Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-9420

van Johan Verstreken (CD&V) d.d. 26 juni 2013

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen

Verpleegkundigen - Zorgkundigen - Koninklijk besluit 78 van 10 november 1967 - Aanpassing - Beroepsprofielen - Opleidingen

verplegend personeel
verhouding land-regio
beroepsopleiding
besluit

Chronologie

26/6/2013 Verzending vraag
8/11/2013 Antwoord

Vraag nr. 5-9420 d.d. 26 juni 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Het wettelijk kader waarbinnen verpleegkundigen optreden, bestaat onder meer uit het koninklijk besluit (KB) 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van gezondheidsberoepen.

Op het congres "Slimmer zorgen voor morgen" kwam de vraag aan bod om KB 78 te herwerken.

Ik heb vernomen dat Vlaanderen vragende partij is om deze wet te herschrijven.

Bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid was zelfs te horen dat het kabinet van minister Vandeurzen een brief met een aantal wensen heeft gestuurd naar federaal minister Onkelinx

Ik had graag de volgende vragen gesteld:

1) Klopt het dat de geachte minister een brief ontvangen heeft van haar collega Vandeurzen met betrekking tot een wijziging van KB 78, het overdragen van taken naar zorgkundigen?

2) Is de geachte minister bereid de sector en de zorgkundigen zelf te betrekken bij dit debat ? Hoe wil ze dat doen?

3) De Nationale Raad voor Verpleegkunde (NRV) heeft één beroepscompetentieprofiel opgesteld voor verpleegkunde. In Vlaanderen bestaan echter twee sterke opleidingen verpleegkunde. Om de beide opleidingen te behouden, heeft men twee beroepscompetentieprofielen nodig om in te schalen op niveau 5 en niveau 6 van de European Qualification Frame of op de Vlaamse onderwijskwalificaties. Is de minister zich bewust van de problemen die zich kunnen voordoen met één beroepsprofiel?

4) Wat is de visie van de geachte minister met betrekking tot de opleidingen verpleegkunde?

Antwoord ontvangen op 8 november 2013 :

Uw vragen hebben betrekking op een aantal elementen waarover sedert een aantal maanden intensief gedebatteerd wordt binnen groepen beoefenaars van de verpleegkunde.

Mijn collega J. Vandeurzen heeft mij inderdaad een brief in die zin gestuurd. Het debat over de taken van de zorgkundigen binnen de interkabinettenwerkgroep “hulp en zorg” van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid wordt voortgezet in het kader van de evaluatiefase van het protocolakkoord dat in 2009 werd afgesloten tussen de federale staat en de gefedereerde entiteiten over de verdeling van de taken tussen de thuishulp en de thuisverpleegkunde, en in de evaluatie van de introductie van de zorgkundigen in de thuisverpleegkunde: er wordt gevraagd een aantal beperkingen die werden opgelegd aan de zorgkundigen op te heffen. We denken in het bijzonder aan het toedienen van suppo’s of zuurstof, of aan de hulp bij het eten voor een patiënt met slikproblemen.

Na deze besprekingen zal een officiële adviesaanvraag worden gericht aan de Technische Commissie voor Verpleegkunde. Ik wil er echter op wijzen dat de adviezen van dat paritair orgaan artsen-verpleegkundigen eensluidende adviezen zijn en dat een significante uitbreiding van de verantwoordelijkheden van de zorgkundigen een overeenkomstige parallelle herziening nodig zal maken van de opleiding van die beroepsbeoefenaars.

Het komt me voor dat het debat reeds gevoerd wordt op basis van de belangen van de sector aangezien de ministers die verantwoordelijk zijn voor die materies vertegenwoordigd zijn in de interkabinettenwerkgroep of aanwezig zijn op de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid. Deze ondervragen de juiste personen met het oog op die besprekingen en beslissingen. Ik merk dat eveneens aan de talrijke praktische en erg concrete gevallen die worden aangehaald tijdens de vergaderingen van de interkabinettenwerkgroep van de interministeriële conferentie.

Wat de verwachte competenties van de verpleegkundigen betreft, heb ik die beroepsgroep reeds bevraagd aangaande dat thema, ter inleiding van mijn attractiviteitsplan. We stellen inderdaad vast dat de uitoefening van de verpleegkundige functie door personen die over uiteenlopende kwalificaties beschikken, zonder dat er voldoende onderscheid wordt gemaakt in de uitgevoerde activiteiten en de opgenomen verantwoordelijkheden, tot verwarring leidt en tot de perceptie bij het publiek en de partners dat er mensen onder hun niveau werken.

