1-589/8

1-589/8

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997

15 JULI 1997


Wetsontwerp tot instelling van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling


TEKST AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

HOOFDSTUK I

Algemeen

Art. 2

§ 1. In ieder rechtsgebied van een hof van beroep wordt één commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling, hierna « commissie » genoemd, ingesteld. Voor het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel worden evenwel een Nederlandstalige en een Franstalige commissie ingesteld.

§ 2. Elke commissie is bevoegd voor de veroordeelden gedetineerd in de strafinrichtingen binnen het rechtsgebied van het hof van beroep waarvoor ze is ingesteld, behoudens de uitzonderingen door de Koning bepaald.

§ 3. Voor de commissies werkzaam in het rechtsgebied van de Hoven van Beroep van Luik en Bergen wordt de rechtspleging in het Frans gevoerd.

Voor de commissies werkzaam in het rechtsgebied van de Hoven van Beroep van Antwerpen en Gent wordt de rechtspleging in het Nederlands gevoerd.

Voor de commissies werkzaam in het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Brussel wordt de rechtspleging in het Frans gevoerd voor de strafinrichtingen gelegen in Waals-Brabant en in het Nederlands voor de strafinrichtingen gelegen in Vlaams-Brabant.

Voor de strafinrichtingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad wordt de rechtspleging in het Frans of in het Nederlands gevoerd naar gelang van de taal van het vonnis of het arrest waarbij de zwaarste straf is opgelegd.

§ 4. Een veroordeelde die onder de bevoegdheid ressorteert van een commissie waarvan hij de taal niet kent of die zich gemakkelijker uitdrukt in de taal van een andere commissie, kan, nadat een voorstel inzake voorwaardelijke invrijheidstelling voor hem is opgesteld, een gemotiveerde aanvraag richten aan de bevoegde commissie om de behandeling van zijn dossier over te dragen aan een commissie waarvan hij de taal kent of van de taal waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt.

De dossiers van veroordeelden die alleen Nederlands kennen of zich gemakkelijker in die taal uitdrukken, worden overgedragen aan de Nederlandstalige commissie werkzaam in het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Brussel.

De dossiers van veroordeelden die alleen Frans kennen of zich gemakkelijker in die taal uitdrukken, worden overgedragen aan de Franstalige commissie werkzaam in het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Brussel.

De dossiers van veroordeelden die alleen Duits kennen of zich gemakkelijker in die taal uitdrukken, worden overgedragen aan de commissie werkzaam in het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Luik.

De beslissing om de bevoegdheid al dan niet over te dragen wordt met redenen omkleed en binnen drie dagen per aangetekende brief ter kennis gebracht van het openbaar ministerie verbonden aan de commissie en van de betrokken veroordeelde.

De verdere behandeling van het dossier wordt geschorst totdat er een definitieve beslissing is over het al dan niet overdragen van het dossier aan een andere commissie.

HOOFDSTUK II

Samenstelling

Art. 3

Iedere commissie bestaat uit een werkend rechter van de rechtbank van eerste aanleg, een assessor-strafuitvoering en een assessor-sociale reïntegratie.

Art. 4

§ 1. De rechter van de rechtbank van eerste aanleg zit de commissie voor.

§ 2. Hij wordt onder de rechters die zich kandidaat gesteld hebben, aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep van het rechtsgebied waar de commissie haar zetel heeft, die tegelijk uit de kandidaten een plaatsvervanger aanwijst. Bij voorkeur worden rechters aangewezen die houder zijn van het diploma van licentiaat in de criminologie.

§ 3. De voorzitter van de commissie behoudt als magistraat zijn plaats op de ranglijst. Hij blijft zijn wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen genieten.

Hij heeft recht op een weddebijslag gelijk aan die welke is toegekend aan een onderzoeksrechter met drie jaar ambtsuitoefening in een rechtbank waarvan het rechtsgebied ten minste 500 000 inwoners telt. Deze weddebijslag wordt gekoppeld aan de mobiliteitsregeling van toepassing op de bezoldiging van het rijkspersoneel in actieve dienst.

