4-897/1 | 4-897/1 |
20 AUGUSTUS 2008
Dit ontwerp van wet voorziet in de goedkeuring van het Verdrag betreffende een Europees voertuig- en rijbewijs-informatiesysteem (EUCARIS).
Het EUCARIS-verdrag beoogt de tenuitvoerlegging en de exploitatie van een technisch systeem voor de gegevens-uitwisseling in reële tijd tussen de nationale instellingen die in de respectieve landen verantwoordelijk zijn voor de inschrijving van de voertuigen en/of de afgifte van rijbewijzen.
Dit verdrag werd op 29 juni 2000 te Luxemburg ondertekend.door de Bonds-republiek Duitsland, het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
De Belgische autoriteiten hebben in dit verband een voorbehoud gemaakt bij artikel 2 (1) van het Verdrag, inzake het uitwisselen van gegevens over rijbewijzen, dat luidt als volgt :
« In afwachting dat de betrouwbaarheid van het centraal rijbewijsregister in België op voldoende wijze wordt vastgesteld, zal de Belgische overheid enkel deelnemen aan het opzetten en instandhouden van een gemeenschappelijk systeem voor de uitwisseling van voertuiggegevens. Aldus wordt een algemeen voorbehoud gemaakt betreffende al de bepalingen van het verdrag die handelen over de rijbewijzen. »
Niettegenstaande de situatie van vandaag gewijzigd is ten opzichte van het jaar 2000, blijft de Belgische overheid haar voorbehoud met betrekking tot dit punt behouden. Het voorbehoud van vandaag wordt ingegeven door de evolutie binnen de Europese context. In het kader van de Europese richtlijnen met betrekking tot de uitreiking en omwisseling van rijbewijzen is eveneens een uitwisseling van gegevens nodig. Daarom werd er vanuit de commissie reeds het initiatief « RESPER » gelanceerd. Vandaag is er echter nog geen duidelijkheid over het systeem dat door de Europese Commissie weerhouden zal worden. De Belgische autoriteiten verkiezen dan ook een duidelijke beslissing terzake af te wachten zodat bij voorkeur kan worden geïnvesteerd in het officiële systeem dat binnen de Europese Unie zal worden gekozen.
Derhalve zullen de Belgische autoriteiten binnen het EUCARIS-Verdrag enkel deelnemen aan het opzetten en instandhouden van een systeem voor de uitwisseling van voertuiggegevens.
Algemene overwegingen
De afschaffing van de grenzen, inzonderheid tussen de lidstaten van de Europese Unie, en de gelijktijdige toename van het grensoverschrijdend verkeer van personen en goederen, rechtvaardigt het opvoeren van controles, alvorens een voertuig in een ander land opnieuw in te schrijven. Deze controles zijn erop gericht de praktijken van grensoverschrijdende zwarthandelaars in gestolen voertuigen of valse inschrijvingsdocumenten te voorkomen en desgevallend gerechtelijk te vervolgen. Het is de taak van de nationale autoriteiten die voor de inschrijving van voertuigen bevoegd zijn, om met alle mogelijke middelen bij te dragen tot de voorkoming en vervolging van zulke overtredingen.
Daarom hebben de bestuurlijke autoriteiten van de Benelux-landen vanaf 1993 een proefproject uitgevoerd voor de uitwisseling in reële tijd van voertuig-gegevens uit de nationale inschrijvings-bestanden onder de drie deelnemende landen. Dit systeem heeft heel snel zijn deugdelijkheid bewezen. Het heeft ervoor gezorgd dat binnen de twee jaar na de inwerkingtreding van het systeem, de grensoverschrijdende handel in gestolen voertuigen tussen de Benelux- landen aanzienlijk teruggedrongen werd. In 1995 hebben inmiddels Groot-Brittannië en Duitsland zich bij het systeem aangesloten. In hetzelfde jaar hebben de vijf voornoemde lidstaten besloten het systeem verder uit te bouwen door het een stevig wettelijk statuut mee te geven; te dien einde werd gedacht aan een internationale overeenkomst, met name het EUCARIS- verdrag.
Door de wederzijdse uitwisseling in reële tijd van gegevens over ingeschreven voertuigen kunnen de nationale autoriteiten inzonderheid voorkomen dat een gestolen, omgekat of verdacht voertuig in een ander land wordt ingeschreven. Zodra de bestuursorganen voor inschrijving van voertuigen afwijkingen, onregelmatigheden of zelfs pogingen van fraude vaststellen, moeten zij op grond van het Verdrag meteen de politiediensten van hun land inschakelen, opdat deze de in een dergelijk geval opgelegde procedures en onderzoeken zouden kunnen opstarten.
Naast de aanvankelijke bedoeling om te zorgen voor een betere voorkoming en vervolging van de grensoverschrijdende voertuigfraude, draagt EUCARIS eveneens bij tot de verbetering van de kwaliteit, de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van de nationale registratiegegevens van voertuigen. Dit gebeurt onder meer door een onmiddellijke en voortdurende bijwerking van de registratiegegevens aan de hand van een verplichte procedure van wederzijdse gegevensuitwisseling, die door de verdragspartijen werd onder-schreven.
