3-2010/3 | 3-2010/3 |
14 FEBRUARI 2007
I. INLEIDING
Dit wetsontwerp, dat onder de verplicht bicamerale procedure valt, werd op 23 december 2006 in de Senaat ingediend.
Tezelfdertijd werd aan de commissie het eveneens verplicht bicamerale wetsontwerp voorgelegd tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie (stuk Senaat, nr. 3-2009), dat op dezelfde datum in de Senaat werd ingediend.
Beide wetsontwerpen werden behandeld in het raam van dezelfde algemene bespreking, aangevuld met hoorzittingen, die hierna opgenomen zijn.
Voor de inleidende uiteenzetting, de bespreking van de artikelen en de stemmingen over wetsontwerp nr. 3-2009, wordt verwezen naar stuk Senaat, nr. 3-2009/4.
De commissie heeft het wetsontwerp nº 3-2010 besproken tijdens haar vergaderingen van 10, 17 en 23 januari, en 14 februari 2007, in aanwezigheid van de minister van Justitie.
II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
A. Inleidende uiteenzetting betreffende wetsontwerp nr. 3-2010
Het voorliggende wetsontwerp beoogt een officiële personeelsvertegenwoordiging te creëren voor de griffiers, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken. Hiermee komt de regering tegemoet aan een reeds lang bestaande en gerechtvaardigde eis van deze leden van de rechterlijke orde voor een formeel inspraakorgaan met betrekking tot de statutaire en organisatorische aangelegenheden.
Vandaag bestaat er geen formele structuur van sociaal overleg tussen deze leden van de rechterlijke orde en de overheid. Anders dan magistraten en personeel van de griffies en parketsecretariaten hadden zij geen formele vertegenwoordiging. Dat leidde tot ongerustheid bij de medewerkers binnen onze hoven en rechtbanken. De vele parlementaire vragen leerden dat de wetgever deze bekommernis deelt.
In het verleden werd geopteerd om de griffiers, referendarissen en parketjuristen op te nemen in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. De eis van onafhankelijkheid laat evenwel niet toe dat zij onder het toepassingsgebied van het vakbondsstatuut van het overheidpersoneel vallen. De Nationale Confederatie van griffiers en het personeel (CENEGER) laat niet na te wijzen dat het Arbitragehof in zijn arrest van 16 december 1998 oordeelde dat de wet van 19 december 1974 betreffende de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel niet van toepassing kon worden verklaard op de griffiers. De minister preciseert bovendien dat ook de Raad van State achteraf in verschillende adviezen (advies 34.815/2, advies 37.797/2) heeft bevestigd dat niet alleen griffiers maar ook de referendarissen en parketjuristen niet onder de wet van 1974 kunnen vallen. In zijn advies bij dit ontwerp herhaalt de Raad van State deze stelling.
Dit belet evenwel niet dat hun vertegenwoordiging bij specifieke wet wordt geregeld. De Raad van State bevestigt uitdrukkelijk dat het gegeven dat voornoemde wet van 19 december 1974 niet van toepassing is op bovenvermelde personen, niet betekent dat ze geen vakbondsstatuut kunnen hebben.
Ook is het voor de Raad van State niet duidelijk in welk opzicht de onverenigbaarheid met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat in de weg staat voor de toepassing van een vakbondstatuut — zoals de CENEGER beweert — aangezien, zoals in het advies weergegeven, « iedere representatieve vakorganisatie haar vertegenwoordigers in de onderhandelings- en overlegcomité vrij kiest en die aanstelling niet het resultaat is van een verkiezing ».
De Raad van State voegt er aan toe dat het tweede en het derde lid van artikel 293 van het Gerechtelijk Wetboek a contrario bevestigen dat andere gerechtelijke ambten dan die welke uitgeoefend worden in een arbeidsrechtbank verenigbaar zijn met een vakbondsmandaat in ongeacht welke representatieve vakorganisatie.
De Raad van State besluit dan ook dat de toepassing van een vakbondststatuut op de leden van de rechterlijke orde geen bezwaar vormt, én dat griffiers, referendarissen bij het Hof van Cassatie, referendarissen en parketjuristen, eenzelfde syndicaal statuut kunnen hebben.
De in het voorliggende wetsontwerp voorgestelde structuur is klassiek en is geïnspireerd op bestaande overlegstructuren binnen de federale Staat. Deze vorm van sociaal overleg heeft zijn waarde bewezen. Het wetsontwerp is tweeledig : vooreerst voorziet het in een onderhandelingscomité en een overlegcomité en ten tweede engageert de overheid zich om met de personeelsvertegenwoordigers te onderhandelen en te overleggen over statutaire en ambtelijke aangelegenheden.
Voorontwerpen van wet en algemene reglementeringen in zaken zoals statuut, weddes, pensioenregeling, arbeidsduur zullen voortaan eerst onderhandeld worden met de vertegenwoordigers van deze personeelsgroepen in het onderhandelingscomité. De conclusies van de onderhandelingen worden opgenomen in een protocol. Meer specifieke regelingen zoals beslissingen over bijvoorbeeld personeelsformatie of arbeidsduur zullen voorgelegd worden aan de vertegenwoordigers binnen het overlegcomité. Na afloop van de discussie zal het overlegcomité een advies uitbrengen over de voorstellen. Naast het nationale overlegcomité, kan de Koning op niveau van het ressort van het hof van beroep basisoverlegcomités oprichten. Zij zullen onder meer de bevoegdheden van een comité voor preventie en bescherming op het werk uitoefenen.
De minister wijst de leden van deze commissie erop dat deze structuur een structuur sui generis is. Het onderhandelingscomité en de overlegcomités van de griffiers, referendarissen en parketjuristen maken geen deel uit van de overlegorganen tussen de syndicale vertegenwoordigers van de ambtenaren en de overheid. De personeelsleden op wie het wetsontwerp van toepassing is vallen dus niet onder het syndicaal statuut van het overheidspersoneel.
Griffiers, referendarissen en parketjuristen krijgen zo voor het eerst formele en reële inspraak over hun statuut en werkomstandigheden. Voorwaarde is wel dat vakorganisaties die hen vertegenwoordigen representatief zijn. Dat zijn enerzijds de vakorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité en anderzijds erkende vakorganisaties die ten minste 25 % van het totaal aantal personen die deel uitmaken van deze beroepscategorie, als lid tellen. Er diende immers evenzeer rekening gehouden te worden met de vrijheid van vereniging als met het bijzondere ambt van griffiers, referendarissen en parketjuristen.
Het is dus mogelijk dat er afzonderlijke vakorganisaties van de griffiers als representatief worden aanvaard, maar op voorwaarde dat zij een belangrijk deel van die beroepscategorie vertegenwoordigen. In dat geval moeten zij aantonen dat zij zeker 25 % van de griffiers als lid tellen. Dit moet de versnippering van het vakbondslandschap tegengaan, en vooral voorkomen dat een organisatie claimt te spreken namens een bepaalde categorie van personeelsleden, terwijl slechts een minimaal aantal van dit gerechtspersoneel aangesloten is.
B. Inleidende uiteenzetting betreffende wetsontwerp nr. 3-2009
Zie stuk Senaat, nr. 3-2009/4.
III. ALGEMENE BESPREKING
Mevrouw Nyssens wijst erop dat wetsontwerpen nrs. 3-2009 en 3-2010 met elkaar verweven zijn.
De minister heeft verwezen naar de raadplegingen die aan beide ontwerpen zijn voorafgegaan. Voor sommige functies waarop de tekst betrekking heeft wordt het personeel vertegenwoordigd door vakbonden, terwijl dat niet het geval is voor andere functies. Mevrouw Nyssens vraagt met wie de regering onderhandeld heeft en welke personeelscategorieën niet gehoord werden omdat zij niet door een vakbond vertegenwoordigd zijn. Zij meent dat een deel van de betrokkenen niet gehoord werd bij gebrek aan vertegenwoordiging.
Spreekster heeft vervolgens vragen bij de grondwettigheid van het stelsel van vakbondsvertegenwoordiging van de griffiers dat in ontwerp nr. 3-2010 wordt voorgesteld. Sinds het arrest van het Arbitragehof van 16 december 1998 maakt het personeel van de griffie deel uit van de rechterlijke orde. Sommigen besluiten daaruit dat het ongrondwettig is dat deze categorie een vakbondsstatuut geniet. Mevrouw Nyssens vraagt dan ook hoe de voorliggende ontwerpen gelezen moeten worden in het licht van het arrest van het Arbitragehof. Hoe kan men verantwoorden dat de griffier, die deel uitmaakt van de rechterlijke orde, toch een vakbondsstatuut verkrijgt ?
Als men het idee van een vakbondsstatuut aanvaardt, moet het tweeledig zijn om rekening te houden met het feit dat de griffier deel uitmaakt van de rechterlijke orde en toch een traditionele vakbondsvertegenwoordiging geniet. Zij meent dat het toepassingsgebied van de klassieke vakbondsvertegenwoordiging op zijn minst beperkt moet worden wegens de aard van het betrokken personeel. De Raad van State heeft deze opmerking ook gemaakt.