Gedurende zijn opdracht wordt hij geacht zijn ambt te hebben uitgeoefend. De bepalingen inzake inruststelling en pensioen zijn op hem van toepassing. In de vervanging van de magistraat wordt voorzien door een benoeming in overtal overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer het een korpschef betreft, wordt in zijn vervanging voorzien door de benoeming in overtal van een magistraat tot de onmiddellijk lagere rang.

§ 4. De voorzitter van de commissie en zijn plaatsvervanger worden aangewezen voor een termijn van drie jaar, die eenmaal kan worden verlengd voor een termijn van vijf jaar.

Ten vroegste drie jaar na het einde van hun opdracht kunnen de rechter die de commissie heeft voorgezeten en zijn plaatsvervanger zich opnieuw kandidaat stellen voor het ambt dat zij hebben uitgeoefend. Zij kunnen worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die niet kan worden verlengd.

Art. 5

§ 1. De assessor-strafuitvoering moet aan de volgende voorwaarden voldoen :

­ ten minste vijf jaar nuttige professionele ervaring hebben op het gebied van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, in een dienst van het ministerie van Justitie, in een academische functie, in de advocatuur of in een door de bevoegde overheid erkende voorziening, waarvan de lijst door de Koning wordt vastgesteld;

­ houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift uitgereikt door een universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling;

­ Belg zijn;

­ niet ouder zijn dan 65 jaar;

­ de burgerlijke en politieke rechten genieten.

§ 2. De assessor-sociale reïntegratie moet aan de volgende voorwaarden voldoen :

­ ten minste vijf jaar nuttige professionele ervaring hebben op het gebied van de sociale reïntegratie in een dienst van het ministerie van Justitie of in een door de bevoegde overheid erkende voorziening, waarvan de lijst door de Koning wordt vastgesteld;

­ houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift uitgereikt door een universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling; of houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift waarvan de lijst door de Koning wordt vastgesteld;

­ Belg zijn;

­ niet ouder zijn dan 65 jaar;

­ de burgerlijke en politieke rechten genieten.

§ 3. De assessoren en hun plaatsvervangers worden door de Koning aangewezen overeenkomstig een door Hem, bij een in Ministerraad overlegd besluit, te bepalen procedure.

§ 4. De assessoren en hun plaatsvervangers worden aangewezen voor een termijn van drie jaar, die eenmaal kan worden verlengd voor een termijn van vijf jaar.

Ten vroegste drie jaar na het einde van hun opdracht kunnen degene die assessor bij de commissie is geweest en zijn plaatsvervanger zich opnieuw kandidaat stellen voor het ambt dat zij hebben uitgeoefend. Zij worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die niet kan worden verlengd.

Art. 6

§ 1. Aan elke commissie is een lid van het openbaar ministerie verbonden.

§ 2. Hij wordt onder de leden van het openbaar ministerie die zich kandidaat gesteld hebben, aangewezen door de procureur-generaal bij het hof van beroep van het rechtsgebied waar de commissie haar zetel heeft, die tegelijk uit de kandidaten een plaatsvervanger aanwijst. Bij voorkeur worden magistraten aangewezen die houder zijn van het diploma van licentiaat in de criminologie. Bij ontstentenis van kandidaten wijst de procureur-generaal hen ambtshalve aan.

§ 3. Het lid van het openbaar ministerie behoudt zijn plaats op de ranglijst. Hij blijft zijn wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen genieten.

Hij heeft recht op een weddebijslag gelijk aan die welke is toegekend aan een onderzoeksrechter met drie jaar ambtsuitoefening in een rechtbank waarvan het rechtsgebied ten minste 500 000 inwoners telt. Deze weddebijslag wordt gekoppeld aan de mobiliteitsregeling van toepassing op de bezoldiging van het rijkspersoneel in actieve dienst.

