5-661/1

5-661/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

18 JANUARI 2011


Wetsvoorstel tot instelling van een procedure van klachtenbehandeling binnen de rechterlijke orde en tot wijziging van artikel 259bis-15 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de Hoge Raad voor de Justitie aan te wijzen als beroepsinstantie met een ombudsfunctie inzake justitie

(Ingediend door de heer Karl Vanlouwe)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel herneemt, in aangepaste vorm, de tekst van het wetsvoorstel nr. 52-634/1 dat in de vorige zittingsperiode in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend, dat op zijn beurt reeds een herindiening was van een voorstel dat eerder in de Senaat werd ingediend (1) . De Hoge Raad voor de Justitie bracht op 22 februari 2006 een advies uit over dit wetsvoorstel (2) .

Het wetsvoorstel 52-634/1 werd op 25 maart 2010 door de Kamer aangenomen en aan de Senaat overgezonden maar kwam op 7 mei 2010 te vervallen door de ontbinding van de Wetgevende Kamers (3) .

De klachtenbehandeling maakt deel uit van de grondwettelijke en wettelijke bevoegdheden van de Hoge Raad voor de Justitie (4) en vormt één van de instrumenten waarover de commissies beschikken om hun controlebevoegdheid op de werking van de rechterlijke organisatie uit te oefenen teneinde de efficiëntie ervan te bevorderen.

Dit wetsvoorstel wil een oplossing bieden voor het ongenoegen van de rechtzoekende over de behandeling van de klachten door de rechterlijke orde. Op dat punt stelt de Hoge Raad vast dat de rechtzoekende helemaal niet tevreden is over de manier waarop zijn klacht thans wordt behandeld. Algemeen genomen heeft de rechtzoekende de indruk dat zijn verwachtingen niet voldoende worden ingelost. Om dat probleem op te lossen moet er een gericht initiatief komen. De behandeling van een klacht heeft een tweevoudig doel : die gevallen eruit te halen waar de geboden dienst de gewettigde verwachtingen van de burger niet heeft ingelost en de toestand van de rechtzoekende herstellen ten opzichte van de verwachte openbare dienstverlening.

Uit het jaarverslag 2009 van de Hoge Raad voor de Justitie blijkt dat er amper 385 klachten werden ingediend in 2009. In hetzelfde jaar werden door de Hoge Raad 465 dossiers behandeld en afgesloten. Van de afgesloten dossiers zijn er klachten over de traagheid van de rechtsingang, klachten betreffende omgang en communicatie met justitie, het gedrag en gebrek aan eerbied van de magistraat, deskundige of de griffier, klachten over de partijdigheid van de magistraat, ....

Zoals eveneens tijdens de voorafgaande jaren houden de meeste dossiers die in 2009 werden afgesloten verband met het strafrecht (37,63 %) en het algemeen burgerlijk recht (26,88 %).

De doelstelling die de wetgever met de centralisatie van de klachten beoogde toen hij de Hoge Raad instelde, wordt echter niet bereikt : klachten komen nog steeds verspreid terecht bij de rechtscolleges, parketten en auditoraten en bij de leden van de uitvoerende en van de wetgevende macht.

Het aantal klachten dat, bijvoorbeeld, vanuit het departement Justitie naar de Hoge Raad wordt verwezen, is evenwel heel beperkt. Een klager wordt immers naar de Hoge Raad doorverwezen enkel en alleen indien zijn klacht wijst op « een structureel probleem in de werking van het gerecht ».

Opvallend is ook dat de klachten die bij Hoge Raad toekomen, hoofdzakelijk « externe » klachten zijn, dat de grote meerderheid ervan dus afkomstig is van burgers en niet van bij de werking van de rechterlijke orde betrokken beroepsgroepen (magistraten, advocaten, griffiers, gerechtsdeurwaarders, ...).

Volgens de Hoge Raad voor de Justitie is dat op zich niet problematisch, omdat het belangrijker is de transparante klachtenbehandeling op de diverse niveaus te garanderen. Om de relatie tussen burger en Justitie te verbeteren en de beeldvorming over Justitie bij te sturen, pleit de Hoge Raad voor :

— een formele fasering van de behandeling van de klachten met betrekking tot de werking van de rechterlijke orde;

— een duidelijke communicatie daarover met de burger, zodat deze zijn klacht tijdig en op de juiste plaats kan formuleren;

— een zo groot mogelijke openheid en transparantie op elk niveau van de behandeling van klachten, uiteraard met naleving van de regels inzake privacy, vertrouwelijkheid en terughoudendheid.