Mevrouw Nyssens heeft ook vragen bij het tijdsschema van de voorgestelde hervormingen. De regering heeft ervoor gekozen beide wetsontwerpen gelijktijdig in te dienen. Ware het niet beter geweest te wachten op het instellen van de vakbondsvertegenwoordigingen om pas daarna de functies, de bezoldiging, enz. te bepalen ?
Welke politieke keuze verklaart dat men nu reeds de functies en bezoldigingen vaststelt terwijl het juist de taak is van de vakbondsvertegenwoordigingen om daaraan mee te werken ?
Spreekster verwijst vervolgens naar de kritiek van universitair gediplomeerden, die functies uitoefenen waarmee zij volgens het voorliggende vorstel niet kunnen doorstoten tot niveau A. Hoe kan men deze personen, die noch hoofdgriffier, noch griffier — hoofd van dienst zijn, uitleggen dat zij in niveau B zullen blijven ? De sector reageert kritisch op dit punt, temeer daar het ontwerp griffiers in niveau B onderbrengt, terwijl de andere categorieën (parketjuristen en referendarissen) in niveau A worden ondergebracht. Stemmen anderzijds niveau's A, B, C en D overeen met niveau's A, B, C en D van de ambtenaren ?
Mevrouw Nyssens vraagt bovendien uitleg over de weging van de functies in het wetsontwerp. De regering merkt op dat men met een aantal punten van kritiek op het wetsontwerp rekening zal houden bij de weging van de functies. Wie zal die weging uitvoeren ? Hoe zal dit de bruuske gevolgen van de hervorming voor een aantal loopbanen verzachten ?
Ten slotte hebben de referendarissen de gelegenheid gehad om te herinneren aan een aantal eisen met betrekking tot hun loopbaan. Wat kan men aanbieden aan referendarissen die een ambitieuzere loopbaanplanning wensen ? Is het mogelijk om een brug te bouwen naar de magistratuur ?
Wat betreft het overleg, herinnert de minister eraan dat zij dat in eerste instantie in informele vergaderingen gedaan heeft, en vervolgens in officiële vergaderingen met de vakbondsvertegenwoordigers van het hele personeel.
Tijdens de informele vergaderingen hebben de vakbonden een beroep gedaan op expert-griffiers. De regering heeft onderhandeld met vertegenwoordigers van de vakbonden, waarvan de delegaties zo waren samengesteld dat de belangrijkste betrokkenen aanwezig waren. Om zoveel mogelijk rekening te houden met de meningen van mensen uit de praktijk, heeft de minister in de marge van haar informele vergaderingen met de vakbonden, ook informeel vergaderd met CENEGER.
De minister verklaart dat zij de verschillende actoren meermaals heeft gehoord tijdens informele contacten. De officiële vergaderingen zijn gehouden met de erkende vakbonden.
De regering meende overigens dat men niet hoefde te wachten op de voltooiing van de hervorming van het vakbondsstatuut om op andere vlakken vooruitgang te boeken. Er is al lang gewacht op wetsontwerp nr. 3-2009, dat de loopbaan van de griffiers en het personeel van niveau A regelt. Reeds in april 2003 heeft de toenmalige regering hierover een protocolovereenkomst ondertekend. De minister heeft daarom altijd aan verschillende projecten tegelijk gewerkt die enerzijds tot doel hadden de werking van het gerecht te verbeteren maar anderzijds ook om de positie van het personeel van de rechterlijke orde te versterken. Als men in twee fases had gewerkt door eerst het vakbondsstatuut te herzien en pas later over de andere elementen van het personeelsstatuut te spreken, zouden de lang verwachte hervormingen er nog later zijn gekomen.
Wat de vraag betreffende de grondwettigheid van het wetsontwerp betreft, verwijst de minister naar haar inleidende uiteenzetting bij het wetsontwerp tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de rechterlijke orde, referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en rechtbanken (stuk Senaat, nr. 3-2010).
De Raad van State heeft er in zijn advies nr. 40 936 (stuk Senaat, nr. 3-2010/1) op gewezen dat niet alleen de griffiers maar ook de referendarissen en de parketjuristen buiten de werkingssfeer van de wet van 19 december 1974 vielen.
Dat belet niet dat de vertegenwoordiging van de betrokken personen bij een afzonderlijke wet wordt geregeld. De Raad van State bevestigt uitdrukkelijk dat de niet-toepasbaarheid van de genoemde wet van 1974 op de genoemde personen niet betekent dat er voor hen geen vakbondsstatuut kan worden uitgewerkt.
De Raad ziet ook niet in in welk opzicht de onverenigbaarheid met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat in de weg staat aan de toepassing van een vakbondsstatuut — zoals CENEGER beweert — aangezien iedere representatieve vakorganisatie haar vertegenwoordigers in de onderhandelings- en overlegscomités vrij kiest en die aanstelling niet het resultaat is van een verkiezing.
De minister besluit hieruit dat de Raad van State een duidelijk standpunt heeft ingenomen over de grondwettigheid van het voorgestelde systeem van syndicale vertegenwoordiging.
Wat de mobiliteit naar het niveau A betreft, antwoordt de minister dat men nu al naar dat niveau kan opklimmen, door griffier-hoofd van de dienst te worden of een ander ambt van niveau A te gaan bekleden.
Zij herinnert aan de cijfers die zij heeft opgesomd in haar inleidende uiteenzetting. Gezien de huidige situatie in de rechterlijke orde, mocht men het ambt van griffier niet overkwalificeren omdat dat negatieve gevolgen zou hebben.
Met betrekking tot de weging van de functies, verwijst de minister naar artikel 15 van het ontwerp nr. 3-2009. De voorgestelde oplossing wordt ook toegepast in het federaal openbaar ambt. De weging wordt uitgevoerd door een wegingscomité.
Wat de loopbaan van de referendarissen betreft, begrijpt de minister de eisen van die groep. Moet er een vierde toegangsweg tot de magistratuur worden ingevoerd ? Zij herinnert eraan dat de invoering van een derde toegangsweg veel verzet had opgewekt in het Parlement en veel ontevredenheid bij de gerechtelijke stagiairs. Spreekster is evenwel bereid om alle mogelijke voorstellen te onderzoeken die de referendarissen makkelijker toegang zouden bieden tot de magistratuur.
Mevrouw de T' Serclaes verheugt zich over de indiening van beide ontwerpen. Zij passen in een ruime opgevatte modernisering van het gerecht en spreekster hoopt dat beide ontwerpen vóór het einde van de zittingsperiode kunnen worden goedgekeurd. Het wettelijk kader voor de modernisering komt stilaan tot stand maar het zal nog lang duren eer men de gevolgen in de praktijk voelt.
Zij pleit ervoor dat in de ontwerpen duidelijk wordt vastgesteld welke de verantwoordelijkheden zijn van de verschillende actoren en op welke manier zij hun taken moeten uitvoeren. Ook de Hoge Raad voor de Justitie heeft deze opmerking gemaakt. De Hoge Raad voor de Justitie lijkt evenwel niet in staat om zelf duidelijk de taken van de korpschef te definiëren en daarbij een onderscheid te maken tussen zijn managementstaken en de intellectuele steun die hij de magistraten van het korps moet bieden.
De modernisering kan alleen lukken als er een mentaliteitswijziging plaatsvindt. Men raakt maar moeilijk los van de tradities en het moderne beheer vindt moeilijk ingang. De hele rechterlijke orde moet worden begeleid in dat proces van verandering. Dat is de taak van de commissie voor de Modernisering die bij wet van 20 juli 2006 is opgericht. Dan zou deze commissie wel effectief operationeel moeten zijn vóór het einde van de zittingsperiode zodat de verschillende stukken van de puzzel die moeten leiden tot de modernisering van de rechterlijke orde op hun plaats kunnen vallen.
Om leemten of overlappingen te voorkomen, is het van essentieel belang dat met de hulp van de magistraten de taken van de verschillende actoren van de rechterlijke orde worden vastgesteld.
De minister stelt voor een tabel voor te leggen van de manier waarop de verschillende ontwerpen op elkaar ingrijpen.
Mevrouw de T' Serclaes geeft een voorbeeld bij haar uitspraak over de noodzaak van een taakverdeling tussen de verschillende actoren. In het ontwerp staat dat de griffier de magistraten bijstaat en zijn taken voorbereidt. Wat is in dat verband de rol van de referendaris, de parketjurist, enz ?
De rol van de griffier wordt vrij algemeen bepaald, wat een speelruimte laat die tot blokkering van het systeem kan leiden. Ze pleit er bijgevolg voor dat men zorgvuldig nagaat in hoeverre de diverse ontworpen artikelen garanderen dat eenieders taken goed gedefinieerd worden, zodat het uiteindelijke doel, namelijk een beter beheer van het gerecht, bereikt wordt.
De minister is het hiermee eens.