Gedurende zijn opdracht wordt hij geacht zijn ambt te hebben uitgeoefend. De bepalingen inzake inruststelling en pensioen zijn op hem van toepassing. In zijn vervanging wordt voorzien door een benoeming in overtal overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer het een korpschef betreft, wordt in zijn vervanging voorzien door de benoeming in overtal van een lid van het openbaar ministerie tot de onmiddellijk lagere rang.

§ 4. Het lid van het openbaar ministerie en zijn plaatsvervanger worden aangewezen voor een termijn van drie jaar, die eenmaal kan worden verlengd voor een termijn van vijf jaar.

Ten vroegste drie jaar na het einde van hun opdracht kunnen het lid van het openbaar ministerie dat aan de commissie verbonden is geweest en zijn plaatsvervanger zich opnieuw kandidaat stellen of ambtshalve worden aangewezen voor het ambt dat zij hebben uitgeoefend. Zij worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die niet kan worden verlengd.

HOOFDSTUK III

Bevoegdheden

AFDELING I

Algemeen

Art. 7

§ 1. De commissie die de strafinrichting van waaruit het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt gedaan onder haar bevoegdheid heeft, is bevoegd tot kennisneming van dat voorstel. Onverminderd de bepalingen van artikel 2, § 4, blijft zij bevoegd voor elke beslissing inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling tot de definitieve invrijheidstelling.

Indien evenwel de commissie het in uitzonderlijke gevallen voor een bepaalde veroordeelde aangewezen acht om de bevoegdheid over te dragen aan een andere commissie, neemt zij een gemotiveerde beslissing nadat die andere commissie binnen vijftien dagen een eensluidend advies heeft uitgebracht.

§ 2. Iedere commissie volgt de situatie op van de voorwaardelijk in vrijheid gestelde veroordeelden waarvoor zij bevoegd is.

Art. 8

Indien de commissie de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde gelast, overeenkomstig de bepalingen van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen bij de wet van 1 juli 1964, bepaalt zij de nadere regels met betrekking tot de controle en het toezicht op de veroordeelde en de naleving van de hem opgelegde voorwaarden.

Art. 9

De commissie kan de opgelegde voorwaarden schorsen, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden, zonder dat zij evenwel de opgelegde voorwaarden kan verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen, onverminderd de toepassing van artikel 12.

AFDELING II

Herroeping, schorsing en herziening van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Onderafdeling I

Herroeping

Art. 10

De voorwaardelijke invrijheidstelling kan door de commissie worden herroepen in de volgende gevallen :

1º indien gedurende de proeftijd de betrokkene in verdenking is gesteld wegens nieuwe strafbare feiten of indien de bijzondere voorwaarden bepaald in de beslissing van de commissie die uitspraak heeft gedaan over de voorwaardelijke invrijheidstelling, niet worden nageleefd;

2º indien in een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wordt vastgesteld dat de voorwaardelijk in vrijheid gestelde een misdaad of een wanbedrijf heeft gepleegd vóór het verstrijken van de proeftijd.

Onderafdeling II

Schorsing

Art. 11

§ 1. In de gevallen bedoeld in artikel 10 kan de commissie de schorsing gelasten van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

§ 2. In geval van schorsing wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten. De dagen vrijheidsbeneming worden aangerekend op het gedeelte van de straf dat nog moet worden ondergaan.

§ 3. Binnen een termijn van ten hoogste twee maanden herroept de commissie de voorwaardelijke invrijheidstelling, ofwel heft zij de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling op. In dat laatste geval kan de voorwaardelijke invrijheidstelling worden herzien, overeenkomstig artikel 12. Indien binnen die termijn geen beslissing is genomen, wordt de veroordeelde opnieuw in vrijheid gesteld onder dezelfde voorwaarden als voorheen.

