2-57

2-57

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 22 JUNI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen over ęde gelijke kansendimensie (man-vrouw) in de CopernicusnotaĽ (nr. 2-294)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Twee weken geleden heeft een vrij uitgebreide delegatie van de Senaat deelgenomen aan de Peking+5-conferentie in New York waarop het actieplatform van Peking inzake vrouwenrechten werd geŽvalueerd. Tijdens deze conferentie is eens te meer gebleken dat gender mainstreaming, het integreren van het genderperspectief, voor elke overheid een blijvende prioriteit moet zijn bij het ontwikkelen van beleidsinitiatieven. Ik meen dat ik me niet vergis als ik zeg dat dit ook voor onze regering een prioriteit is. In het debat dat we in de Senaat voor ons vertrek naar New York hebben gevoerd, heeft mevrouw Onkelinx uitdrukkelijk gezegd dat de regering het idee van de mainstreaming steunt. Ik denk en verwacht dan ook niet dat we over dit principe vandaag een debat moeten voeren.

Wel wil ik graag van minister Van den Bossche vernemen hoe hij het principe van de mainstreaming integreert in de hervormingen die hij in zijn Copernicusnota uittekent. Ik heb de nota gelezen en meer bepaald in hoofdstuk 2 gaat het over "Tendensen in human resources management". We lezen daarin onder meer: "Tendens 3: Competentie en potentieel als basis voor selectie en loopbaanontwikkeling". Dat is het kader waarin het genderthema kan passen, aangezien niemand zal ontkennen dat vrouwen, ondanks hun competentie en potentieel, nog steeds in geringe mate terug te vinden zijn op hogere posities in de federale openbare diensten. Het personeelsbeleid dat in de Copernicusnota wordt voorgesteld zal hieraan, vrees ik, niets veranderen, maar misschien interpreteer ik de nota verkeerd en ik hoop dat de minister mijn inschatting kan weerleggen. Ik heb niet de indruk dat er rekening wordt gehouden met gendereffecten, althans toch niet expliciet, zodat bestaande scheve genderverhoudingen blijven bestaan of misschien zelfs worden versterkt.

Het integreren van een genderinvalshoek in het personeelsbeleid kan een belangrijke bijdrage leveren tot de verbetering van de kwaliteit van het personeelsbeleid. Graag vernam ik dan ook van de minister waarom hieraan niet expliciet aandacht wordt besteed in de Copernicusnota. Is dat een bewuste strategie? Of zit het er wel in en dan kan de minister dit misschien expliciteren. Wat is de inbreng van de gelijkekansenambtenaren in de totstandkoming van de nota?

De voorbije jaren heeft de regering een aantal wetgevende initiatieven genomen om positieve acties in het openbaar ambt te verplichten. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat dit enkel op de onderste niveaus gebeurt, maar ook aan de top van de administratie. Ik vraag me af hoe deze wettelijk vastgelegde beleidsprioriteit kan worden geÔntegreerd in de hervorming van het openbaar ambt.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Voor de filosofie baseer ik me op een recent werkdocument van professor Annie Hondeghem. Daarin staat dat sommigen ten onrechte denken dat oorlogen worden gewonnen door wetten en reglementen goed te keuren en dan de opstelsom te maken van alle wettelijke en reglementaire veranderingen. Het staat er niet letterlijk, maar ik zou het als volgt kunnen samenvatten: alzo denken de ketters, maar zij dolen.

Eigenlijk komt het erop aan welk HRM-beleid wordt gevoerd. Daar ligt de grote uitdaging. Dat er door middel van krachtlijnen een algemene sturing kan zijn, blijkt duidelijk zowel uit de regeerverklaring als uit de Copernicusnota en de eerste beslissingen die in het kader ervan werden genomen. Van de vijf Programmatorische Overheidsdiensten is er ťťn voor gelijkekansenbeleid, die onder de bevoegdheid van collega Onkelinx valt. Met andere woorden, in de toekomstige structuur is in het nodige voorzien. Het klopt dat dit kadert in een globaal HRM-beleid, maar als ik het werk van mevrouw Hondeghem goed heb begrepen, dan is ze tegen het principe om van het gelijkekansenbeleid een afzonderlijk punt in het HRM-beleid te maken.

Het hoort wel degelijk bij competentie- en potentialiteitbeheer. Er wordt inderdaad niet altijd voldoende aandacht besteed aan de genderverhoudingen, maar bij de discussies over arbeidsflexibiliteit zal er in elk geval rekening moeten worden mee gehouden. Het is zeker geen gedetailleerd plan, het geeft slechts de grote lijnen weer.

Mevrouw de Bethune beweert dat de scheve genderverhoudingen zullen blijven bestaan. Ik moet haar hier tegenspreken. Voor benoemingen op het hoogste niveau was de "heilige" anciŽnniteit tot nog toe doorslaggevend en werd de vrouw de facto benadeeld. AnciŽnniteit is voor mij zeker geen relevant gegeven voor bevorderingen. De rangorde naar diensttijd wordt dan ook geschrapt als overtuigend element en dat is de facto een vrouwvriendelijke maatregel. De Vlaamse Gemeenschap heeft een beperkt kader voor middelmanagement gecreŽerd dat ook voor jonge ambtenaren met slechts zes jaar dienstanciŽnniteit werd opengesteld. Het gevolg daarvan was dat de vrouwelijke aanwezigheid in het middelmanagement spectaculair steeg, in sommige departementen zelfs tot 60 %, en dat zonder dat er speciale discriminerende maatregelen werden genomen.