De ondertekening van het EUCARIS-verdrag door de vijf voornoemde staten, heeft nog tal van andere lidstaten van de Europese Unie (Zweden, Letland, Estland, Litouwen, Hongarije, Roemenië), aangezet om hun intenties kenbaar te maken om op hun beurt tot het Verdrag toe te treden. Daarnaast hebben andere EU- Lidstaten (Ierland, Finland, Polen, Tsjechië, Slowakije, Oostenrijk en Italië) en zelfs landen die niet tot de EU behoren (Noorwegen, IJsland en Zwitserland) reeds een grote belangstelling voor EUCARIS-systeem getoond. De geplande uitbreiding van dit systeem tot het overgrote gedeelte van het Europese continent zou in de komende jaren moeten uitgroeien tot een doeltreffend instrument ter bestrijding van de internationale autocriminaliteit.
Bovendien laat het Verdrag toe een concrete invulling te geven aan artikel 9 van richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, waarin gesteld wordt dat de lidstaten elkaar kunnen bijstaan bij de uitvoering van de richtlijn door bilateraal of multilateraal gegevens uit te wisselen inzake de inschrijving van voertuigen en waarbij gebruik kan worden gemaakt van met elkaar verbonden elektronische middelen.
Inzake de bescherming van de persoonsgegevens, eist het EUCARIS-verdrag van alle ondertekende staten van het Verdrag of van alle toetredende staten tot het Verdrag, ten minste de toepassing van de bepalingen en de naleving van de voorwaarden van de richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoons-gegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.
Artikel 1
Dit artikel definieert de termen « Partij » (bij het Verdrag), « centrale registratie-autoriteiten », « nationale verordeningen » en « persoonlijke gegevens ».
Artikel 2
Dit artikel definieert het doel van het EUCARIS- systeem in zijn bijdrage tot 1º de betrouwbaarheid van de gegevens-banken, 2º de preventie en vervolging van overtredingen en 3º de snelle uitwisseling van informatie.
Artikel 3
Dit artikel eist dat de verdragspartijen beschikken over een eigen computer-infrastructuur die de andere Partijen toegang verleent tot de gegevens van de eigen nationale registers.
Artikel 4
Dit artikel legt de Partijen de verplichting op om vooraleer over te gaan tot de herinschrijving van een voertuig afkomstig uit een ander land, vooraf de inschrijving ervan te raadplegen in het voertuigregister van het land van herkomst.
Artikel 5
Dit artikel geeft een opsomming van de gegevens die minimaal beschikbaar moeten zijn in de voertuigregisters die iedere Partij in het kader van de gegevensraadplegingen en -uitwisselingen binnen het EUCARIS- systeem ter beschikking moet stellen van de overige Partijen.
Artikel 6
Dit artikel beschrijft de hypotheses waarin de Partijen dienen maatregelen te treffen om een toestand uit te klaren, wanneer er tegenstrijdigheden of onregelmatigheden worden vastgesteld bij de herinschrijving van een voertuig uit een ander land.
Artikel 7
Dit artikel legt bij herinschrijving van een voertuig de verplichting op dit feit meteen te melden aan de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst van dit voertuig. Dit artikel vermeldt de minimale gegevens die de betrokken Partij aan het land van oorsprong behoort door te spelen.
Artikel 8
Dit artikel regelt de rechtstreekse toegang tot de beschikbare gegevens in het kader van het EUCARIS-systeem. Het legt vast dat alleen de centrale autoriteiten van de Partijen, die verantwoordelijk zijn voor de inschrijving van voertuigen, de beschik-bare gegevens kunnen opvragen.
Artikel 9
Dit artikel verleent binnen het EUCARIS-systeem de Partijen het recht gegevens door te spelen aan de politie-, douane-, gerechtelijke en nationale beveiligings-instanties, op voorwaarde dat deze informatieverstrekking beperkt blijft tot de volgens het Verdrag vooropgestelde doeleinden.
Artikel 10
Dit artikel legt de Partijen op dat alle documenten ontvangen van de centrale autoriteiten van de andere Partijen verantwoordelijk voor de inschrijving van voertuigen, moeten worden ongeldig gemaakt, vernietigd of teruggestuurd naar de afleverende autoriteiten.
Artikel 11
Dit artikel herinnert op formele wijze eraan dat in het kader van het EUCARIS-systeem de tussen Partijen overgedragen informatie uitsluitend binnen de Verdragsdoelstellingen mag worden gebruikt.
Artikel 12
Ingevolge dit artikel heeft de Partij die aan een andere Partij informatie heeft verstrekt, het recht te worden ingelicht over het gebruik van de verstrekte informatie en over de vervolgmaatregelen.
Artikel 13
Ingevolge dit artikel moet de informatieverstrekkende Partij toezien op de nauwgezetheid van de verstrekte informatie en de informatieontvangende Partij meteen inlichten, wanneer de doorgespeelde informatie onjuist blijkt te zijn; bovendien moet de informatie-ontvangende Partij alle verkregen onjuiste informatie onverwijld verwijderen of corrigeren.
