BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2015-2016
________
16 november 2015
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 6-766

de Bert Anciaux (sp.a)

aan de minister van Justitie
________
Nieuwe bewindvoering - Wet van 17 maart 2013 - Aanpassingen
________
rechtsbevoegdheid
geestelijk gehandicapte
burgerlijke rechtspraak
voogdijschap
________
16/11/2015 Verzending vraag
23/12/2015 Antwoord
________
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 6-766 d.d. 16 november 2015 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Onder andere gewezen vrederechter Jan Nolf heeft aangaande deze problematiek heel wat bedenkingen geformuleerd.

Het was hoog tijd voor een meer aangepaste (juridische) zorg voor demente patiŽnten en al wie wegens een gezondheidsprobleem de eigen belangen zelf niet meer voldoende kon verdedigen.

Sinds 1991 bestonden daarvoor vier verschillende wettelijke regelingen naast elkaar, met alle complicaties van dien.

De wet van 2013 introduceerde een eenheidsstatuut dat daarenboven ook strookt met de menselijke waardigheid. Niet alleen de financiŽle belangen van de beschermde persoon moeten gerespecteerd worden, maar ook zijn 'persoon' zelf, met alles wat daarbij hoort aan beslissingen over verblijf en patiŽntenrechten.

Dat is een mensenrechtelijke verplichting, die ook wordt opgelegd ingevolge internationale verdragen.

Deze wet was een grote sprong voorwaarts.

Het gaat hier uitdrukkelijk over een transversale bevoegdheid. Uiteraard is er de bevoegdheid van de minister van Justitie inzake de rol van de vrederechters bij de aanstelling van deze bewindvoerders. Anderzijds zijn de Gemeenschappen vanzelfsprekend bevoegd voor heel de zorg en de begeleiding van deze patiŽnten. De ouderenzorg is sinds de zesde staatshervorming een gemeenschapsbevoegdheid. Alle bepalingen en eventuele wijzigingen van de wetgeving over bewindvoerders of de regels van de verlengde minderjarigheid hebben rechtstreeks gevolgen voor het beleid van de Gemeenschappen.

Wanneer zou de nieuwe wet van 2013 in werking treden?

Oorspronkelijk was de datum van 1 juni 2014 vooropgesteld, maar uiteindelijk werd het (in dat verkiezingsjaar) 1 september 2014.

Op uitdrukkelijke vraag van de vrederechters was daarenboven - wat te begrijpen is - een verdere fasering ingebouwd.

Vanaf 1 september 2014 zouden in principe enkel de nieuwe dossiers onder de nieuwe wet vallen.

Vanaf 1 september 2016 zouden de 'voorlopige bewindvoeringen' die al dateerden van voor 1 september 2014 automatisch onder de nieuwe regels vallen (maar beperkt tot het aspect 'goederen', zoals voorheen).

Vanaf 1 september 2019 zou dat ook automatisch het geval zijn voor de andere statuten (verlengd minderjarigen en onbekwaamverklaarden), maar voor hen logischerwijze zowel voor hun goederen als hun persoon.

Hoe zou de nieuwe wet toegepast worden?

Het is opmerkelijk hoe weinig juridisch inzicht blijkbaar bestaat in het efficiŽnte principe dat in de overgangsmaatregelen ingebouwd werd. Er was nochtans specifiek rekening gehouden met de werkdruk van de magistraten die dit principe moesten toepassen.

Op de data van 1 september 2014, 2016 en 2019 moest de vrederechter niets doen: niets, behalve de nieuwe "verkeersregels" toepassen:

-vanaf 1 september 2014 op alle nieuw ingediende dossiers;

-vanaf 1 september 2016 (oorspronkelijke datum, maar nu veranderd: uitgesteld tot 2019) op alle 'oude' voorlopige bewindvoeringen, die ook dan beperkt bleven tot een bescherming over de goederen, zoals zij initieel ook bedoeld waren: zo bepaalt de wet dat die dossiers "van rechtswege onderworpen worden aan de bepalingen van het (nieuwe) bewind goederen";

-vanaf 1 september 2019 op alle andere statuten (waaronder vooral de ongeveer 13.000 verlengd minderjarigen): logischerwijze bepaalt de wet in die gevallen een vermoeden van onbekwaamheid inzake persoon ťn goederen, en worden de ouders "van rechtswege bewindvoerder".

