1-35
COM

1-35
COM

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales des réunions publiques de commission

Handelingen van de openbare commissievergaderingen

COMMISSION DES AFFAIRES ÉTRANGÈRES

COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE AANGELEGENHEDEN

SÉANCE DU MARDI 18 JUIN 1996

VERGADERING VAN DINSDAG 18 JUNI 1996

(Vervolg-Suite)

VRAAG OM UITLEG VAN MEVROUW THIJS AAN DE STAATSSECRETARIS VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING OVER « HET STATUUT VAN DE VN-VRIJWILLIGERS »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE MME THIJS AU SECRÉTAIRE D'ÉTAT À LA COOPÉRATION AU DÉVELOPPEMENT SUR « LE STATUT DES VOLONTAIRES ONU »

De Voorzitter. ­ Aan de orde is de vraag om uitleg van mevrouw Thijs aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking over « het statuut van de VN-vrijwilligers ».

Het woord is aan mevrouw Thijs.

Mevrouw Thijs (CVP). ­ Mijnheer de Voorzitter, ontwikkelingssamenwerking kan worden bekeken vanuit vele invalshoeken. Een van de belangrijkste invalshoeken is zeker die van de inzet van coöperanten. In de beleidsnota van de staatssecretaris, die wij in oktober jongstleden besproken hebben, heeft hij het over de rol van de coöperanten. De staatssecretaris wil de rol van de coöperanten herwaarderen, hen als katalysatoren typeren en hen gebruiken als nuttige waarnemers in eventuele conflictsituaties. Het gaat hier slechts om een kleine paragraaf uit zijn beleidsnota maar die belangrijk genoeg is om er aandacht aan te schenken.

Wij kunnen niet ontkennen dat een groot deel van de ontwikkelingssamenwerking op het terrein gedragen wordt door de blijvende inzet van de talrijke coöperanten, zowel jong als oud. Met een grote dosis dynamisme en creativiteit zijn zij vaak jarenlang de stuwende kracht achter de ontwikkelingsprojecten die in de derde-wereldlanden worden opgezet. Het gaat dan meestal over de ABOS- of NGO-coöperanten. Wij mogen hierbij echter de Belgische ontwikkelingssamenwerkers in dienst van de VN niet vergeten. Het is wel erg belangrijk dat deze verschillende ontwikkelingshelpers een degelijk financieel en sociaal statuut genieten. Bovendien mogen er tussen de verschillende statuten geen noemenswaardige verschillen zijn.

In de praktijk is het echter heel anders. Het koninklijk besluit van 28 maart 1995 voor de NGO-coöperanten voorziet in een aantal sociale tegemoetkomingen die echter niet terug te vinden zijn in het koninklijk besluit van 22 februari 1984 dat de bijkomende voordelen van de VN-vrijwilligers bevat. Zo wordt in het VN-statuut de vergoeding niet aangepast aan het aantal dienstjaren en is de kinderbijslag bijvoorbeeld een vaste premie, die niet verhoogd wordt voor een gehandicapt kind. VN-vrijwilligers ontvangen geen schoolgeld, hoewel dat in veel derde-wereldlanden wordt gevraagd en evenmin een repatriëringsverzekering in geval van ziekte of ongeval. Wel krijgen de VN-vrijwilligers een vergoeding van 5 000 frank die ingevolge indexering is gestegen tot ongeveer 16 000 frank, wat relatief weinig is. Andere bijkomende voordelen voor VN-vrijwilligers zijn de betaling door de Staat van de bedragen met betrekking tot de overzeese sociale zekerheid, een vergoeding bij het einde van de dienstperiode, een tegemoetkoming bij ziekte en een bijdrage voor de reiskosten en kosten voor vervoer van de reisgoederen van de vrijwilliger en de leden van zijn gezin.

Ter illustratie lees ik voor uit een brief van een VN-coöperant : « Daar ik bijna zeven jaar als NGO-coöperant werkzaam was in de Derde Wereld en dus ook de positieve evolutie in het zogenaamde vrijwilligersstatuut heb meegemaakt, nam ik aan dat het UNV-statuut in dezelfde zin veranderd was. Blijkt nu dat het bestuur van de vrijwilligers van de VN niet gewijzigd werd. Specifiek betekent dit voor mij een serieuze stap terug in vergelijking met het NGO-statuut, wat betreft anciënniteit en kindergeld. In het UNV-statuut wordt de vergoeding een vast bedrag zonder de dienstjaren in rekening te nemen. Het kindergeld is een vaste premie waar men geen rekening houdt met bijvoorbeeld een handicap van het kind. Schoolgeld wordt helemaal niet voorzien en er is geen repatriëringsverzekering in geval van ziekte of ongeval.

