Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-2003

van Peter Van Rompuy (CD&V) d.d. 6 november 2018

aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel

Harde Brexit - Impact op verzekeringen en financiŽle producten - Voorbereidende maatregelen

Verenigd Koninkrijk
lidmaatschap van de Europese Unie
financieel instrument
geldmarkt
verzekering
uittreding uit de EU
Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen

Chronologie

6/11/2018 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 6/12/2018 )
24/1/2019 Rappel
26/4/2019 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 6-2004

Vraag nr. 6-2003 d.d. 6 november 2018 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De Brexit heeft een bevoegdheidoverschrijdende impact met gevolgen voor de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten. Daarom heeft deze schriftelijke vraag een transversaal karakter. De agendering op het Overlegcomitť en de gezamenlijk genomen initiatieven in dit kader zijn hiervan een bewijs, onder andere wat kmo's betreft.

Op 29 maart 2018 eindigt het lidmaatschap van Groot BrittanniŽ bij de Europese Unie. In Groot BrittanniŽ is er evenwel nog geen consensus over het scenario. De Europese Unie en haar leden moeten zich dus voorbereiden op een harde Brexit zonder akkoord.

Daarom heb ik volgende vragen voor de geachte minister:

1) Wat is de impact van een harde Brexit op verzekeringen en financiŽle producten, zoals pensioensparen van Belgen afgesloten bij Britse verzekerings of financiŽle maatschappijen?

2) Werden reeds (voorbereidende) maatregelen genomen?

Antwoord ontvangen op 26 april 2019 :

1) In dit antwoord ga ik uit van de hypothese van een harde Brexit zonder een overgangsperiode en zonder een afwijking op het stelsel van derde landen buiten de Europese Unie.

Het Verenigd Koninkrijk (VK) zal vanaf de Brexit-datum beschouwd worden als een derde land. Dit betekent dat, zonder begeleidende maatregelen, verzekeringsondernemingen uit het Verenigd Koninkrijk vanaf dat ogenblik niet langer een Europees paspoort genieten om verzekeringscontracten in België aan te bieden en bestaande contracten uit te voeren.

Verzekeringsondernemingen kunnen in het huidige rechtskader voor verschillende opties kiezen om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen (bijvoorbeeld de overdracht van verzekeringsovereenkomsten van verzekeringsondernemingen gevestigd in andere lidstaten dan het VK (EU27) aan een in het VK gevestigde dochteronderneming, de overdracht van verzekeringsovereenkomsten van verzekeringsondernemingen uit het VK aan een in de EU27 gevestigde dochteronderneming, de oprichting van een bijkantoor in een derde land of de verandering van de vestiging van een verzekeringsonderneming uit het VK in de rechtsvorm van een Europese vennootschap).

Voor de Belgische consument is het in de eerste plaats belangrijk dat de overeenkomsten die vóór de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie werden gesloten, rechtsgeldig zijn. Uit dat oogpunt bestaat de algemene overtuiging dat die overeenkomsten geldig blijven aangezien ze wettelijk werden gesloten en dat een met een niet-erkende verzekeringsonderneming gesloten overeenkomst niet nietig is. De Brexit verleent de verzekeringsonderneming of verzekeringnemer dus op zich geen recht eenzijdig de overeenkomst te beëindigen.

Het is echter mogelijk dat de overeenkomsten in mindere of meerdere mate door de Brexit worden beïnvloed. Er kunnen zich wijzigingen voordoen in contactpunten, leveringskanalen of schaderegelaars. In bepaalde overeenkomsten zou ook de bescherming kunnen wegvallen van garantiefondsen die de verzekeringnemers indekken tegen de insolventie van verzekeringsondernemingen. Ten slotte rijst de vraag onder welke voorwaarden de Britse ondernemingen de in België gesloten overeenkomsten zullen kunnen beheren, aangezien die ondernemingen hun in de hele Unie geldende vergunning verliezen (zie hierna). Wegens de uiteenlopende aard van de overeenkomsten is het mij niet mogelijk een gedetailleerder antwoord te geven.