Op langere termijn, voor de finale doelstelling van de wet, volstaat deze eenvoudige overgang natuurlijk niet. Vermits de wet een 'bescherming op maat' van de betrokken persoon beoogt, moet dit maatwerk dan ook nog concreet uitgetekend worden. Dat vergt een punctueel initiatief per beschermde persoon.

Daarvoor beschikt de vrederechter telkens over een termijn van twee jaar vanaf de "kanteling".

Bijgevolg moeten alle 'oude' dossiers ook gepersonaliseerd worden:

- voor de 'oude' voorlopige bewindvoeringen loopt (of liep) die termijn van twee jaar in principe tussen 1 september 2016 en 1 september 2018;

- voor de andere statuten (opnieuw vooral de verlengd minderjarigen) loopt de termijn (onveranderd) in principe tussen 1 september 2019 en 1 september 2021.

Zoals bij een semi-automaat, moet de vrederechter hier wel op een knop drukken, tussenkomen en vervolgens verder sturen: ieder dergelijk dossier moet in die periode apart 'ingelezen' en gepersonaliseerd worden.

Alle betrokkenen moeten daarbij uiteraard opgeroepen en gehoord worden, en vervolgens wordt voor ieder dossier apart een nieuwe 'feuille de route' opgesteld: de formalisering van een gepersonaliseerd bewind.

Alle beschermingsstatuten "kantelen" "automatisch" in de nieuwe wet, zelfs zonder dat de vrederechter op een knop moet drukken.

Het fundamentele onderscheid tussen het principe van de inwerkingtreding van de wet, enerzijds, en de evaluatietermijn, anderzijds, moest duidelijk zijn:

-het eerste is een moment, het tweede is een termijn;

-het eerste is een startdatum van toepassing voor wetgeving, het tweede is een termijn voor actie.

Vandaar dat professor Tim Wuyts terecht ook schrijft: "wat de overgang naar het nieuwe beschermingsstatuut betreft, zij in eerste instantie opgemerkt dat, als er geen initiatief wordt genomen, de wet een automatische ("van rechtswege") omzetting bepaalt. De werklast ontstaat alsdan maar pas nadien omdat binnen de 2 jaar na die omzetting in ieder geval een evaluatie moet plaatsvinden. Voor de personen geplaatst onder voorlopig bewind wijzigt op het vlak van de bekwaamheid niet veel bij deze automatische omzetting (art. 228 van de wet 17 maart 2013). Het is vooral relevant dat de voorlopig bewindvoerder de datum van automatische aanpassing voor ogen houdt. Vanaf dat ogenblik treden immers een aantal andere verplichtingen in werking" (T. Wuyts, 'Een jaar toepassing van het eengemaakte beschermingsstatuut: een tussentijdse evaluatie en aanbevelingen tot bijsturing waar nodig' bijdrage in Rechtskroniek voor de vrede-en politierechters 2015, Die Keure, Brugge, 222, p. 8 randnr. 13).

Er is echter ook een derde mogelijkheid.

Daarbij wordt een dossier individueel aangepakt voorafgaand aan de wettelijke kanteldata van (tot dusver) 2016 en 2019, en de nieuwe wet in dat dossier van toepassing verklaard. Vermits dit in overleg met de betrokkenen gebeurt (of althans moet gebeuren), wordt het statuut voorverfijnde maatwerk die beschermde persoon dan meteen op maat gemaakt.

Dat moet inderdaad af en toe kunnen als het nodig is.

Vooreerst moest er immers mee rekening gehouden worden dat beschermde personen of hun omgeving goede redenen konden hebben om de nieuwe wetgeving vervroegd toe te passen (dus al voor de wettelijke kanteldata van 2016 en 2019). Terloops: het is bizar dat sommige vrederechters dit weigeren.

Daarenboven moet een vrederechter soms 'ingrijpen' in een lopende bewindvoering of verlengde minderjarigheid: het is logisch dat dan meteen de nieuwe wetgeving toepasselijk zou verklaard worden.

Dat laatste verklaart dat de vrederechter ook 'ambtshalve' het initiatief tot 'kanteling' kan nemen.

Vermits dit om specifieke, dossiergebonden motieven gaat, moeten alle betrokkenen gehoord worden en wordt het dossier zo meteen op maat 'herknipt'.

Dat alles lijkt evident.

Twee opmerkingen daarbij echter:

(1) Ook al wegens het geringere werkcomfort van de vrederechter door toepassing van die methode, was het helemaal niet de bedoeling dat dit de regel zou worden. Het was enkel bedoeld als uitzonderlijke maatregel op vraag van betrokkenen of ingevolge een specifieke nieuwe situatie.