De Hoge Raad is de mening toegedaan dat een klacht over de werking van de rechterlijke orde een gefaseerde behandeling vereist. Dat betekent dat de klacht in een eerste fase behandeld dient te worden op de plaats waar het probleem zich voordoet. Een dergelijke aanpak biedt niet alleen uitkomst voor de gevallen waarvoor de Hoge Raad zich momenteel onbevoegd moet verklaren, maar impliceert ook een responsabilisering van de betrokken leden van de rechterlijke orde. Die aanpak werd bevestigd in het over de klachtenbehandeling gevoerde wetenschappelijk onderzoek AGORA (5) .

Dit wetsvoorstel beoogt gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie en aan zijn advies van 22 februari 2006 over de behandeling van de klachten. Het wetsvoorstel strekt ertoe de volgende procedure in te stellen :

— de klager dient klacht in waar hij het verkiest. Overeenkomstig het advies van de Hoge Raad voor de Justitie neemt het wetsvoorstel dus niet de regeling over die bestaat voor de federale ombudsmannen in verband met de klachten over de werking van de federale administratieve overheden (6) ; de burger kan zich dus tot de Hoge Raad wenden zonder zich eerst tot de bevoegde overheid te hebben gericht voor de behandeling van de klachten binnen de betrokken rechtbank;

— de klachten moeten worden gecentraliseerd bij de Hoge Raad, die ze registreert; de Hoge Raad vervult aldus de rol van centraal loket;

— de Hoge Raad stuurt de klacht voor behandeling door naar de bevoegde rechtbank. De Hoge Raad licht de klager hiervan in; de rechtbank behandelt de klacht binnen drie maanden en deelt het gevolg dat ze aan de klacht geeft mee aan de klager en aan de Hoge Raad;

— de Hoge Raad blijft bevoegd voor de behandeling van eerstelijnsklachten ingeval de klacht op geen ander rechtscollege slaat of wanneer de Hoge Raad meent de klacht het best zelf te kunnen behandelen;

— bovendien kan hij in tweede lijn de klacht van de rechtzoekende opnieuw onderzoeken en in zijn ombudsfunctie contact opnemen met de betrokken leden van de rechterlijke orde;

— op basis van de ontvangen klachten kan de Hoge Raad aanbevelingen doen die ofwel voor een bepaald geval gelden, ofwel van algemene aard zijn, om aldus de rechterlijke orde beter te laten functioneren.

Het wetsvoorstel bepaalt ook de algemene regels van de procedure voor de behandeling van de klachten door de rechtbanken. Het geeft de gerechten heel wat handelingsvrijheid, aangezien het bepaalt dat elk gerecht zijn eigen interne procedure voor klachtenbehandeling instelt, overeenkomstig het door dit wetsvoorstel opgelegde wettelijk kader. Elk gerecht dient over zijn beleid inzake klachtenbehandeling verslag uit te brengen bij de Hoge Raad. Die regeling verwijst naar het model voor interne klachtenbehandeling dat sinds 1 januari 2002 bij alle Nederlandse gerechten van kracht is (klachtenregeling).

In dat schema speelt de Hoge Raad voor de Justitie de rol van externe controle-instantie, als instrument in de derde lijn. De ontevreden burger kan er met zijn klacht terecht wanneer het antwoord van de interne klachtendienst hem niet voldoet.

Als onafhankelijke instelling die onder andere belast is met de controle van de werking van het gerecht bevindt de Hoge Raad zich in de juiste positie om van buitenaf toe te zien op de manier waarop de gerechten klachten behandelen en, indien nodig in laatste instantie, als ombudsman op te treden tussen de burger en het Gerecht.

