1-239/1

1-239/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

30 JANUARI 1996


Voorstel van resolutie over de situatie in Irak

(Ingediend door de heer Staes en mevrouw Thijs)


De Senaat,

­ Stelt vast dat de maatregelen van de Verenigde Naties tegen het regime van Saddam Hoessein als gevolg van de Golfoorlog en van de agressieve houding van dit dictatoriale regime, maatregelen die ingesteld werden in augustus 1990 en die onverminderd voortduren tot vandaag, bijzonder negatieve gevolgen hebben voor de bevolking van dit land;

­ Verwijst naar een basisgegeven van de internationale politieke verhoudingen dat stelt dat, bij de beoordeling van de rol van Staten, het erop aankomt zich te richten op het regime en niet op de bevolking;

­ Verwijst naar de studie van de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (F.A.O.), gepubliceerd in het Britse medische tijdschrift « The Lancet », waaruit blijkt dat de economische sancties tegen Irak totnogtoe geleid hebben tot de dood van, onder meer, meer dan 560 000 kinderen;

­ Stelt vast dat ook andere lagen van de bevolking, vooral zwakkeren en bejaarden, massaal en ook fataal getroffen worden door deze maatregelen;

­ Wijst erop dat deze situatie al jarenlang wordt aangeklaagd, onder meer door internationale medische hulporganisaties werkzaam in het land;

­ Stelt vast dat, in het algemeen, de gezondheidssituatie en dus de weerstand tegen ziekten stelselmatig wordt ondermijnd door dit aanslepende gebrek aan voldoende voedsel, preventieve gezondheidszorgen en medische begeleiding;

­ Wijst erop dat een zeer belangrijk deel van de bevolking al jarenlang op diverse andere manieren geleden heeft en nog lijdt onder het autoritaire regime van Saddam Hoessein, vooral inzake de mensenrechten, folteringen en executies zonder de minste kans op enige verdediging inbegrepen;

­ Stelt vast dat, op deze manier, de bevolking in Irak tweemaal wordt geraakt als slachtoffer en dat al vele jaren lang : slachtoffer van het regime van Saddam Hoessein, en slachtoffer van het V.N.-embargo, en dat deze situatie nog onverminderd voortduurt;

­ Meent dat het getuigt van politieke naļviteit te veronderstellen dat, op die manier en mede dank zij het V.N.-embargo, de bevolking in opstand zal komen tegen haar actuele leider(s), en dat het ongewijzigd blijven volhouden van dit embargo in feite betekent dat de V.N. de Iraakse bevolking verder blijven uitputten en sanctioneren, terwijl het regime buiten schot blijft;

­ Kan het niet eens zijn met een politiek waarbij de hele bevolking wordt ingezet als wapen bij een strijd waar die bevolking niets mee te maken heeft, temeer daar de bevolking dit regime nooit via democratische verkiezingen aan de macht heeft gebracht;

­ Meent dat een meer selectief, regime-gericht embargo dat bovendien meer rekening houdt met de fundamentele mensenrechten van het Iraakse volk, effectiever zal zijn, zonder overbodige en onterechte slachtoffers te maken, beseffend dat produkten zoals melkpoeder voor zuigelingen minder geschikt lijken voor de produktie van wapens;

­ Verzoekt de minister van Buitenlandse Zaken er bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en bij de Europese ministers van Buitenlandse Zaken op aan te dringen het embargo tegen Irak dermate te reorganiseren dat, zoveel mogelijk, de bevolking en vooral de kinderen, de bejaarden en de zwakkeren, worden gespaard, in het bijzonder inzake het garanderen van de voorziening in hun basisbehoeften.

Paul STAES.
Erika THIJS.