Mevrouw Zrihen denkt dat men zich vanuit het standpunt van de rechtzoekende slechts kan verheugen over het indienen van beide wetsontwerpen. Voor de rechtzoekende is het gerecht nog een labyrint. Het is dus wenselijk dat men meer duidelijkheid brengt in die organisatie, door de verschillende niveaus beter te structureren, de verantwoordelijkheden nader te bepalen en de functieprofielen vast te leggen.
Spreekster verwijst naar de algemene herziening van de weddeschalen die in de Waalse overheidsdiensten heeft plaatsgevonden. Ze heeft de positieve gevolgen van dat beleid kunnen vaststellen : de bij het proces betrokken personen handelen proactiever omdat men meer duidelijkheid heeft gebracht in hun taken, hun functies en hun statuut. Elk individu heeft die duidelijkheid nodig om beter in een organisatie te functioneren.
Voorliggende wetsontwerpen brengen meer duidelijkheid in de rechterlijke orde zodat zowel mensen van buiten als van binnen het instituut justitie opnieuw vertrouwen zullen krijgen in dit fundamentele instrument.
De minister sluit zich daar volmondig bij aan. Ze denkt dat men ook de hervormingen die worden voorgesteld in verband met de rechtzoekende en zijn relatie met justitie moet analyseren. Ze herinnert eraan dat de rechterlijke orde uit ongeveer 10 000 mensen bestaat. Daarvan heeft minder dan twintig procent als taak recht te spreken.
De heer Hugo Vandenberghe meent dat argumenten met betrekking tot management niet thuishoren in het debat over voorliggend wetsontwerp.
Spreker stipt aan dat de burger vaak processen voert met de overheid.
Justitie moet geïsoleerd zijn omwille van de scheiding der machten, maar bevindt zich uiteraard niet in een geïsoleerde wereld; op de input heeft Justitie zelf geen enkele greep.
Wat betreft het labyrint, verwijst spreker naar de programmawetten en de wetten houdende diverse bepalingen, die een enorm aantal bepalingen bevatten en door de Senaat worden gejaagd in een drietal dagen. De rechters dienen aldus te werken met een enorm aantal wetten die voordurend gewijzigd worden. Het is al te eenvoudig het probleem van Justitie te herleiden tot een probleem van de rechterlijke macht. Uiteraard is er wel verbetering mogelijk. Hoever staat het trouwens met de uitwerking van het Themisplan ?
De minister antwoordt dat het Themisplan uitgewerkt wordt.
De heer Hugo Vandenberghe vraagt zich af of het ooit tot resultaten zal leiden.
Spreker blijft erbij dat de wijze waarop de Senaat wordt behandeld, vaak ongrondwettelijk is. Spreker verwijst naar de amendementen, en de verantwoording ervan, die hij heeft ingediend op de programmawetten en de wetten houdende diverse bepalingen.
Er zijn heel wat praktische problemen die nog dienen te worden opgelost. Spreker haalt de moeilijkheden aan die bestaan bij de informatisering van de rechterlijke macht.
Voorliggend wetsontwerp betreft het statuut van het personeel van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan.
Spreker verwijst naar het advies van de Raad van State, waar deze stelt dat het ontwerp niet toepasselijk is op gerechtelijke stagiairs en referendarissen van het Hof van Cassatie. Het is echter wel van toepassing op referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken. Is dit zo gebleven ? Ongeacht de vraag wie juist onder het statuut dient te vallen, rijst ook de vraag of er voldoende reden is om het onderscheid te maken en de betreffende categorieën afzonderlijk te behandelen.
Verder oordeelt de Raad van State dat er buitensporige machtigingen aan de Koning worden verleend (zie stuk Senaat,3-2009/1, blz. 239) : « Wat betreft de aan de Koning verleende machtigingen die vervat zijn in de artikelen 15 en 16 (organisatie van het systeem van onderverdeling in klassen, functies, vakrichtingen, functiefamilies), 58 (nadere regels voor de vergelijkende selectie), 76 (gecertificeerde opleidingen) en 87 (nadere regels voor de beoordeling gegeven in het ontworpen artikel 287quater, § 2, eerste lid) wordt verwezen naar de opmerkingen die hierna worden gemaakt ... ».
Een derde opmerking betreft het feit dat de memorie van toelichting stelt dat de rechterlijke macht nader dient te worden betrokken bij de werking. Nochtans merkt de Raad van State op (stuk Senaat, nr. 3-2009/1, blz. 240) dat de bevoegde instanties van de rechterlijke macht een minder gewichtige rol gaan spelen : « Dit komt onder meer voort doordat, behalve voor attachés bij de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, het ontwerp de bepalingen opheft die aan de rechterlijke macht of aan de Hoge Raad voor de Justitie een rol toekenden bij de keuze van de personen die nauw met magistraten moeten samenwerken. ». Dit uit zich op het vlak van de voordracht van de kandidaten en de rol van de korpschef; ook het advies van de hoofdgriffier voor een hele reeks benoemingen is afgeschaft.
Evenzo zijn bevordering gekoppeld aan het slagen voor gecertificeerde opleidingen, waarin de rechterlijke macht geenszins een rol speelt.
De opleiding van personeelsleden wordt georganiseerd door de Koning.
Spreker verwijst tevens naar het advies van de Hoge Raad voor de Justitie waarin de pluspunten van het voorontwerp worden opgesomd : « Bij wijze van voorbeeld kan worden verwezen naar de mogelijkheid tot oprichting van een steundienst bij een hof, rechtbank of parket, die kansen biedt om specialisten in dienst te nemen in een degelijk statuut. Deze specialisten zullen bijdragen tot een performanter beheer van de gedecentraliseerde entiteiten. Evenzo bevat het voorontwerp de mogelijkheid voor referendarissen en parketjuristen om een loopbaan uit te bouwen binnen het veld van de juridische ondersteuning van magistraten. Het voorontwerp bevestigt voorts dat de hoofdgriffier de leiding uitoefent over de griffie, maar dan wel onder het gezag en het toezicht van de korpschef. Het voorontwerp legt ook nog de grondslag voor een betere objectivering van de benoemingen in de betrokken functies en voor een meer professionele benadering dankzij uitgewerkte en doelgerichte opleidingen. ».
De Hoge Raad voor de Justitie klaagt het ontbreken van een totaalvisie aan op de rechterlijke organisatie.
De minister meent dat de Hoge Raad voor de Justitie het belang van voorliggende ontwerpen voor de hele dynamiek van modernisering van de rechterlijke orde niet heeft kunnen inschatten.
De heer Hugo Vandenberghe leest vervolgens de tekst voor van de Hoge Raad voor de Justitie over het ontbreken van een totaalvisie.
Uit het voorontwerp blijkt evenmin een diepgaande reflectie over de verschillende ondersteunende rollen. Hierbij wordt onder meer gedacht aan rol van de referendarissen en parketjuristen enerzijds, en de griffiers en parketsecretarissen anderzijds.
Zo zal het beperkt aantal juristen, zoals het voorontwerp bepaalt, ertoe leiden dat veel magistraten niet of onvoldoende kunnen rekenen op de hoogstaande juridische bijstand en zich voor bijstand bij een gelijkblijvende situatie nog steeds tot het personeel van hun griffie of hun secretariaat zullen moeten wenden.
In die logica valt het ten zeerste te betreuren dat het voorontwerp voor de griffiers en parketsecretarissen niet dezelfde bekwaamheidsvereisten garandeert die de magistraten van deze medewerkers mogen verwachten.
Het statuut van de griffier is bijzonder zorgwekkend : de griffier is zelf lid van de rechterlijke orde (arrest nr. 138/98 van 16 december 1998 van het Arbitragehof), de bewaker van de procedure en wordt door het Gerechtelijk Wetboek belast met het vervullen van tal van taken waarvoor hij speciaal en persoonlijk aansprakelijk is. In de actuele toestand vereisen deze taken tal van hoogstaande bekwaamheden (uiteraard juridische, maar ook op het vlak van organisatie, financiën, informatica, ...).
Bij de onderhandelingen die over de modernisering van de rechterlijke orde werden gevoerd, eisten de griffiers op in niveau A te worden geplaatst.
Het voorontwerp brengt hen onder in het niveau B.
De Hoge Raad voor de Justitie dringt er verder op aan dat het nuttig zou zijn een gedetailleerde analyse uit te voeren van alle essentiële functies binnen de rechterlijke organisatie.
Ten slotte wenst spreker enkele nadere preciseringen over de bestaffing, het personeelskader. Het wetsontwerp voorziet immers, voor de rechtbanken van eerste aanleg en de vredegerechten, een uitgebreid personeelskader. Welke parameters zijn er gebruikt om het aantal griffiers vast te stellen ?
In verband met de opmerkingen van de Raad van State waarnaar vorige spreker heeft verwezen, verklaart de minister dat de regering daar punt na punt op heeft geantwoord in de memorie van toelichting of door de tekst van het voorontwerp van wet aan te passen (zie stuk Senaat nr. 3-2009/1).
Zo werd de tekst van het wetsontwerp substantieel aangepast inzake de vele machtigingen aan de Koning die werden voorgesteld in het voorontwerp van wet. De regering heeft het van essentieel belang geacht op die opmerking van de Raad van State te antwoorden, ook al ging daarbij enige flexibiliteit verloren.
