Vragen en Antwoorden


Bulletin 1-53

Belgische Senaat

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ≠ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Economie en Telecommunicatie (Economie)

Vraag nr. 168 van mevrouw Thijs d.d. 11 juli 1997 (N.) :
Illegaal piramidespel.

In de pers vernam ik onlangs dat in het West-Vlaamse Gistel nogal wat gezinnen de dupe zijn geworden van een illegaal piramidespel. Een aantal bedrijven uit Duitsland en Nederland lanceren in Vlaanderen formules om snel rijk te worden. De bedrijven hullen zich in de grootste geheimzinnigheid en hoeden zich ervoor hun systeem uit de doeken te doen aan buitenstaanders. Reeds een 50 000 gezinnen zouden bij zo'n piramidespel betrokken zijn. In Gistel zijn een honderdtal gezinnen in het systeem gestapt en tientallen verkeren al in financiŽle moeilijkheden. Een OCMW-raadslid onderzoekt de illegale praktijken, maar zijn klacht bij de rijkswacht werd geweigerd, omdat hij geen slachtoffer is. Alleen gedupeerden, die hun instapgeld ≠ dat naar verluidt tot 5 000 gulden of 90 000 frank kan oplopen ≠ zijn kwijtgespeeld, kunnen klacht neerleggen, maar zij doen dat niet, omdat zij weten dat het systeem illegaal is. In Brugge zijn er wel al klachten tegen de bedrijven binnengelopen.

1. Hoe kunnen dergelijke bedrijven, met illegale systemen, in ons land opereren ? Er is op handelspraktijken toch een controle ?

2. Volgens de persberichten wordt de zaak nationaal gecoŲrdineerd. Wat houdt dit in ? En wat zijn de tussentijdse resultaten ?

3. Zijn er reeds stappen ondernomen om de werkzaamheden van deze bedrijven te verbieden ?


Antwoord : Als antwoord op haar bovenvermelde vraag kan ik het geachte lid het volgende mededelen.

1. Artikel 84 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument voorziet enkel in een verbod op een methode van kettingverkoop van producten.

De door het geachte lid geviseerde financiŽle piramides vallen bijgevolg buiten toepassing van deze wet.

2 en 3. Het is mij bekend dat verscheidene parketten reeds onderzoeken instellen naar deze praktijken in het licht van artikel 496 van het Strafwetboek. In dit verband dien ik het geachte lid evenwel te verwijzen naar het antwoord dat zal worden verstrekt door mijn collega, de heer minister van Justitie.