Het schrappen van de anciŽnniteit, een rigoureus rekening houden met competentie en potentialiteit, het nemen van specifieke maatregelen inzake het samengaan van arbeid en levenskwaliteit hebben alleszins een onmiddellijk positief effect op de genderverhoudingen.

De gelijkekansenambtenaren hebben geen inspraak gekregen bij het opstellen van de Copernicusnota, omdat het geen managementexperts zijn. Mevrouw Hondeghem wordt wel geraadpleegd omwille van haar enorme human resources kennis. Deskundigen van hoog niveau moeten worden betrokken bij het opstellen en bij het uitwerken van het Copernicusplan. Het gaat hier om de filosofische definitie van de manier waarop het management zal worden ontplooid en welke lijnen zullen worden gevolgd. De wetgevende initiatieven moeten wel worden gerespecteerd, maar men mag zich niet overgeven aan formalisme en semantiek. In dat geval zouden de doelstellingen immers helemaal niet worden bereikt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Het verheugt mij dat de minister samenwerking nastreeft met mensen als mevrouw Hondeghem, die zeer deskundig is in zowel gender- als managementmaterie. Boeiend zou zijn indien we een inhoudelijke discussie over dit alles in de commissie voor de Gelijke Kansen zouden kunnen voeren in aanwezigheid van de minister en van de deskundigen.

Ik betreur evenwel dat de minister in zijn nota de genderpariteit niet expliciet als doelstelling vermeldt.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Genderpariteit kan voor mij nooit een doel op zich zijn. Voor mijn part mag zeventig procent van het topmanagement vrouwelijk zijn, als dit een juiste weergave is van de aanwezige competentie. Als Vlaams minister van onderwijs had ik een departement waarvan het middenmanagement voor zestig procent uit vrouwen bestond. Ik heb daar nooit een traan over gelaten. Bovendien waren de jongste afdelingshoofden 32 jaar. In oude ambtenarentermen waren medewerkers van die leeftijd hun kindertijd amper ontgroeid. Die jonge elementen waren echter goede elementen die de werking van het departement omhoog hebben getrokken.

Pariteit is niet het doel. Het doel moet zijn dat iedereen maximale kansen krijgt en niet benadeeld wordt door geslacht of door specifieke rollenpatronen die nog te veel aan een geslacht worden toebedeeld. Een ander doel is dat de competentie en de potentialiteit zo goed mogelijk worden in acht genomen. Als dit correct wordt nagestreefd is het voor mij in orde. Het enige probleem is dan nog de instroom: als die 70/30 is, kan ik moeilijk tot een 50/50 verhouding komen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik ben het daarmee niet helemaal eens. Ik ga akkoord dat we in het openbaar ambt niet op dezelfde manier naar een fifty-fifty-verhouding kunnen streven als in politieke organen, waar andere eisen inzake democratie worden gesteld. Wanneer echter een groep uit de samenleving ergens zwaar ondervertegenwoordigd is, zoals dat in de administratie inderdaad het geval is, dan is dat onevenwicht ook een probleem van efficiency en competentie. Het rechtrekken ervan moet daarom ook als doel op zich naar voren worden geschoven. Die discussie kunnen we echter niet uitspitten in de context van een mondelinge vraag.

De minister verwijst terecht naar enkele onrechtstreekse effecten als het afschaffen van de anciŽnniteitsregels en dergelijke. Hij wijst ook op de relatie arbeid en vrije tijd, arbeid en gezin. Dat is voor mij een bewijs dat het genderevenwicht in alle aspecten van het beleid moet worden toegepast en niet alleen inzake maatregelen rond arbeid en gezin of inzake de instroom. Ook betreffende promotiekansen, mentaliteitsverandering, cultuur in de administratie bestaan er in alle sectoren en op alle niveaus nog allerlei drempels. Daarom is het belangrijk het nastreven van het genderevenwicht als een doelstelling te behouden.

Ten slotte wil ik van de minister graag een verduidelijking zodat wat hij hier heeft gezegd over de gelijkekansenambtenaren, niet verkeerd wordt begrepen.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Zij hebben hun specifieke opdracht en daarin steun ik hen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik hoop dat de minister zijn vertrouwen in hen bevestigt en dat hij hen steunt, aangezien ze zeer moeilijk werk verrichten. Hopelijk kunnen we samen zoeken naar een beter statuut voor deze mensen en naar meer mogelijkheden opdat ze hun werk naar behoren en efficiŽnter kunnen uitvoeren. Wellicht kan daar ook een en ander voor worden gedaan bij de hervorming van de administratie.

Wij zijn over het thema zeker niet uitgepraat. Hopelijk komt er snel een gelegenheid om deze discussie voort te zetten.