden geen bijkomende proeven opgelegd om te bevorderen tot onderluitenant-vrijwilliger in een Z -korps (koninklijke besluiten van 19 maart 1997 en 19 april 1999).

Daarom had ik graag het volgende vernomen van de geachte minister :

1. Is het aangewezen de officier-brevethouders van de brevetten A, B en C en het brevet kandiaat-beroepsofficier aan bijkomende proeven te onderwerpen bij bevorderingen in een Z -korps voor de lagere graden dan onderluitenant-vrijwiliger, zijnde onderofficier-vrijwilliger ?

2. Is het eigenlijk wel deontologisch verantwoord dat officier-brevethouders voor de lagere graden dan onderluitenant-vrijwilliger aan bijkomende proeven worden onderwrpen, terwijl de brevethouders voor de hogere officiersgraden vrijgesteld zijn van bijkomende proeven in een Z -korps ?

3. Als brevethouders voor de hogere officiersgraden vrijgesteld worden van bijkomende proeven in een Z -korps, is het dan ook niet logisch dat deze vrijstelling ook geldt voor de lagere graden dan onderluitenant-vrijwilligers ?

Antwoord : Zoals gestipuleerd in artikel 13, 3, van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming bepaalt de Koning de bevorderingsvereisten voor de officieren van de openbare brandweerdiensten. Volgens het koninklijk besluit van 19 maart 1997 betreffende de opleiding, de brevetten en de loopbaan van de leden van de brandweer, moeten kandidaten voor een bevordering tot onderluitenant in een Z-korps onder meer beschikken over een brevet van onderluitenant. Voor de vrijwilligers worden met dit brevet gelijkgesteld, de vroegere brevetten A, B, C en kandidaat-beroepsofficier. Selectieproeven worden momenteel niet voorzien.

Voor de bevordering van de leden van de brandweer die geen officier zijn worden in hetzelfde koninklijk besluit enkel de minimumvoorwaarden bepaald. Zo moet om te kunnen bevorderen tot korporaal, een kandidaat beschikken over het brevet van korporaal, om te kunnen bevorderen tot sergeant is een brevet van sergeant nodig, enz. Met de brevetten van korporaal, sergeant en adjudant worden gelijkgesteld :

1 het brevet van onderofficier dat vr de datum van inwerkingtreding van dit besluit werd uitgereikt door de erkende opleidingscentra voor de brandweer of de provinciale brandweerfederaties;

2 het getuigschrift van kandidaat-onderofficier dat door de bevoegde overheid werd afgegeven op basis van een vr 31 december 1993 genomen beslissing;

3 de vroegere door de Staat uitgereikte brevetten A, B en C;

4 het vroegere brevet van kandidaat-beroepsofficier.

Overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten mogen de gemeenteraden de overige vereisten voor toegang tot de bevorderingsgraden zelf bepalen (bijlage 1, artikel 15; bijlagen 2 en 3, artikel 19). Aldus vormen die voorwaarden een onderdeel van het reglement betreffende de organisatie van de plaatselijke brandweer, dat ter goedkeuring aan de provinciegouverneur moet voorgelegd worden.