(2) De praktijk leert ondertussen dat een aantal vrederechters zichzelf nodeloos werk bezorgen door de wettelijke 'kanteldata' eigenmachtig te vervroegen, en dit zonder enige dossiergebonden aanleiding (blijkbaar systematisch naar aanleiding van de neerlegging van het jaarlijks verslag).

Die 'ambitie' zou nog begrijpelijk zijn indien dan meteen werk zou gemaakt worden van het verfijnde maatwerk dat de nieuwe wet oplegt.

Niets blijkt minder waar: de betrokkenen worden systematisch niet gehoord en er wordt met copy/paste motiveringen een 'eenheidsworst'-regime ingesteld dat net het omgekeerde organiseert van wat de wet bedoelt: de 'full option'-onbekwaamheid inzake zowel goederen als persoon, ťn met het strengste regime, namelijk vertegenwoordiging (in plaats van bijstand).

Voeg aan dat bandwerk toe dat dan ook meteen bijna uitsluitend professionele bewindvoerders worden aangesteld, zelfs voor het nieuwe 'persoonlijke' luik, en we komen tot een hallucinante omkering van wat de wet bedoelde.

Dit is geen 'kanteling' van dossiers in de nieuwe wet meer, dit is de wet zelf "kantelen" - of eerder doen kapseizen - zonder meer.

Professor Tim Wuyts schrijft: "Ook de betrokken actoren hebben een belangrijke verantwoordelijkheid bij de toepassing van de nieuwe wet naar de geest ervan. Zie in dat verband ook de kritiek van J. Nolf, 'Hoe een nieuwe wet die de zwakkeren moest beschermen in ťťn jaar tijd volledig uitgehold werd', 21 juli 2015, Knack.be " (Rechtskroniek voor de vrede-en politierechters 2015, Die Keure, Brugge, 222, p.3 randnr. 1 met voetnoot 7).

Professor Wuyts herinnert aan de oproep van de wetgever bij de voorbereiding van de wet: "veel hangt immers af van de wijze waarop instelling, organisaties, bewindvoerder, vrederechters, notarissen, enz. hun rol alsook de finaliteit van de begeleiding bekijken en invullen".

Wat is er nu plots vernaderd met de wet van 10 augustus 2015 (Belgisch Staatsblad van 26 augustus 2015) ?

Het wetsvoorstel vermeldt als inleiding eerst nog correct: "Art. 228 van die wet voorziet in overgangsbepalingen aangaande de toepassing ervan op de bestaande voorlopige bewindvoeringen. Er wordt bepaald dat de nieuwe regels op die bewindvoeringen van toepassing worden na een termijn van twee jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet".

In de volgende zin wordt echter een kapitale redeneringsfout gemaakt: "Met andere woorden, vanaf 1 september 2016 zullen alle voorlopige bewindvoeringen moeten zijn aangepast aan de nieuwe wettelijke bepalingen".

Het moet duidelijk zijn dat het voorstel volledig verwart tussen de automatische kanteldatum van 1 september 2016, enerzijds, en de periode van twee jaar voor de aanpassing ("evaluatie" volgens de wet) van de dossiers, anderzijds.

De indieners gaan er immers van uit dat de dossiers (volgens het oorspronkelijke art. 228 van de wet, dat de overgangsmaatregelen bepaalt) op 1 september 2016 "aangepast" moeten zijn, terwijl de wet dit maar tegen 1 september 2018 verplicht.

Het is van die fundamenteel foute interpretatie uitgaande, dat de indieners dan voorstellen om inzake voorlopige bewindvoering "de overgangsbepalingen te verlengen tot 5 jaar, zoals dit het geval is voor verlengde minderjarigheid (art. 229 van dezelfde wet) hoewel het daarbij om veel minder gevallen gaat".

Het is belangrijk te noteren dat het wetsvoorstel wel degelijk in de vervanging voorziet van de woorden '2 jaar' door '5 jaar' in het eerste lid van artikel 228 van de wet van 17 maart 2013, en niet de woorden '2 jaar' in het tweede (!) lid van het artikel 228.

Dat betekent dat NIET de evaluatietermijn van twee jaar naar vijf jaar wordt gebracht (wat misschien nog begrijpelijk ware geweest), maar de automatische kanteldatum zelf, dus de ingangsdatum van de nieuwe wet.