De indiener van het wetsvoorstel beoogt met die regeling rekening te houden met de wil van de wetgever. Door de Hoge Raad voor de Justitie bevoegd te maken inzake klachten, heeft de wetgever er in de Octopusakkoorden immers tegelijk voor gekozen de klachten bij de Hoge Raad te centraliseren en de Raad de klachten subsidiair te laten behandelen. Zo wordt de Hoge Raad in laatste instantie de bemiddelaar tussen burger en rechterlijke orde.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Dit artikel strekt ertoe de bevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie inzake klachtenbehandeling te preciseren en vervolgens de klachten die de HRJ niet toekomen buiten zijn werkingsgebied te doen vallen.

In dit verband worden de klachten die krachtens het vigerend artikel 259bis-15, § 3, Gerechtelijk Wetboek niet tot de bevoegdheid van de HRJ worden gerekend, in deze tekst overgenomen. Bovendien wordt een vijfde lid toegevoegd, met betrekking tot de verzoeken om inlichtingen of vragen over dossiers die in behandeling zijn; die zouden niet in aanmerking komen voor behandeling door de HRJ.

Het is niet opportuun de HRJ te machtigen commentaar of zelfs kritiek te laten formuleren op de inhoud van rechterlijke beslissingen die genomen zijn, want zulks zou het gezag van de integrale rechterlijke macht kunnen aantasten. Hetzelfde geldt voor opeenvolgende en al behandelde klachten, klachten die geen nieuwe elementen bevatten, alsook klachten die kennelijk ongegrond zijn, die behoren tot de bevoegdheid van andere omschreven instanties of waarvoor rechtsmiddelen voorhanden zijn.

In paragraaf 2 wordt toegevoegd dat elke belanghebbende zijn klacht kan indienen bij de Hoge Raad voor de Justitie, die de klachten van de rechtzoekenden in ontvangst neemt en deze registreert.

Indien klachten worden ingediend bij een administratieve overheid, moet die instantie de klacht overmaken aan de Hoge Raad. De rechtzoekende is dus niet verplicht zijn klacht bij het betrokken rechtscollege in te dienen. De Hoge Raad zorgt ervoor dat die klacht uiteindelijk aan het rechtscollege wordt bezorgd. Dankzij de getrapte behandeling van de klachten kunnen de leden van de rechterlijke orde op hun verantwoordelijkheid worden gewezen.

Om ontvankelijk te zijn, moet de klacht schriftelijk worden ingediend, alsook gedateerd en eigenhandig ondertekend zijn door de klager of zijn gemachtigde, de volledige identiteit vermelden van de klager alsook een korte beschrijving van de feiten bevatten.

Nu op grote schaal gebruik wordt gemaakt van e-mail en internet, kan men er niet omheen dat klachten elektronisch moeten kunnen worden ingediend, ten behoeve van de goede werking van de regeling. Een per e-mail of per fax ingediende klacht moet dezelfde vermeldingen bevatten als een schriftelijk ingediende. Het door de Hoge Raad aangewezen rechtscollege kan de klager evenwel verzoeken zijn klacht te bevestigen, bijvoorbeeld door een uitgeprinte en ondertekende kopie van de e-mail met de post te verzenden of te faxen. Door een handtekening te eisen, wil men voorkomen dat te veel ongegronde, anonieme of zinloze klachten worden ingediend. Gesteld dat die vereiste volledig zou wegvallen, dan zou iemand een klacht onder een valse naam of met een valse identiteit kunnen indienen.

§ 3. Aangezien de klacht kan handelen over uiteenlopende aspecten van de werking van de rechterlijke orde, moet de instantie die de klacht ontvangt, die in haar geheel aan de Hoge Raad bezorgen, opdat de Raad de klacht integraal kan registreren. De Hoge Raad wil een centrale rol spelen als enig orgaan dat belast is met het registreren, het opvolgen en het eventueel behandelen van klachten. Door een openbare centrale klachtendienst in te stellen, beoogt men de rechtzoekenden in de mate van het mogelijke te waarborgen dat de klacht correct en concreet door een onafhankelijke waarnemer zal worden behandeld, om de klacht definitief én bevredigend af te handelen. Door die klachtencentraliserende functie heeft de Hoge Raad voor de Justitie een algemeen overzicht van de klachten betreffende de werking van de rechterlijke orde en kan hij dus de betrekkingen tussen de rechtzoekenden en de rechterlijke orde optimaliseren.

