BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2008-2009
________
20 mei 2009
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-3492

de Nahima Lanjri (CD&V)

aan de minister van Migratie- en Asielbeleid
________
Statuut van staatlozen - Toekenning - Regularisatie - Uitvoering van het regeerakkoord
________
asielzoeker
staatloze
politiek asiel
asielrecht
buitenlandse staatsburger
Dienst Vreemdelingenzaken
verblijfsrecht
Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen
________
20/5/2009 Verzending vraag
25/11/2009 Dossier gesloten
________
Herkwalificatie van : vraag om uitleg 4-876
Heringediend als : schriftelijke vraag 4-6123
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-3492 d.d. 20 mei 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

In het kader van de evaluatie van de asielprocedure werden er in de Senaatscommissie Binnenlandse Zaken en Administratieve Aangelegenheden hoorzittingen gehouden met de instituties en organisaties die met deze procedure bezig zijn. Deze hoorzittingen gaven een goede kijk op de realiteit op het terrein.

Toch is er wat onduidelijkheid blijven hangen rond de problematiek van de staatlozen. Een staatloze is volgens het Verdrag van New York van 1954 “ een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd ”. Dit werd door België in 1960 bij wet goedgekeurd.

De bewijslast komt toe aan de vreemdeling die stelt geen nationaliteit te bezitten. Hij moet dus bewijzen dat hij de nationaliteit, die hij bezat door zijn geboorte, verloren heeft, of dat hij er nooit één heeft gehad. Dit bewijs moet in principe geleverd worden ten aanzien van de Dienst vreemdelingenzaken (DVZ) of de gemeentelijke administratie (die op hun beurt het advies van de Federale Overheidsdienst (FOD) Justitie kunnen inwinnen). Alleen in zeer duidelijke gevallen zal de administratie de staatloosheid kunnen vaststellen; als dit niet mogelijk is, zal de vreemdeling eerst een procedure voor de rechtbank van eerste aanleg moeten voeren alvorens hij als staatloze wordt erkend. De beleidslijnen die DVZ hanteert om door de rechtbank van eerste aanleg erkende staatlozen al dan niet te regulariseren zijn zeer onduidelijk. Het is dan ook aan te raden het statuut wettelijk te regelen.

Het regeerakkoord voorziet in een procedure tot toekenning van het statuut voor staatlozen door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De erkenning als staatloze heeft in principe een (tijdelijk) verblijfrecht tot gevolg. Deze problematiek zit niet in het globaal pakket voor het akkoord rond asiel en migratie.

Graag had ik de volgende vragen hieromtrent gesteld:

1. Wat is de stand van zaken betreffende de uitvoering van dit punt van het regeerakkoord?

2. Ziet zij speciale problemen rond de procedure tot toekenning van het statuut staatlozen? Welke problemen zijn dit?

3. Heeft de geachte minister enkele initiatieven in gedachte om tot een oplossing te komen?