Een beroep dat onder eenzelfde titel personen groepeert die een opleiding kregen op beroepsniveau en op hoger onderwijsniveau, inclusief universitair, geeft een weinig duidelijk beeld van zijn inhoud en zijn mogelijkheden, en is dan ook weinig aantrekkelijk.

Behalve de kinesitherapeuten doorliepen de paramedische beroepen doorgaans allemaal minstens een bacheloropleiding: laboratoriumtechnologen (de opleiding op beroepsniveau werd geschrapt), technoloog medische beeldvorming, ergotherapeut, diëtist,…

In 2008 heb ik tevens de Nationale Raad voor Verpleegkunde (NRV-CNAI) daarover bevraagd. De Raad, die ondertussen is overgegaan in de Federale Raad voor Verpleegkunde (FRV-CFAI), heeft mij gevraagd om een studie te financieren om toelichting te verschaffen over de competenties die in de toekomst verwacht worden van de Belgische verpleegkundige. Dat hebben we in 2012 kunnen realiseren met de medewerking van mijn administratie. Ik heb de resultaten van dat onderzoek ontvangen: het gaat effectief om één competentieprofiel voor de Belgische verpleegkundige. Ik heb de samenvatting van die studie bezorgd aan de vier ministers van onderwijs.

We moeten vaststellen dat men geleidelijk aan overal afstapt van de verpleegkundige opleiding op twee niveaus, zelfs indien ze nog in enkele zeldzame Europese landen bestaat.

Op internationaal vlak stellen we een veralgemening vast van de verpleegkundige opleiding op hoger, en universitair, niveau. De moeilijkheid om verpleegkundigen aan te werven is minder groot daar waar de opleiding op een hoger niveau, bij voorkeur universitair, plaatsvindt. De internationale studies in verband met verpleegkunde geven aan dat een hoog kwalificatieniveau samenhangt met een lager percentage ernstige incidenten (ongevallen, complicaties, of zelfs overlijdens), en een grotere tevredenheid bij de patiënten. In het kader van mijn federale verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid, die eruit bestaat de bevolking een optimaal niveau inzake kwaliteit en veiligheid te waarborgen, kan ik die studies niet aan de kant schuiven. Ik betreur overigens dat de verpleegkundigen van sommige andere landen beter zijn opgeleid dan de onze: dat is wat we moeten vaststellen wanneer laatstgenoemden bij ons komen werken.

De vaststellingen van de directies van de zorginstellingen, die te maken krijgen met personeel dat niet over de vereiste kennis beschikt om de complexiteit van de behandelingen op zich te nemen (en niet enkel de technische handelingen), geven aan dat de basiscompetenties van de verpleegkundige opnieuw geëvalueerd moeten worden; het hoge aantal studenten dat na afloop van zijn bacheloropleiding verpleegkunde een specialisatie aanvat alvorens het beroepsleven in te stappen, en aangeeft zich onvoldoende opgeleid te voelen om zijn beroepsleven aan te vatten, ondersteunt die waarnemingen.

Aangezien andere studies aangeven dat de evolutie van de behoeften en de onontbeerlijke multidisciplinariteit van de zorg betekenen dat de verpleegkundigen uitgebreidere verantwoordelijkheden zullen moeten opnemen, leek het me opportuun om na te denken over het competentieprofiel dat van een verpleegkundige wordt verwacht.

Als wij verpleegkundigen met twee verschillende competentieniveaus opleiden, en die dus niet voorbereid zijn om dezelfde uitdagingen inzake gezondheid voor onze bevolking aan te gaan, moeten we die competenties in het koninklijk besluit (KB) nr. 78 differentiëren en nog een groter onderscheid maken tussen de verpleegkundigen van die twee niveaus.

Deze studie over het competentieprofiel van de verpleegkundige van morgen is dus een opportuniteit die ik te baat neem. Ik wacht dus op het overleg en de reacties en opmerkingen van mijn collega-ministers van de gemeenschappen die bevoegd zijn voor onderwijs.

We weten ook dat het Europese Parlement zopas beslissingen heeft goedgekeurd. Onze verpleegkundigen moeten aan een aantal vereisten voldoen opdat ze in de Europese Unie zouden worden erkend. Het lijkt mij moeilijk om in België personen als verpleegkundigen te erkennen van wie de opleiding onvoldoende zou worden geacht om ze in de andere landen van de Europese Unie als verpleegkundigen verantwoordelijk voor de algemene zorg te aanvaarden.