Reeds bij de instelling van de Hoge Raad voor de Justitie hebben de grondwetgever en de wetgever dat nieuwe orgaan belast met het centraliseren van de klachten aangaande de werking van de rechterlijke orde (alsook met het behandelen van de klachten volgens artikel 259bis-15, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek). Daardoor wordt de werklast van instellingen zoals de Onthaal- en Informatiedienst van het Departement Justitie verminderd.

Die bevoegdheden schrappen of wijzigen, zou dus ingaan tegen de bedoeling van de grondwetgever én van de wetgever. In artikel 151, § 3, 8º, van de Grondwet heeft de grondwetgever er tevens op gewezen dat de Hoge Raad voor de Justitie bevoegd is « voor het ontvangen en het opvolgen van klachten inzake de werking van de rechterlijke orde ». Die bevoegdheden reiken dus ver genoeg om efficiënt te kunnen optreden bij klachten over de werking van de rechterlijke orde.

Aangezien de Hoge Raad thans de klachten centraliseert, moet hij ook het rechtscollege aanwijzen dat die klacht verplicht zal behandelen. Aan de klager wordt tevens meegedeeld naar welk rechtscollege de Hoge Raad de klacht heeft verwezen.

§ 4. Deze paragraaf stelt de algemene procedureregels vast voor de behandeling van klachten. Het betrokken rechtscollege moet onverwijld melding maken van de ontvangst van de klacht. Het informeert de klager dat de zaak bij hem aanhangig is en bezorgt hem een kopie van de interne klachtenregelingsprocedure, om de klager mee te delen hoe de zaak verder zal verlopen.

Door middel van een koninklijk besluit wordt de klachtenregelingsprocedure vastgelegd.

Aangezien de Hoge Raad voor de Justitie belast is met de follow-up van de klachten, is het vanzelfsprekend dat de bevoegde rechtscolleges hun uitspraken aan de Raad overzenden, zodat die kan nagaan of het probleem van de rechtzoekende opgelost is. Gezien de onlangs voorgestelde procedureregeling lijkt het raadzaam te bepalen dat de klacht van de rechtzoekende behandeld moet zijn binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop het rechtscollege de klacht ontvangt.

Krachtens het grondbeginsel dat de rechten van de verdediging in acht moeten worden genomen, moet de persoon tegen wie de klacht is gericht of voor wie de klacht bezwarend is, indien nodig en zo hij dat wenst, worden gehoord, alsook in staat worden gesteld zijn opmerkingen aan het rechtscollege mee te delen. Gezien de termijn waarover het rechtscollege beschikt om tot een uitspraak te komen, geldt een extra termijn van één maand ingeval het rechtscollege het raadzaam vindt over te gaan tot het horen van de klager, van de persoon tegen wie de klacht is ingediend dan wel van de persoon voor wie de klacht bezwarend is, en/of wanneer het rechtscollege bijkomende informatie wil inwinnen.

Zodra het bevoegde rechtscollege tot een uitspraak is gekomen, brengt het de Hoge Raad voor de Justitie daarvan op de hoogte, aangezien de Raad de klachten opvolgt tot de eindbeslissing wordt genomen. Het bevoegde rechtscollege brengt daar ook de klager van op de hoogte.

§ 5. Aangezien de bevoegdheid van de Hoge Raad beperkt is tot de klachten over de werking van de rechterlijke orde, is het tevens logisch dat hij niet bevoegd is voor alle andere klachten die daar geen verband mee houden. In dat laatste geval moet de Hoge Raad de klager naar de bevoegde instanties doorverwijzen. Die organen moeten de Advies- en onderzoekscommissies op de hoogte houden van het gevolg dat aan de klacht wordt gegeven.

§ 6. Dit artikel handelt over de subsidiaire bevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie om een klacht in de eerste lijn te behandelen. Het is immers zo dat de Advies- en onderzoekscommissie de klacht uitsluitend behandelt indien geen enkel ander rechtscollege bevoegd lijkt of indien de commissie het raadzaam acht de klacht zelf rechtstreeks te behandelen.

De Advies- en onderzoekscommissie heeft een ruime slag om de arm om op te treden, maar kan de klacht niet behandelen wanneer die ressorteert onder de straf- of tuchtrechtelijke bevoegdheid van andere rechtscolleges, wanneer de klacht handelt over de inhoud van een rechterlijke uitspraak of nog indien het doel kan worden bereikt via andere gewone of buitengewone rechtsmiddelen.