Artikel 14
Dit artikel verleent de bij de gegevens-overdracht betrokken personen het recht rechtstreeks te worden ingelicht over de verstrekte informatie en het doel van de communicatie ervan, behalve in de hypothese wanneer overwegingen van openbaar belang zwaarder doorwegen, bijvoorbeeld in het kader van een politieonderzoek.
Artikel 15
Ingevolge dit artikel moeten de Partijen de door andere Partijen verstrekte persoonlijke informatie na een bepaalde periode verwijderen. Wanneer er geen termijn is bepaald, moet de verstrekte persoonlijke informatie worden verwijderd, zodra deze niet langer nodig is voor het doel waarvoor deze werd verstrekt.
Artikel 16
Ingevolge dit artikel moeten de Partijen de nodige technische en organisatorische maatregelen treffen om de beveiliging van de gegevensoverdracht in het kader van het EUCARIS-systeem te waarborgen en om inzonderheid te voorkomen dat onbevoegden tijdens de overdracht deze gegevens kunnen inkijken.
Artikel 17
Ingevolge dit artikel moeten de Partijen een archief aanleggen van de gegevens die zij de jongste twaalf maanden van andere Partijen hebben ontvangen en de reden van raadpleging aangeven.
Bovendien verbiedt dit artikel het gebruik van de gegevens uit dit archief voor andere doeleinden dan controledoeleinden.
Artikel 18
Dit artikel regelt overeenkomstig richtlijn 95/46/EG de toegang tot het EUCARIS-systeem voor de nationale controle-autoriteiten die tot taak hebben toezicht uit te oefenen op de naleving van de bepalingen van het Verdrag inzake de bescherming van persoonsgegevens.
Artikel 19
Dit artikel beschrijft het beheer van het EUCARIS-systeem door een Comité bestaande uit vertegenwoordigers van de nationale autoriteiten van de Partijen die met de inschrijving van voertuigen belast zijn. Bovendien bepaalt dit artikel de verantwoordelijkheid van dit Comité en de modaliteiten van de tenuitvoerlegging van het Verdrag. Voor de besluitvorming is in principe de eenparigheid vereist. Bepaalde beslissingen omtrent problemen van louter technische of operationele aard kunnen evenwel bij een gekwalificeerde viervijfde meerderheid worden getroffen.
Artikel 20
Dit artikel legt de basisprincipes voor de financiering van het EUCARIS-systeem vast. Het bepaalt dat de door een verdragspartij op het nationaal grondgebied gemaakte kosten integraal voor haar rekening vallen en dat de gemeenschappelijke kosten gelijkelijk door de Partijen worden gedragen.
Artikel 21
Dit artikel regelt de aansprakelijkheid van de betrokken Partijen ter schadeloos-stelling van iedere benadeelde persoon die in het kader van het EUCARIS-systeem door het verstrekken van onjuiste gegevens of een wettelijk ontoelaatbare verwerking ervan, schade heeft geleden.
Artikel 22
Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van het Verdrag op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van ontvangst door de depositaris van de neerlegging van de vierde akte van bekrachtiging.
Artikel 23
Ingevolge dit artikel moet elke Partij de depositaris ervan in kennis stellen welke nationale centrale registratieautoriteiten verantwoordelijk zijn voor het beheer van de centrale voertuigregisters.
Artikel 24
Dit artikel beschrijft welke procedure een Staat moet volgen, wanneer hij tot het Verdrag wenst toe te treden.
Artikel 25
Dit artikel wijst de regering van het Groothertogdom Luxemburg aan als depositaris van het Verdrag en definieert bovendien de essentiële verplichtingen van de depositaris.
Artikel 26
Dit artikel bepaalt de procedure die een Staat moet volgen, wanneer hij het Verdrag wenst op te zeggen, alsook de datum waarop zulke terugtrekking van kracht wordt.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Karel DE GUCHT.
De staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister,
Etienne SCHOUPPE.
ALBERT II,
Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
Onze Groet.
Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en van Onze staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, zijn ermee belast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Het Verdrag betreffende een Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (EUCARIS), gedaan te Luxemburg op 29 juni 2000, zal volkomen gevolg hebben.
Gegeven te Nice, 12 augustus 2008.
ALBERT
Van Koningswege :
De minister van Buitenlandse Zaken,
Karel DE GUCHT.
De staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister,
Etienne SCHOUPPE.
VERDRAG
betreffende een Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (EUCARIS).