Op de vraag over het toepassingsgebied van wetsontwerp nr. 2009 antwoordt de minister dat de referendarissen van het Hof van Cassatie er inderdaad niet onder vallen. Het Gerechtelijk Wetboek biedt hun reeds een hele reeks specifieke bepalingen, bijvoorbeeld wat hun salaris en de bijzondere voordelen betreft. De regering heeft daarom verkozen een specifiek statuut voor de referendarissen van het Hof van Cassatie te behouden en ze buiten het toepassingsgebied van het ontwerp te houden.
Wat het advies van de Hoge Raad voor de Justitie betreft, geeft de minister toe dat de Raad belangrijke vragen stelt, bijvoorbeeld over de rol van de referendarissen, of het opportuun is alle magistraten referendarissen toe te wijzen, enz. Voor men op die vragen kan antwoorden, moet men een kader hebben dat het statuut van de referendaris, zijn mobiliteitsmogelijkheden, zijn functie, enz. regelt. Wanneer die gegevens gekend zijn, is het mogelijk op grond daarvan antwoorden te geven op de vragen die de Hoge Raad voor de Justitie stelt. De minister denkt dat de Hoge Raad niet heeft begrepen dat men eerst de grondslagen moet hebben die door voorliggende wetsontwerp gedefinieerd worden, voor men op de andere vragen over de organisatie van het gerechtelijk instituut kan antwoorden.
In verband met het aantal griffiers wijst de minister erop dat het uitgangspunt een bestaande toestand is. Soms worden aanpassingen gevraagd aan de griffiersformatie van een of ander rechtscollege. Meestal geldt de ontwikkeling van het aantal dossiers of magistraten als criterium. De minister hecht echter ook belang aan gegevens die minder kwantificeerbaar zijn. Ze denkt meer bepaald aan de maatschappelijke rol van bepaalde rechtscolleges.
Wat de rol van de Senaat betreft, wijst de minister erop dat ze steeds blijk heeft gegeven van respect voor de Hoge Vergadering. Ze herinnert eraan dat ze bij de Senaat verscheidene wetsontwerpen heeft ingediend die volgens de bicamerale procedure moesten worden behandeld. Voor het einde van de zittingsperiode zullen nog andere ontwerpen in eerste lezing bij de Senaat worden ingediend. Ze betreurt dan ook dat men kritiek op haar heeft wat dat betreft, terwijl ze steeds oog heeft gehad voor het evenwicht tussen de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.
De heer Hugo Vandenberghe oppert dat het niet de bedoeling is een intentieproces te maken. Spreker betwist niet dat bepaalde belangrijke wetsontwerpen eerst in de Senaat zijn ingediend. Dit is trouwens ook een garantie voor een kwaliteitsvolle aanpak, wat de commissie steeds tracht te doen. Dit staat echter los van het feit dat spreker de wijze waarop programmawetten en wetten houdende diverse bepalingen door de Senaat worden gejaagd niet kan aanvaarden. Dit is geen persoonlijke kritiek op de regering. De opmerkingen van de Raad Van State werden door spreker opnieuw aangehaald aangezien hierop niet is gereageerd in de memorie van toelichting. Bij de artikelsgewijze bespreking zal uiteraard een grondiger onderzoek kunnen plaatsvinden.
Na dat debat heeft de commissie beslist de volgende organisaties te horen :
— CENEGER, vertegenwoordigd door de heer Vanmaldegem, bestuurslid
— Vakbondsorganisaties
• ACV Openbare diensten, vertegenwoordigd door de heer Johan Vermeire
• CSC Services publics, vertegenwoordigd door de heer Gaston Merkelbach, vakbondssecretaris
• CGSP/ACOD, vertegenwoordigd door de heer Jean Lizen, federaal secretaris
• SLFP/VSOA, vertegenwoordigd door mevrouw Pascale Gossiaux, federaal voorzitter
— AJUREF, vertegenwoordigd door de heer Christophe Defossez, voorzitter.
IV. HOORZITTINGEN
A. Uiteenzetting door de heer Vermeire, vertegenwoordiger van de syndicale organisaties
De heer Vermeire legt volgende nota neer :
« Onze organisatie heeft, samen met de 2 andere representatieve vakorganisaties, op 17 oktober 2005 een protocol getekend voor akkoord met de minister van Justitie, de minister van Begroting en de minister van Openbaar ambt in verband met de hervorming van de loopbaan voor de secretarissen en het gerechtelijk personeel van niveau A.
In dat protocol verbindt de Overheid zich ertoe om dezelfde integratieregels en dezelfde overgangsmaatregelen met dezelfde geldigheidsduur toe te passen voor de adjunct-griffiers, de griffiers, de griffiers hoofd van dienst en de hoofdgriffiers, alsmede op de referendarissen en de parketjuristen.
We zijn blij dat dit ontwerp thans in behandeling is en het zal u waarschijnlijk niet verbazen dat onze organisatie hoopt dat deze ontwerpen zo vlug mogelijk wet worden.
Inderdaad, deze ontwerpen moderniseren de loopbanen van het betreffende personeel, herzien het geldelijk statuut en gaan naar een marktconforme verloning, bouwen een competentiegericht loopbaanbeleid uit, creëren een transparantie, doorgroeimogelijkheden en loopbaan-perspectieven en bieden een oplossing aan het probleem van de representatie van sommige personeelsleden.
Deze ontwerpen bieden aan de nieuw aan te werven personeelsleden een aantrekkelijk pakket en bieden aan alle personeelsleden actueel in dienst alle garanties voor een verdere loopbaanplanning zonder nieuwe voorwaarden. Wij vinden dat zeer evenwichtige ontwerpen.
Natuurlijk zijn er nog een paar spanningsvelden ...Ook bij de leden van onze organisatie.
Reeds van bij de aanvang van de onderhandelingen stonden voor onze organisatie 2 grote eisen vooraan :
— het behoud van de gelijkheid tussen griffier en secretaris;
— het personeel vanaf de graad van adjunct-griffier, adjunct-secretaris moet behouden blijven in niveau A.
Wat de gelijkheid tussen griffier en secretaris betreft was er vrij vlug een eensgezindheid tussen alle onderhandelaars, gezien deze onderhandelingen geenszins de bedoeling hadden wijzigingen aan te brengen aan het functionele.
Een moeilijker punt was de invulling van alle personeelsleden in niveau A.
Duidelijk was dat de overgrote meerderheid van de huidige personeelsleden een diploma « hoger secundair » bezitten (staat gelijk met niveau C) en slechts 9 % een universitair diploma hebben.
Eveneens duidelijk was dat, toekomst gericht, er een opening moet gecreëerd worden voor « bachelors ».
Het aanvaarde compromis is naar onze mening een « win-win » voor iedereen :
— gezien er geen verschil in functie is tussen adjunct-griffier en griffier of adjunct-secretaris en secretaris wordt enkel nog de graad van griffier en secretaris weerhouden;
— de nieuwe vacatures voor griffier en secretaris worden ingevuld door « bachelors » en niveau's C die het examen slagen niveau B;
— het actueel benoemd personeel heeft, na het in werking treden van dit wetsontwerp als wet, gedurende 6 jaar overgangsmaatregelen die hen een loopbaanplanning garanderen zonder bijkomende voorwaarden;
— de nieuwe weddeschalen voor griffier en secretaris evenaren de begin weddeschaal voor een niveau A (uiteraard met toevoeging van de competentiepremie).
Op basis van deze voorstellen hebben onze leden zich unaniem akkoord verklaard voor een inschaling in niveau B en voor leidinggevend personeel (hoofd van dienst en hoofdsecretaris en hoofdgriffier) niveau A.
Nadat hopelijk deze ontwerpen wet zullen worden is een gigantische stap gezet voor 9 000 personeelsleden van de Rechterlijke Organisatie. Voor reeds 5 000 onder hen is de wet al in voegen.
Het personeel van Rechterlijke Organisatie worden geen ambtenaren maar zullen in vergelijking met de ambtenaren op een gelijkwaardige manier behandeld worden naar arbeidsvoorwaarden en omstandigheden.
Wat ons betreft is dat heel belangrijk als vertrek situatie voor een eventuele hervorming van de Rechterlijke Organisatie ... Het personeel heeft hiermee de waardering dat het verdient.
Als organisatie zijn we heel fier dat we hieraan hebben kunnen meewerken en zijn zeer tevreden met het evenwichtig resultaat. ».
B. Uiteenzetting door de heer Vanmaldegem, vertegenwoordiger van CENEGER
De heer Vanmaldegem, legt volgende nota's neer :
« Verloop onderhandelingen loopbaanhervorming
Voorjaar 2002
Drijvend op het elan van Copernicushervorming manifesteerden de vakbonden om voor het personeel van de griffies en parketten het « verhoogd vakantiegeld » en de « lineaire verhoging 1 % » af te dwingen.
Dat siert hen. Zij zijn immers wettelijke vertegenwoordigers van het personeel onder syndicaal statuut (administratief personeel + secretarissen).
