BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2008-2009
________
17 april 2009
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-3368

de Nele Lijnen (Open Vld)

aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen
________
Studentenarbeid - Verdringingseffect van gewone werknemers - Doorstroming naar de arbeidsmarkt na de studies
________
student
jongerenarbeid
werkgelegenheidsbeleid
arbeidsmarkt
opneming in het beroepsleven
________
17/4/2009 Verzending vraag
11/9/2009 Antwoord
________
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-3368 d.d. 17 april 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Uit een artikel in De Standaard van 2 april 2009 blijkt dat de vraag naar jobstudenten in de eerste twee maanden van dit jaar weliswaar zijn gedaald met meer dan 10%, maar dat de jongeren het nog altijd dubbel zo goed doen als de gewone uitzendwerkers. Veelal wordt beweerd dat jobstudenten het werk van reguliere werknemers afnemen, maar volgens Federgon klopt dit geenszins. Studentenarbeid zou bovenop gewone uitzendopdrachten komen.

1)Kan de geachte minister de stelling van Federgon bevestigen dat jobstudenten en daarmee bedoelen we uitsluitend studenten die onder het specifieke stelsel van studentenarbeid vallen en niet de werkstudenten geen reguliere jobs inpikken?

2)Zo neen, op basis van welke wetenschappelijke studies kan zij aantonen dat er wl een verdringingseffect van gewone werknemers door jobstudenten zou zijn?

3)Welke zijn de precieze conclusies die in de aangehaalde studies worden geformuleerd?

4)Werd ook reeds bestudeerd in welke mate het verrichten van studentenarbeid de doorstroom van studenten na afloop van hun studies naar de reguliere arbeidsmarkt faciliteert?

5)Zo ja, welke studies werden concreet verricht en welke zijn de precieze conclusies?

6)Zo neen, zal zij dit in de nabije toekomst laten onderzoeken?

Antwoord ontvangen op 11 september 2009 :

Het artikel van de Standaard waar u naar verwijst, volgt op een persbericht van Federgon.

Wat betreft het verdringingseffect waar u naar verwijst in uw vraag verzekert Federgon dat dit er niet is, terwijl vertegenwoordigers van de vakbonden die ik al verschillende malen samen met mijn collega van Sociale Zaken heb ontmoet, bevestigen dat er op het terrein wel degelijk een verdringingseffect bestaat.

Federgon noch de vakbondsorganisaties hebben me studies voorgelegd die hun vaststellingen ondersteunen.

Tenslotte is voor zover ik weet nooit een dergelijk onderzoek in België uitgevoerd. Uit onderzoek naar jongerenarbeid in het buitenland, inzonderheid in Frankrijk, Nederland en Zwitserland blijkt daarentegen dat de ervaring, opgedaan bij tijdens de studies verrichte jobs, de jongeren nadien bij hun doorstroom naar het arbeidsproces alleen maar ten goede komt. Volgens de OESO (zie “Emplois pour les jeunes – Belgique”, OESO 2007) is uit onderzoek vast komen te staan dat “de combinatie baan-studies de studies niet schaadt wanneer het aantal gewerkte uren redelijk blijft en dat het de doorstroming van de jongere naar het arbeidsproces kan bevorderen, vooral wanneer de jongere een baan heeft die aansluit bij zijn of haar studies”. Al deze verklaringen en studies moeten dus met een korreltje zout worden geïnterpreteerd.

Tenslotte, behoort een dergelijk onderzoek niet tot mijn prioriteiten.