Het Koninkrijk België;
de Federale Republiek Duitsland;
het Groothertogdom Luxemburg;
het Koninkrijk der Nederlanden;
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
hierna te noemen verdragsluitende Partijen,
Overwegende dat het de taak is van de centrale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de registratie van voertuig- en rijbewijsgegevens om bij te dragen aan de voorkoming, opsporing en vervolging van overtredingen van de verordeningen van individuele Staten;
Erkennende de noodzaak van doeltreffende wederzijdse uitwisseling van informatie over rijbewijsgegevens, om te verzekeren dat personen bevoegd zijn om een voertuig te besturen overeenkomstig nationale en internationale verordeningen;
Tevens de noodzaak erkennende van doeltreffende wederzijdse uitwisseling van informatie over voertuiggegevens, om te verzekeren dat voertuigen op de juiste wijze worden toegelaten en/of geregistreerd zijn voor weggebruik;
Indachtig het belang van zorgvuldige registratie van gegevens omtrent voertuigen en rijbewijzen, die kunnen worden gebruikt in verband met opsporingsonderzoek en vervolging van overtredingen;
Overwegende dat de openbare veiligheid ernstig wordt bedreigd door de toename van internationale criminaliteit waarbij voertuigen zijn betrokken;
Ervan overtuigd dat samenwerking tussen de centrale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de registratie van gegevens omtrent voertuigen en rijbewijzen moet worden versterkt door instelling van procedures die deze autoriteiten in staat stellen om zowel hun activiteiten te coördineren, als ook persoonlijke en andere informatie betreffende de registratie van voertuigen en rijbewijzen uit te wisselen met behulp van nieuwe technologie voor beheer en overbrenging van gegevens;
Overwegende de bepalingen voor bescherming van gegevens van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995;
zijn het volgende overeengekomen :
HOOFDSTUK I
BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1
In dit Verdrag wordt verstaan onder :
1. « Partij » : elke partij bij het Verdrag, dat wil zeggen zowel een verdragsluitende Partij als een Partij die tot het Verdrag is toegetreden :
2. « centrale registratieautoriteiten » : de autoriteiten van de Partijen, die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de centrale registers van voertuigen en rijbewijzen;
3. « nationale verordeningen » : alle wettelijke en administratieve verordeningen van een Partij, voor de tenuitvoerlegging waarvan de centrale registratieautoriteiten van deze Partij geheel of gedeeltelijk verantwoordelijk zijn ten aanzien van :
a) de vergunningverlening of de registratie van voertuigen; en
b) de afgifte en registratie van rijbewijzen;
4. « persoonlijke gegevens » : elke informatie over een bepaalde of identificeerbare persoon.
HOOFDSTUK II
HET OPZETTEN VAN EEN EUROPEES VOERTUIG- EN RIJBEWIJSINFORMATIESYSTEEM (EUCARIS)
Artikel 2
1. De centrale registratieautoriteiten belasten zich met het opzetten en instandhouden van een gemeenschappelijk systeem voor de uitwisseling van gegevens over voertuigen en rijbewijzen, hierna te noemen het « Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem », bekend als EUCARIS.
2. Het doel van het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem is :
i) te verzekeren dat de centrale voertuig- en rijbewijsregisters van Partijen nauwkeurig en betrouwbaar zijn;
ii) bijstand te verlenen bij preventie, opsporing en vervolging van overtredingen van de wetten van individuele Staten op het gebied van rijbewijzen, voertuigregistraties en van andere met voertuigen verband houdende fraude en criminaliteit; en
iii) snel informatie uit te wisselen om de doeltreffendheid van administratieve maatregelen van de relevante autoriteiten in overeenstemming met de nationale verordeningen van Partijen te vergroten.
HOOFDSTUK III
WERKING EN TOEPASSING VAN HET EUROPEES VOERTUIG- EN RIJBEWIJSINFORMATIESYSTEEM
Artikel 3
In het kader van het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem dienen de centrale registratieautoriteiten elkaar inzage te verlenen in een specifiek gedeelte van de gegevens opgeslagen in de centrale voertuigen -en rijbewijsregisters van de Partijen.
Hiertoe dient elke centrale registratieautoriteit te beschikken over haar eigen computerapparatuur die door middel van gemeenschappelijke programmatuur, toegang mogelijk maakt tot de gegevens van haar eigen centrale voertuig- en rijbewijsregisters ter verwezenlijking van het doel van het Verdrag en toegang geeft tot de gegevens van de centrale voertuig- en rijbewijsregisters van de andere Partijen.
Artikel 4
Om het doel, zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, te verwezenlijken, dienen de centrale registratieautoriteiten, door middel van geautomatiseerde procedures, de gegevens uit de centrale voertuig- en rijbewijsregisters na te zoeken als bedoeld in de artikelen 3 en 5 teneinde de volgende taken te verrichten;
a) Centraal voertuigregister :
Indien een aanvraag wordt ingediend voor registratie van een voertuig binnen het verantwoordelijkheidsgebied van een centrale registratieautoriteit en indien dat voertuig eerder is geregistreerd in het verantwoordelijkheidsgebied van een andere centrale registratieautoriteit, dan dient de door de aanvrager verstrekte informatie te worden vergeleken met de informatie uit het centraal voertuigregister van de Partij op wiens grondgebied het voertuig reeds eerder werd geregistreerd.