Oktober 2002
Het overleg daarover van overheid en vakbonden wordt gebruikt om onderhandelingsagenda voor herziening loopbanen vast te leggen. Niemand anders mag erbij betrokken worden.
N.B. : « De overheid engageert zich om dezelfde regeling toe te passen voor de « griffiers » ».
Die voetnoot moet laten uitschijnen dat enkel over loopbaanhervorming voor personeel en secretarissen (vallend onder syndicaal statuut) zal worden onderhandeld.
Wie zijn gesprekspartners ? In hoofdorde parketsecretarissen (en permanente vertegenwoordigers) !
Griffiers worden niet vertegenwoordigd gezien ze niet onder syndicaal statuut vallen. (Theoretisch verhinderen wet 1974 en arrest Arb. te onderhandelen over loopbaanhervorming « griffiers ».)
In eerste fase zal de loopbaanhervorming niveaus D, C en B worden afgehandeld.
In tweede fase zullen dezelfde onderhandelaars doorzetten over de loopbaanhervorming niveau A en « griffiers ».
Toepassingsgebied loopbaanhervorming wordt uitgewerkt in « globale filosofienota ».
Auteurs : FOD Justitie (Juridische Cel, Dienst personeelszaken)
Opmerkelijk : De overheid legt in oorspronkelijke nota het onderscheid vast tussen het ambt van « griffier » en dat van « secretaris ». Ze gaat uit van een hogere waardering voor de « griffier ».
De vertegenwoordigers van vakbonden (overwegend secretarissen) protesteren !
« De ongelijkheid tussen griffiers en secretarissen die de overheid waarneemt steunt op de wettelijke onderbouw in verband met verantwoordelijkheid. Indien er een wettelijke onderbouw is of gecreëerd wordt in verband met verantwoordelijkheid voor secretarissen is er dus geen ongelijkheid meer. » (zie verslag CCOD, 19 april 2005).
De secretarissen eisen « maximale gelijkheid » en de overheid bindt in !
Zij werden als geprivilegieerde gesprekpartners door niemand gehinderd om eigen belang voorop te stellen.
(N.B. : Bedenking van de griffiers : kabinet wou vooruit met project loopbaanhervorming. De optrekking van sommige weddenschalen van secretarissen zal de overheid wat meer geld kosten. Maar de griffiers handhaven op niveau A zou een zwaardere budgettaire last zijn. Dus de niet-vertegenwoordigde griffiers worden in het lager niveau B ondergebracht.)
Over « verantwoordelijkheid » en « opdrachten » van de griffiers kon geen fundamenteel debat worden gevoerd.
De functieomschrijving werd aan de rechterlijke macht niet voorgelegd.
Griffiers zijn op geen enkel moment op een wettelijke wijze vertegenwoordigd geweest. Ook niet door de syndicaten (griffiers vallen niet onder syndicaal statuut).
Elke vraag of voorstel (initiatiefnemer beroepsvereniging CENEGER) om met een vertegenwoordiging van griffiers te overleggen is genegeerd.
De minister heeft de uitsluiting steeds ontkent en op meerdere interpellaties geantwoord dat de « griffiers » wel werden betrokken.
De memorie van toelichting verwoordt die stelling zeer omzichtig :
« De personeelsgroepen die deel uitmaken van dit project en die niet ressorteren onder het syndicaal statuut werden gecontacteerd en geïnformeerd over dit ontwerp ».
In werkelijkheid :
Herhaalde schriftelijke vragen werden afgewezen.
Na de persconferentie op 06 januari 2005 « Griffiers monddood » en de actie « doven van licht » in de griffies volgde een uitnodiging van het kabinet aan de beroepsvereniging.
De griffiers kregen op 15 maart 2005 « toelichting » over de filosofienota.
Op 14 juli 2005 maakten griffiers hun standpunt over met betrekking tot hun afwezigheid bij het overleg.
Op 17 oktober 2005 tekende de overheid met de syndicaten een protocol van akkoord.
Op 24 oktober 2005 werden de griffiers uitgenodigd op kabinet om hen het akkoord mede te delen.
Op 27 oktober 2005 heeft de beroepsvereniging schriftelijk heftig geprotesteerd bij de minister.
Conclusie :
Verloop van onderhandelingen tart de democratische principes.
Griffiers werden niet vertegenwoordigd en niet gehoord.
Syndicaten (secretarissen ?) onderhandelden over de loopbaan van een doelgroep (griffiers) die door de wet (1974) nadrukkelijk aan hun bevoegdheid is onttrokken.
Akkoord over hervorming kwam tot stand na onderhandeling met syndicale vertegenwoordigers (= secretarissen) die slechts 26,2 % van de doelgroep uitmaken.
Met andere woorden : deze loopbaanhervorming wordt de griffiers door de strot geduwd !
De memorie looft de « officiële representanten van het personeel ». Dat moet zijn de « minderheids representanten » !
Kers op de taart :
Bij afronding van de loopbaanonderhandeling hebben de vakbonden zich er bovendien van verzekerd om de griffiers (leden van de rechterlijke orde) in hun syndicale greep te krijgen.
De minister is gezwicht voor de druk (compensatie medewerking) van de vakbonden en heeft in zeven haasten een pseudo-syndicaal statuut ontworpen voor de griffiers.
1ste blad van de memorie :
« Van een « ambtenarisering » van het personeel van rechterlijke organisatie is echter geen sprake ».
En de onderwerping aan het syndicaal statuut dan ? Geldt dat niet als de absolute bekrachtiging van de ingeslagen weg der « ambtenarisering » ?
De griffiers zijn leden van de rechterlijke orde en maken integrerend deel uit van de Rechterlijke macht. Quid met het standpunt van de Rechterlijke Macht ?
De HRJ wijst in zijn advies (29 november 2006) op « het ontbreken van een totaalvisie op de rechterlijke organisatie ».
De HRJ dringt er op aan een functieanalyse uit te voeren voor alle essentiële actoren van de diensten van de rechterlijke orde.
Voorbehoud ten gronde met betrekking tot wetsontwerp 3-2009
Hervorming loopbaan Niveau A
Wij wijzen de noodzaak aan loopbaanhervorming niet af. We vinden er diverse positieve aspekten in. Enkele punten keuren we af en geven een summiere opsomming van onze principiële bezwaren. Voor grondiger argumentatie en tegenvoorstellen verwijzen we naar onze gepubliceerde standpunten ter zake (zie De Schakel, nr. 78, blz. 6/13).
De loopbaanhervorming beantwoordt niet aan de intentie van deze regeermeerderheid weergegeven in het regeerakkoord van 17 juli 1999, namelijk : « de opwaardering van taken en het statuut van de griffiers en de parketsecretarissen ».
De functie van griffier wordt in het bestek van de loopbaanhervorming onderschat.
De functiebeschrijving negeert de complexiteit van te beheersen materies, de vereiste expertise, en de eigen verantwoordelijkheid verbonden aan het ambt.
De noodzakelijke autonomie van de griffier, zijn rol van neutrale waarnemer, het belang van de bewaker van het procesverloop, en de verantwoordelijkheid, die inherent en essentieel zijn voor het ambt, werden niet afgewogen ten aanzien van aanverwante ambten en worden dus ook niet gevalideerd.
De griffier werd tot op heden steeds beschouwd en behandeld als functionaris van niveau 1.
Door hem voortaan in te delen bij het niveau B ondergaat de functie een feitelijke « degradatie ».
De griffiers licentiaten in de rechten, in een lagere graad dan hoofdgriffier of hoofd van dienst, worden gecatalogeerd in het niveau B.
Dat is een degradatie en discriminatie ten aanzien van de licentiaten in de rechten die, onder dezelfde diplomavoorwaarden, zijn toegetreden tot het ambt van referendaris/parketjurist.
Het ambt van « griffier » (niveau B) draagt belangrijke bij wet opgelegde en sanctioneerbare verantwoordelijkheden, terwijl de functie van « referendaris/parketjurist » (niveau A) niet belast is met bij wet opgelegde verantwoordelijkheden.
De opheffing van de graad van « adjunct-griffier » is nefast voor de praktijkopbouw en vorming van jonge medewerkers. Wij stellen als alternatief deze inloopfunctie te behouden en een bijkomende kwalificatievereiste op te leggen aan de kandidaat-griffier (niet houder van het diploma lic. de rechten).
De benoeming via werving in de graad van hoofdgriffier lijkt ons niet werkbaar en is een risico op destabilisering van de goede werking van de griffie. Wie de griffie moet leiden hoort expertise op het terrein van de rechterlijke organisatie te bezitten.
Onderwerping van (hoofd)griffier aan gezag en leiding van de korpsoverste stelt probleem voor verantwoordelijkheid inzake goede werking en sommige opgelegde taken.
