2-353/1

2-353/1

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

23 FEBRUARI 2000


Wetsvoorstel houdende wijziging van de artikelen 39 en 43, 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971 met het oog op het verbeteren van de moederschapsbescherming (1)

(Ingediend door de heer Georges Dallemagne)


TOELICHTING


Momenteel heeft een zwangere vrouw recht op moederschapsverlof van vijftien weken, waarvan acht verplicht moeten worden opgenomen na de geboorte en n voor de geboorte. De zes overblijvende weken mogen door de aanstaande moeder vrij worden opgenomen, volledig of gedeeltelijk voor of na de geboorte. Als zij ziek wordt gedurende de zeven laatste weken van de zwangerschap, wordt dit verlof van haar moederschapsverlof afgetrokken, zelfs als de ziekte niets te maken heeft met de zwangerschap.

De huidige wetgeving heeft veel nadelige gevolgen.

1. De keuze die moet worden gemaakt over de zes vrije weken moederschapsverlof zorgt voor ongemak en stress

De aanstaande moeder maakt zich vaak teveel zorgen over de zes vrij te kiezen weken. Ze krijgt van alle kanten advies : sommigen raden haar aan de zes weken op te nemen na de geboorte van de baby, terwijl anderen vinden dat ze meer dan een week verlof moet opnemen vr de geboorte om goed uitgerust te zijn voor de bevalling. Men moet rekening houden met verschillende factoren, zoals het soort werk dat de moeder in spe uitoefent en haar persoonlijkheid. Zelfs de gynaecoloog zal vaak aarzelen om een werkonderbreking tijdens de zwangerschap aan te raden, waardoor moeder en kind na de geboorte immers vroeger van elkaar worden gescheiden.

2. Wat het prenataal verlof betreft, beantwoorden de perioden van moederschapsbescherming waarin de wet momenteel voorziet, niet meer aan de vooruitgang van de moderne neonatologie. Een zwangere vrouw kan nu verlof nemen tijdens de laatste zeven weken van de zwangerschap, dat wil zeggen tussen de 33e en de 40e week van de zwangerschap. In de neonatologie is evenwel zoveel vooruitgang geboekt dat dit geen risicovolle periode meer is voor de foetus, en men neemt algemeen aan dat vanaf de 34e zwangerschapsweek de vooruitzichten voor de gezondheid van de baby zo goed zijn dat bijvoorbeeld een vroeggeboorte niet meer hoeft te worden tegengehouden. De risicovolle periode ligt nu tussen de 25e en de 32e week van de zwangerschap, en tijdens deze periode kan een vrouw alleen rusten als zij ziekteverlof opneemt. Het wettelijk verlof dat een vrouw de mogelijkheid biedt om te rusten tussen de 33e en de 40e zwangerschapsweek, heeft dus meer te maken met comfort dan met een reel risico voor de baby of voor haarzelf.

Het is dus raadzamer de zwangere vrouw toe te staan om tijdens de risicoperiode, dat wil zeggen tussen de 23e zwangerschapsweek en het begin van de prenatale rustperiode, tien dagen op te nemen. Dat is het doel van dit voorstel. Als meer dan tien dagen worden opgenomen, lijkt het redelijk om een medisch attest te eisen met een specifieke reden voor dit verlof, bijvoorbeeld een dreigende vroeggeboorte of miskraam, enz.

De verplichte week verlof die de vrouw moet nemen vr de geboorte, kan onvoorziene gevolgen hebben. Een bevalling vindt immers niet altijd plaats op de voorziene datum, en de zwangere vrouw die n week vr de berekende bevallingsdatum verlof heeft genomen, zal steeds ongeduldiger worden naarmate zij deze datum overschrijdt, aangezien zij zo verlofdagen verspilt die bedoeld waren voor de baby. Daardoor zal ze soms vragen dat de zwangerschap wordt ingeleid vr de datum die in de medische literatuur algemeen wordt vooropgesteld, namelijk de zwangerschapstermijn plus tien dagen. Het op gang brengen van de bevalling kan in bepaalde gevallen leiden tot een toename van het aantal keizersneden.