Indien de door de aanvrager verstrekte informatie tot de conclusie leidt dat het voertuig reeds eerder werd geregistreerd op het grondgebied van een andere Partij, dan moet de door de aanvrager verstrekte informatie ook worden vergeleken met de informatie uit het centraal voertuigregister van die Partij.
b) Centraal rijbewijsregister :
Indien een aanvraag voor een rijbewijs wordt ingediend in het verantwoordelijkheidsgebied van een centrale registratieautoriteit, dan kan die autoriteit door de informatie van de centrale rijbewijsregisters van de andere Partijen te raadplegen, controleren of de aanvrager in het verleden een rijbewijs werd verstrekt dat nog steeds geldig is.
Dezelfde procedure dient te worden gevolgd indien een aanvraag wordt ingediend voor de vervanging of de inwisseling van een rijbewijs dat in het verantwoordelijkheidsgebied van een andere centrale registratieautoriteit is uitgegeven.
Indien een rijbewijs dat is afgegeven in het verantwoordelijkheidsgebied van een andere centrale registratieautoriteit voor registratie wordt aangeboden aan een centrale registratieautoriteit, dienen de gegevens te worden gecontroleerd aan de hand van de informatie van het centrale rijbewijsregister van de Partij op wiens grondgebied het rijbewijs werd afgegeven.
Artikel 5
1. De volgende gegevens dienen voor het opvragen via de geautomatiseerde procedure van de centrale registratieautoriteiten beschikbaar te zijn :
a) Centraal voertuigregister :
i) fabrikant (en model, indien beschikbaar);
ii) identificatienummer van het voertuig;
iii) registratienummer;
iv) datum van eerste registratie;
v) type brandstof en/of type aandrijving;
vi) bevestiging van diefstal.
b) Centraal rijbewijsregister :
i) documentnummer en/of rijbewijsnummer;
ii) achternaam of achternaam bij geboorte, voornamen;
iii) geboortedatum en -plaats;
iv) categorieën;
v) voorwaarden en beperkingen;
vi) geldigheidsduur;
vii) ongeldigverklaring, intrekking, rijverboden, inbeslagneming en inbewaring-stelling;
viii) datum van afgifte.
2. Overeenkomsten betreffende de raadpleging van andere informatie door de centrale registratieautoriteiten in het kader van nationale voorschriften blijven onverminderd van kracht.
Artikel 6
Om het doel, zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, te verwezenlijken, dienen de centrale registratieautoriteiten, in overeenstemming met de nationale voorschriften van de Partijen, erop toe te zien dat activiteiten worden ontplooid om helderheid in de situatie te brengen voordat verdere administratieve maatregelen worden genomen, indien er enige twijfel bestaat over de feitelijke of juridische omstandigheden van de voertuigen of rijbewijzen.
Deze maatregelen dienen in de volgende gevallen te worden genomen :
a) Centraal voertuigregister :
i) indien de door de aanvrager bij het proces voor registratie verstrekte informatie niet is te vinden in het centraal voertuigregister van de Partij op wiens grondgebied het voertuig vermoedelijk eerder is geregistreerd;
ii) indien de door de aanvrager bij het proces voor registratie verstrekte informatie afwijkt van de informatie in het centraal voertuigregister van de Partij op wiens grondgebied het voertuig reeds eerder werd geregistreerd;
iii) indien volgens de informatie in het centraal voertuigregister van een van de Partijen het voertuig waarop de registratieaanvraag betrekking heeft, als gestolen te boek staat.
b) Centraal rijbewijsregister :
i) indien bij het proces van vervanging, inwisseling of registratie van een rijbewijs wordt vastgesteld dat, volgens de informatie van het centraal rijbewijsregister van een van de Partijen, ten name van de aanvrager reeds een geldig rijbewijs is afgegeven;
ii) indien bij het proces van vervanging, inwisseling of registratie van een rijbewijs blijkt dat de door de aanvrager verstrekte informatie niet voorkomt in het centraal rijbewijsregister van de Partij op wiens grondgebied het rijbewijs werd afgegeven of dat deze afwijkend is;
iii) indien bij het proces van vervanging, inwisseling of registratie van een rijbewijs wordt vastgesteld dat, volgens de informatie in het centraal rijbewijsregister van een van de Partijen, de houder van het rijbewijs de rijbevoegdheid is ontnomen en/of zijn rijbewijs is ingetrokken, in beslag of in bewaring is genomen.
Artikel 7
1. Indien een voertuig dat eerder werd geregistreerd op het grondgebied van een van de Partijen, wordt geregistreerd op het grondgebied van een van de andere Partijen, dient de centrale registratieautoriteit dit onmiddellijk te melden bij de centrale registratieautoriteit van de Partij op welker grondgebied het voertuig het laatst werd geregistreerd. De in artikel 5 genoemde registratiegegevens van het voertuig, alsmede de registratiedatum dienen te worden opgegeven.
2. Indien een rijbewijs dat werd afgegeven op het grondgebied van een van de Partijen wordt vervangen, ingewisseld of geregistreerd op het grondgebied van een van de andere Partijen, dient de centrale registratieautoriteit de centrale registratieautoriteit van de Partij die het rijbewijs heeft afgegeven hiervan onverwijld in kennis te stellen. De in artikel 5 genoemde registratiegegevens van het rijbewijs en de datum van vervanging, inwisseling of registratie dienen te worden opgegeven.