Voor alle duidelijkheid wil ik aan het voorgaande toevoegen dat ik mijn werk in een ontwikkelingsland steeds zeer graag en met volle inzet heb uitgevoerd en dat zal in de toekomst ook nog zo zijn. Ik voelde mij trouwens erg aangesproken door wat u zei in een toespraak over de inzet van NGO-coöperanten die vaak in moeilijke omstandigheden en met een beperkt loon mooie dingen kunnen verwezenlijken. Daarom vind ik het onbegrijpelijk, nu ik voor UNV zal gaan werken, dat ik in dat statuut nog zulke lacunes kan terugvinden. Op die manier wordt veldwerk in een ontwikkelingsland op een treurenswaardige wijze ondergewaardeerd en kan men zelfs spreken van een riskante onderneming. Als Belgische onderdaan heb ik ook de uitdrukkelijke wens dat mijn dochter dezelfde mogelijkheden tot gezondheid en scholing zal hebben zoals ik die heb kunnen genieten toen ik haar leeftijd had. » Tot zover een citaat uit een brief van een VN-vrijwilliger. Naar ik heb vernomen, wordt er reeds jarenlang aangedrongen op een gelijkschakeling van alle statuten. Het was ook de bedoeling het koninklijk besluit van 22 februari 1984 gelijk te schakelen met de andere statuten van de NGO-coöperanten. Dit is blijkbaar nog niet gebeurd. Vorig jaar heeft men de kans hiertoe onbenut gelaten.

Hoewel ik niet heb kunnen achterhalen of het VN-contract een volwaardig arbeidscontract is en welke sociale voordelen de VN-vrijwilligers via hun basisstatuut ontvangen, blijkt uit de voorgelezen getuigenis dat er bij de overgang van een NGO-statuut naar een VN-statuut heel wat lacunes bestaan op het sociale vlak.

Graag had ik van de staatssecretaris vernomen of er reeds een inventaris werd opgemaakt van de verschillende statuten en van de problemen waartoe zij aanleiding geven. Werden er reeds stappen gedaan om de statuten gelijk te schakelen of is de staatssecretaris van plan dit in de toekomst te doen ? Hij hecht immers veel belang aan het werk van de coöperanten.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan staatssecretaris Moreels.

De heer Moreels, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, toegevoegd aan de Eerste minister. ­ Mijnheer de Voorzitter, de vraag van mevrouw Thijs is zeer pertinent. Conceptueel gezien hecht ik veel belang aan het werk van de coöperanten, of zij nu voor het ABOS dan wel voor een NGO werken. Het statuut van de ABOS-coöperanten moet worden onderzocht in het kader van de herstructurering van deze administratie. Het is te vroeg om hierover nu reeds uitspraken te doen. Het statuut van de NGO-coöperanten zal worden aangepast in het kader van de NGO-hervorming.

De rol van de coöperant ­ ongeacht of hij nu optreedt in het kader van een NGO dan wel van een officiële organisatie, van een multilaterale of van een internationale organisatie ­ is grondig gewijzigd. De substitutieve rol, die door mevrouw Thijs werd aangehaald en die moet evolueren naar een catalyserende rol, geldt enkel nog in oorlogsomstandigheden of op plaatsen waar de verantwoordelijken voor de gezondheidssector, de landbouw of de industrie om bepaalde redenen zijn moeten vluchten en door niemand kunnen worden vervangen, tenzij door coöperanten.

In de landen waar daarentegen aan rehabilitatie en aan structurele ontwikkelingssamenwerking wordt gedaan, vervullen zij een eerder catalyserende rol. De coöperanten hoeven daar niet zo lang ter plaatse te blijven. Zij kunnen regelmatig naar huis komen. Er moet ook worden voorzien in technische opleidingen en in uitwisselingen. Dit vergt echter een radicale mentaliteitsverandering, en dat zal veel tijd in beslag nemen.

De concrete vraag van mevrouw Thijs betreft het statuut en de financiële en sociale voordelen die daaraan verbonden zijn. Het koninklijk besluit van 22 februari 1984 dat de voordelen regelt die worden toegekend aan de personen aangeworven in het kader van het UNV-programma, wordt momenteel door het ABOS onderzocht. De VN-vrijwilligers werken zeer soepel en goed hoewel zij niet zo veel verdienen als de ambtenaren van de VN. Deze regeling werd niet overgenomen in het koninklijk besluit van maart 1995. Ik heb beslist het koninklijk besluit te doen aanpassen naar aanleiding van getuigenissen en van vragen van landgenoten die bij UNV werken. Onze bijdrage aan het UNV-programma werd dit jaar overigens substantieel verhoogd, namelijk tot negentig miljoen. Het is één van de hoogste bijdragen van een donorland aan het UNV-programma.

