2-65

2-65

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

WOENSDAG 19 JULI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over ęde werking en de bevoegdheden van de Ombudsdienst Telecommunicatie en de protocolovereenkomsten die deze kan afsluitenĽ (nr. 2-213)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - In het jaarrapport van de ombudsdienst Telecommunicatie, dat de leden van het parlement onlangs hebben ontvangen, worden een aantal pertinente vragen gesteld.

Overeenkomstig de wet van 21 maart 1991 over de overheidsbedrijven, gewijzigd door de wet van 19 december 1997, is de ombudsdienst bevoegd voor de relaties tussen de eindgebruikers en de volgende bedrijven: alle leveranciers van telecommunicatiediensten die hun activiteiten uitoefenen met individuele vergunning van de minister bevoegd voor telecommunicatie; alle leveranciers van aan het publiek aangeboden telecommunicatiediensten, die krachtens de artikelen 88 en 90 van de wet verplicht zijn een aangifte in te dienen; alle andere leveranciers van telecommunicatiediensten die zich vrijwillig aan de bevoegdheid van de ombudsdienst onderwerpen en de uitgevers van de telefoongidsen.

In uitvoering van die wet heeft de ombudsdienst eerst protocolovereenkomsten afgesloten met de operatoren spraaktelefonie, vervolgens met de mobilofoonoperatoren en de uitgevers van de telefoongidsen en momenteel zijn de internetserviceproviders aan de beurt. Aangezien de internetserviceproviders aangifteplichtig zijn, hebben zij de wettelijke verplichting een protocolovereenkomst af te sluiten met de ombudsdienst. Onlangs werd overleg gepleegd tussen enerzijds de vertegenwoordigers van de internetproviders en anderzijds de ombudsdienst.

In het verlengde van deze thematiek en met betrekking tot de convergentie rijzen een aantal vragen. Ze zijn opgesomd in het jaarrapport, maar er werd tot nu toe niet op geantwoord. Ten eerste, wat is de juiste bevoegdheid van de ombudsdienst voor telecommunicatie ten aanzien van de inhoud die via de onderscheiden infrastructuren wordt verspreid? Als er morgen door Belgacom televisiebeelden ter beschikking gesteld worden via haar netwerk, wat is dan de bevoegdheid van de ombudsdienst bij klachten hieromtrent? Het betreft de zogenaamde convergentie, waarbij zowel het internet, media als telecommunicatie convergeren in ťťn medium, bijvoorbeeld een televisietoestel of een computer. De vraag wie hier bevoegd wordt is een heet hangijzer.

Ten tweede, wat is de bevoegdheid van de ombudsdienst voor telecommunicatie bij geschillen in verband met het respecteren van de privacy op het internet? Wat zal er worden gedaan om de garantie op privacy voor elke gebruiker te garanderen?

Ten derde, wat kan de rol van de ombudsdienst voor telecommunicatie zijn bij het behandelen van de geschillen in verband met de inhoud van de boodschappen die over het internet worden verspreid? In de commissievergadering en in de plenaire vergadering werd reeds verwezen naar de problematiek van racisme en van kinderpornografie op internet. Wat is de meest efficiŽnte manier om die elementen te bestrijden?

Ten vierde, wat kan de ombudsdienst voor telecommunicatie doen indien er geschillen rijzen naar aanleiding van producten of diensten die verkocht werden via het internet?

Ten vijfde, is er een bepaalde rol weggelegd voor de ombudsdienst voor telecommunicatie bij de beoordeling van de ethische dimensie van inhoud en handel op het internet?

Ten zesde, welke is de bevoegdheid van de ombudsdienst voor telecommunicatie indien de bevoegde gemeenschappen in ons land overgaan tot een eigen invulling van het begrip universele dienstverlening?

Er zijn nog talrijke vragen. Problemen rond inhoud en technologie kunnen moeilijk perfect gescheiden gehouden worden. Eindgebruikers hebben een holistische benadering van hun problemen. Klanten denken niet in vakjes. Voor klagers dient een probleem of geschil zich aan in zijn totaliteit, in al zijn aspecten, materiŽle en immateriŽle, met alle consequenties en implicaties, los van technologieŽn of informatiedragers.

Inzonderheid met betrekking tot de relatie tussen de internetproviders en de ombudsdienst wens ik nog de volgende vragen te stellen.

Wat zijn de kosten voor de dientverlening van de ombudsdienst voor de internetproviders? Deze mogelijkheid zou blijkens eerste verklaringen worden ingevoerd bij koninklijk besluit, maar dit is momenteel nog niet gebeurd. Is dit juist? Het criterium dat wordt gehanteerd om de bijdrage van ieder bedrijf te bepalen is het omzetcijfer met betrekking tot de telecommunicatieactiviteiten van elk bedrijf in vergelijking met het totaal omzetcijfer van alle bijdrageplichtige bedrijven. Plant de minister een gelijkaardig iets, en zo ja, is het omzetcijfer wel het meest geschikte gelet op het gratis aanbieden van het internet?

Wat doet de minister met het feit dat bepaalde dienstverleners- resellers, helemaal geen internetproviders zijn, zoals bijvoorbeeld VT4 en Shell, dat gratis het internet aanbiedt? Kan er een protocolovereenkomst afgesloten worden tussen een reseller en de ombudsdienst?

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Minister Daems heeft gevraagd het volgende antwoord voor te lezen.