Artikel 8
1. Alleen de centrale registratieautoriteiten van de Partijen hebben rechtstreekse toegang tot de ingevolge het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem voor opvraging beschikbare opgeslagen gegevens.
2. Deze autoriteiten zijn namens hun Partij verantwoordelijk voor het juiste functioneren van het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem en nemen de passende maatregelen om te zorgen dat de bepalingen van het Verdrag worden nageleefd.
Artikel 9
Informatie die uit hoofde van het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem wordt overgedragen kan door de centrale registratieautoriteiten, in overeenstemming met de nationale voorschriften van de Partijen en uitsluitend om het in artikel 2, tweede lid, vermelde doel te bereiken, worden doorgegeven aan de administratieve autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de registratie van voertuigen en de afgifte en registratie van rijbewijzen.
In overeenstemming met de nationale voorschriften van de Partijen kan deze informatie uitsluitend worden doorgegeven aan politie-, douane-, gerechtelijke en nationale beveiligingsinstanties om het in artikel 2, tweede lid, vermelde doel te bereiken. Deze informatie mag in geen geval aan een ander orgaan of andere organisatie worden doorgegeven.
Artikel 10
De centrale registratieautoriteiten dienen te verzekeren dat alle van andere centrale registratieautoriteiten ontvangen documenten ongeldig worden gemaakt, worden vernietigd of geretourneerd aan de desbetreffende autoriteit, in overeenstemming met de nationale voorschriften van de Partijen.
HOOFDSTUK IV
BESCHERMING VAN GEGEVENS
Artikel 11
1. De Partijen dienen de ingevolge het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem overgedragen informatie uitsluitend te gebruiken om het in artikel 2, tweede lid, vermelde doel te bereiken.
2. De informatie dient uitsluitend te worden gebruikt in overeenstemming met de nationale voorschriften van de Partijen, tenzij het Verdrag striktere bepalingen dienaangaande bevat.
Artikel 12
Indien er ingevolge het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem informatie wordt uitgewisseld tussen de centrale registratieautoriteiten, dient de centrale registratieautoriteit die de informatie verstrekt er desgevraagd van op de hoogte te worden gesteld voor welk gebruik de verstrekte informatie moet dienen en welke vervolgmaatregelen er worden genomen.
Artikel 13
De centrale registratieautoriteit die de informatie verstrekt, dient toe te zien op de nauwgezetheid van de te verstrekken informatie en te bezien of deze noodzakelijk en passend is in verband met het doel waarvoor deze wordt verstrekt. De relevante nationale voorschriften over de verstrekking van gegevens moeten worden nageleefd.
Indien duidelijk wordt dat er onjuiste informatie is verstrekt of informatie die niet had mogen worden verstrekt, dient de centrale registratieautoriteit die de informatie ontvangt, hiervan onverwijld in kennis te worden gesteld. De centrale registratieautoriteit die de informatie ontvangt, dient de ontvangen informatie dan te verwijderen of te corrigeren.
Artikel 14
De betrokken persoon dient desgevraagd te worden geïnformeerd over de over hem verstrekte informatie en over het gebruik dat hiervan zal worden gemaakt. Verstrekking van deze informatie is niet verplicht, indien in overeenstemming met de nationale voorschriften wordt geoordeeld dat het openbaar belang van het niet-verstrekken van de informatie zwaarder weegt dan het belang van de betrokken persoon bij het verkrijgen van de informatie. Bovendien zijn op het recht van de betrokken persoon om in kennis te worden gesteld van de informatie die over hem beschikbaar is, de nationale voorschriften van toepassing van de Partij op wiens grondgebied om de informatie wordt verzocht.
Artikel 15
Voor zover de nationale verordeningen die van toepassing zijn op de centrale registratieautoriteit die de informatie verstrekt, voorschrijven dat de verstrekte persoonlijke informatie na een bepaalde periode dient te worden verwijderd, dient de centrale registratieautoriteit die de informatie verstrekt de ontvanger van informatie dienovereenkomstig te informeren. Ongeacht deze periodes dient de verstrekte persoonlijke informatie te worden verwijderd zodra deze niet langer nodig is voor het doel waarvoor deze werd verstrekt.
HOOFDSTUK V
BEVEILIGING VAN HET EUROPEES VOERTUIG- EN RIJBEWIJSINFORMATIESYSTEEM
Artikel 16
1. De centrale registratieautoriteiten dienen de benodigde technische en organisatorische maatregelen te nemen om de beveiliging van gegevens in het kader van het Verdrag te verzekeren.
2. Er dienen met name maatregelen te worden genomen om
i) te voorkomen dat onbevoegde personen toegang verkrijgen tot de gegevensverwerkingapparatuur;
ii) te voorkomen dat informatie door onbevoegde personen wordt gelezen, gekopieerd, gewijzigd of verwijderd;
iii) ongeoorloofde ondervraging of overdracht van informatie te voorkomen;
iv) te voorkomen dat informatie tijdens de overdracht door onbevoegden wordt gelezen of gekopieerd.
