Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-9201

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 5 juni 2013

aan de minister van Overheidsbedrijven en Ontwikkelingssamenwerking, belast met Grote Steden

De evolutie van de wettelijk verplichte dienstverlening van Belgacom

Proximus
universele dienst
Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie

Chronologie

5/6/2013 Verzending vraag
20/6/2013 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-3221

Vraag nr. 5-9201 d.d. 5 juni 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Uit een audit van het Belgisch Instituut voor Post en Telecommunicatie (BIPT), zou blijken dat de wettelijk verplichte dienstverlening m.b.t. het ter beschikking stellen van onder andere telefooncellen, een inlichtingendienst, een noodnummer en het produceren van telefoongidsen, niet meer noodzakelijk is. De Telecomwet van 10 juli 2010 gaf het BIPT de opdracht om toe te zien of Belgacom die diensten op een kwaliteitsvolle en betaalbare wijze levert.

Het onderzoek ter zake, uitbesteed aan een externe partner, zou aantonen dat er momenteel voldoende mogelijkheden bestaan om een deel van de verplichte dienstverlening op te heffen. De brede en grote verspreiding van de gsm blijkt daarbij een belangrijk argument. Er zou voor mobiele telefoons momenteel een penetratiegraad van 120% zijn. Dit leidt tot de hypothese dat elke burger tussen 13 en 77 jaar eigenaar zou zijn van een dergelijk toestel. Ook het aantal en het gebruik van publieke telefooncellen ondervindt de concrete gevolgen hiervan. Sinds 2008 daalt het aantal cellen met 11%, vaak op vraag van de gemeentebesturen.

Dit alles creŽert een sfeer waarin grote consensus lijkt te groeien om een groot deel van die verplichte service af te schaffen. Het BIPT beklemtoont dat dit niet zou gelden voor de sociale tarieven voor telefoon en internet.

Niemand kan ontkennen dat in die redenering heel wat logica schuilt. Een telefooncel zou Belgacom jaarlijks 1000 euro kosten, terwijl het gebruik ervan soms terugvalt op enkele tientallen gesprekken per jaar. Hier lijkt dus een besparing mogelijk.

Anderzijds mag men de geest en doelstellingen achter die service niet lichtzinnig toetsen aan eenvoudige parameters zoals het gebruik en het aantal. De achterliggende visie is dat burgers zoveel mogelijk toegang moeten kunnen krijgen tot betaalbare communicatiesystemen. Hoewel die doelstelling blijkbaar niet meer geldt voor telefooncellen, blijven andere communicatiesystemen, zoals internet, misschien wel nog hoogdrempelig.

Daarbij stelt men onomstotelijk vast dat de armoede toeneemt en dat de groep mensen die beneden of dichtbij de armoedegrens leven, steeds groter wordt. Bij armoede spelen alle kosten en zeker die van het relatief dure gsm-gebruik een rol. Het kan en mag niet zijn dat mensen in armoede hier moeten inleveren. Op dit vlak zou de dienstverlening moeten worden uitgebreid, uiteraard op een relevante wijze.

Bevestigt de minister de bevindingen van het BIPT dat een deel van de verplichte dienstverlening door Belgacom zijn relevantie verloor, onder meer door de ruime verspreiding van gsm's? Volgt de minister de aanbevelingen van het BIPT dat Belgacom kan worden vrijgesteld van deze verplichtingen, onder meer door het aantal publieke telefooncellen nog sterker te reduceren? Gaat de minister akkoord dat de besparingen die Belgacom hierdoor realiseert, integraal en dus volledig moeten worden gebruikt om de sociale tarieven voor mensen in armoede nog goedkoper te maken zodat het wegvallen van bijvoorbeeld telefooncellen wordt gecompenseerd door de communicatiemogelijkheden van de mensen in armoede gemakkelijker toegankelijk en vooral minder kostelijk te maken. Zal de minister Belgacom hierover instrueren? Zo ja, met welke directieven en wanneer?

Antwoord ontvangen op 20 juni 2013 :

1 & 2. Ik heb net als jullie kennisgenomen van de beslissingen van het Belgisch Instituut voor de Post- en telecommunicatiediensten (BIPT) en van de consultant. Het is echter niet aan mij om te oordelen over de pertinentie van deze voorstellen, zelf al twijfel ik niet aan de kwaliteit van het werk van het BIPT en zie ik in eerste instantie geen redenen om deze voorstellen te betwisten.

Ik kan echter meegeven dat Belgacom de gegevens verschaft in het document van het BIPT bevestigt, namelijk wat betreft de belangrijke vermindering van het gebruik van telefooncellen in de loop van de voorbije jaren en het verhoogd gebruik van de mobiele telefonie als alternatief ervan. Belgacom bevestigt ook de aanzienlijke kostprijs verbonden aan het onderhoud en de herhaaldelijke herstellingen door vandalisme.

3. Met betrekking tot de toegang tot communicatiemiddelen voor minder begunstigden personen, moet eraan herinnerd worden er dat sinds de vrijmaking van de sector en de uitvoering van een wetgeving die eigen is aan de telecommunicatie, voorrang werd gegeven aan de toekenningswijze van de sociale tarieven van zowel vaste als mobiele telefonie, als van toegang tot het internet.

De sociale tarieven vervolledigen vandaag een geheel bepalingen die deel uitmaken van de universele dienstverlening die aan alle operatoren is opgelegd. Die voorziet met name de gratis verlening van noodoproepen, de tijdelijke ter beschikking stelling van een minimale telefoondienst in geval van onbetaalde facturen, evenals de invoering, het onderhoud en de werking van openbare betaaltelefoons. Deze materie valt onder de bevoegdheid van de minister van telecommunicatie.