Dit wetsvoorstel vangt dit negatieve gevolg op, met behoud van de verplichte week prenataal verlof. Deze verplichte week prenataal verlof lijkt ons inderdaad onontbeerlijk omdat de vermoeidheid aan het einde van een zwangerschap zwaar kan toeslaan, vooral voor vrouwen die al een gezin hebben. Ook voor de psychische voorbereiding van de moeder op de bevalling lijkt een week prenataal verlof noodzakelijk.

Bij meerlingen is het raadzamer de moeder toe te staan om bijkomend verlof op te nemen na de geboorte veeleer dan daarvoor. Zij heeft immers vooral na de geboorte nood aan rust voor zichzelf en aan tijd om de baby's op te vangen. De moeder van een meerling heeft immers meer tijd nodig om met elk kind een persoonlijke affectieve band op te bouwen.

3. Wat het postnataal verlof betreft, is het onweerlegbaar schadelijk voor moeder en kind als de moeder al na acht weken verlof opnieuw aan het werk gaat.

Pediaters raden momenteel aan om kinderen die borstvoeding krijgen, geen bijkomende voeding te geven vr ze drie maanden oud zijn. Als de moeder verplicht is om na acht weken postnataal verlof aan het werk te gaan, moet zij de voeding vroegtijdig veranderen.

Psychologen hebben aangetoond dat het kind pas rond drie maanden in staat is om een relatie op te bouwen met twee verschillende personen. Daarvoor is het niet raadzaam om het kind in een crche of bij een gastmoeder onder te brengen.

Bovendien slapen de meeste baby's pas op drie maanden en niet op twee, de hele nacht door. De moeder zal op drie maanden dus beter in staat zijn haar werk weer op te nemen.

Wat de gezondheid van de moeder betreft, dient er ook op gewezen te worden dat moeders die opnieuw aan het werk moeten gaan na acht weken postnataal verlof, hoog scoren op de depressieschaal (Edinburgh Postnatal Depression Scale). De meeste moeders voelen zich beter in staat om opnieuw aan het werk te gaan als zij eerst bijkomend verlof hebben gekregen op basis van een attest van arbeidsongeschiktheid, waarvoor de adviserende arts van het ziekenfonds toestemming moet geven. Als de moeder minder dan drie maanden na de bevalling opnieuw gaat werken, loopt zij meer kans op een postnatale depressie en als gevolg daarvan kunnen problemen ontstaan in verband met de ontwikkeling van het kind.

Bovendien moet een onderscheid worden gemaakt tussen de postnatale rust die alle moeders nodig hebben en het verlof voor de thuiskomst van het kind.

Na de bevalling moeten alle vrouwen een verplichte postnatale rustperiode van zes weken kunnen nemen. Daaraan zal een bijkomende verlofperiode worden toegevoegd, het zogenaamde verlof voor de thuiskomst van het kind, dat specifiek bedoeld is om het kind in het gezin op te nemen. De duur van dat verlof zal afhankelijk zijn van het aantal kinderen in geval van meerlingen en van de duur van het eventuele verblijf van de baby in het ziekenhuis na de geboorte.

Wanneer de geboorte zonder complicaties verloopt, zoals meestal het geval is, en moeder en kind samen naar huis gaan, zal de moeder een verlof voor de thuiskomst van het kind van acht weken krijgen. Bij meerlinggeboorte wordt dat verlof verlengd met vier weken voor elk kind dat samen met het eerste geboren is, zodat de moeder en de baby's een sterke affectieve band kunnen opbouwen.

Als de baby na de geboorte in het ziekenhuis moet blijven, wordt het verlof voor de thuiskomst van het kind verlengd met de duur van het verblijf in het ziekenhuis, te berekenen vanaf de tweede week. De verlenging mag niet meer dan zes weken bedragen. Als de baby meer dan zes weken na de geboorte in het ziekenhuis moet blijven, kan de moeder vragen dat het verlof voor de thuiskomst van het kind en de verlenging daarvan worden uitgesteld tot het kind naar huis mag. Zo kan de moeder na de postnatale rustperiode haar werk weer opnemen en het later onderbreken om het kind zo goed mogelijk thuis op te vangen. In deze ernstige gevallen moet de werkneemster bij haar verzoek een attest van het ziekenhuis voegen.

