1-182

1-182

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 30 AVRIL 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 30 APRIL 1998

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN MEVROUW DE BETHUNE AAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN OVER « DE VERDRAGEN OVER HET AFSCHAFFEN VAN FOLTERING »

QUESTION ORALE DE MME DE BETHUNE AU MINISTRE DES AFFAIRES ÉTRANGÈRES SUR « LES CONVENTIONS SUR L'ABOLITION DE LA TORTURE »

De voorzitter . ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van mevrouw de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken.

Het woord is aan mevrouw de Bethune.

Mevrouw de Bethune (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, de vijftigste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens roept ons op om verder te strijden tegen de foltering overal ter wereld. De Wereldconferentie over de Rechten van de Mens en meer bepaald paragraaf 54 van de Verklaring van Wenen van 25 juni 1993 nodigt elk land uit om de verdragen betreffende het afschaffen van foltering te ratificeren. Op 31 december 1997 hebben slechts 104 van de 193 UNO-verdragsstaten deze verklaring goedgekeurd. Tot op heden heeft België hiertoe echter niet de nodige stappen gedaan.

Hierbij wil ik de minister de volgende vragen stellen.

Ten eerste, welke beleidsdaden zal hij stellen om de ratificaties door het Belgische Parlement van de UNO-conferentie betreffende het afschaffen van foltering mogelijk te maken of wat staat deze procedure vooralsnog in de weg ?

Ten tweede, wat zijn de beleidsinzichten van de minister betreffende artikel 20 waarin de bevoegdheid van een comité wordt erkend om opsporingen te doen naar folteringen en betreffende artikel 22 waarin individuele klachten tegen foltering worden onderzocht ? Het is immers van groot belang dat de conventies zonder voorbehoud worden aanvaard, wil de Universele Verklaring geen dode letter blijven.

De voorzitter . ­ Het woord is aan minister Derycke.

De heer Derycke, minister van Buitenlandse Zaken. ­ Mijnheer de voorzitter, het is vast en zeker de bedoeling van de regering om in het kader van de 50e verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens het verdrag betreffende de afschaffing van foltering te ratificeren.

Het dossier werd mij onlangs overgemaakt door mijn collega van Justitie en ligt nu ter studie bij de juridische dienst van mijn departement waar de nodige stukken worden klaargemaakt om voor advies te worden doorgestuurd naar de Raad van State. Daarna kan het ter goedkeuring worden ingediend bij de Senaat.

Het verdrag is nog niet geratificeerd omdat de Belgische strafwet eerst moest worden gewijzigd. De definities in de Belgische strafwet zijn immers restrictiever dan in het VN-verdrag op de foltering.

Op de vraag van mevrouw de Bethune in verband met artikel 20 kan ik het volgende zeggen. Indien het comité ernstige inlichtingen bekomt over systematische schendingen van de conventie op het grondgebied van een staat, geeft dit aanleiding tot het uitwisselen van gegevens en kan dit eventueel leiden tot een onderzoek met inbegrip van een bezoek aan het betrokken land en tot het opstellen van een rapport voor de overheid van de betrokken staat. Het geheel van deze procedure is confidentieel en moet in samenwerking met de geviseerde staat gebeuren, die alle samenwerking dient te verlenen.

Artikel 22 slaat op de behandeling van klachten van particulieren over schendingen van de conventie. Dergelijke klachten kunnen slechts door het comité worden behandeld als de betrokken staat de bevoegdheid van het comité heeft erkend in een verklaring. België zal een dergelijke verklaring formuleren bij het indienen van een ontwerp ter ratificatie van de conventie.

Als er in ons land ooit een probleem rijst zal de procedure bepaald in artikel 22 een oplossing bieden.

De voorzitter . ­ Het woord is aan mevrouw de Bethune voor een repliek.

Mevrouw de Bethune (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, ik hoop dat we dit verdrag nog vóór 26 juni in de Senaat kunnen goedkeuren. Die dag wordt door de algemene vergadering van de VN uitgeroepen tot internationale dag tegen de foltering. Het is dus belangrijk dat dan alle juridische stappen zijn gedaan zodat de conventies rechtskracht hebben. Verder is het mij ook na het antwoord van de minister niet duidelijk wat de draagkracht is van artikel 22.

De heer Derycke, minister van Buitenlandse Zaken. ­ De staat moet het comité erkennen vooraleer het kan optreden inzake individuele klachten.

Mevrouw de Bethune (CVP). ­ Dat is een positieve ingesteldheid waarover ik mij alleen maar kan verheugen.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.