BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2008-2009
________
11 maart 2009
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-3156

de Joris Van Hauthem (Vlaams Belang)

aan de minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid
________
Algemeen Rijksarchief - Taalkaders - Scheeftrekkingen - Maatregelen
________
archief
federale wetenschappelijke en culturele instellingen
Vaste Commissie voor Taaltoezicht
taalgebruik
overheidsapparaat
overheidsadministratie
statuut van de ambtenaar
________
11/3/2009 Verzending vraag
8/4/2009 Antwoord
________
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-3156 d.d. 11 maart 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

In 2005 stelde ik reeds de vraag om uitleg nr. 3-728 (Handelingen nr. 3-123 van 7 juli 2005, blz. 94) aan de voorganger van de geachte minister, de heer Verwilghen, over scheeftrekkingen van de taalkaders in verschillende wetenschappelijke instellingen.

Uit het jaarverslag van de Vaste Commissie voor taaltoezicht van 2007 blijkt dat er nog steeds ernstige scheeftrekkingen zijn in de taalkaders van het Algemeen Rijksarchief. Op de vierde trap is de verhouding 15 Nederlandstaligen-20 Franstaligen.

Welke maatregelen heeft de geachte minister reeds genomen om deze scheeftrekkingen weg te werken ?

Antwoord ontvangen op 8 april 2009 :

Uit het jaarverslag van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht blijkt er in 2007 een verschil voor wat betreft de betrekkingen van de in trap vier van de hiërarchie gerangschikte graden in het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën, te weten vijftien Nederlandstaligen voor twintig Franstaligen.

Die verhouding zal moeten worden rechtgezet bij de opstelling van de nieuwe taalkaders in alle federale wetenschappelijke instellingen (FWI’s).

Alvorens in die richting te werken moeten de betrekkingen van de in de verschillende trappen van de hiërarchie gerangschikte graden opnieuw worden verdeeld in elke FWI, waarbij natuurlijk rekening wordt gehouden met de recente hervorming van de loopbanen en de herziening van het statuut van het wetenschappelijk personeel. De wetenschappelijke loopbaan is voortaan, ter herinnering, in twee activiteitengroepen opgesplitst (aan de ene kant wetenschappelijk onderzoek en experimentele ontwikkeling, aan de andere kant wetenschappelijke dienstverlening) en omvat vier klassen (SW1 tot SW4), die de loopbaanontwikkeling van elk personeelslid in termen van expertise en hiërarchie voorstellen.

Bovenvermelde verdeling is het voorwerp geweest van een dossier dat voor advies aan de minister van Ambtenarenzaken werd voorgelegd.

Pas later kunnen nieuwe taalkaders daadwerkelijk worden opgesteld en zal het mogelijk zijn nauwkeurig de nodige middelen vast te leggen om de vastgestelde verschillen weg te werken. Er moet worden aan toegevoegd dat de FWI met beschikken over een juridische persoonlijkheid los van de Programmatorische Overheidsdienst (POD) Wetenschapsbeleid waarvan zij deel uitmaken. De toestand moet dus worden bekeken voor het geheel van de POD en niet voor elke FWI afzonderlijk.

In afwachting trachten de FWI’s bij nieuwe indienstnemingen zoveel mogelijk het taalevenwicht na te leven dat niet altijd eenvoudig kan worden bereikt, bijvoorbeeld:

- wanneer van potentiële kandidaten zeer specialistische wetenschappelijke kundigheden worden vereist voor zeer specifieke wetenschappelijke projecten, is het immers niet altijd mogelijk de daartoe gekwalificeerde persoon te vinden in de ondervertegenwoordigde taalgroep;

- wanneer echter geen enkele bijzondere kwalificatie wordt gevraagd voor jobs voor onderhoud en bewaking, wordt een verschil vastgesteld ten gunste van de Brusselaars. De uitleg daarvoor is dat weinig inwoners van de andere gewesten bereid zijn naar Brussel te pendelen voor een vrij laag loon.

Het is belangrijk te onderstrepen dat de Federale Wetenschappelijke Instellingen Staatsdiensten met afzonderlijk beheer zijn zonder rechtspersoonlijkheid die deel uitmaken van het belangrijker geheel van de POD Wetenschapsbeleid. Bovendien is de toestand nogal verschillend per instelling. De cijfers die hier gepresenteerd worden mogen dan ook niet apart worden beschouwd en geïnterpreteerd. De wetten op het taalgebruik in bestuurszaken bepalen dat moet gestreefd worden naar taalevenwicht, zowel bij de werving als bij de verbintenissen in de federale wetenschappelijke instellingen en het beleid terzake volgt duidelijk deze doelstelling in de mate van het mogelijke, in het bijzonder via de personeelsplannen. Hoewel dit voor het statutair personeel weinig problemen stelt, worden de instelling voor het personeel aangeworven met een arbeidscontract van bepaalde duur geconfronteerd met de realiteit op de arbeidsmarkt, met het feit dat ze enkel mensen in dienst mogen nemen die voorgesteld worden door de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling of door een weinig aangepast aanbod. Wanneer het aantal kandidaten van een bepaalde taalrol ontoereikend is, staan de directeurs-generaal voor het dilemma van niet aanwerven - wat de continuïteit in de werking van de openbare wetenschappelijke dienst ernstig in het gedrang kan brengen - of het tijdelijk aanwerven van ambtenaren van een andere taalrol. Alles werd echter in het werk gesteld om zich in te schrijven in voornoemde beleidslijn, die met de huidige conjunctuur slechts op middellange termijn zal worden gehaald.