Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-76

ZITTING 1997-1998

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 1081 van de heer Devolder d.d. 15 mei 1998 (N.) :
Uitbetaling van gepresteerde overuren aan leden van de civiele bescherming.

In het Franstalige landsgedeelte is reeds enige tijd een procedure aanhangig van 38 leden van de civiele bescherming uit Ghlin tegen de Belgische Staat om een terugvordering te verkrijgen van gepresteerde maar nooit bezoldigde of gecompenseerde overuren.

De Belgische Staat werd hiervoor reeds tweemaal veroordeeld maar ging steeds in hoger beroep. We mogen aannemen dat de Belgische Staat opnieuw in het ongelijk zal worden gesteld en de overuren zal moeten uitbetalen.

In dit kader kreeg ik van de geachte minister graag een antwoord op de volgende vragen :

1. De 38 leden van de civiele bescherming uit Ghlin vormen maar een klein gedeelte van het totaal aantal leden van de civiele bescherming die in aanmerking komen voor uitbetaling van de gepresteerde overuren. Over hoeveel personen gaat het in totaal ? Over hoeveel Nederlandstaligen en over hoeveel Franstaligen ?

2. Hoe lang zal de Belgische Staat de uitbetaling van de overuren aan de rechthebbenden nog uitstellen ? Binnen welke termijn kan de uitbetaling daadwerkelijk geschieden ?

3. Over welke totale som van niet-vergoede overuren gaat het ? Op welke manier zullen de middelen voor de uitbetaling worden vrijgemaakt ?

4. De oorsprong van dit probleem ligt in het ontbreken van een specifiek statuut voor de leden van de civiele bescherming. Werden er reeds stappen ondernomen om dit op te lossen ? Zo ja, welke ?

Antwoord : Hieronder vindt het geachte lid het antwoord op zijn vragen.

Als het geachte lid de betaling van de premie voor onregelmatige prestaties (thans 6 000 frank per maand) wil aanhalen voor de tewerkgestelde werklozen die aangeworven werden in de operationele eenheden van de civiele bescherming, om het mogelijk te maken om vanaf 1 januari 1986 over te schakelen van het stelsel van de continudienst van 24 uur, gevolgd door 48 uur rust, op het stelsel van de continudienst van 24 uur, gevolgd door 72 uur rust, heb ik de eer hem mee te delen dat deze aangelegenheid het voorwerp is van een procedure die thans loopt voor de rechtbanken van de rechterlijke orde, en betrekking heeft op het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.

Ik wil het geachte lid bijgevolg verzoeken zich te wenden tot mijn collega, mevrouw Miet Smet, minister van Tewerkstelling en Arbeid.

Als het daarentegen gaat over het probleem dat gerezen is als gevolg van het beroep dat ingesteld is door 38 leden van de permanente eenheid van de civiele bescherming van Ghlin, die menen recht te hebben op de betaling van 4 overuren per week tussen 1 januari 1986 en 31 december 1994, naar aanleiding van de beperking van de wekelijkse arbeidstijd in het openbaar ambt tot 38 uur per week, vestig ik de aandacht van het geachte lid op het feit dat deze dagvaarding, die ditmaal betrekking heeft op het ministerie van Binnenlandse Zaken, eveneens hangende is bij de rechtbanken van de rechterlijke orde.

Aangezien het principe van de scheiding der machten de verplichting inhoudt om te wachten op de afloop van de lopende gerechtelijke procedure, kan ik in de huidige stand van het dossier onmogelijk antwoordelementen verschaffen aan het geachte lid.