1-180

1-180

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 23 AVRIL 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 23 APRIL 1998

(Vervolg-Suite)

HULDE TER NAGEDACHTENIS

VAN DE HEER JOS DE SAEGER, MINISTER VAN STAAT

HOMMAGE À LA MÉMOIRE DE M. JOS DE SAEGER,

MINISTRE D'ÉTAT

De voorzitter staat op en richt zich in volgende bewoordingen tot de staande vergadering : Dames en heren, het eerste wat men over Jos De Saeger moet zeggen is dat hij een kajotter geweest is. Dat heeft hem getekend : zijn overtuigd lidmaatschap van de Katholieke Arbeidersjeugd, in een tijd toen de latere kardinaal Cardijn zelf de volle maat van zijn bezieling gaf aan zijn levenswerk. Zoals anderen van zijn generatie, Jef Deschuyffeleer, Marcel Vandewiele, heeft hij de inspiratie voor zijn maatschappelijke inzet geput uit het dynamisme van een beweging, die de geestelijke en stoffelijke toestand van de arbeiderswereld grondig wou verbeteren.

Zelf was hij het eerste kind van een schrijnwerker te Boom. Na hem zouden er nog acht volgen.

Hij studeerde voor architect en voor landmeter, maar vestigde zich, bij het einde van de wereldoorlog, als boekhouder te Mechelen.

Naast zijn politieke functies vervulde hij talrijke taken in de samenleving. Hij was onder meer actief in het Verbond van Christelijke Mutualiteiten, de Studiecommissie voor de Middenstand, het Algemeen Christelijk Verbond van Accountants, Caritas Catholica en natuurlijk de KAJ.

Uit de na-oorlogse politieke geschiedenis van België is Jos De Saeger niet weg te denken. Hij begon zijn politieke loopbaan als gemeenteraadslid van de stad Mechelen, die hij ter vervanging van Antoon Spinoy vier jaren als burgemeester bestuurd heeft.

Ondertussen was hij in 1949 volksvertegenwoordiger geworden, met een uitgesproken belangstelling voor de volksgezondheid, de sociale wetgeving, vanzelfsprekend het statuut van de boekhouders, maar ook voor de toen stilaan onafwendbaar geworden staatshervorming en, last but not least, voor alles wat met openbare werken te maken had. Als minister van Openbare Werken is hij trouwens het best bekend gebleven. Hij nam dit belangrijk ambt dan ook onder verschillende regeringen waar : van 1966 tot 1973.

Als minister van Openbare Werken trad Jos De Saeger aan in een tijd toen er in België nog helemaal geen autosnelwegen lagen. Ons land was toen nog bedekt met kasseien, die vaak nog uit de tijd van keizerin Maria-Theresia dateerden.

Jos De Saeger heeft dat in een recordtijd veranderd. Met de vasthoudendheid die vriend en vijand hem benijdden, heeft hij de infrastructurele basis gelegd van de economische opgang die ons land zou kennen. Het lag in zijn bedoeling België te overdekken met een net van snelwegen. Deze bedoeling is in zoverre geslaagd dat ons land inderdaad een van de rijkelijkst met autosnelwegen overdekte gebieden ter wereld is geworden.

Niet alleen het autowegennet hield zijn aandacht gaande; ook het waterwegennet en de uitbouw van de zeehavens, Antwerpen, Gent en Zeebrugge. Tevens mag hij een van de grote advocaten van de ruimtelijke ordening genoemd worden.

Ook als minister van Volksgezondheid heeft Jos De Saeger zijn sporen verdiend en zijn spoor achtergelaten. Hij is het geweest die de commissies van openbare onderstand gemoderniseerd heeft tot de veelzijdige, nu zo vanzelfsprekend geworden openbare centra van maatschappelijk welzijn.

Het instellen van het recht op een bestaansminimum is eveneens grotendeels aan zijn wetgevend initiatief te danken.

In 1973 werden de voorbehoedsmiddelen uit de sfeer van het strafrecht gehaald en overgeheveld naar het ministerie van Volksgezondheid. Minister De Saeger stelde dadelijk 25 miljoen frank per jaar ter beschikking van zijn staatssecretaris om daarrond een grootscheepse informatiecampagne te voeren.