Moeders van wie de baby binnen een jaar na de geboorte sterft, krijgen bovenop het verplichte postnatale verlof van zes weken een facultatief verlof van acht weken vanaf de dood van het kind. Als zij omwille van hun psychisch evenwicht liever blijven werken, mogen zij van dit verlof afzien.

De mogelijkheid om het moederschapsverlof om te zetten in vaderschapsverlof blijft overigens behouden.

Deze wijzigingen van de periodes van moederschapsbescherming vereisen onder meer een aanpassing van de arbeidswet van 16 maart 1971. Dit wetsvoorstel voorziet in die aanpassing. Een afzonderlijk wetsvoorstel zorgt voor de aanpassingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecordineerd op 14 juli 1994, en van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van die wet.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Dit artikel wijzigt artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 rekening houdende met de nieuwe perioden voor de moederschapsbescherming die bij dit wetsvoorstel ingevoerd worden.

Voortaan moet de werkgever de werkneemster verlof geven tijdens heel de duur van de voorbevallingsrust (dit is vanaf de eerste week voorafgaande aan de vermoedelijke bevallingsdatum), de nabevallingsrust (dit is zes weken vanaf de dag van de bevalling) en het verlof voor de thuiskomst van het kind.

De duur van het verlof voor de thuiskomst van het kind varieert naar gelang van het aantal tegelijkertijd geboren kinderen en van de duur van het eventuele verblijf van de pasgeborene(n) in het ziekenhuis. Naar gelang daarvan zal de arbeidsonderbreking bijgevolg ook variren.

Indien moeder en kind samen naar huis terugkeren, wordt de duur van het verlof voor de thuiskomst van het kind vastgesteld op acht weken, ingaande na verloop van de zes weken volgend op de bevalling. Bij een meerlinggeboorte wordt voor elk kind dat samen met het eerste geboren is, een bijkomend verlof van vier weken toegekend.

Moet de pasgeborene na de geboorte in het ziekenhuis blijven, dan wordt het verlof van acht weken voor de thuiskomst van het kind verlengd met een periode die gelijk is aan de duur van het verblijf van de pasgeborene in het ziekenhuis, met uitzondering van de eerste week van het ziekenhuisverblijf, een week waarin moeder en kind samen zijn kunnen blijven. Die verlenging mag echter niet meer dan zes weken bedragen. Zo mag de totale duur van het verlof voor de thuiskomst van het kind, uitgezonderd in geval van meerlinggeboorte, niet meer dan veertien weken bedragen.

Wanneer het kind langer dan zes weken na de geboorte in het ziekenhuis verblijft, kan de moeder vragen om het verlof voor de thuiskomst van het kind alsmede de verlenging van dit verlof uit te stellen tot op het ogenblik dat de pasgeborene thuiskomt. Met dat doel overhandigt de werkneemster die na afloop van de nabevallingsrust van zes weken het werk wil hervatten, haar werkgever op het ogenblik dat zij het werk hervat, een getuigschrift van het ziekenhuis waaruit blijkt dat de pasgeborene sinds ten minste zes weken in het ziekenhuis verblijf. Wanneer de werkneemster arbeidsonderbreking aanvraagt om haar kind thuis te kunnen opvangen, overhandigt ze een getuigschrift van het ziekenhuis dat de datum vermeldt waarop het kind het ziekenhuis verlaten heeft.

Wanneer de moeder opnieuw gaat werken omdat de pasgeborene langer dan zes weken in het ziekenhuis verblijft en wanneer het kind binnen een jaar na de geboorte in het ziekenhuis overlijdt, heeft de moeder de mogelijkheid haar werk te onderbreken gedurende acht weken vanaf het overlijden van haar kind. Indien ze aanspraak wenst te maken op deze periode van arbeidsonderbreking, deelt ze dit schriftelijk aan haar werkgever mee binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de pasgeborene.

Het laatste lid van artikel 2 verwijst naar de mogelijkheid om bij overlijden of ziekenhuisopname van de moeder een deel van de nabevallingsrust en van het verlof voor thuiskomst van het kind om te zetten vaderschapsverlof voor de vader van het kind. De voorwaarden en de nadere regels om de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de afwezigheden bedoeld in dit artikel om te zetten in vaderschapsverlof voor de werknemer die de vader is, worden door de Koning bepaald. De Koning bepaalt eveneens hoe en gedurende welke periode de werknemer en de werkneemster tegen ontslag worden beschermd.