Het European Insurance and Occupational Pensions Authority (EIOPA) heeft op 21 december 2017 een opinie uitgebracht over de continuïteit van de dienstverlening in het licht van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. In die opinie drong EIOPA er bij Britse verzekeringsondernemingen op aan de nodige maatregelen te nemen om de continuïteit van de dienstverlening inzake de vóór de terugtrekkingsdatum afgesloten verzekeringsovereenkomsten te waarborgen.

Een vraag die rijst is onder welke voorwaarden een Britse onderneming de vóór de Brexit gesloten overeenkomsten kan beheren en met name de schadegevallen kan regelen. In dat opzicht staan twee opvattingen tegenover elkaar.

Enerzijds vinden sommigen, op grond van een veralgemening van de bepalingen van artikel 21 van de richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, dat die activiteit niet mag worden beschouwd als een verzekeringsactiviteit en dat ze derhalve geen erkenning als verzekeringsonderneming vergt.

Anderzijds vinden anderen, op basis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie in dat verband onder meer de arresten Taksatorringen, C-8/01, punt 39 ; Commissie c/ Griekenland, C-13/06, punt 10 ; BGŻ Leasing, C 224/11, punt 58 ; Mapfre asistencia en Mapfre warranty, C-584/13, punt 28 ; en Aspiro, C-40/15, punt 22), dat schaderegeling, net als de betaling van premies, een verzekeringstransactie vormt die vereist dat vooraf een erkenning werd verkregen. Die redenering berust ook op de doelstelling van het door het Gemeenschapsrecht opgelegde toezicht, namelijk de consument een redelijke mate van zekerheid te bieden door toe te zien op de naleving van de wettelijke en reglementaire verplichtingen en verbodsbepalingen die het wettelijk statuut van de verzekeringsondernemingen vormen (zie J.-P. Servais en J.-P. Deguée, « Bancassurfinance : le contrôle prudentiel de la CBFA », in Bancassurfinance, ULB, Brussel, Bruylant, 2005, blz. 59, nr. 9).

Tegen die achtergrond is het echter niet duidelijk of, enerzijds, de richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) toestaat passief vrij diensten te verrichten, noch of schaderegeling neerkomt op een vorm van passief vrij verrichten van diensten, aangezien de schuld van de begunstigde van de verzekeringsovereenkomst een haalschuld is.

Na de Brexit zullen de Britse ondernemingen, algemeen beschouwd, geen activiteit meer kunnen uitoefenen op het grondgebied van de Europese Unie via een niet in de Europese Unie erkend bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten.

Dat principe geldt zeker voor de nieuwe overeenkomsten die een Britse onderneming in België zou willen sluiten na de Brexit. Tenzij er begeleidende maatregelen worden genomen om een dergelijke activiteit uit te oefenen, zullen de Britse ondernemingen dus in België hetzij een bijkantoor laten erkennen, met andere woorden een entiteit die geen onderscheiden rechtspersoonlijkheid heeft dan de Britse onderneming, hetzij een dochteronderneming, dus een onderneming naar Belgisch recht die een onderscheiden rechtspersoonlijkheid heeft.

Aangezien een dochteronderneming onder het recht van een lidstaat van de Europese Unie een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid bezit, kan ze bijkantoren vestigen of een activiteit uitoefenen in de andere lidstaten zonder dat een erkenning van de prudentiële toezichthouders van die lidstaten vereist is. Om die reden hebben verscheidene Britse ondernemingen nu reeds een dochteronderneming gevestigd in België.

De Algemene overeenkomst inzake handel in diensten (GATS), die aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie van 15 april 1994 is gehecht, en de code van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) inzake liberalisering van onzichtbare transacties voorzien in beperkte uitzonderingen op het bovenvermelde principe.

Enerzijds zijn activiteiten in het kader van het vrij verrichten van diensten door een Britse onderneming in België toegestaan indien ze betrekking hebben op risico's betreffende internationaal transport of internationaal vervoerde goederen en op voorwaarde dat de verzekeringsonderneming vooraf haar voornemen kenbaar heeft gemaakt om een dergelijke activiteit in België aan te vatten (zie artikel 30ter van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op verzekeringsondernemingen).

