BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2010-2011
________
2 maart 2011
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 5-1604

de Güler Turan (sp.a)

aan de minister van Justitie
________
Overbevolking van de gevangenissen - Ongebruikte enkelbanden - Aantal uitgevoerde straffen
________
strafgevangenis
gedetineerde
vervangende straf
voltrekking van de straf
________
2/3/2011 Verzending vraag
20/6/2011 Antwoord
________
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 5-1604 d.d. 2 maart 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Eind februari 2011 verschenen twee berichten. Enerzijds blijkt dat er 11 000 gedetineerden in de gevangenissen zitten. Nog nooit waren er in België zoveel gedetineerden. Het aantal gedetineerden overstijgt dan ook het aantal beschikbare plaatsen in de gevangenissen. In sommige gevangenissen is de overbevolking opmerkelijk: zowel in Vorst als in Antwerpen en Gent zijn er veel meer gedetineerden dan er plaatsen zijn.

Anderzijds blijkt dat er 400 enkelbanden ongebruikt zijn. Er zijn voldoende enkelbanden om 1 500 veroordeelden onder elektronisch toezicht te plaatsen. Slechts 1 100 van die enkelbanden worden vandaag gebruikt. Nochtans is de enkelband een goed alternatief voor een effectieve gevangenisstraf. Een goede inzet van de enkelbanden kan de druk op ons gevangeniswezen verlichten. Volgens de directeur-generaal van de justitiehuizen is een personeelstekort de voornaamste oorzaak van de onderbenutting van de enkelbanden.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1) Hoeveel straffen met een enkelband kunnen vandaag worden uitgevoerd?

2) Hoeveel straffen met een enkelband worden er effectief uitgevoerd?

3) Wat is de gemiddelde wachttijd vooraleer deze straf effectief kan worden uitgevoerd?

4) Hoe verloopt de opvolging van gestraften met een enkelband?

5) Hervallen mensen die een enkelband hebben gehad vaker of minder vaak dan mensen die een effectieve celstraf hebben uitgezeten?

Antwoord ontvangen op 20 juni 2011 :

1) Het NCET beschikt momenteel over de materiële mogelijkheid voor het dagelijks beheer van 1 350 veroordeelden onder elektronisch toezicht (ET).

Het andere aspect van de effectieve uitvoering van een ET betreft de sociale begeleidingen door de justitiehuizen. Hiervoor moeten er bepaalde randvoorwaarden vervuld zijn, met name met betrekking tot de indienstneming van personeel en de vereenvoudiging van de procedure (aanpassing van de huidige ministeriële omzendbrief n°1803 (III) van 25 juli 2008 betreffende het ET als strafuitvoeringsmodaliteit). Alles is aanwezig om die doelstelling te bereiken, maar men mag volgende zaken niet uit het oog verliezen:

- de justitiehuizen moeten gelijktijdig de mandaten uitvoeren van de andere opdrachten die tot hun bevoegdheid behoren, zoals de werkstraffen, de voorwaardelijke invrijheidsstelling, de vrijheid op proef,… Er moet een evenwicht gevonden worden om op een doeltreffende manier de verschillende opdrachten van de justitiehuizen uit te voeren;

- de justitiehuizen bevinden zich op het einde van de strafrechtsketen, in een positie waar ze niet beschikken over een systeem om het teveel aan opdrachten te beheren. Echter het aantal mandaten neemt voortdurend toe. Bij wijze van voorbeeld het aantal begeleidingen dossiers in het kader van ET (dit wil zeggen de dossiers waarin een beslissing tot toekenning van ET werd genomen) gestegen van 2 892 nieuwe mandaten in 2008 naar 3 204 in 2009, en zelfs om 3 479 in 2010 te bereiken. Al deze begeleidingsmandaten moeten worden uitgevoerd. Dit leidt onvermijdelijk tot het creëren van wachtlijsten die moeten worden beheerd.

Ter vermelding: op 1 januari 2010 heeft de Dienst Data Analyse en Kwaliteit van het DGMJH 38 743 actieve mandaten geregistreerd die betrekking hebben op alle strafrechtelijke opdrachten die worden uitgevoerd door de justitiehuizen. Op 31 december 2010, registreerde de dienst een aantal van 40 375 actieve strafrechtelijke mandaten, wat een stijging van 1 632 mandaten betekent.

2) Op 18 april 2011 waren er in het totaal 1 157 veroordeelden onder elektronisch toezicht geplaatst.

3) Er moet benadrukt worden dat de wachtlijsten van ET enkel betrekking hebben op de justitiabelen die in strafonderbreking werden geplaatst met het oog op ET. Dit wil zeggen, de justitiabelen die veroordeeld zijn tot een straf van minder dan drie jaar en die niet allen zullen genieten van een ET. De beslissing tot toekenning hangt af van de gevangenisdirecteur of van de dienst detentiebeheer, die zich hiervoor met name baseren op de maatschappelijke enquête uitgevoerd door een justitieassistent.

De gedetineerde justitiabelen die genieten van een beslissing tot toekenning van ET worden als prioritair gezien en zijn niet opgenomen in de wachtlijsten. Ze worden dus meteen onder ET geplaatst op de uitvoeringsdatum van de beslissing van de opdrachtgever.