Eerste vraag. De wet van 21 maart 1991 bepaalt dat de ombudsdienst ondermeer als taak heeft om alle klachten van de eindgebruikers te onderzoeken op voorwaarde dat deze verband houden met de activiteiten van de ondernemingen uit de telecomsector die opgesomd worden in de wet. Deze klachten moeten met andere woorden gesitueerd worden in de relatie eindgebruiker-betrokken onderneming en zullen slaan op de kwalitatieve aspecten van de dienstverlening van het betrokken telecommunicatiebedrijf.

Tweede vraag. De ombudsdienst is inhoudelijk niet bevoegd voor dergelijke geschillen daar deze de geschetste omkadering duidelijk te buiten gaan. De ombudsdienst kan in geen geval een dwingende interpretatie geven aan de wetgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hij verwijst in voorkomend geval beter door naar de commissie voor de Bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het ministerie van Justitie.

Derde vraag. Dergelijke geschillen kunnen in principe niet door de ombudsdienst behandeld worden. De internetproviders hebben middels hun belangenorganisatie ISPA een samenwerkingsprotocol ondertekend met de ministers van Justitie en Telecommunicatie voor de regeling van de problematiek inzake internetinhoud. De gerechtelijke politie is verantwoordelijk voor een meldpunt Illegale Inhoud. Internetproviders die door hun gebruikers op de hoogte worden gebracht van mogelijk illegale inhoud nemen contact op met dit meldpunt dat de gemelde feiten onderzoekt, de gepaste maatregelen voorstelt en een strafrechtelijk onderzoek start. Indien de ombudsdienst door eindgebruikers op de hoogte zou worden gebracht van dergelijke feiten, licht ze best onmiddellijk het meldpunt van de gerechtelijke politie in.

Vierde vraag. Dergelijke geschillen vallen buiten de werkingssfeer van de ombudsdienst. Ook in het off line gebeuren is de ombudsdienst niet bevoegd voor de kwaliteit of de aard van de bijvoorbeeld via telefoon aangeboden diensten of producten. Diegene die de betrokken diensten of producten aanbiedt, draagt de verantwoordelijkheid, niet diegene die enkel het kanaal aanbiedt voor het aanbod van deze diensten of producten. De bevoegdheid van de ombudsdienst strekt zich niet uit tot de ondernemingen die niet zelf de telecommunicatiediensten aanbieden. Overigens valt op te merken dat de Economische Inspectie van het ministerie van Economische Zaken hier waarschijnlijk wel bepaalde bevoegdheden heeft.

Vijfde vraag.: De wet van 21 maart 1991 heeft niet in een dergelijke rol voorzien voor de ombudsdienst.

Zesde vraag. De ombudsman Telecommunicatie is een federale instantie. Het dossier telecommunicatie is in het kader van de staatshervorming een residuaire bevoegdheid. Hier aangaande zal er overleg worden gepleegd.

Zevende vraag. De werking van de ombudsdienst wordt gefinancierd via door het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (BIPT) vast te stellen bijdragen. Deze bijdragen zijn inderdaad gerelateerd aan het omzetcijfer dat de betrokken ondernemingen behaald hebben voor de activiteiten die onder de bevoegdheid van de ombudsdienst vallen. Deze regel geldt voor alle ondernemingen die gehouden zijn om samen te werken met de ombuddienst en dus voor de internet service providers.

Achtste vraag. In zoverre deze ondernemingen zelf diensten aanbieden die aan voorafgaande aangifte onderworpen zijn, vallen ze automatisch in de door de wet opgesomde categorie van bedrijven die gehouden zijn om samen te werken met de ombudsdienst. Indien de zogenaamde resellers geen voorafgaande aangifte moeten doen, kunnen ze conform de wet op vrijwillige basis een overeenkomst met de ombudsdienst aangaan.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Mijn vragen werden in ruime mate beantwoord. Ik zal de antwoorden ook doorspelen aan de ombudsdienst Telecommunicatie.

Met betrekking tot mijn belangrijkste vraag, met name deze over de verhouding tussen de bevoegdheid van de federale overheid en die van de gemeenschappen, heb ik nog wel een opmerking. De minister houdt staande dat telecommunicatie een residuaire bevoegdheid voor de federale overheid is. Dat klopt uiteraard, maar de telecommunicatie en inhoud van de telecommunicatie vloeien samen. Ik verwijs in dit verband naar de problematiek van de nieuwe media. Zo zal het zeer binnenkort mogelijk worden het internet te raadplegen via de televisie. De minister verdedigt dat telecommunicatie een federale bevoegdheid is, maar het mediabeleid is ontegensprekelijk een gemeenschapsbevoegdheid.

Ik hoop dat de minister niet alleen overleg pleegt, maar zich er tevens voor hoedt zijn bevoegdheden niet te overschrijden. Persoonlijk vind ik de inhoud van het internet belangrijker dan de infrastructuur van het internet zelf. Daarom vind ik dat de gemeenschappen de eerste verantwoordelijken dienen te zijn voor het beheer van het internet. Ik hoop dat de discussies over de staatshervorming in dezelfde richting gaan en dat dit thema op de agenda van de Costa wordt ingeschreven.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Telecommunicatie is een residuaire bevoegdheid en dus een federale materie, maar zoals ik heb gezegd, zal er overleg worden gepleegd.

- Het incident is gesloten.