De bedoeling van deze herziening is een aantal wijzigingen aan te brengen onder meer aan de maandelijkse vergoeding van de vrijwilligers, aan de gezinstoelage rekening houdende met de gezinssituatie, aan het schoolgeld, het kindergeld, de vereiste ervaring, de sociale zekerheid en de verzekering. Het statuut van de NGO-coöperant kan niet systematisch worden verleend aan iemand die overstapt naar de VN want er zijn ook voordelen die door de VN worden gegeven. De voordelen van beide statuten kunnen elkaar overlappen zodat uiteindelijk het statuut van de VN-vrijwilligers beter kan uitvallen dan welk ander ook. Ik heb gevraagd dat men de conclusies van mijn opdracht ten laatste in september bekendmaakt. Zodoende kan het koninklijk besluit van 1984 worden aangepast indien dit een verbetering van het statuut mogelijk maakt.

Wat betreft het huidige statuut van de VN-vrijwilliger kan ik het volgende melden. De VN geven installatiekosten die soms tot tweemaal een maandvergoeding kunnen bedragen. Deze maandvergoeding varieert van 635 Amerikaanse dollar tot 1 600 Amerikaanse dollar naargelang van het land waarin ze worden tewerkgesteld en de samenstelling van het gezin. De coëfficiënten worden aangepast aan de koopkracht van de bevolking en aan de inflatie. Vervolgens krijgen ze ook hun logementskosten en verzekeringskosten vergoed. De UNV's die in de grote humanitaire noodhulpoperaties in crisisgebieden opereren, krijgen een maandvergoeding van 2 000 Amerikaanse dollar. Dit is een soort gevarenpremie. Daar komen nog eens de reis- en verzekeringskosten bovenop. De bedragen moeten met elkaar vergeleken worden en geüniformiseerd worden zodat een minder gunstige sociale-zekerheidssituatie van de betrokkenen kan aangepast worden.

Ik herhaal dat ik een aanpassing van het koninklijk besluit van 1984 niet uitsluit, indien in september wordt aangetoond dat dit noodzakelijk is.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Devolder.

De heer Devolder (VLD). ­ Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Thijs vraagt dat de Staat dezelfde bijdragen zou betalen voor de VN-vrijwilligers als voor de NGO-coöperanten die onder de DOSZ vallen. Er zijn reeds heel wat conflicten gerezen over die rechten. De coöperanten genieten een gunstige behandeling, bijvoorbeeld wat de terugbetaling van geneesmiddelen betreft. De problemen bestaan reeds enkele jaren, dus nog van vóór de staatssecretaris bevoegd was voor ontwikkelingssamenwerking. Het is zijn eerste opdracht daarover te onderhandelen met zijn collega's van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De coöperanten die onder het sociaal-zekerheidsstelsel van de DOSZ vallen, hebben inderdaad een gunstig statuut. Zij lopen echter ook risico's, die men in onze contreien niet loopt. Het zou ook nuttig zijn dat de staatssecretaris betrokken wordt bij het uitwerken van de besluiten die voor deze sector in uitvoering van de kaderwet zullen worden genomen.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan mevrouw Thijs.

Mevrouw Thijs (CVP). ­ Mijnheer de Voorzitter, ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord. Ik dring erop aan dat zeker in september een vergelijking wordt gemaakt en dat, indien er significante verschillen zijn, het koninklijk besluit van 1984 gewijzigd wordt. Wij kunnen veel studies laten maken, maar indien nodig, moeten wij ook maatregelen nemen. Daar de staatssecretaris positief reageert, kunnen wij de vrijwilligers nu al het goede nieuws melden dat men met hun zaak bezig is en dat men zal zorgen voor een oplossing. Dat is belangrijk. Wanneer men zo ver van huis is, heeft men graag enige zekerheid over zijn bestaanssituatie. Want anders zouden zij ertoe geneigd kunnen zijn terug te keren naar België om hier betere werkomstandigheden te zoeken.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan staatssecretaris Moreels.

De heer Moreels, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, toegevoegd aan de Eerste minister. ­ Ons land geeft een substantiële bijdrage aan de Verenigde Naties. Wij geloven immers in deze organisatie. De VN is ook zeer tevreden over de technische kennis, de motivatie en de werklust van de Belgen. Zij trekken dan ook graag Belgen aan. Meer en meer landgenoten werken voor de UNV. Daarom is het des te meer noodzakelijk er iets voor te doen.

De Voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

Dames en heren, de agenda van de openbare vergadering van de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden is afgewerkt.

L'ordre du jour de la réunion publique de la commission des Affaires étrangères est ainsi épuisé.

De vergadering is gesloten.

La séance est levée.

(De vergadering wordt gesloten om 15 uur.)

(La séance est levée à 15 heures.)