Zijn politieke loopbaan eindigde op dezelfde eigenzinnige wijze als ze verlopen was. Na de val van de regering-Leburton op 19 januari 1974 werd hij aangezocht als informateur. Hij weigerde dit kordaat. Vóór de verkiezingen nog verklaarde hij zich uit het politieke leven te zullen terugtrekken. Hoe men vanuit de eigen partijkring ook aandrong, hij hield voet bij stek.

Premier Tindemans nam hem weliswaar in zijn regering op, doch slechts als buitenparlementair lid van de regering. Het einde van de eerste regering-Tindemans betekende het einde van zijn politieke loopbaan. Enkele maanden later, op 4 oktober 1977, kende de Koning hem de titel « minister van Staat » toe.

Het einde van zijn politieke loopbaan kon voor een zo actief man niet het einde van zijn werkzaamheden, zelfs niet van zijn openbaar optreden, betekenen.

Hij verrichte nog heel wat werk in Caritas Catholica, in de instellingen van Caritas en als voorzitter van de Universitaire Klinieken van de Katholieke Universiteit Leuven.

Alleen al uit de keuze van de ministeriële departementen die hij met vaste hand geleid heeft, kan men afleiden dat Jos De Saeger sterk economisch georiënteerd was. Toch belette dit niet dat hij gevoelig bleef voor problemen van culturele en taalpolitieke aard.

Op het einde van zijn politieke loopbaan zag hij in dat het unitarisme onhoudbaar geworden was. In een eerlijk federalisme zag hij een laatste kans voor het bijeenhouden van België op een realistische basis.

Aan de eerste Vlaamse mars op Brussel in 1961 had hij, samen met tientallen andere parlementsleden, deelgenomen. En hij leidde de Vlaamse vleugel van de CVP-PSC ­ de partij was nog niet gesplitst ­ toen die in 1963 een wetsontwerp afwees dat de aanhechting van een aantal Vlaams Brabantse gemeenten bij Brussel wou bewerken.

Na een korte kabinetscrisis kwam op Hertoginnedal de faciliteitenregeling tot stand. Jos De Saeger stemde er mee in, maar mismoedig nam hij ontslag als voorzitter van de Vlaamse CVP-vleugel.

Naderhand bleef hij zich actief voor de problematiek interesseren. Zo werd hij onder meer lid van de commissie die de eerste staatshervorming moest voorbereiden. In 1972 verzocht het Staatshoofd hem zelfs, via een speciale informatie- en onderhandelingsopdracht, een duurzame oplossing te vinden voor de onvrede tussen de twee grote gemeenschappen. Hij ontwierp een gedetailleerd plan maar uiteindelijk lieten de drie grote partijen het varen. Wat hem niet belette, nadien met hardnekkigheid te blijven ijveren voor zijn staatkundige opvattingen.

Zo zal hij in onze herinnering overeind blijven : een krachtige figuur, realistisch bouwend aan zijn idealen, zijn gematigde stellingen radicaal verdedigend, getrouw aan zijn opvattingen en aan zijn afkomst.

Namens de Senaat en ook uit eigen naam, betuig ik aan zijn zoon en aan zijn schoondochter mijn oprechte deelneming in het verdriet om het verlies van een buitengewone vader.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de eerste minister.

De heer Dehaene, eerste minister. ­ Mijnheer de voorzitter, namens de regering sluit ik mij aan bij deze rouwhulde. Niemand betwist dat we met minister van Staat Jos De Saeger één van de grote staatsmannen van de naoorlogse periode hebben verloren.

Zijn politieke bijdrage zou ik willen samenvatten als het bouwen aan een Belgische federale staat, waarvan hij, met de taalwetten en de eerste hervormingen, als geëngageerd Vlaams christendemocraat, mede de basis heeft gelegd. Ik zou hem ook willen bestempelen als de bouwmeester die de basis heeft gelegd van onze infrastructuur en deze heeft opgetild tot het Europees niveau, maar ik zou vooral zijn sociaal engagement willen benadrukken. Met het vangnet van het OCMW en het gewaarborgd minimuminkomen heeft hij bijgedragen tot de uitbouw van ons sociaal zekerheidsstelsel.

Ik kan ook niet vergeten dat ik bij hem mijn politieke loopbaan begon. Hij was in grote mate mijn leermeester. Ik blijf hem zeer dankbaar. Ik had de gelegenheid, mede namens de regering, zijn zoon en schoondochter mijn medeleven te betuigen. (De Senaat neemt een minuut stilte in acht.)