Anderzijds kunnen verzekeringen die spoorvoertuigen, vliegtuigen, of vaartuigen en boten dekken, verzekeringen die de burgerlijke aansprakelijkheid voor de genoemde voertuigen en die welke de vervoerde goederen dekken, bij Britse ondernemingen worden aangegaan in het kader van het passief vrij verrichten van diensten, dat wil zeggen wanneer de verzekeringnemer het initiatief heeft genomen om de overeenkomst te sluiten (zie artikel 30quater van het voornoemde koninklijk besluit van 22 februari 1991).

Daarbij moet worden opgemerkt dat, aangezien het Verenigd Koninkrijk minder voorbehoud heeft gemaakt tegen de GATS en de OESO-codes, de Belgische ondernemingen over meer mogelijkheden beschikken om vrij diensten te verrichten op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk dan omgekeerd.

Ten slotte zouden de eigenvermogensvereisten van de Belgische verzekeringsondernemingen die door Britse ondernemingen uitgegeven financiële instrumenten aanhouden, kunnen worden beïnvloed door de Brexit, aangezien de Europese regels vereisen dat die instrumenten worden uitgegeven door ondernemingen uit lidstaten van de Europese Unie. Dat geldt evenzeer voor het in aanmerking nemen van de vorderingen van herverzekeraars in de berekening van de technische voorzieningen. Voorts kan worden vermeld dat de Britse ratingbureaus niet meer zullen worden erkend in de Europese Unie.

Wat de instellingen voor collectieve belegging (ICB’s) betreft, zullen de Britse beheerders van ICB’s in de Europese Unie geen ICB’s meer mogen beheren en commercialiseren op basis van hun huidige vergunning. Daarvoor zullen zij een nieuwe vergunning nodig hebben.

De FSMA heeft een bevraging gehouden bij de zelfbeheerde ICB’s naar Belgisch recht en de beheervennootschappen naar Belgisch recht, alsook bij de beheerders van Britse ICB’s die in België worden gecommercialiseerd, om een inzicht te verwerven in hun blootstelling aan een harde Brexit en het niveau van hun voorbereiding daarop te beoordelen. De antwoorden worden thans geanalyseerd.

2) De effecten van de Brexit werden en worden nog altijd geanalyseerd, zowel op Europees als op nationaal vlak. Voor Europa heeft EIOPA over de problematiek drie standpunten geformuleerd op 21 december 2017, 18 mei 2018 en 25 juni 2018 (zie https://eiopa.europa.eu), waarin de mogelijke gevolgen van de Brexit worden beschreven alsook de maatregelen die de ondernemingen zouden moeten nemen, onder meer continuïteitsplannen betreffende de grensoverschrijdende activiteiten en volledige en correcte informatie aan de verzekeringnemers.

Op 28 juni 2018 heeft EIOPA een opinie uitgebracht over de verplichting die rust op de verzekeringsondernemingen en -tussenpersonen om cliënten te informeren over de mogelijke gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. De FSMA heeft de opinie op haar website gepubliceerd en de Britse verzekeringsondernemingen met activiteiten in België bevraagd over hun contingency plan en hun communicatie hierover naar bestaande polishouders. De ontvangen antwoorden zijn momenteel in analyse.

Van haar kant onderzoekt de Nationale Bank de mogelijke gevolgen van de Brexit bij elke betrokken Belgische verzekeringsonderneming. Ze heeft ook de erkenningsprocedure aangepast om de vestiging van dochterondernemingen van Britse verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in België optimaal te begeleiden (zie https://nbb.be).

De Belgische autoriteiten nemen ook deel aan diverse internationale fora op hoog niveau, teneinde de negatieve gevolgen van de Brexit voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en de betrokken consumenten zo klein mogelijk te houden.

Op Europees niveau wordt momenteel een memorandum of understanding (MoU) voorbereid, uitgaande van een harde Brexit, tussen de verschillende Europese toezichthouders (waaronder de FSMA en de NBB) en de Britse toezichthouder (FCA). Bovendien speelt EIOPA een coördinerende rol bij bevragingen bij Britse verzekeraars over hun Europese activiteiten. Deze bevragingen zijn prudentieel van aard en beogen de identificatie van de risico’s, de identificatie van de EU-landen waar de betrokken verzekeraars zich zullen vestigen, de planning en voorziene timing in de contingency plannen van de verzekeraars.