Kort samengevat: de datum van 1 september 2016 (nl. 2 jaar na 1 09 2014) wordt 1 september 2019 (namelijk 5 jaar erna), terwijl de evaluatieperiode ongewijzigd op twee jaar blijft, maar logischerwijze nu slechts loopt van 1 september 2019 tot 1 september 2021.

Deze wet werd goedgekeurd zonder enig overleg met de zorgsector of met de medische sector of met de betrokken families en professionelen.

De wet krijgt de datum van 10 augustus 2015, en wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 augustus 2015.

Eťn jaar voor de nieuwe wet zou toegepast worden op de 'oude' voorlopige bewindvoeringen (namelijk per 1 september 2016) wordt die datum verschoven naar 1 september 2019.

Verbetert dat de werkomstandigheden van de vrederechters?

Het effect zal averechts zijn en wel om twee redenen.

(1) Vooreerst hebben de vrederechters zelf bij de voorbereiding van de wet van 2013 net voor het omgekeerde gepleit, namelijk een gefaseerde toepassing van de wet, eerst voor de voorlopige bewindvoeringen en vervolgens voor de verlengd minderjarigen.

De chronologie van dat 'stappenplan' was misschien niet zo eenvoudig uit te leggen, maar had als zeer logisch voordeel dat de twee-evaluatiesperiode (die de werkdruk van de vrederechter verhoogt) voor de beide statuten gesplitst werd, nl. een periode van 1 september 2016 - 1 september 2018, enerzijds, en een periode 1 september 2019 - 1 september 2021, anderzijds.

Door de wet van 10 augustus 2015 vallen de periodes voor de aanpassingen ("evaluatie") van de wet nu voor alle statuten samen in de tijdspanne 1 september 2019 - 1 september 2021.

Er moet dus gevreesd worden voor een nieuw uitstel dat de vrederechters zullen vragen wanneer het jaar 2019 naderbij komt.

(2) Een tweede gevolg is de creatie van een nieuw juridisch kluwen.

Juridische complicaties zijn er in overgangsperiodes altijd, maar die was tot nu toe vrij beperkt.

In het kader van de oorspronkelijke overgangsmaatregelen werd de nieuwe wet sowieso al van toepassing op alle bewindvoeringen (nieuw of oud) vanaf 1 september 2016.

Met andere woorden, voor de bewindvoeringen was er enkel een tijdelijke 'cohabitatie' van oude en nieuwe wet gedurende twee jaar.

In die twee jaar moest bij ieder dossier nagekeken worden of het onder de oude of de nieuwe wet viel. Immers valt ook een voortijdig 'gekanteld' (oud) dossier onder de nieuwe wet.

Die verificatie (en kans op fouten) zal nu echter ingevolge de wet van 10 augustus 2015 drie jaar langer moeten gebeuren, namelijk niet tot 1 september 2016 maar tot 1 september 2019.

Dat zal aanleiding geven tot een compleet ondoorzichtig kluwen, massaal tijdverlies en een gigantisch verhoogde kans op procedurefouten.

In plaats van de oude wet zo snel mogelijk achter zich te laten en zich te concentreren op de nieuwe wet, wordt de tweesporenwetgeving (die weliswaar aan iedere overgangsmaatregel eigen is) nu nodeloos verlengd.

Dit betekent een gevaarlijke vertraging van de inwerkingtreding van de wet en dus ook op wetgevend vlak gewoon 'slecht werk'.

De wet van 10 augustus 2015 verslechtert de leefomstandigheden van de beschermde personen. De zorgsector is overtuigd van de meerwaarde van de wet van 2013, al groeit er steeds meer wantrouwen over de juridische praktijk. In een aantal kantons blijkt die praktijk immers noch de letter, noch de geest van de wet te volgen, wat voor de familiaal, sociaal en medisch betrokkenen een zeer ontmoedigende en zelfs afschrikkende vaststelling is.

Over die praktijken schrijft professor Tim Wuyts terecht scherp: "de noodzakelijke mentaliteitswijziging bij de diverse actoren betrokken bij het bewind zou in heel wat gevallen nog achterwege blijven. De nieuwe wet zou in sommige gevallen zelfs een achteruitgang in de praktijk betekenen. Dergelijke praktijken zijn uiteraard verwerpelijk en moeten worden bestreden met de gangbare rechtsmiddelen" (ibidem, p. 31, randnr. 53).

