Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-2

ZITTING 1999-2000

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 98 van de heer Decaluwe d.d. 28 september 1999 (N.) :
Bevolkingsinspectie. Opvragen gegevens bij nutsbedrijven. Vervallenverklaring politiek mandaat. Geschillen in verband met verblijfstoestand.

De bevolkingsinspectie kan van een bestendige deputatie dan wel van de Raad van State de opdracht krijgen een onderzoek uit te voeren, teneinde iemands feitelijke woonplaats te helpen bepalen. Zo een onderzoek kan bijvoorbeeld gevoerd worden om iemand eventueel als gemeente- en/of OCMW-raadslid vervallen te verklaren. Deze inspectie gaat daarbij uit eigen beweging over tot het opvragen van facturen bij nutsbedrijven, zonder hiertoe uitdrukkelijk opdracht te hebben gekregen van voornoemde rechtscolleges. Desgevraagd kan deze dus ook niet worden voorgelegd. In zijn schriftelijke vraag nr. 1099 van 19 mei 1998 (cf. Vragen en Antwoorden , Senaat, nr. 1-83 d.d. 6 oktober 1998, blz. 4351 e.v.) vroeg de heer Olivier aan de heer Di Rupo, toenmalig minister van Telecommunicatie, uitleg inzake het vrijgeven van telefoonkosten aan uw inspectie met deze doelstelling. Hij deelde deze mee dat het telecommunicatiegeheim zeer streng beschermd wordt en dat bijgevolg het vrijgeven van die informatie zonder toestemming van de betrokkenen in strijd is met artikel 109ter , D, van de wet van 21 maart 1991 (Belgisch Staatsblad van 27 maart 1991) cf. artikelen 77, 78 en 83 van de wet van 19 december 1997 Belgisch Staatsblad van 30 december 1997, en de schriftelijke vraag nr. 1145 van de heer Standaert van 15 september 1994, Vragen en Antwoorden , Kamer, 1994-1995, nr. 131, blz. 13627. Door de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten werd de procedure inzake verplichte inschrijving in dit register (voorafgaandelijk) contradictoir gemaakt. N begin april 1996 vermeldt u in de toegezonden (aangetekende) brief waarvan sprake in artikel 8, 1, alinea 3, van deze wet, dat iemand binnen de 15 dagen n de kennisgeving van uw voornemen om tegen hem of haar een dergelijke administratieve beslissing terzake uit te voeren, deze de mogelijkheid heeft om hiertegen eventuele bemerkingen te formuleren, en kan vragen om gehoord te worden.

Uit het antwoord op de schriftelijke vraag nr. 44 d.d. 30 oktober 1995 (cf. Vragen en Antwoorden , Senaat, nr. 1-10 d.d. 13 februari 1996, blz. 468 e.v.) gesteld door voornoemde senator, deelde uw voorganger mee dat uw inspectie per jaar van 800 1 000 geschillen inzake betwisting van inschrijving in het bevolkingsregister kennis neemt.

Graag had ik de geachte minister volgende vragen gesteld :

1. Gaat zijn inspectie nog steeds telefoonkosten opvragen, en zo ja, gebeurt dit thans op de juiste wijze ? Wordt nu bij het opvragen van inlichtingen bij de nutsbedrijven ook steeds de eigenlijke opdracht getoond die zij eventueel van rechtscollege ontving ?

2. Is hij voortaan bereid om in toepassing van artikel 8, 1, alinea 3, van de wet van 19 juli 1991, artikel 5 van de wet van 11 april 1994 (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1994), en artikel 5 van de wet van 12 november 1997 (Belgisch Staatsblad van 12 december 1997) betreffende openbaarheid van bestuur, om betrokkene uit eigen beweging in te lichten, dat deze inzage kan krijgen van de gegevens die zijn inspectie heeft verzameld bij voornoemde bedrijven; dit alvorens zij haar verslag bezorgt aan hogervermeld opdrachtgevend rechtscollege, en deze zich alzo hiervoor beter kan verdedigen ?

3. In hoeveel percent van de gevallen is hij (in de afgelopen vijf jaar) n het opsturen van de (aangetekende) brief waarvan hoger sprake en n het ontvangen van een reactie van betrokkenen, op zijn voornemen teruggenomen (zo mogelijk per jaartal en per gewest) ?

4. Hoeveel beslissingen inzake dergelijke inschrijvingen (eventueel afgeleid uit een arrest van de Raad van State) werden er in dezelfde tijdsspanne (met terugwerkende kracht) en in dezelfde omschrijving (als in punt 3 omschreven) door zijn inspectie genomen ?

5. In hoeveel gevallen werd er in deze periode (per gewest) beroep ingesteld bij de Raad van State (eventueel ook in kort geding) en kreeg de geachte minister gelijk ? Hoeveel geschillen zijn er daar nog hangend ?