Artikel 17
De centrale registratieautoriteiten dienen te verzekeren dat er archieven worden aangelegd en dat de door hen bijgehouden archieven op basis van informatie die is betrokken van de centrale registratieautoriteiten van de Partijen voldoen aan de nationale vereisten voor gegevensbescherming.
Deze archieven dienen
i) de reden van raadpleging, details van de geraadpleegde informatie en de datum en het tijdstip van raadplegingen te bevatten;
ii) uitsluitend te worden gebruikt voor controledoeleinden;
iii) passend te worden beschermd tegen onjuist gebruik en tegen ander misbruik en na twaalf maanden te worden verwijderd.
HOOFDSTUK VI
TOEZICHT OP GEGEVENSBESCHERMING
Artikel 18
Elke Partij dient haar nationale toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig richtlijn 95/46/EG te benoemen, die tot taak hebben volledig onafhankelijk toezicht uit te oefenen op de naleving van de bepalingen van het Verdrag inzake gegevensbescherming.
De toezichthoudende autoriteiten oefenen onafhankelijk toezicht en controles uit in overeenstemming met hun nationale specifieke wettelijke voorschriften, om te verzekeren dat de rechten van de desbetreffende personen niet worden geschonden door opvraging en gebruik van de informatie. Voor dit doel hebben de toezichthoudende autoriteiten toegang tot het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem.
HOOFDSTUK VII
ORGANISATIE
Artikel 19
1. Er dient een Raad te worden samengesteld bestaande uit vertegenwoordigers van de centrale registratieautoriteiten van de Partijen. Elke autoriteit heeft één stem, ongeacht het aantal vertegenwoordigers dat elke centrale registratieautoriteit naar de Raad afvaardigt.
De Raad neemt besluiten betreffende de bepalingen van het tweede lid, letter a) aan, met eenparigheid van stemmen, en besluiten betreffende de bepalingen van het tweede lid, letter b), met viervijfde meerderheid.
De Raad keurt zijn eerste Huishoudelijk Reglement met eenparigheid van stemmen goed; latere wijzigingen worden goedgekeurd met viervijfde meerderheid.
2. De Raad is verantwoordelijk voor :
a) de tenuitvoerlegging en de correcte toepassing van de bepalingen van het Verdrag;
b) het juiste technisch en operationeel functioneren van het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem; hij dient met name toezicht te houden op de maatregelen die de centrale registratieautoriteiten nemen in overeenstemming met artikel 16, tweede lid, om de beveiliging van informatie te waarborgen.
3. Stemmen kunnen worden uitgebracht onder voorbehoud van latere bevestiging binnen maximaal twee maanden.
4. Met eenparigheid van stemmen aangenomen besluiten zijn bindend jegens Partijen in het kader van hun nationale voorschriften.
5. Besluiten die bij meerderheid van stemmen zijn aangenomen, hebben voor Partijen die tegen het besluit hebben gestemd, de status van aanbevelingen.
Artikel 20
1. De kosten van exploitatie en toepassing van het Europees voertuigen -en rijbewijsinformatiesysteem door Partijen op hun grondgebied komen voor rekening van de betrokken Partij.
2. Onder voorbehoud van voorafgaande goedkeuring van de Raad komen de gemeenschappelijke kosten in verband met de uitvoering van het Verdrag in gelijke delen voor rekening van de Partijen.
HOOFDSTUK VIII
VERANTWOORDELIJKHEID EN AANSPRAKELIJKHEID
Artikel 21
1. Indien iemand schade heeft geleden als gevolg van wettelijk ontoelaatbare verwerking van informatie waarop het Verdrag betrekking heeft, is de Partij van de centrale registratieautoriteit die de informatie ontvangt, aansprakelijk jegens hem in overeenstemming met haar nationale recht. Zij kan zich niet ontlasten van haar aansprakelijkheid jegens de benadeelde persoon door als excuus aan te voeren dat de schade werd veroorzaakt door de autoriteit die de informatie heeft overgedragen.
2. Indien de Partij van de ontvangende centrale registratieautoriteit een vergoeding betaalt voor schade die werd veroorzaakt door het gebruik van onjuiste of onjuist verstrekte informatie, dan verzoekt die Partij de Partij van de verstrekkende centrale registratieautoriteit om schadevergoeding.
3. De Partij van de verstrekkende centrale registratieautoriteit kan geheel of gedeeltelijk van haar aansprakelijkheid worden ontslagen, indien zij bewijst dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden.
HOOFDSTUK IX
SLOTBEPALINGEN
Artikel 22
1. Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van ontvangst door de Depositaris van de nederlegging van de vierde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring voor de verdragsluitende Partijen die hun akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring hebben nedergelegd.
2. Voor de vijfde verdragsluitende Partij treedt dit in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van ontvangst door de Depositaris van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Artikel 23
Elke Partij dient de Depositaris ervan in kennis te stellen welke nationale centrale registratieautoriteiten verantwoordelijk zijn voor het beheer van de centrale voertuig- en rijbewijsregisters.