Het resultaat van het uitstel van de datum van de semi-automatische versnelling van de wet is echter zeer voorspelbaar, zodat vrederechters zo goed als uitsluitend de "derde methode" zullen gebruiken. Justitie saboteert zo haar eigen comfort.

Immers leert de verwarring (waarvan de motivering van het wetsvoorstel getuigt) dat de dossiers hoofdzakelijk 'ambtshalve" aangepakt zullen worden in die vijf jaar (nu tot 1 september 2019) terwijl de "evaluatietermijn" van twee jaar daarna enkel als een soort 'tijdsreserve' wordt beschouwd.

Het drama daarbij is dat de procedure van evaluatie zeer uitdrukkelijk onder meer in de oproeping van alle betrokkenen voorziet (beschermde persoon, vertrouwenspersoon, bewindvoerder, netwerk, familie...) terwijl een aantal vrederechters blijkbaar vindt dit niet te moeten toepassen bij een vervroegde 'kanteling' (die nu door de wet van 10 augustus 2015 voor bewindvoeringen mogelijk wordt tot 1 september 2019 i.p.v. slechts tot 2016).

Honderden beschermde personen kregen in de afgelopen maanden al beschikkingen van vrederechters toegestuurd met een maximaal 'beschermingsregime' zonder dat zij gehoord werden.

De wijziging van de overgangsmaatregelen betekent noch min noch meer dat nu in zeer veel dossiers bewindvoering over de hoofden van mensen heen beslist dreigt te worden, en dat niet enkel tot 1 augustus 2016, maar tot 1 augustus 2019.

Het effect van de wet van 10 augustus 2015 zal in principe slechts spelen vanaf 1 september 2016.

De wetgever beschikt dus nog over wat 'wintertijd' om tot bezinning en herbronning te komen.

Een correctie kan inhouden dat de wet dan toch (zoals oorspronkelijk gepland) zou ingaan op 1 september 2016, maar dat de evaluatieperiode van twee jaar naar vijf jaar zou worden opgetrokken: dit is wťl een efficiŽnte tegemoetkoming voor de werkdruk van de vrederechters.

Technisch samengevat: hetgeen diende aangepast te worden is dus niet de term 'twee jaar' in de eerste alinea van art. 228 van de wet van 17 maart 2013, maar de term 'twee jaar' in het tweede lid van art. 228.

Dergelijk uitstel zou de werkdruk voor de vrederechters beter kunnen spreiden zonder de belangen van de beschermde personen in het gedrang te brengen.

Indien beschermde personen na 1 september 2016 (of voordien) belang hebben bij een gepersonaliseerde aanpassing van hun statuut aan de nieuwe wet, kunnen zij dat immers ook zelf aanvragen.

Terecht wijst professor Tim Wuyts er weliswaar op dat in de meerderheid van de 'oude' voorlopige bewindvoeringen na de (automatische) inwerkingtreding van de wet geen belangrijke aanpassingen zullen moeten gebeuren waarin de vrederechter zou moeten tussenkomen.

De hoofdopdracht van de vrederechters situeert professor Wuyts terecht elders: "het lijkt m.i. belangrijk dat eerst aandacht besteed wordt aan de overgang van het nieuwe statuut van personen die geplaatst werden onder een statuut dat manifest strijdig is met de mensenrechten en geen maatwerk toelaat zoals de staat van verlengde minderjarigheid en de gerechtelijke onbekwaamverklaring. Dankzij de overgang naar het nieuwe statuut neemt hun juridische handelingsbekwaamheid in alle gevallen toe en kan er een statuut op maat van hun situatie worden uitgewerkt" (ibidem, p. 9 randnr. 15).

De wet van 10 augustus 2015 getuigt niet van respect van de initiatiefnemers voor onze kwetsbare mensen, hun families en al wie hen op sociaal en medisch vlak met zorgen omringt.

Het is op zich correct dat bij de invoering van de wet kwaliteit primeert op snelheid (terecht standpunt van de minister van Justitie in het commissieverslag van 17 juli 2015, stuk Kamer nr. 54- 1208/003 ), maar de methode via een langere evaluatieperiode ondervangt dit bezwaar van de vrederechters volledig.

Bijgevolg moet - in de attente traditie van de lange aanloop naar de wet van 17 maart 2013 - een gesprek met alle betrokkenen gevoerd worden in plaats van een solosprint in de coulissen van het parlement.