In dat geval wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde instanties, teneinde de onafhankelijkheid van de rechterlijke orde in acht te nemen. Behalve in de gevallen waarin de Advies- en onderzoekscommissie niet bevoegd is, kan zij de klachten in eerste instantie behandelen in het kader van een door haar vast te stellen procedure.

Wanneer de Advies- en onderzoekscommissie een klacht behandelt, brengt zij zulks ter kennis van de korpschef van het rechtscollege en van de korpschef of van de hiërarchisch meerdere van de persoon tegen wie de klacht is gericht, alsook van de persoon tegen wie de klacht is gericht of voor wie de klacht bezwarend is, en wel op het tijdstip waarop zij zulks nuttig acht. In dit geval geldt dus dezelfde vereiste als wanneer een instantie een klacht behandelt.

Krachtens het grondbeginsel volgens hetwelk de rechten van de verdediging in acht moeten worden genomen, moet de persoon tegen wie de klacht is gericht of in wiens nadeel de klacht kan uitvallen, worden gehoord en zijn opmerkingen naar voren kunnen brengen in de Advies- en onderzoekscommissie. Dezelfde procedure geldt wanneer een rechtscollege een klacht behandelt.

Zo zij zulks nuttig achten, kunnen de Advies- en onderzoekscommissies gerichte aanbevelingen doen nadat de klacht is afgehandeld, om een oplossing voor het aanhangig gemaakte probleem aan te reiken. De Advies- en onderzoekscommissie die de klacht behandelt, deelt de klager mee welk gevolg aan zijn klacht werd gegeven.

§ 7. Dit artikel omschrijft de tweedelijnsbevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie.

De Advies- en onderzoekscommissies moeten de klacht behandelen wanneer de klager geen voldoening heeft gekregen voor het rechtscollege of wanneer het rechtscollege niet binnen de gestelde termijn heeft gereageerd.

Door de rechtzoekende de mogelijkheid te bieden in bepaalde omstandigheden naar de Hoge Raad voor de Justitie te gaan ontstaat de mogelijkheid een tweede lezing te houden van de klacht of de behandeling te onderzoeken die zij in eerste instantie heeft gekregen.

De Advies- en onderzoekscommissies kunnen dan als bemiddelaar optreden om de band tussen de rechtzoekende te verstevigen. Zij kunnen ook specifieke aanbevelingen doen voor individuele klachten.

§ 8. Ook al is de Hoge Raad voor de Justitie bevoegd om eventueel klachten te registreren en te behandelen inzake de werking van de rechterlijke orde sensu lato, toch is hij van oordeel dat hij tegemoet kan komen aan de herhaalde verzoeken van de rechtzoekende om te kunnen rekenen op een eenvormige en transparante procedure bij de behandeling van de klachten. Aangezien de Hoge Raad voortaan wordt beschouwd als een centraliserend orgaan voor klachten en krachtens de bevoegdheden hem verleend door artikel 151, § 3, van de Grondwet, kan de Raad aanbevelingen doen.

Naast de specifieke aanbevelingen die de Hoge Raad kan doen in het kader van een bijzondere klacht, kan hij eveneens algemene aanbevelingen doen over de werking van de rechterlijke orde om tot een betere dienstverlening aan het publiek te komen en die aanbevelingen aan de betrokken instanties aan de minister van Justitie en aan het Parlement overzenden.

§ 9. Ter wille van een snelle en doelmatige behandeling lijkt het raadzaam de aanbevelingen van de Advies- en onderzoekscommissies inzake specifieke aanbevelingen of van de Verenigde Advies- en onderzoekscommissie wat betreft algemene aanbevelingen niet te onderwerpen aan de vormvereisten dat zij goedgekeurd moeten worden door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie. In dat geval volstaat een formele goedkeuring door de Verenigde Advies- en onderzoekscommissie.

§ 10. De Verenigde Advies- en onderzoekscommissie dient minstens eenmaal per jaar een schriftelijke verslag op over de follow-up van de ontvangen klachten.

Artikel 3

Het betreft een technische correctie die is ingegeven door de verandering aangebracht in artikel 259bis-15 van het Gerechtelijk Wetboek.