Artikel 24
1. Elke Staat die de bepalingen betreffende gegevensbescherming van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 toepast, kan een aanvraag voor toetreding tot het Verdrag indienen.
2. Een dergelijke aanvraag dient schriftelijk te worden ingediend bij de Depositaris en dient met eenparigheid van stemmen te worden goedgekeurd door de Partijen.
3. Akten van toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Depositaris.
4. Voor elke Staat die tot het Verdrag toetreedt, treedt dit in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van nederlegging door die Staat van zijn akte van toetreding.
Artikel 25
De regering van het Groothertogdom Luxemburg fungeert als Depositaris voor het Verdrag.
Deze stelt de verdragsluitende en toegetreden Partijen in kennis van :
a) elke ondertekening;
b) elke aanvraag voor toetreding, bedoeld in artikel 24;
c) elke nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
d) de datum van inwerkingtreding voor een Partij;
e) elke kennisgeving van terugtrekking uit het Verdrag;
f) de overeenkomstig artikel 23 genotificeerde nationale centrale registratieautoriteiten.
Artikel 26
1. Elke Partij kan zich uit het Verdrag terugtrekken te eniger tijd na twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het Verdrag voor die Partij in werking is getreden.
2. Terugtrekking vindt plaats door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris.
3. Een dergelijke terugtrekking wordt van kracht een jaar na ontvangst van een dergelijke kennisgeving door de Depositaris.
TEN BLIJKE WAARVAN de hiertoe naar behoren gevolmachtigde ondergetekenden dit Verdrag hebben ondertekend.
ONDERTEKEND te Luxemburg op 29 juni 2000 in de Duitse, Engelse, Franse en Nederlandse taal, waarvan de vier teksten gelijkelijk authentiek zijn, en waarvan één origineel dient te worden nedergelegd bij de regering van het Groothertogdom Luxemburg, die een gewaarmerkt afschrift hiervan dient te sturen aan iedere verdragsluitende en toegetreden Partij.
Voorontwerp van wet houdende instemming met het Verdrag betreffende een Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (EUCARIS), gedaan te Luxemburg op 29 juni 2000.
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Het Verdrag betreffende een Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (EUCARIS), gedaan te Luxemburg op 29 juni 2000, zal volkomen gevolg hebben.
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 22 mei 2008 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met het Verdrag betreffende een Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (EUCARIS), gedaan te Luxemburg op 29 juni 2000 », heeft het volgende advies gegeven :
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1º, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het voorontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
1. Wanneer bij de afdeling wetgeving van de Raad van State een voorontwerp van wet wordt ingediend houdende instemming met een internationaal verdrag, staat het aan de Raad te onderzoeken of het verdrag in overeenstemming is met de rechtsregels van hogere rang : de Grondwet en de internationale verbintenissen die België heeft aangegaan.
Dit verdrag heeft krachtens artikel 2 ervan tot doel het opzetten en instandhouden, onder de centrale autoriteiten van de verdragsluitende partijen, van een gemeenschappelijk systeem voor de uitwisseling van gegevens over voertuigen en rijbewijzen, « EUCARIS » genaamd.
In het vierde lid van de memorie van toelichting wordt gealludeerd op « een voorbehoud bij artikel 2 van het Verdrag, inzake het uitwisselen van gegevens over rijbewijzen ». De tekst van dit voorbehoud is niet meegedeeld aan de afdeling wetgeving van de Raad van State.
Er zou ten aanzien van het Parlement gezorgd moeten worden voor meer doorzichtigheid in het voorontwerp door de memorie van toelichting aan te vullen met de tekst van het voorbehoud dat is gemaakt bij de ondertekening van het verdrag of dat zal worden geformuleerd bij het indienen van de akten van bekrachtiging. Dit voorbehoud is immers niet onbelangrijk uit praktisch oogpunt, aangezien het gaat om gegevens betreffende de rijbewijzen; deze aangelegenheid heeft betrekking op nagenoeg de helft van de werkingssfeer van dit internationaal verdrag.
2. In zoverre het verdrag betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens die het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kunnen regarderen, stelt het verdrag geen problemen, daar uit de economie van de bepalingen van richtlijn 95/46/EG van het Europees parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (1) blijkt dat artikel 24 van het verdrag eventueel toepasselijk is, welk artikel overigens bepaalt dat elke Staat die een aanvraag indient om toetreding tot het verdrag, de bepalingen van die richtlijn moet toepassen. Daaruit volgt dat, wat België betreft, de verwerking van gegevens met toepassing van de bepalingen van het verdrag valt onder de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
De kamer was samengesteld uit
De heer Ph. HANSE, kamervoorzitter,
De heren P LIÉNARDY en J. JAUMOTTE, staatsraden,
Mevrouw C. GIGOT, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de heer J.-L. PAQUET, eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. LlÉNARDY.
| De griffier, | De voorzitter, |
| C. GIGOT. | Ph. HANSE. |
(1) Zie inzonderheid artikel 18 van het verdrag.