Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-214

van Jurgen Ceder (Vlaams Belang) d.d. 24 januari 2008

aan de minister van Werk

Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking - Valse fiscale attesten

fraude
vakbond
fonds voor bestaanszekerheid
houtindustrie
arbeidsbezoldiging
loonpremie
belastingaangifte
loon

Chronologie

24/1/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 28/2/2008 )
19/3/2008 Dossier gesloten

Heringediend als : schriftelijke vraag 4-652

Vraag nr. 4-214 d.d. 24 januari 2008 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De onwettige praktijken bij de Fondsen voor bestaanszekerheid, die nochtans opereren op basis van CAO’s die door de geachte minister kracht van wet worden toegekend, blijven verbazen.

Uit documenten in mijn bezit blijkt dat door het Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking ook in 2007 een “getrouwheidspremie” wordt uitbetaald, gebaseerd op het ontvangen brutoloon van de werknemer.

Bij werknemers die aangesloten zijn bij één van de drie monopolievakbonden wordt dit bedrag vermeerderd met wat heet een sociaal voordeel, een premie die elders wordt aangeduid als een syndicale premie.

Uit de documenten in mijn bezit blijkt evenwel dat aan een niet-gesyndiceerde werknemer enkele de getrouwheidspremie wordt uitbetaald, dus zonder “sociaal voordeel”, maar dat hem tegelijkertijd wel een belastingattest bezorgd wordt om bij zijn belastingaangifte te voegen voor een bedrag dat gelijk staat aan de getrouwheidspremie én het niet-ontvangen “sociaal voordeel”. Dit attest is vals, want het bedrag dat erop staat bevat dus een “voordeel” dat niet aan de ontvangende werknemer werd uitbetaald.

Indien de werknemer dit attest bij zijn belastingaangifte voegt, dan wordt hij dus ten onrechte belast op een “sociaal voordeel” dat hij niet ontvangen heeft.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1. Hoeveel werknemers waren in 2007 onderworpen aan de werking van dit Fonds voor de stoffering en houtbewerking?

2. Hoeveel werknemers vroegen hun getrouwheidspremie aan via één van de drie monopolievakbonden? Hoeveel maal werd bijgevolg het sociaal voordeel uitbetaald aan deze werknemers?

3. Hoeveel werknemers vroegen hun getrouwheidspremie aan rechtstreeks bij het Fonds, en aan hoeveel werknemers werd bijgevolg géén sociaal voordeel toegekend?

4. Bij hoeveel van deze niet-gesyndiceerde werknemers werd op de afrekening toch het bedrag van dit sociaal voordeel vermeld?

5. Bij hoeveel van deze niet-gesyndiceerde werknemers werd op het afgeleverde belastingsattest “fiche 281.10” volkomen vals het bedrag van het niet-ontvangen “sociaal voordeel” vermeld?

6. Welke stappen onderneemt de geachte minister om deze praktijk te doen eindigen, en laat hij tegen deze onwettige praktijk proces-verbaal opstellen door de dienst Toezicht sociale wetten?