De « verambtelijking » wordt ongetwijfeld bewerkstelligd door :
— de gelijkschakeling inzake verantwoordelijkheid met een ambt zonder eigen verantwoordelijkheid;
— de nivellering van het niveau voor de meerderheid van de griffiers (van A naar B);
— de distanciëring van de functie van referendaris/parketjurist (behoud niveau A)
— de toenemende ondergeschiktheid aan de magistraat-korpsoverste;
— de nieuwe duiding en omkadering in het Ger.W.;
— de onderwerping aan een pseudo syndicaal statuut
(« ... het overleg plaats heeft in het kader van het ambtenarenstatuut zodat, in de praktijk, een gelijkschakeling (tussen het statuut van griffier en dat van rijksambtenaar) vergemakkelijkt zou kunnen worden ». cf. RvS, advies 25.923/1).
Voorbehoud met betrekking tot wetsontwerp 3-2010
Regeling betrekkingen overheid/griffiers
Principiële overwegingen
De wetgever heeft voorzien dat de magistraten en de griffiers uitgesloten worden voor de toepassing van de wet van 19 december 1974 op het syndicaal statuut.
In 1998 heeft het Arbitragehof de wetsaanpassing, om de griffiers toch te onderwerpen aan het syndicaal statuut, vernietigd.
Vanuit dat oogpunt is het verwerpelijk dat met het huidige wetsontwerp een nieuwe poging wordt ondernomen om de griffiers aan een pseudo-syndicaal statuut te onderwerpen.
De context waarin zulks gebeurt, en het feit dat noch de Rechterlijke Macht, noch de griffiers zelf daaromtrent zijn geconsulteerd, wijzen op de onverzoenbare ingesteldheid van de overheid.
Omtrent de context :
Gedurende 10 jaar liet de overheid de voorstellen ongeroerd om een adviesraad voor de griffiers op te richten naar het model voor de magistratuur, aanhankelijk als orgaan aan de Hoge Raad voor de Justitie, en ter beschikking van de minister en de wetgevende vergaderingen.
Dat opzet vloeide voort uit de « Intentieverklaring met de actoren van Justitie » (29 februari 1996), onder meer onderschreven met de griffiers, en aanzet tot oprichting van de HRJ en aanhorige adviesraden.
Het huidig initiatief tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de betrokkenen (= griffiers) komt er ná beëindiging van een fundamentele herschikking van hun loopbaan, wedden, en statuut.
De machtsgreep van de vakbonden, die deze « coup » wisten af te dwingen van de overheid als sluitstuk van het eenzijdig overleg over de loopbaanhervorming, is derhalve manifest.
Omtrent de wettigheid en toepasbaarheid :
De griffier is een orgaan van de rechterlijke macht en behoort tot de rechterlijke orde. Zijn statuut sluit nauw aan bij dat van de magistraten. De griffiers moeten een zekere onafhankelijkheid bewaren, reden waarom zij totnogtoe uit de werkingssfeer van de wetten betreffende het syndicaal statuut werden gehouden.
Dat uitgangspunt is ongewijzigd en verplicht om een gelijke behandeling van de leden van de rechterlijke orde in acht te nemen en de eenheid van stelsels na te streven die op hen toepasbaar kunnen zijn.
De argumentatie van het arrest (16 december 1998) van het Arbitragehof is duidelijk, blijft gestand en verplicht om gerespecteerd te worden.
Onder voorbehoud van een diepgaander onderzoek adviseert de Raad van State niet afwijzend over het wetsontwerp.
Opmerkelijk toch wel is dat de recente « Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State ... » (en loopbaanbijsturing) het vakbondsstatuut voor de griffiers van de Raad van State niet voorziet !
Functionele overwegingen
De toepassing van een vakbondsstatuut, en de naleving van de er uit voortvloeiende arbeidsvoorwaarden en regels inzake werkorganisatie, zijn onverenigbaar met het specifieke karakter en de uitoefening van het ambt van griffier (rechtstreekse bijstand, samenwerking met de magistraten).
De behoefte aan een sociale dialoog met de griffiers is bijzonder reëel.
Dat geldt niet minder voor de magistratuur. Haar representativiteit door geëigende organen wordt door de overheid evenwel niet in vraag gesteld.
Reden temeer waarom het orgaan van een adviesraad voor de griffiers op analoge wijze zou kunnen tegemoetkomen om het sociale overleg te structureren.
Afgezien van de noodzaak aan sociaal overleg bestaat bij de griffiers de behoefte over een neutrale consultatieve raad te beschikken die over ambtelijke en organisatorische aangelegenheden kan adviseren en voorstellen kan richten aan de overheid.
Wij herinneren eraan dat de HRJ de bevoegdheid heeft de werking van de rechterlijke organisatie te beoordelen en terzake aanbevelingen te doen aan de overheid. Bij gebrek aan consultatief orgaan blijven de griffiers, motor van die rechterlijke organisatie, geïsoleerd en van elke inspraak uitgesloten.
Daar kan de structuur uitgewerkt in het ontwerp van de minister niet aan tegemoet komen.
Ondemocratische besluitvorming
Volgens de memorie van toelichting is de voorliggende structuur van de minister een structuur sui generis.
Daarmede refereert de minister ongetwijfeld aan de mogelijkheid om (erkende) vakorganisaties die alle categorieën van griffiers vertegenwoordigen op te nemen in het onderhandelings- en overlegcomité.
Momenteel is er één unieke beroepsvereniging die daarvoor in aanmerking zou kunnen komen (en die wij vertegenwoordigen). Dat maakt het des temeer onbegrijpelijk en onaanvaardbaar dat wij niet werden geconsulteerd bij de voorbereiding.
Dat de overheid de vertegenwoordiging en de belangenverdediging niet wenst te delen met andere erkende vakorganisaties (synoniem voor beroepsvereniging) mag blijken uit de representativiteitsvoorwaarden die ze oplegt met terugwerkende kracht.
Conclusie
Wij wijzen het voorliggend ontwerp van de hand en zullen ons met alle middelen verzetten tegen de invoering ervan.
De griffiers sluiten niet uit dat een structuur sui generis om de betrekkingen met de overheid en andere organen te regelen tot de mogelijkheden kan behoren, maar achten het noodzakelijk bij het voorbereidend overleg ter zake op correcte wijze te worden betrokken. »
C. Uiteenzetting van de heer Defossez, vertegenwoordiger van AJUREF
De heer Defossez legt volgende nota voor :
Opmerkingen van AJUREF over het wetsontwerp, ingediend bij de Senaat op 23 december 2006, tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie.
Het doel van dit wetsontwerp is de loopbaan van de referendarissen bij de hoven en rechtbanken en van de parketjuristen te veranderen.
Toch heeft de indiener van het ontwerp de leden van dat ambt niet geraadpleegd, terwijl het een representatieve organisatie heeft, namelijk AJUREF, waarvan de leden verkozen worden door de referendarissen en de parketjuristen.
De indiener van het ontwerp heeft weliswaar vakbondsorganisaties geraadpleegd, maar ten eerste zijn die geenszins representatief voor de referendarissen en de parketjuristen en ten tweede hebben zij nooit met leden van het ambt contact opgenomen om hun mening te vragen.
We stellen dus vast dat de regering wat de referendarissen en parketjuristen betreft, een fundamentele hervorming wil doorvoeren zonder leden van het betreffende ambt te raadplegen, in tegenstelling tot wat in de memorie van toelichting (blz. 7) wordt beweerd.
Ondanks het ontbreken van die raadpleging, bevat de hervorming een aantal positieve ontwikkelingen voor ons ambt. Het gaat onder andere om de voorrang voor de interne mobiliteit, de opwaardering van het ambt op het gebied van het salaris, de uitbreiding van het ambt tot de arbeidshoven en arbeidsrechtbanken en tot de rechtbanken van koophandel en het in aanmerking nemen van de ervaring aan de balie van bij het begin bij het berekenen van de loonanciënniteit.
Toch moet AJUREF vaststellen dat het ontwerp opmerkingen en kritiek oproept waarvan er een aantal fundamenteel zijn. Dit is de inhoud ervan.
De loopbaan van de referendarissen bij de hoven en rechtbanken en van de parketjuristen
De hiërarchisering van de ambten
Wanneer men het wetsontwerp leest, wordt het ambt van referendaris en van parketjurist opgesplitst in 5 klassen, van A1 tot A5, waarbij men slechts toegang krijgt tot de hoogste klasse door middel van bevordering.
Het wetsontwerp brengt ook met zich dat het ambt van referendaris en van parketjurist voor elke klasse afzonderlijk zal worden beschreven, waarbij het niveau van bekwaamheid en verantwoordelijkheid voor elke klasse hoger is.
We moeten de wetgever erop wijzen dat die hiërarchisering van de functie in geen geval overeenstemt met wat ze in werkelijkheid is, en wel om de volgende redenen.
1º De opsplitsing in 5 klassen is niet werkbaar indien elke klasse zich onderscheidt door een andere beschrijving van de te verrichten taken.
De aard van het werk van een referendaris is immers vrij eenvoudig te definiëren en het is overbodig dit in 5 klassen te willen opsplitsen.
Zo verricht de referendaris van een burgerlijk rechter in hoofdzaak slechts twee soorten taken, te weten :
— antwoorden op de door de rechter gestelde vragen,
— een ontwerp van vonnis opstellen.