Onderafdeling III

Herziening

Art. 12

§ 1. Indien de voorwaarden bepaald in artikel 10 vervuld zijn, maar de commissie van oordeel is dat de herroeping niet noodzakelijk is in het belang van de maatschappij, van het slachtoffer of van de sociale reïntegratie van de veroordeelde, kan de commissie de voorwaardelijke invrijheidstelling herzien. In dat geval kan de commissie de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De invrijheidstelling wordt evenwel herroepen, indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.

§ 2. Indien de commissie beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.

AFDELING III

Beslissing na de voorlopige aanhouding

Art. 13

In geval van bevel tot voorlopige aanhouding door de procureur des Konings of de krijgsauditeur zoals bepaald in de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen bij de wet van 1 juli 1964, neemt de commissie binnen een maand na dat bevel een beslissing tot al dan niet herroeping, schorsing of herziening. Indien de commissie een schorsing gelast overeenkomstig artikel 11, wordt deze geacht te zijn ingegaan op de datum waarop het bevel tot voorlopige aanhouding is uitgevoerd.

Indien binnen die termijn geen beslissing is genomen, wordt de veroordeelde opnieuw in vrijheid gesteld onder dezelfde voorwaarden als voorheen.

HOOFDSTUK IV

Werking

Art. 14

§ 1. Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen de vaste en plaatsvervangende leden in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep van het rechtsgebied waar de commissie wordt ingesteld, de volgende eed af : « Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk ».

§ 2. De leden van de commissie kunnen worden gewraakt om de redenen die luidens de artikelen 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek aanleiding geven tot wraking.

Ieder lid van de commissie dat weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich onthouden.

Hij die wil wraken, moet dit doen zodra hij van de wrakingsgrond kennis heeft.

De wraking wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift gericht aan de voorzitter van de commissie. Het verzoekschrift wordt gedateerd en ondertekend. Het bevat :

1º de naam, voornaam, hoedanigheid en woonplaats van de partij;

2º het voorwerp van de aanvraag en een uiteenzetting van de feiten en de middelen.

Indien de wraking wordt betwist, wordt het gewraakte lid vervangen door zijn plaatsvervanger, worden de wrakende partij en het gewraakte lid gehoord en doet de commissie onverwijld uitspraak.

Heeft het gewraakte lid zich teruggetrokken of wordt zijn wraking door de commissie aanvaard, dan wordt in zijn vervanging voorzien door zijn plaatsvervanger.

Binnen drie dagen na de uitspraak van de commissie wordt de beslissing per aangetekende brief bekendgemaakt aan het gewraakte lid, aan het openbaar ministerie en aan de veroordeelde bedoeld in artikel 2 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen bij de wet van 1 juli 1964.

§ 3. Wanneer een lid verhinderd of afwezig is, alsmede in het geval dat zijn mandaat openvalt, wordt het lid vervangen door zijn plaatsvervanger.

Art. 15

Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door rijksambtenaren aangewezen door de minister van Justitie.

Art. 16

§ 1. Voor de toepassing van de artikelen 249, 251 en 252 van het Strafwetboek worden de assessoren beschouwd als rechter-assessor.

§ 2. De leden van de commissie en van het secretariaat zijn verplicht om het vertrouwelijke karakter te bewaren van de feiten, handelingen of inlichtingen waarvan zij uit hoofde van hun functie kennis hebben. Elke inbreuk hierop wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Art. 17

§ 1. De personeelskosten en de werkingskosten van de commissie en het secretariaat ervan komen ten laste van de begroting van het ministerie van Justitie.

§ 2. De Koning bepaalt het administratief en geldelijk statuut van de assessoren.

§ 3. De Koning bepaalt het bedrag van de vergoeding per zitting voor de verschillende plaatsvervangers indien deze een effectief lid vervangen.

De leden van de commissie, het lid van het openbaar ministerie, de secretaris en, in voorkomend geval, de plaatsvervangers worden vergoed voor de gemaakte reis- en verblijfskosten.

Art. 18

De Koning regelt de werkwijze van de commissies.

Art. 19

De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze wet, die moet overeenstemmen met de datum van inwerkingtreding van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen bij de wet van 1 juli 1964.