1-59

1-59

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 18 JUILLET 1996

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 18 JULI 1996

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER DEVOLDER AAN DE MINISTER VAN BUITENLANDZE ZAKEN OVER « DE OPSCHORTING VAN DE UITREIKING VAN IDENTITEITSKAARTEN AAN DE IN HET BUITENLAND VERBLIJVENDE BELGEN »

QUESTION ORALE DE M. DEVOLDER AU MINISTRE DES AFFAIRES ÉTRANGÈRES SUR « LA SUPPRESSION DE LA DÉLIVRANCE DE CARTES D'IDENTITÉ AUX BELGES RÉSIDANT À L'ÉTRANGER »

De Voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Devolder aan de minister van Buitenlandse Zaken over « de opschorting van de uittreiking van identiteitskaarten aan de in het buitenland verblijvende Belgen ».

Het woord is aan de heer Devolder.

De heer Devolder (VLD). ­ Mijnheer de Voorzitter, het koninklijk besluit van 19 december 1967 bepaalt dat de diplomatieke en consulaire posthoofden een identiteiskaart moeten uitreiken aan iedere Belgische onderdaan die hierom verzoekt en die in hun post is ingeschreven. De identiteitskaart geldt als bewijs van inschrijving.

De uitreiking van deze immatriculatiekaarten is reeds geruime tijd opgeschort omdat de documenten wegens de mogelijkheden tot namaak niet meer zouden beantwoorden aan de veiligheidsvereisten. Daarnaast wordt het nut van deze kaarten door het departement in twijfel getrokken.

Talrijke landgenoten die reeds lang in het buitenland verblijven en die bijzonder gehecht zijn aan hun nationaliteit kunnen zich als gevolg van deze maatregel niet meer als Belg legitimeren en zij zijn hierover terecht verbolgen.

Graag had ik van de minister vernomen welke initiatieven hij inmiddels heeft genomen om een regeling uit te werken waardoor aan de in het buitenland verblijvende Belgen een identiteiskaart kan worden uitgereikt die aan de veiligheidsvereisten beantwoordt.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan minister Derycke.

De heer Derycke, minister van Buitenlandse Zaken. ­ Mijnheer de Voorzitter, op basis van het koninklijk besluit van 19 december 1967 kan aan een landgenoot die geïmatriculeerd wordt in één van onze diplomatieke of consulaire posten in het buitenland een identiteitskaart, geldend als bewijs van inschrijving, afgegeven worden. In tegenstelling met de inschrijving in de bevolkingsregisters in België, is de immatriculatie bij één van onze diplomatieke of consulaire posten facultatief en spijtig genoeg maakt slechts een minderheid van onze landgenoten van de geboden mogelijkheid gebruik.

De afgifte van immatriculatiekaarten, die verkeerdelijk identiteitskaarten worden genoemd, werd enige tijd geleden om veiligheidsredenen stopgezet. Het bleek immers dat deze kaarten meer problemen opleverden dan dat ze er oplosten. Wekelijks wordt mijn departement immers door verschillende politionele diensten, in binnen- en buitenland, benaderd wegens crimineel gebruik van de oude roze kaarten die nog in omloop zijn. Ik stemde derhalve in met de stopzetting van de afgifte van de oude kaarten, maar heb een onderzoek naar de afgifte van een nieuwe veiligere kaart bevolen.

Dit onderzoek is aan de gang. De eerste resultaten wijzen erop dat de kosten van de aanmaak van een goed beveiligde kaart hoog zullen liggen en dat deze kaart duurder zal zijn dan het gebruikelijke Belgische paspoort. Tevens zal de geldigheidsduur van de kaart ­ gelet op het regelmatig verhuizen van onze landgenoten ­ moeten worden beperkt. Gezien de te respecteren veiligheidsnormen zal een verlenging van een kaart niet mogelijk zijn en zal telkens een nieuwe kaart moeten worden aangemaakt. Wellicht zal de aanmaak gecentraliseerd dienen te gebeuren in Brussel.

Er wordt eveneens onderzocht of in bepaalde omstandigheden landgenoten die zich voor onbepaalde duur naar het buitenland begeven, de door de gemeente afgegeven identiteitskaart eventueel voorzien van een aangepaste vermelding niet zouden kunnen behouden.

Uit het beperkt protest dat de niet-afgifte opleverde, blijkt dat de mogelijke nadelen die de afschaffing zou inhouden niet mogen worden overdreven. Problemen in het land van verblijf worden veelal opgelost aan de hand van de verblijfsvergunning afgegeven door de lokale overheid. Reisperikelen worden meestal vermeden door het bezit van een gewoon paspoort. Onze diplomatieke posten geven bovendien op eenvoudig verzoek consulaire attesten af die als immatriculatiebewijs kunnen worden gebruikt en waarop de nationaliteit van onze landgenoten duidelijk vermeld staat.

Ik wens er tevens op te wijzen dat binnen het kader van de Europese Unie ernaar gestreefd wordt, het gebruik van de lokale verblijfsvergunningen als reisdocument te bevorderen. Zulke aanpak draaft bij tot de vrije circulatie van de Europese onderdanen en heeft het voordeel bijkomende uitgaven en administratieve rompslomp te vermijden.

Tot besluit kan dus worden gesteld dat het probleem tijdelijk is. Een oplossing is in de maak. Verschillende mogelijkheden worden tegen elkaar afgewogen : uitreiking van een nieuw model immatriculatiekaart, wellicht de dure oplossing voor onze landgenoten ; gebruik maken van lokale identiteitsdocumenten als legitimatie en reistitel ; ten slotte gebruik maken van een identiteitskaart afgegeven door de Belgische gemeente, maar enkel in welbepaalde omstandigheden.

Zonodig zal een wetgevend initiatief worden genomen om te voorzien in een stevige juridische basis voor de afgifte van identiteitskaarten aan Belgen in het buitenland. Dit zou kunnen kaderen in een actualisatie van de consulaire wetgeving.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Devolder voor een repliek.

De heer Devolder (VLD). ­ Mijnheer de Voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord, maar ik wil er toch nogmaals op aandringen dat werk zou worden gemaakt van eventuele overgangsmaatregelen. Deze vraag werd vorig jaar ook schriftelijk gesteld. Er werd toen eveneens geantwoord dat de maatregelen werden overwogen. Wanneer gaat men nu toch eens over tot de daad ?

De Voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.