Karl VANLOUWE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 259bis-15 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, wordt vervangen als volgt :

« § 1. Elke Advies- en onderzoekscommissie ontvangt de klachten over de werking van de rechterlijke orde, met inbegrip van de klachten over het gedrag van de leden van de rechterlijke orde en verzekert de opvolging ervan, tenzij het gaat om :

1º klachten die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheden van andere overheden;

2º klachten met betrekking tot de inhoud van een rechterlijke beslissing;

3º klachten waarvan het doel door middel van het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel kan of kon worden bereikt;

4º klachten die al zijn behandeld en geen nieuwe elementen bevatten;

5º algemene verzoeken om inlichtingen of vragen over dossiers die in behandeling zijn;

6º kennelijk ongegronde klachten.

Onder leden van de rechterlijke orde wordt verstaan de leden van de hoven en rechtbanken als bedoeld in boek I van het tweede deel van dit Wetboek, alsook de personen die onder het gezag van die leden werken, met uitzondering van de leden bedoeld in hoofdstuk Vbis van titel VI van boek I van het tweede deel.

§ 2. Elke belanghebbende kan kosteloos zijn klacht indienen bij de Hoge Raad voor de Justitie.

Om ontvankelijk te zijn, moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn door de klager of door zijn gemachtigde, en de volledige identiteit bevatten van de klager, alsook een bondige beschrijving van de feiten.

De klacht kan ook elektronisch worden ingediend. In dat geval kan de overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid, door de Advies- en onderzoekscommissies aangewezen betrokken korpschef of diens hiërarchische meerdere, een schriftelijke bevestiging van de klacht vragen, die is ondertekend en gedagtekend door de klager of zijn gemachtigde.

§ 3. Elke overheid die een klacht ontvangt zoals bepaald bij paragraaf 1, eerste lid, deelt die integraal mee aan de Hoge Raad voor de Justitie.

Na de klacht te hebben geregistreerd, zenden de Advies- en onderzoekscommissies ze voor behandeling naar de door hen bevoegd bevonden betrokken korpschef of diens hiërarchische meerdere. Tegelijk brengen de Advies- en onderzoekscommissies de klager hiervan op de hoogte.

De registratie van de klacht, alsmede de behandeling ervan en de communicatie tussen de betrokken korpschef of diens hiërarchische meerdere en de Advies- en onderzoekscommissies, geschieden volgens nadere regels welke de Koning bepaalt op voorstel van de Advies- en onderzoekscommissies.

§ 4. De door de Advies- en onderzoekscommissies aangewezen betrokken korpschef of diens hiërarchische meerdere bericht onverwijld ontvangst van de klacht en vermeldt hierbij de datum waarop de klacht werd ontvangen. Tegelijk brengt de betrokken korpschef of diens hiërarchische meerdere de klager van de aanhangigmaking op de hoogte. Op het ogenblik dat de betrokken korpschef of diens hiërarchische meerdere dat nuttig acht, deelt hij de klacht mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of aan de persoon voor wie de klacht bezwarend is.

De Koning regelt de procedure van interne klachtenbehandeling door de aangewezen korpschef of diens hiërarchische meerdere, na advies van de Hoge Raad voor de Justitie.

Elke beslissing wordt met redenen omkleed en wordt gewezen binnen een termijn van drie maanden vanaf de ontvangst van de klacht.

De door de Advies- en onderzoekscommissies aangewezen betrokken korpschef of diens hiërarchische meerdere kan in voorkomend geval beslissen de klager, de persoon tegen wie de klacht gericht is of de persoon voor wie de klacht bezwarend is te horen en bijkomende inlichtingen te vragen. In dat geval kan de termijn van drie maanden tot vier maanden worden verlengd.

De betrokken korpschef of diens hiërarchische meerdere licht de Advies- en onderzoekscommissies en de rechtzoekende in over het gevolg dat aan de klacht is gegeven.

§ 5. Wanneer de Advies- en onderzoekscommissies een klacht ontvangen die geen betrekking heeft op de werking van de rechterlijke orde, wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden die de Advies- en onderzoekscommissies op een met redenen omklede wijze inlichten over het gevolg dat aan de klacht is gegeven.