Tot slot is het belangrijk de verschillende types van wachtlijsten te onderscheiden: de wachtlijsten die betrekking hebben op de uitvoering van een maatschappelijke enquête met het oog op de toekenning van een ET enerzijds en anderzijds deze die betrekking hebben op de begeleidingen ET (dit wil zeggen de dossiers waarvoor een beslissing tot toekenning van ET werd genomen, maar zonder dat de veroordeelde effectief onder ET wordt geplaatst).

Bovendien laat het informaticaprogramma SIPAR niet toe om exacte cijfers te verstrekken over de tijd die verstrijkt tussen de aankomst van een mandaat in een justitiehuis en de effectieve plaatsing van de justitiabele onder ET. In werkelijkheid laten de gegevens uit SIPAR toe om de gemiddelde termijn weer te geven die verloopt tussen de aankomst van een mandaat ET (enquête of begeleiding) in het justitiehuis en de aanstelling van een justitieassistent.

In 2010 bedroeg de gemiddelde duur tussen de aankomst van een mandaat in een justitiehuis en de aanstelling van een justitieassistent 57,61 dagen voor een sociale begeleiding en 35,72 dagen voor een maatschappelijke enquête (die niet noodzakelijk leidt tot een beslissing tot toekenning van ET).

4) Concreet begeeft de justitiabele zich de dag van de plaatsing onder ET naar de gevangenis waar een band aan zijn enkel wordt bevestigd. Vervolgens begeeft hij zich onmiddellijk naar de verblijfplaats waar hij deze maatregel moet uitvoeren. Daar wordt een elektronische box geïnstalleerd door een agent van de Mobiele Eenheid.

De controle van het komen en gaan van de justitiabele gebeurt door de dienst Monitoring van het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht (NCET). Dit centrum neemt telefonisch contact op telkens het vaststelt dat er een probleem is bij de naleving van het uurrooster. Het brengt hiervan onmiddellijk de justitieassistent op de hoogte.

Een justitieassistent (JA), de referentiepersoon voor deze maatregel, is aangeduid om de sociale begeleiding van de justitiabele te verzekeren. Deze JA zal erop toezien dat alles correct verloopt door hem de nodige informatie te verschaffen over het verloop van zijn maatregel. Hij werkt samen met hem een uurrooster uit, dat bestaat uit de tijd die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de activiteiten die verbonden zijn aan de voorwaarden en/of de verplichte activiteiten (werk, opleiding, therapeutische of psychosociale begeleiding,…) evenals de tijd die strikt noodzakelijk is voor zijn verplaatsingen uit te voeren.

De JA moet ook toezien op de naleving van de voorwaarden opgelegd door de opdrachtgever (gevangenisdirecteur, de DDB of de SURB) en op de naleving van het opgestelde uurrooster. Hij ontmoet de justitiabele regelmatig, hetzij bij een huisbezoek, hetzij tijdens een gesprek in het justitiehuis. Hij brengt verslag uit op welbepaalde momenten of telkens wanneer de dringendheid vereist dat de opdrachtgever geïnformeerd wordt over het verloop van de maatregel.

Er moet opgemerkt worden dat de niet-naleving van de opgelegde voorwaarden of van het uurrooster en de opzettelijke beschadiging van het materiaal voor het ET kan leiden tot de herroeping van de maatregel door de opdrachtgever (SURB, de gevangenisdirecteur, of de DDB).

5) De informaticagegevens uit SIPAR van het DGMJH en uit PROGSEET van het NCET laten niet toe om cijfers te verstrekken over de recidive van personen geplaatst onder ET. De enige gegevens die door deze systemen kunnen worden ingevoerd betreffen de (redenen tot) herroeping.

Een ET kan herroepen worden om verschillende redenen:

- het plegen van nieuwe misdrijven (zonder dat deze feiten noodzakelijkerwijze vallen onder de juridische definitie van recidive aangezien het parcours van de strafprocedure nog gevolgd moet worden);

- niet-naleving van de voorwaarden (waaronder het plegen van nieuwe misdrijven).

Ter illustratie: in 2010 registreerde het programma SIPAR van de justitiehuizen op basis van de wettelijke criteria

- 337 begeleidingen die zijn herroepen op een totaal van 3 309 nieuwe mandaten ET voor niet naleving van de voorwaarden. Dit is ongeveer 11,4 % van het totaal aan nieuwe mandaten;

- 80 begeleidingen die zijn herroepen op een totaal van 3 309 nieuwe mandaten ET voor het plegen van een nieuw misdrijf. Dit is ongeveer 2.4 % van het totaal aan nieuwe mandaten;

- 16 begeleidingen die zijn herroepen op een totaal van 3 309 nieuwe mandaten ET omwille van het gevaar voor de integriteit van derden. Dit is ongeveer 0.5 % van het totaal aan nieuwe mandaten

Bovendien beschikt het DG EPI evenmin over cijfergegevens met betrekking tot de recidive van personen die effectief hun vrijheidsstraf hebben uitgevoerd onder de vorm van detentie. De laatste studies over deze materie dateren van 1980.

Daarom is het voor ons onmogelijk om een vergelijking te maken tussen de personen geplaatst onder ET en deze die een effectieve vrijheidsberoving ondergaan.