Ook het werk van de referendaris bij de correctionele rechter beperkt zich tot drie soorten verrichtingen :
— verslag van het strafdossier,
— antwoorden op de door de rechter gestelde vragen,
— een ontwerp van vonnis opstellen.
Aan de parketjuristen wordt gevraagd onder het toezicht van de magistraat de onderzoeken te beheren van bij het begin tot het opstellen van het ontwerp van rechtstreekse dagvaarding. Men vraagt zich af hoe zij de onderzoeken nog behoorlijk kunnen beheren, als hun functie in vijf klassen wordt onderverdeeld.
Het definiëren van de 5 afzonderlijke klassen zal onvermijdelijk functieverschillen met zich brengen die dus overbodig zullen zijn en geen enkele relatie met de praktijk hebben.
2º De aard van het werk van de referendaris of de parketjurist hangt niet af van een classificatie die men op eenvormige wijze voor de hele rechterlijke orde tot stand kan brengen, maar van het aantal magistraten waarvoor hij werkt. Dat aantal verschilt sterk naar gelang van de rechtscolleges en de parketten.
Wanneer een referendaris bijvoorbeeld voor 15 magistraten werkt, kan hij voor elke magistraat slechts af en toe aan een verzoek voldoen. Maar wanneer hij voor 2 magistraten werkt, moet hij, indien hij niet werkloos wil blijven, een deel van hun taken overnemen, zoals het opstellen van een ontwerp van vonnis.
3º De aard van het werk van de referendaris of de parketjurist wordt fundamenteel bepaald door de vraag van de magistraat.
Elke magistraat heeft zijn persoonlijke opvatting over het werk dat hij aan de referendaris of aan de parketjurist wil geven.
Zo vragen sommigen de referendaris een ontwerp van beslissing op te stellen nadat zij hem hebben ingelicht over de manier waarop ze willen beslissen. Wanneer het om een referendaris gaat met weinig dienstervaring voor het rechtscollege, worden hem de eenvoudigste en kortste ontwerpen gegeven. Zodra de referendaris enkele jaren ervaring in het rechtscollege heeft, zullen sommige rechters hem vragen complexe ontwerpen op te stellen.
Andere rechters wensen alleen een beroep op de referendaris te doen voor een welbepaald juridisch probleem dat in een dossier rijst. Die rechters vragen de referendarissen niet om ontwerpen van beslissingen op te stellen.
Wanneer men de taken van de referendaris en van de parketjurist bij wet classificeert, betekent dat onvermijdelijk dat de magistraten verplicht zullen zijn de classificatie in acht te nemen. Dat lijkt ons helemaal verkeerd, want het doet de vrijheid van de magistraat teniet om zelf te beslissen wat hij aan de referendaris en aan de parketjurist vraagt. Zo kan men zich voorstellen dat het de rechters bijvoorbeeld verplicht wordt het opstellen van ontwerpen van vonnissen aan referendarissen te vragen of dat het hun juist verboden wordt.
Overigens stellen we vast dat de beschrijving van de taken van de referendarissen en van de parketjuristen door de Koning zal worden bepaald en zal afhangen van het koninklijk besluit betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel, alsook van een wegingscomité bestaande uit leden afkomstig uit de rechterlijke macht, maar ook uit de uitvoerende macht. Het is echter niet duidelijk hoe de Koning, rekening houdend met de scheiding der machten, op die grond de inhoud van het ambt van referendaris en van parketjurist kan bepalen en op die manier de magistraten kan opleggen hoe ze met hun juridische medewerkers moeten werken.
4º Heeft de indiener van het ontwerp er rekening mee gehouden dat de aard van het werk van referendaris en van parketjurist hoofdzakelijk te maken heeft met de hoedanigheid van de magistraat voor wie hij werkt ?
Zo verschilt het werk van de referendaris al naargelang hij een correctioneel rechter, een onderzoeksrechter, een jeugdrechter of een burgerlijk rechter bijstaat of al naargelang hij een kamer van drie rechters of een kamer met één rechter bijstaat.
Bovendien ontwikkelt elke referendaris en parketjurist vanzelfsprekend juridische kennis in de materie die de magistraat behandelt voor wie hij werkt. Heeft de indiener van het ontwerp rekening gehouden met de gevolgen van de mobiliteit op de hiërarchisering van de ambten ? Nemen we het voorbeeld van een referendaris van klasse A4 afkomstig van de burgerlijke afdeling van de rechtbank van eerste aanleg die wordt toegewezen aan de onderzoeksafdeling. Aanvankelijk is zijn kennis nihil in vergelijking met zijn collega's-referendarissen van niveau A2 en A3 die reeds in de onderzoeksafdeling werken. In dat geval lijkt het onterecht dat die referendaris van klasse A4 een hogere functie kan hebben dan zijn collega's.
5º In de memorie van toelichting van voorliggend ontwerp leest men ook dat de hoogste klassen leidinggevende ambten zullen bevatten.
Dit is onmogelijk voor referendarissen en parketjuristen, die geenszins geroepen zijn om gezag over hun collega's of over de personeelsleden uit te oefenen.
Uit hetgeen voorafgaat aangaande de referendarissen en de parketjuristen moeten wij dus besluiten dat het ontwerp zuiver bureaucratisch van aard is en helemaal niet overeenstemt met de realiteit of de werkelijke noden. Het advies van AJUREF sluit dus aan bij dat van de Hoge Raad voor Justitie (zie ontwerp, blz. 257).
AJUREF moet het parlement er dus op wijzen dat de voorgestelde hiërarchisering van de functies van de referendarissen en parketjuristen — als ze wordt goedgekeurd — vaak onuitvoerbaar zal blijken of gewoon niet zal worden toegepast.
Wat de functieomschrijving betreft, vindt AJUREF dat er een brede, flexibele definitie moet worden gehanteerd, zodat de functie zoveel mogelijk aan de diverse noden van de magistraten zou beantwoorden.
Wij begrijpen dat de indiener van het wetsontwerp carrièremogelijkheden aan de functie wil verbinden. AJUREF vindt echter dat de indiener, wat de referendarissen en de parketjuristen betreft, zijn doel niet bereikt omdat hij een systeem creëert dat bureaucratisch is en de onafhankelijkheid van de rechter niet in acht neemt.
Het wetsontwerp zit op een dwaalspoor wanneer het meent carrièremogelijkheden te kunnen bieden aan de referendarissen en de parketjuristen door, binnen de functie zelf, een hiërarchisering zonder inhoud in te voeren. Kunnen zeggen dat men tot een betere klasse behoort dan andere collega's van een lagere klasse, is niet wat de referendarissen en de parketjuristen willen.
De referendarissen en de parketjuristen zouden graag kunnen uitkijken naar een werk met verantwoordelijkheden, dat intellectueel interessant is. Het wetsontwerp beperkt die mogelijkheid, aangezien een aantal verantwoordelijkheden alleen toegankelijk zullen zijn wanneer men tot de hogere klassen behoort, wat afgaande op het ontwerp meerdere jaren in beslag kan nemen.
Carrièremogelijkheden ontstaan ook door de mogelijkheid om zijn kennis en ervaring uit te breiden door interne mobiliteit in de functie. Op dat vlak betekent het wetsontwerp dan weer ontegensprekelijk een stap vooruit.
Specifiek met betrekking tot de parketjuristen, zou AJUREF dit graag zien als de functie van « parketsecretaris » in Nederland. Deze krijgt in de loop van zijn carrière handtekeningsbevoegdheid bij het beheer van de onderzoeken en de graad van officier van gerechtelijke politie, wat de magistraat ontlast zonder zijn bevoegdheden aan te tasten.
Wij stellen overigens vast dat het voorstel voorziet in doorgroeimogelijkheden naar de functies van griffier-hoofd van dienst en hoofdgriffier en ook naar de federale overheidsdiensten. Hoewel dit niet negatief is, willen wij de wetgever laten weten dat deze doorgroeimogelijkheden niet binnen de gewone ambities van de referendarissen en parketjuristen liggen.
Onze functie beantwoordt aan een welomlijnde noodzaak binnen de rechterlijke orde en mag niet uitsluitend worden beschouwd als een toegangspoort naar de magistratuur.
Toch — en dit is daarmee niet onverenigbaar — hebben veel referendarissen en parketjuristen de ambitie om magistraat te worden. AJUREF vindt het dus jammer dat de wetgever de functie niet op dezelfde manier benadert als de functie van advocaat en meer bepaald als derde toegangsweg tot de magistratuur. Onze functie ligt immers het dichtst bij de functie van magistraat.
De functie zou wel aantrekkelijker gemaakt kunnen worden als ze verenigbaar was met de functie van plaatsvervangend rechter, vermits de anciënniteit als referendaris of parketjurist al wordt meegeteld voor een benoeming in die functie (artikelen 188 en 192 van het Gerechtelijk Wetboek). AJUREF stelt dus een amendement in die zin voor : zie voorstel van amendement nr. 1.
