Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-212

van Jurgen Ceder (Vlaams Belang) d.d. 24 januari 2008

aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid Louis Pasteur - Contractueel personeel - Lonen

loon
federale wetenschappelijke en culturele instellingen
ambtenaar
Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid Louis Pasteur
personeel op contractbasis

Chronologie

24/1/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 28/2/2008 )
27/2/2008 Antwoord

Vraag nr. 4-212 d.d. 24 januari 2008 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Het Rekenhof heeft onlangs gewezen op problemen bij de berekening van de lonen van contractueel personeel bij wetenschappelijke instellingen zoals het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid Louis Pasteur. Overeenkomstig artikel 4 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, bepaalt de Koning de omstandigheden waarin er kan worden overgegaan tot de indienstneming van personen via een arbeidsovereenkomst. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden en modaliteiten van deze indienstneming en de arbeidsvoorwaarden. In uitvoering daarvan bepaalt artikel 2, §1, 1º, van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen in de federale overheidsdiensten (vervangen door artikel 187 van het koninklijk besluit van 5 september 2002, Belgisch Staatsblad van 26 september 2002), dat het contractueel personeel van de federale overheidsdiensten een bezoldiging ontvangt die wordt berekend in de weddenschaal die overeenkomt met die welke aan de rijksambtenaren met eenzelfde graad bij hun aanwerving wordt toegekend.

Het koninklijk besluit van 11 februari 1991 wordt mede toegepast op het contractueel personeel van de wetenschappelijke instellingen, zoals het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Louis Pasteur. De toepassing stelt echter in de praktijk problemen, omdat het besluit is afgestemd op het personeel van de federale overheidsdiensten en niet zonder wijzigingen kan toegepast worden op dat van de federale wetenschappelijke instellingen. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in de toepassing van de regels voor het vaststellen van de geldelijke anciënniteit. Zo verwijst artikel 3, §1, van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 inzake validering van diensten voor de berekening van de geldelijke anciënniteit naar de in de artikelen 14, 15 en 17 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene ministeries gemene graden en niet naar de specifieke regeling opgenomen in het koninklijk besluit van 21 april 1965 houdende bezoldigingsregeling van het wetenschappelijk personeel van de Staat. Het is dan ook wenselijk dat voor dit personeel een specifiek uitvoeringsbesluit wordt uitgevaardigd. Overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 juni 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 april 1965 betreffende het statuut der wetenschappelijke instellingen van de Staat, het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat en het koninklijk besluit van 22 januari 2003 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de wetenschappelijke instellingen van de Staat en dat diverse wijzigingen aanbrengt in de personeelsstatuten van de wetenschappelijke instellingen van de Staat dient de minister van Wetenschapsbeleid het initiatief te nemen tot het opstellen van een specifiek geldelijk statuut. Het Rekenhof heeft bij brief van 1 maart 2006 de aandacht gevestigd op dit probleem, maar toen werd daarop niet gereageerd.

Heeft de geachte minister reeds zo’n specifiek geldelijk statuut voor contractueel personeel van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid Louis Pasteur laten opstellen? Wanneer wordt dat van kracht?

Antwoord ontvangen op 27 februari 2008 :

De stafdienst P&O van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu behartigt het beloningsmanagement voor het overheidspersoneel in het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid. Wij kunnen reeds stellen dat de dienst de gelijkberechtiging van de verloning bij werving en de berekening van de geldelijke anciënniteit van het contractueel personeel toepast en dit zowel voor het algemeen overheidspersoneel (dat behoort tot de categorieën van niveau A tot D, het zogenaamd administratief en technisch personeel), als voor het wetenschappelijk personeel.

Voor het contractueel overheidspersoneel, hanteert de dienst de algemene Regelgeving van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen in de federale overheidsdiensten dat inderdaad in artikel 2 verwijst naar het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de federale overheidsdiensten

Voor het wetenschappelijk personeel bestaat er inderdaad geen specifiek uitvoeringsbesluit zoals voor het administratief en technisch personeel. Daarvoor beroept de dienst zich op het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van de federale wetenschappelijke instellingen dat in Hoofdstuk II. — De wetenschappelijke loopbaan in artikel 4 de rangen en graden omschrijft, in artikel 5 de wetenschappelijke anciënniteit en in artikel 7 de rang waarin aangeworven wordt. In het koninklijk besluit van dezelfde datum 21 april 1965 houdende bezoldigingsregeling van het wetenschappelijk personeel bepaalt het artikel 7 de in aanmerking genomen diensten en berekening van de geldelijke anciënniteit. De prestaties in de privésector die in aanmerking komen voor de erkenning van de wetenschappelijke anciënniteit dienen verricht te zijn in een instelling die voorkomt op een lijst die opgemaakt wordt door de minister belast met de coördinatie van het Wetenschapsbeleid (koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel, artikel 5 en koninklijk besluit van 28 september 2004 tot vaststelling van de lijst der diensten en instellingen voor wetenschappelijk onderzoek of voor de financiering van het wetenschappelijk onderzoek die in aanmerking kunnen genomen worden voor de berekening van de duur van de wetenschappelijke anciënniteit van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat).

De enige rechtsgrond daarvoor is momenteel een ruime interpretatie van het artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen in de federale overheidsdiensten dat vermeldt : artikel 1 : « Dit besluit is van toepassing op de personen die bij arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen in de federale overheidsdiensten, de programmatorische federale overheidsdiensten en de diensten die ervan afhangen. » Dan is artikel 2 ook van toepassing op het wetenschappelijk personeel die als contractueel worden aangeworven : artikel 2, § 1 : « De in artikel 1 bedoelde personen ontvangen : 1º een bezoldiging die overeenkomt met die welke aan de rijksambtenaren met eenzelfde graad of van eenzelfde vakklasse bij hun aanwerving wordt toegekend ...  »

Buiten deze algemene formulering verwijst het koninklijk besluit verder nooit naar de basis van de regelgeving voor het wetenschappelijk personeel terug te vinden in de koninklijk besluiten van 21 april 1965.

Wij kunnen u meedelen dat de Programmatorische Overheidsdienst Wetenschapsbeleid die valt onder de bevoegdheid van de minister van Wetenschapsbeleid, bevoegd is voor het beheer van de statuten en de bezoldigingsregeling van het wetenschappelijk personeel, en dat een koninklijk besluit zich in de fase van voorontwerp bevindt voor het statuut en de bezoldigingsregeling van het contractueel (wetenschappelijk) personeel van de federale wetenschappelijke instellingen Dit voorontwerp situeert zich in het kader (en volgt op) de geplande herziening van het administratief en geldelijk statuut van het wetenschappelijk personeel : de juridische teksten die deze herziening moeten formaliseren, hebben de goedkeuring gekregen van de instanties die bevoegd zijn voor de administratieve en budgettaire controle en worden nu voorgelegd ter goedkeuring aan de minister van Wetenschapsbeleid.