Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-1914

van Christophe Lacroix (PS) d.d. 28 juni 2018

aan de minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling

Luchtkwaliteit - Europese Commissie - “Clean Air Outlook” - Inbreukprocedures - Controle van de luchtkwaliteit - Europese steun - Activering - “Clean air dialogues”- Overleg met de Gewesten

luchtverontreiniging
toezicht op het milieu
verhouding land-regio
institutionele samenwerking

Chronologie

28/6/2018 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 2/8/2018 )
23/5/2019 Einde zittingsperiode

Vraag nr. 6-1914 d.d. 28 juni 2018 : (Vraag gesteld in het Frans)

In de eerste “Clean air outlook” (COM(2018)446) die de Europese Commissie heeft gepubliceerd, wordt België met de vinger gewezen als slechtste leerling in de Europese klas wat betreft de reductie van fijnstof (PM 2,5) in de lucht.

In een recent advies gericht aan de Senaat (zie stuk Senaat nr. 6-391/2) dringt de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO) aan op de noodzaak om een coherente en gecoördineerde strategie uit te werken tussen het lokale, het regionale en het federale bestuurniveau inzake luchtkwaliteit.

De politieke versnippering van die bevoegdheid leidt tot een gebrek aan coherentie op dit stuk, die voor alle spelers nadelig kan zijn. Nemen we bijvoorbeeld de alternatieve brandstoffen, of de voorwaarden voor toegang tot lage emissiezones die verschillend zijn naargelang van het Gewest, het ontbreken van afstemming tussen de Gewesten inzake autobelasting, het ontbreken van een mechanisme voor overleg tussen de Gewesten inzake ruimtelijke ordening, enz.

De spelers op het terrein hebben met aandrang gevraagd dat de regeringen en besturen van alle betrokken deelstaten een “Pact voor de luchtkwaliteit” zouden sluiten waarbij alle belanghebbenden betrokken worden. Dit Pact zou aangestuurd worden door een interministerieel comité voor de luchtkwaliteit, dat het ook moet uitvoeren.

Het gebrek aan afstemming heeft tot gevolg dat België vanwege de institutionele complexiteit enkel voluit invloed kan uitoefenen op de Europese en internationale fora die betrekking hebben op de luchtkwaliteit als de vertegenwoordigers een duidelijke en overlegde Belgische visie uitdragen.

Dankzij die adviezen is het gemakkelijker te begrijpen waarom de Europese Commissie zo'n achterstand heeft vastgesteld in de Belgische wetgeving. Het gebrek aan afstemming op het Belgische niveau en de onmogelijkheid voor de parlementsleden om de maatregelen en de naleving van de egagementen op te volgen, is een echt probleem.

Het Europees rapport leert ons ook dat er momenteel dertig inbreukprocedures lopende zijn tegen lidstaten met betrekking tot richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, waarvan zestien voor het overschrijden van de fijstofdrempel (PM10) en dertien voor het overschrijden van de drempel voor stikstofdioxide (NO˛).

1) Is België betrokken bij die inbreukprocedures? Zo ja, welke maatregelen neemt u in overleg met de Gewesten om dat te verhelpen?

2) De Commissie helpt de lidstaten ook financieel om maatregelen voor de controle van de luchtvervuiling te financieren. Hebben de Gewesten en de federale overheid deze financieringsbron geactiveerd?

3) De Commissie organiseert ook “Clean air dialogues” met elke lidstaat. Wat is de stand van zaken van dit overleg met de Europese Commissie en kunt u aangeven hoe u dit aspect bespreekt met de Gewestministers?