§ 6. De Advies- en onderzoekscommissies behandelen zelf de klacht indien ze van mening zijn dat geen andere overheid bevoegd is of dat zij het beste geschikt zijn om ze te behandelen. Zij kunnen eveneens een in paragraaf 4 bedoelde klacht zelf onderzoeken wanneer ze niet binnen de vastgestelde termijn is behandeld.

Voor behandeling door de Advies- en onderzoekscommissies komen evenwel niet in aanmerking :

1º klachten die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van andere overheden;

2º klachten met betrekking tot de inhoud van een rechterlijke beslissing;

3º klachten waarvan het doel door middel van het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel kan of kon worden bereikt;

4º klachten die al zijn behandeld en geen nieuwe elementen bevatten;

5º algemene verzoeken om inlichtingen of vragen over dossiers die in behandeling zijn;

6º kennelijk ongegronde klachten.

In die gevallen wordt tot niet-behandeling van de klacht besloten bij een met redenen omklede beslissing waartegen geen enkel beroep open staat. In voorkomend geval wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden die de Advies- en onderzoekscommissies op een met redenen omklede wijze inlichten over het gevolg dat aan de klacht is gegeven.

De klachten die de Advies- en onderzoekscommissies zelf behandelen, worden ter kennis gebracht van de korpschef van het rechtscollege en van de korpschef of hiërarchische meerdere van de persoon op wie de klacht betrekking heeft.

Onverminderd de bevoegdheden van de korpschef of de hiërarchische meerdere, delen de Advies- en onderzoekscommissies de klacht, op het ogenblik dat ze dit nuttig achten, mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of voor wie de klacht bezwarend is.

De Advies- en onderzoekscommissies kunnen beslissen de klager, de persoon tegen wie de klacht gericht is of de persoon voor wie de klacht bezwarend is, te horen. De Advies- en onderzoekscommissies kunnen eveneens deze personen om bijkomende inlichtingen verzoeken op voorwaarde dat hun korpschef of hiërarchische meerdere gelijktijdig wordt verwittigd.

De Advies- en onderzoekscommissies doen in voorkomend geval aanbevelingen ter oplossing van het gerezen probleem.

De Advies- en onderzoekscommissies brengen de klager schriftelijk op de hoogte van de genomen beslissing.

§ 7. Wanneer de klager na afloop van de in paragraaf 4 bedoelde procedure niet tevreden is met het antwoord van de betrokken korpschef of diens hiërarchische meerdere of wanneer deze zonder rechtvaardiging nalaat om binnen de vastgestelde termijn te antwoorden, kan de klager zich wenden tot de Hoge Raad voor de Justitie.

Op basis van de analyse van de klacht, doen de Advies- en onderzoekscommissies, in voorkomend geval, aanbevelingen ter oplossing van het gerezen probleem.

§ 8. Op basis van de klachten kan de Verenigde Advies- en Onderzoekscommissie aanbevelingen ter verbetering van de algemene werking van de rechterlijke orde richten tot de betrokken overheden, de minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.

§ 9. De goedkeuring van de algemene vergadering, zoals bedoeld in artikel 259bis-7, § 2, 1º, is niet vereist voor de aanbevelingen van de Advies- en onderzoekscommissies.

§ 10. De Verenigde Advies- en onderzoekscommissie stelt minstens eenmaal per jaar een schriftelijk verslag op over de opvolging van de ontvangen klachten. »

Art. 3

In artikel 259bis-18, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en vervangen bij de wet van 19 december 2002, worden de woorden « 259bis-15, § 7, » vervangen door de woorden « 259bis-15, § 10, ».

Art. 4

De Koning bepaalt de datum waarop deze wet in werking treedt.

2 december 2010.

Karl VANLOUWE.

(1) Stuk Senaat nr. 3-286/1, 2003/2004.

(2) Stuk Senaat nr. 3-286/2, 2005/2006.

(3) Stuk Senaat nr. 4-1724/1, 2009/2010.

(4) Artikel 151, § 3, 8o, van de Grondwet; artikel 259bis-15, van het Gerechtelijk Wetboek.

(5) Zie Advies van de Hoge Raad voor de Justitie over wetsvoorstel 3-286; dat advies is opgenomen in Stuk Senaat 3-286/2.

(6) Artikel 8 van de wet van 22 maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen.