Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-3276

van Pol Van Den Driessche (CD&V) d.d. 27 maart 2009

aan de staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid, en voor de Federale Culturele Instellingen

Overheidsschuld - Budgettaire kosten van de vergrijzing - Zilverfonds

overheidsschuld
sociale zekerheid
Zilverfonds
vergrijzing van de bevolking
pensioenregeling

Chronologie

27/3/2009 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 30/4/2009 )
23/4/2009 Antwoord

Vraag nr. 4-3276 d.d. 27 maart 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De vergrijzing is als economisch en maatschappelijk sociologisch vraagstuk al aan de gang sinds het laatste kwart van de negentiende eeuw. Wanneer de babyboom-generatie van vlak na de oorlog in 2010 de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken, staat ons land voor een enorme uitdaging. De (financiŽle) draaglast voor de actieve bevolking zal toenemen. Het draagvlak van de sociale zekerheid staat onder druk.

In 2001 werd met de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een zilverfonds, een democratische reserve opgericht (door toenmalig minister van Begroting, de heer Johan Vande Lanotte). Deze spaarpot zou de stijgende kosten van de vergrijzing tussen 2010 en 2030 moeten dekken.

Men kan ten vroegste vanaf 2010 aanspraak maken op de middelen van het Zilverfonds en dit op voorwaarde dat de schuldgraad van de Belgische overheid minder dan 60 % van het bruto binnenlands product (BBP) bedraagt. De schuldgraad van de overheid bedraagt momenteel min of meer 80 % van het BBP. Tegen 2014 zou de schuld onder de 60 % van het BBP moeten gezakt zijn.

Maar zelfs als de schuldgraad tegen 2014 de vooropgestelde grens heeft bereikt, blijft het nog maar de vraag of het Zilverfonds voldoende werd gefinancierd om de kosten van de vergrijzing te dekken. Bij het ontstaan van het Zilverfonds in 2001 stelde men voor jaarlijks 0,15 % van het BBP in de democratische reserve te storten. In 2001 werd inderdaad voor het eerst gestort in de spaarpot maar daarna werden de targets nooit gehaald. Daarom werd de wet van 5 september 2001, einde 2005 hervormd. Vanaf dan zou de spaarpot op volgende wijze worden gefinancierd:

* Entiteit 1: federale overheid en sociale zekerheid:

- vanaf 2007: 0,3 % van het BBP;

- tussen 2007 en 2012 zou dat bedrag jaarlijks worden verhoogd met 0,2 %, zodat het in 2012 tot een overschot van 1,3 % van het BBP zou leiden;

- de bedragen na 2012 zullen het voorwerp uitmaken van een koninklijk besluit dat nog niet werd vastgelegd;

* Entiteit 2: gewesten en gemeenschappen:

- een jaarlijks overschot van 0,2 % van het BBP.

Sinds de hervorming werden de targets evenmin gehaald. Bovendien werden de middelen soms op een alternatieve manier vergaard. De overheid heeft bijvoorbeeld pensioenfondsen overgenomen die niet alleen inkomsten maar ook kosten met zich meebrengen wanneer de toekomstige pensioenen moeten worden uitbetaald. Bovendien heeft ze het geld dat werd uitgespaard door de daling van de rentelasten in het Zilverfonds gestopt. Als de rente stijgt, zit ze met twee lasten: de vergrijzingslast en de rentelast.

In tijden van economische en financiŽle crisis zullen bovenvermelde targets nog moeilijker te realiseren zijn. Volgens de Europese Commissie en de Nationale Bank komt de regering Van Rompuy I in 2011 uit op een tekort van 3 % van het BBP (in plaats van een overschot van 1,3 % van het BBP in 2012). Dat betekent 2,3 miljard euro minder beleidsruimte. Begrotingsoverschotten zullen dan in de eerste plaats worden aangewend ter financiering van onder andere het economische herstelplan en het bieden van financiŽle steun aan banken in nood / crisis. Het gevaar bestaat dat er voor het Zilverfonds te weinig middelen zullen worden voorbehouden. Nu al is duidelijk dat er tegen 2011, 50 miljard euro minder opzij zal gezet zijn dan nodig.

