Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-1519

van GŁler Turan (sp.a) d.d. 6 juli 2017

aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel

Kinderarbeid - Toestand binnen de Europese Unie - BelgiŽ - Initiatieven

kinderbescherming
kinderarbeid
onderwijs

Chronologie

6/7/2017 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 10/8/2017 )
6/10/2017 Antwoord

Vraag nr. 6-1519 d.d. 6 juli 2017 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Wie aan kinderarbeid denkt, denkt niet aan Europa. Dan denken we aan mijnen in Afrika of textielfabrieken in AziŽ. Zeker binnen de Europese Unie (EU) lijkt kinderarbeid ondenkbaar. De EU heeft een bijzonder uitgebreide arbeidswetgeving die dit nagenoeg onmogelijk zou moeten maken.

En toch gebeurt het, kinderen die verplicht aan het werk moeten. In Europa, binnen de EU en erbuiten. Wie het geluk - of ongeluk, kwestie van hoe je het bekijkt - had de documentaire ę†Child Labour in Europe†Ľ van de Frans-Italiaanse journaliste Cťcile Allegra te kunnen bekijken, weet waarover ik het heb. We zagen Giovanni, een Italiaans jongetje van dertien jaar oud die acht uur per dag als kelner werkt omdat zijn vader werkloos werd. Of Guiltena uit Bulgarije, die tien uur per dag op het veld werkt. Ook zij was dertien. We zagen ook Michael, een jongen van vijftien, die in Groot-BrittanniŽ drie nachten per week in het zwart werkte als melkboer om zo zijn gezin te helpen overleven.

Kinderarbeid bestaat in Europa, maar cijfers zijn er amper, bijna alsof het lijkt dat we er in het verlichte Europa geen onderzoek naar durven doen. Eťn studie maakt gewag van 7,5 miljoen werkende kinderen in de EU. In GeorgiŽ werkt volgens de Verenigde Naties 29†% van de kinderen tussen zeven en veertien jaar. In AlbaniŽ is dat 19†%. En volgens een studie uit 2013 zou zelfs in ItaliŽ, toch een EU-land, 5,2†% van alle kinderen onder de zestien jaar moeten werken.

Sinds de economische crisis van 2008 zouden nog veel meer kinderen van school gehaald zijn om te gaan werken en zo het gezin te helpen het hoofd boven water te houden. Nils Muiěnieks, commissaris voor de mensenrechten bij de Raad van Europa, legt een directe link tussen de strenge besparingen die de EU haar lidstaten oplegde en een stijging van de kinderarbeid.

Ook de omstandigheden waarin veel kinderen moeten werken, laten te wensen over. Het gaat vaak over gevaarlijke jobs in de landbouw, de bouw of fabrieken, waarbij te jonge kinderen met te gevaarlijk materiaal moeten omgaan. Dit is onder meer het geval in Bulgarije, RoemeniŽ en OekraÔne. Nog in Bulgarije werken kinderen tot tien uur per dag op tabaksvelden. In MoldaviŽ, met wie de EU een associatieverdrag heeft, zijn er zelfs overeenkomsten tussen scholen en de landbouwindustrie die kinderen verplichten te helpen met de oogst.

In de documentaire ę†Child Labour in Europe†Ľ erkent Muiěnieks dat de Europese Commissie nog niet vaak lidstaten voor het Europees gerechtshof heeft gedaagd wegens mensenrechtenschendingen. Muiěnieks spreekt zijn afkeuring uit over het feit dat de meeste lidstaten wel op de hoogte zijn van de problematiek, maar dat weinigen bereid zijn stappen te ondernemen.

Talloze studies wijzen uit dat educatie altijd voorrang moet hebben op arbeid. Maatschappijen die kinderen naar school laten gaan in plaats van hen op hun elf jaar in de fabriek te laten werken, halen daar op lange termijn een pak meer voordeel uit. Maar nog veel belangrijker is uiteraard het welzijn van het kind zelf. Dat help je niet vooruit door het tien uur lang tabaksbladeren te laten oogsten, dag na dag.

Daarom deze vragen aan de minister†:

1) Bent u op de hoogte van het bestaan van kinderarbeid in Europa, zelfs binnen de EU†?

2) Kan BelgiŽ een initiatief nemen om deze problematiek op Europees niveau aan te kaarten†?

3) Kunt u uitsluiten dat dit soort uitbuiting in BelgiŽ plaatsvindt†?

Antwoord ontvangen op 6 oktober 2017 :

Talrijke instrumenten beogen op internationaal vlak en met name op Europees vlak de gedwongen arbeid en in het bijzonder de kinderarbeid te bestrijden. Inzonderheid de kwestie van de kinderarbeid wordt zowel op nationaal als internationaal niveau behandeld. België is een stichtend lid van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). Wij hebben honderd en elf verdragen geratificeerd, waaronder de basis- en governance verdragen. België heeft dan ook Verdrag 182 inzake de ergste vormen van kinderarbeid bekrachtigd. Daarenboven heeft het ook Verdrag 138 inzake de minimumleeftijd voor toelating tot werkgelegenheid en arbeid geratificeerd. Op de vorige Internationale Arbeidsconferentie was de delegatie van de Belgische regering bijzonder actief in de commissie Grondrechten en -beginselen, die ook de kwestie van de kinderarbeid behandelde.

Bovenop het normatieve aspect, voorziet de Belgische uitvoering van het actieplan van de « Guiding Principles on Business and Human Rights » in een specifieke maatregel getiteld : « Bijzondere aandacht besteden aan de kwestie van de sensibilisering van de ondernemingen op het stuk van de Kinderrechten. » De strijd tegen kinderarbeid zit ook vervat in de bevordering van de « due diligence » binnen de bevoorradingsketens. Daarom voorziet één van de acties van het bovengenoemde plan in « het bevorderen van het verantwoord beheer van de bevoorradingsketens via een sectorale aanpak ».

Ten slotte zal in november 2017 een vierde Wereldconferentie rond Kinderarbeid worden georganiseerd in Argentinië. België neemt deel aan de voorbereidende werkzaamheden binnen het Internationaal Arbeidsbureau en binnen een coördinatiestructuur met de landen van de Europese Unie

Overigens zijn de Universele Verklaring van de rechten van de mens, de Europese conventie van de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest (1961) en de herziening ervan (1996), het Verdrag inzake de rechten van het kind (1989) van de Verenigde Naties, het facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind, betreffende de kinderhandel, de kinderprostitutie en kinderpornografie (2000), het Aanvullend Protocol bij de Verenigde Naties inzake de preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder van vrouwen en kinderen (het « Protocol van Palermo », 2000) en ook het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel (2005) in dat opzicht allemaal nuttige instrumenten.

In België bepaalt onze Grondwet : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. » (artikel 22bis) en is kinderarbeid in principe verboden, behalve in het kader van strikte afwijkingen zoals bepaald en omkaderd door de wet (artikelen 7.1 tot 7.11 van de wet op de arbeid van 16 maart 1971).

Ik ben er mij ten zeerste van bewust dat tot op de dag van vandaag overal ter wereld kinderen worden uitgebuit, ook in Europa en ik ben hiervoor erg gevoelig. Dat is de reden waarom ik mijn administratie steun in haar rol van toezicht aangaande deze materie op ons grondgebied. Wat betreft het internationale vlak heb ik hier reeds heel wat juridische instrumenten opgesomd maar het is de taak van de nationale Staten om dit te onderschrijven en om hun beleid hieraan aan te passen.