Vandaar mijn vragen:

1. Gaat de minister akkoord met de hier geformuleerde kritiek die tevens gedeeld wordt door vrederechter Jan Nolf en professor Wuyts?

2. Welke maatregelen zal de minister nemen opdat de nefaste gevolgen van deze overhaaste wijziging van de wet van 17 maart 2013 ongedaan worden gemaakt?

3. Zal de minister overleg plegen met de Gemeenschappen, zodat er ook rekening wordt gehouden met het werkveld en met de betrokkenen zelf die het voorwerp uitmaken van de wet van 17 maart 2013?

4. Mag er spoedig van de minister verwacht worden dat hij een initiatief neemt om deze nefaste gevolgen ongedaan te maken?

Antwoord ontvangen op 23 december 2015 :

1) 2) & 4) Zoals reeds meegedeeld in het antwoord op de mondelinge vraag nr. 54-7007 van 22 oktober 2015 van de heer volksvertegenwoordiger Lachaert (Kamer, CRIV 54 COM 259, blz. 17), lag aan de basis van de wet van 10 augustus 2015 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, een wetsvoorstel dat als doel had enkele knelpunten te verhelpen die in de praktijk waren gerezen ingevolge de inwerkingtreding van de nieuwe wet op de regelingen inzake onbekwaamheid.

De commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers oordeelde dat het om een louter technisch voorstel ging dat tegemoet kwam aan een dringende vraag uit de praktijk en dat niet raakte aan de geest van de wet.

Het advies van het Koninklijk Verbond van vrede- en politierechters werd hieromtrent ook ingewonnen en bevestigde de nood aan een wetgevend optreden in die zin.

De wijziging van de overgangsbepalingen van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, beoogde een kwalitatieve overgang naar het nieuwe beschermingsstatuut te bewerkstelligen, eerder dan een louter kwantitatieve overgang.

Hiertoe werd de automatische inkanteldatum uitgesteld. Op die manier hebben de vrederechters meer tijd om de oude bewindsdossiers om te zetten, en dit naar de geest van de nieuwe wet.

Er werden in de praktijk immers bezorgdheden geuit met betrekking tot de werklast. Wat dat betreft wordt erop gewezen dat het de evaluatie van de dossiers die binnen de twee jaar na de overgang naar het nieuwe statuut moet plaatsvinden, is, die de werklast voor de vrederechters meebrengt en niet de automatische overgang naar dat nieuwe statuut zelf.

Het uitstellen van de inkanteldatum (tot 1 september 2019) betekent echter niet dat de vrederechters effectief met de omzetting moeten wachten tot op dit ogenblik. Het is aangewezen dat de vrederechters nu reeds starten met de omzetting, zodat de werklast beter wordt gespreid. De wet voorziet hieromtrent immers in de mogelijkheid tot ambtshalve omzetting (bijvoorbeeld bij de neerlegging van het jaarlijks verslag), dan wel omzetting op vraag van een belanghebbende, zonder dat daartoe een verplichting bestaat.

Het is dus eigenlijk niet relevant of de evaluatie van de dossiers gebeurt bij de omzetting zelf of pas na de automatische omzetting. Relevant is dat ze op een kwalitatieve manier gebeurt en daarvoor is de deadline steeds 1 september 2021 gebleven, ongeacht of het inkantelmoment dan wel de periode voor de evaluatie van de dossiers na de automatische omzetting wordt verlengd.

Het kan natuurlijk niet worden ontkend dat een verlenging van de termijn van evaluatie een veel snellere omzetting van het voorlopige bewind naar het nieuwe statuut tot gevolg zou hebben gehad. Maar zolang de evaluatie niet heeft plaats gevonden, heeft dit vooral een impact op de bewindvoerder en niet op de beschermde persoon wiens handelingsbekwaamheid dezelfde blijft.

Eventuele wanpraktijken inzake de omzetting en het gebrek aan maatwerk daarbij worden onderzocht en zullen zo nodig aanleiding geven tot gepaste maatregelen.

3) Omtrent de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid werd reeds meegedeeld in de beleidsnota, neergelegd in de Kamer op 10 november 2015, dat er vanuit de praktijk een aantal suggesties geformuleerd werden om de werking van de wet in het licht van de geest ervan te verbeteren en overbodige werklast te verminderen. Deze suggesties worden grondig onderzocht en zullen in een wetgevend initiatief worden opgenomen (Stuk Kamer, nr. 54-1428/008, blz. 50).