Mag ik erop wijzen dat het spijzen van het Zilverfonds een noodzaak is om de budgettaire kosten van de vergrijzing, die zullen moeten worden gedragen door de actieve bevolking, te ondersteunen. Bovendien heeft het onrechtstreeks een invloed op het behoud van de levensstandaard van gepensioneerden en aldus op het armoederisico bij ouderen.

- Is de problematiek van de (betaalbaarheid van de) vergrijzing in tijden van economische en financiŽle crisis naar de achtergrond verdwenen?

- Worden er nog middelen voorzien om de " democratische reserve " te spijzen?

- Wordt het Zilverfonds (nog) gefinancierd zoals de wet van 2005 het voorgeschreven heeft?

- Zijn er andere fondsen waarin de nodige gelden worden verzameld? Zullen die voldoende gevuld zitten?

Antwoord ontvangen op 23 april 2009 :

1. Vanzelfsprekend leeft de problematiek van de toenemende vergrijzingskosten nog steeds bij de regering, zelfs in tijden van economische en financiële crisis. Het is echter van belang dat de Belgische strategie om deze bijkomende kosten op te vangen niet alleen gebaseerd is op het opbouwen van begrotingsoverschotten, maar ook op het verhogen van de activiteitsgraad en de economische activiteit. Een hogere activiteitsgraad impliceert een groter draagvlak voor de toenemende kosten. In tijden van economische crisis is het niet mogelijk om aan beide onderdelen van de strategie simultaan voort te werken. Een al te strikt begrotingsbeleid versterkt immers de cyclus, zowel in positieve als in negatieve zin en zou de economie verder in de problemen brengen, met alle gevolgen van dien voor de activiteitsgraad. De regering opteert er op dit ogenblik dus voor de nodige middelen uit te trekken om de economie zo snel mogelijk terug op het spoor naar de groei te brengen, maar rekent er op om, van zodra de economische situatie dat toelaat, terug aan te knopen met het begrotingsevenwicht en overschotten op te bouwen. In het stabiliteitsprogramma 2009-2013, dat onlangs door de federale overheid werd goedgekeurd, wordt zo een begrotingstraject uitgestippeld dat het begrotingstekort vanaf 2012 verlaagt.

2. In de begroting 2009 is geen overdracht van middelen aan het zilverfonds gepland.Ook in de aangepaste begroting is dit niet gepland.

3. De herziene wet op het Zilverfonds (wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds, gewijzigd bij de wet van 20 december 2005) bepaalt in artikel 27 bis §2 dat “het effectief aan het Zilverfonds toegewezen bedrag gelijk is aan het vorderingenoverschot in het betrokken begrotingsjaar, te verhogen met de weerslag van maatregelen die de overheidsschuld verminderen, zonder weerslag op het vorderingensaldo”. Gezien er sinds 2007 geen vorderingenoverschot geboekt werd, konden er geen middelen vanuit de federale begroting aan het Zilverfonds worden toegewezen. Op basis van artikel 27 bis § 2 van deze wet, is dat toegelaten.

4. Het Zilverfonds heeft als wettelijk doel reserves aan te leggen om het mogelijk te maken om in de periode tussen 2010 en 2030 de extra-uitgaven op het vlak van de diverse wettelijke pensioenstelsels ten gevolge van de vergrijzing te financieren. Het Zilverfonds kan dus niet tegemoetkomen in bijvoorbeeld gestegen kosten voor de gezondheidszorg. Daarvoor bestaat reeds enige tijd het Fonds voor de Toekomst van de Gezondheidszorg, waarin overschotten van de ziekteverzekering gestort worden. De oprichting van dit fonds wordt geregeld door artikel 111 van de programmawet van 27 december 2006, en heeft tot doel om, ten vroegste vanaf 2012, bij te dragen in de investeringen die nodig zijn om het systeem van de geneeskundige verzorging aan te passen aan de vergrijzing van de bevolking. Het Zilverfonds had op 31 december 2007 13,1 miljard euro in portefeuille, een bedrag dat op eindvervaldag 21,9 miljard euro waard is.