Artikel 3

Wegens de wijziging van de periode van voorbevallingsrust die dit voorstel invoert, heeft het derde lid van 1 van artikel 43 van dezelfde wet geen bestaansreden meer.

Georges DALLEMAGNE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, gewijzigd door de wet van 29 december 1990, wordt vervangen als volgt :

Art. 39. Op verzoek van de werkneemster moet de werkgever haar verlof geven vanaf de eerste week vr de vermoedelijke datum van de bevalling. De werkneemster bezorgt hem uiterlijk acht weken vr de vermoedelijke datum van de bevalling een geneeskundig getuigschrift waaruit deze datum blijkt. Zo de bevalling eerst plaatsheeft na de door de arts voorziene datum, wordt het verlof tot de werkelijke datum van de bevalling verlengd.

Onverminderd de toepassing van het vijfde en het zesde lid mag de werkneemster geen arbeid verrichten tijdens de periode van de voorbevallingsrust, van de nabevallingsrust en van het verlof voor de thuiskomst van het kind.

Onder voorbevallingsrust wordt verstaan de zeven kalenderdagen die voorafgaan aan de vermoedelijke datum van de bevalling.

Onder nabevallingsrust wordt verstaan de periode van zes weken die ingaat op de dag van de bevalling.

Onder verlof voor de thuiskomst van het kind wordt verstaan de verlofperiode bestemd om het pasgeboren kind thuis op te vangen.

Het verlof voor de thuiskomst van het kind bedraagt acht weken volgende op de bevalling wanneer het pasgeboren kind samen met zijn moeder naar huis komt. Bij meerlinggeboorte wordt vier weken bijkomend verlof toegekend voor elk kind dat gelijktijdig met het eerste geboren is.

Moet het pasgeboren kind na de geboorte in het ziekenhuis blijven, dan wordt de arbeidsonderbreking wegens het verlof voor de thuiskomst van het kind verlengd ten belope van een periode die gelijk is aan de duur van het verblijf van de pasgeborene in het ziekenhuis te rekenen van de tweede week van de ziekenhuisopname, zonder dat die verlenging meer dan zes weken mag bedragen.

Wanneer de ziekenhuisopname van het pasgeboren kind na de geboorte langer duurt dan zes weken te rekenen van de bevalling, kan de werkneemster evenwel het verlof voor de thuiskomst van het kind uitstellen tot het ogenblik waarop het pasgeboren kind naar huis komt. Met dat doel bezorgt de werkneemster aan haar werkgever :

a) op het ogenblik dat zij het werk hervat, een getuigschrift van het ziekenhuis waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in het ziekenhuis opgenomen is sinds ten minste zes weken;

b) op het ogenblik dat zij de verlenging van de arbeidsonderbreking aanvraagt, een getuigschrift van het ziekenhuis dat de datum vermeldt waarop het pasgeboren kind het ziekenhuis verlaat.

Wanneer de werkneemster het werk hervat heeft wegens de ziekenhuisopname van meer dan zes weken van het pasgeboren kind en het kind binnen een jaar na zijn geboorte in het ziekenhuis overlijdt, heeft ze recht op een verlof van acht weken te rekenen van het overlijden van haar kind. De werkneemster die van dit recht gebruik wil maken, deelt dit aan haar werkgever schriftelijk mee binnen zeven dagen volgend op het overlijden van het kind.

De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, de duur alsmede de voorwaarden en de nadere regels waaronder bij overlijden of ziekenhuisopname van de moeder de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de afwezigheden bedoeld in dit artikel worden omgezet in vaderschapsverlof voor de werknemer die de vader is. De Koning bepaalt in dit geval eveneens op welke vorm van bescherming tegen ontslag, en gedurende welke tijd, de werkneemster en de werknemer recht hebben.

Art. 3

In artikel 43, 1, van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 3 april 1995, wordt het derde lid opgeheven.

Georges DALLEMAGNE.

(1) Dit wetsvoorstel werd reeds in de Senaat ingediend op 3 mei 1999, onder het nr. 1-1429/1.