2-92

2-92

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 1 FEBRUARI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Jeannine Leduc aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het verzaken van een individueel mandataris aan de uitbetaling van (een deel van) zijn wedde, vakantiegeld of eindejaarspremie» (nr. 2-477)

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Volgens de wet kan een burgemeester of schepen enkel afstand doen van zijn wedde of een gedeelte daarvan indien een volledige uitkering van die wedde hem financieel zou schaden. Meer bepaald voorziet artikel 19, paragraaf 1 van de nieuwe gemeentewet in de mogelijkheid dat de Koning de mandatariswedde kan verminderen op voorwaarde dat die wedde tot gevolg heeft dat andere reglementaire bezoldigingen, vergoedingen of toelagen verminderd worden of vervallen. Deze vermindering wordt dan geregeld via een koninklijk besluit. Alle andere gevallen van vrijwillige verminderingen worden niet door de wet geregeld.

Toen de heer Donnay in december 1981 de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken hierover interpelleerde, nam deze het standpunt in dat een burgemeester of schepen niet aan zijn wedde kan verzaken.

Het lijkt mij bezwaarlijk dat niet kan worden tegemoetgekomen aan de uitdrukkelijke vraag van een mandataris om de gelden, die voor uitbetaling van de wedde worden uitgetrokken, te besteden aan een hoger belang. Zou zouden deze middelen kunnen worden aangewend voor de bevoegdheden die onder het mandaat vallen.

Welke interpretatie geeft de minister aan de bedoelde passus in artikel 19 van de nieuwe gemeentewet?

Overweegt hij, desgevallend, een bestemming aan deze gelden te koppelen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De wedde van burgemeesters en schepenen wordt bepaald door artikel 19, paragraaf 1, van de nieuwe gemeentewet, gewijzigd door de wet van 4 mei 1999 tot verbetering van de bezoldigingsregeling en van het sociaal statuut van de lokale verkozenen.

De vraag of een burgemeester of schepen kan verzaken aan haar of zijn wedde wordt niet uitdrukkelijk door de wet geregeld. Nochtans bepaalt artikel 255 van de gemeentewet dat de gemeenteraad verplicht is elk jaar op de begroting van de uitgaven alle uitgaven die aan de gemeenten zijn opgelegd te brengen, inzonderheid de volgende: "5° de wedden van de burgemeester en schepenen."

Deze wedde is derhalve een verplichte uitgave die de gemeente dient uit te voeren. Een burgemeester of schepen kan er niet aan verzaken. Hij kan vanzelfsprekend vrij over de bestemming ervan beschikken. Ingeval een burgemeester of schepen de wedde van zijn mandaat cumuleert met andere wettelijke of reglementaire inkomsten en deze verminderd worden, kan hij de toepassing vragen van de volgende procedures: artikel 19, paragraaf 1, zevende lid van de gemeentewet, zoals gewijzigd door de wet van 28 december 1989: "Wanneer het vaststellen van de wedden overeenkomstig het eerste en het tweede lid tot gevolg heeft dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, vergoedingen of toelagen verminderd worden of vervallen, kan de Koning op een door hem te bepalen wijze de wedden van de burgemeester of schepen verminderen, op voorwaarde dat deze daarom verzoekt." De aanvraag dient te worden gericht aan het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Artikel 19, paragraaf 1, achtste lid, van de gemeentewet, zoals ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999: "In gemeenten met minder dan 50.000 inwoners kan de gemeente, op de door de Koning te bepalen wijze de wedde van de burgemeester of de schepen die geniet van wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen, aanvullen met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt. De wedden van de burgemeester of schepen, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde respectievelijk van een burgemeester of schepen van een gemeente met 50.000 inwoners." De aanvraag dient te worden gericht aan de gemeenteraad.

De uitvoeringsmodaliteiten van beide mogelijkheden zijn vastgesteld door de koninklijke besluiten van 23 juli 1990 en 29 maart 2000.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik had de bedoeling de weddeverhoging die ik als schepen ontvang, te besteden aan noden die onder mijn bevoegdheid vallen, namelijk milieu, cultuur, toerisme en senioren. Misschien was ik iets te naļef toen ik dat voorstelde en heb ik onvoldoende rekening gehouden met de nieuwe verplichtingen die aan de gemeenten worden opgelegd, zoals de politiehervorming.

Ik overweeg een parlementair initiatief om die bedoeling in de toekomst te kunnen realiseren. Het louter terugstorten lijkt me dan weer overdreven, aangezien ik dan zou belast worden op een inkomen dat ik nooit heb gekregen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - U bent vrij om te doen en te laten wat u goed dunkt, maar in uw plaats zou ik zeer voorzichtig zijn en de zaak eerst even voorleggen aan de minister van Financiėn.