Evolutie van de wedden
Wanneer wij het ontwerp lezen, stellen wij vast dat de evolutie van de wedden uitsluitend verbonden is met het slagen voor een vergelijkend examen (« vergelijkende selectie » genaamd) dat toegang geeft tot een hogere klasse, dan wel voor een gecertificeerde opleiding.
Dit systeem lijkt ons fundamenteel ongepast voor de functies van referendaris en parketjurist.
Het is immers onlogisch dat een persoon die zich minder inzet voor zijn werk beter betaald kan worden, alleen om dat hij geslaagd is voor een gecertificeerde opleiding of een vergelijkende selectie, terwijl iemand die eigenlijk rendabeler is geen recht zou hebben op een weddeverhoging omdat hij niet is geslaagd voor die proeven. In dit verband willen we aanstippen dat het de bedoeling is van de regering om onze opleidingen te laten aansluiten bij die van de federale ambtenaren (Memorie van toelichting, blz. 47). Het voorgestelde systeem is dus bureaucratisch, aangezien de evolutie van de wedden niet meer in verhouding staat tot de eigenlijke kwaliteit van het werk dat dagelijks door de betrokkene wordt geleverd.
Hoe kan men trouwens verantwoorden dat twee referendarissen die voor hetzelfde gerecht werken en die effectief hetzelfde niveau van bekwaamheid hebben bereikt, elkaar moeten gaan beconcurreren in het kader van een vergelijkende selectie, om tot de hogere klasse te worden bevorderd ?
Hoe kan men objectief een vergelijkende selectie uitvoeren tussen referendarissen die werken voor burgerlijke rechters, onderzoeksrechters, correctionele rechters of jeugdrechters ?
Het voorgestelde systeem is nog bureaucratischer wanneer men bedenkt dat het de ambtenaren van de uitvoerende macht zijn die, zonder enige kennis van de praktijk of van de kwaliteit van het werk dat dagelijks door de referendarissen en parketjuristen wordt geleverd :
— zullen beslissen wat de gecertificeerde opleidingen inhouden en deze zullen organiseren,
— zullen beslissen of een referendaris al dan niet slaagt voor een gecertificeerde opleiding,
— de inhoud van de vergelijkende selecties zullen vastleggen, die selecties zullen organiseren en zullen beslissen wie geslaagd is.
Men kan zich ook vragen stellen bij het grondwettig karakter van een dergelijk systeem voor de referendarissen en de parketjuristen.
Men mag hierbij wel wijzen op het belang van het werk van de referendarissen en de parketjuristen. Dit werk is juridisch en niet administratief. De manier waarop de rechter zich uitspreekt, zal gesteund zijn op de manier waarop de referendaris reageert op de verzoeken van de rechter. Hoewel hij eigenlijk geen rechtsprekende taak uitvoert, beïnvloedt de kwaliteit van zijn voorbereidend werk zeker de manier waarop er recht wordt gesproken. Hij is ook zichtbaar voor de rechtzoekende. Veel rechters vragen hun referendaris immers om aanwezig te zijn tijdens de zitting. Het werk van de parketjuristen beïnvloedt de manier waarop een onderzoek wordt gevoerd of een vordering is geformuleerd. Ook zij staan hun magistraat bij tijdens de zitting.
De functies van referendaris en van parketjurist zijn dus nauw verbonden aan de uitoefening van de rechterlijke macht.
Wordt de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zoals de Grondwet die waarborgt wel geëerbiedigd, als de weddeverhogingen voor referendarissen en parketjuristen — boven de minimumwedde — niet bij wet zijn geregeld, maar daarover wordt beslist door ambtenaren van de uitvoerende macht ? Wij hebben hier zeer sterke twijfels bij.
De Raad van State heeft dan ook in zijn advies geoordeeld dat het wetsontwerp, wat de bevorderingen betreft, buitensporig veel macht toekent aan de uitvoerende macht.
AJUREF stelt een systeem voor dat op deze kritiek ingaat.
De beste manier om de kwaliteit van het werk van een referendaris of een parketmagistraat te meten is immers een evaluatie door de magistraten voor wie de betrokkene werkt. AJUREF wenst dus het huidige systeem, waarbij de weddeverhogingen afhangen van de beoordeling door de magistraten, te behouden. Dit systeem garandeert ook de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, aangezien de evolutie van de wedden dan niet meer uitsluitend afhangt van de uitvoerende macht.
De evaluatie biedt bovendien het voordeel vertrouwelijk te zijn, wat discretie inhoudt met betrekking tot de ontvangen wedde. Op dit punt kan het wetsontwerp aanleiding geven tot jaloezie en spanningen tussen collega's.
Om de objectiviteit van de evaluatie te waarborgen, stellen wij voor een specifieke bepaling in te voeren met betrekking tot de referendarissen en de parketjuristen, waardoor de magistraten die hen evalueren, moeten beslissen op basis van een verslag van de rechters die werkelijk door de referendaris of parketjurist worden bijgestaan.
Hiernaast is AJUREF niet tegen een gemengd systeem gekant, waarbij de grotere weddeverhogingen in verhouding staan tot de anciënniteit en de evaluatie, en de toekenning van de competentietoelagen afhangt van het slagen voor of het deelnemen aan de opleidingen.
Besluit
Hoewel hij de referendarissen van het Hof van Cassatie uitsluit van de herziening van de loopbanen, vindt de indiener van het wetsontwerp wel dat de referendarissen bij de hoven en rechtbanken en de parketjuristen onder de toepassing ervan moeten vallen, omdat de functie van referendaris bij de hoven en rechtbanken en de functie van parketjurist meer aansluit bij die van de griffiers (zie memorie van toelichting).
Deze visie lijkt ons niet met de realiteit overeen te stemmen.
De referendaris of parketjurist is de juridische medewerker van de magistraat. Hij voert geen administratieve taken uit. Hij staat dus dichter bij de magistratuur dan de griffier of de parketsecretaris.
De wetgever heeft zich bij de invoering van de functies van referendaris bij de hoven en rechtbanken en van parketjurist laten inspireren door de functie van referendaris bij het Hof van Cassatie en niet door de functie van griffier of parketsecretaris (zie met name Senaat, Verslag, 1235/3, blz. 2).
Ons inziens is het gelijkschakelen van de referendaris en de parketjurist met het administratieve gerechtelijke personeel de voornaamste oorzaak van de problemen die in de hieropvolgende nota worden aangekaart.
Vaststellen van de personeelsformatie
Hiertoe stelt AJUREF het volgende amendement voor :
« Voor alle ambten van de rechterlijke orde moet het exacte aantal betrekkingen — de personeelsformatie — vooraf worden vastgesteld. Naargelang van het ambt wordt dit aantal hetzij bij wet (1) , door de Koning (2) of door de minister (3) vastgesteld. Het aantal benoemde personen mag niet hoger zijn dan het in de personeelsformatie vastgestelde aantal en als er vacante betrekkingen zijn, moet de dienst de benoemingsprocedures doorlopen totdat de personeelsformatie effectief volzet is. Het ambt van toegevoegd rechter vormt een uitzondering op dit beginsel, aangezien er geen vast aantal betrekkingen is bepaald. De Koning benoemt zoveel toegevoegde rechters als Hij nodig acht. Er is alleen een maximumaantal vastgesteld (4) .
Hoe zit het met de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken (5) ? Toen hun ambt in het leven werd geroepen, heeft de wetgever beslist dat hun aantal, in tegenstelling tot de andere ambten van de rechterlijke orde, niet zou worden vastgesteld. Voor de referendarissen en parketjuristen geldt dus dezelfde uitzonderingsregeling als voor de toegevoegde rechters (6) . Zij worden dus door de wetgever anders behandeld dan de andere ambten van de rechterlijke orde.
Om welke reden is er voor de toegevoegde rechters geen personeelsformatie vastgesteld ? Deze magistraten zijn aangewezen voor een tijdelijk ambt (7) (8) . Daarom kan het aantal toegevoegde magistraten nooit definitief worden vastgesteld. Uit die regeling volgt dat een toegevoegd rechter of een toegevoegd substituut nooit kan worden aangewezen om in een blijvende behoefte te voorzien. (Zie de jurisprudentie van het Arbitragehof (9) ).
Dit criterium dat zeker opgaat voor de toegevoegde magistraten, kan echter niet zomaar worden verruimd tot de referendarissen en parketjuristen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat dit ambt niet bedoeld is om een tijdelijke werkoverlast in een rechtscollege of bij een parket op te vangen maar om een permanent tekort op te lossen.
Wij worden dus gediscrimineerd doordat de wetgever ons op dezelfde manier behandelt als de toegevoegde rechters terwijl we ons niet in dezelfde situatie bevinden (criterium van het Arbitragehof).
De wet moet dus worden gewijzigd zodat het aantal referendarissen en parketjuristen wordt vastgesteld. Die wijziging moet er ook komen om de volgende redenen :
— Een einde maken aan de hierboven genoemde discriminatie waarvan we het slachtoffer worden ten aanzien van de andere ambten van de rechterlijke orde.
— Het ambt is momenteel ook benadeeld ten aanzien van de andere referendarissen die benoemd zijn bij het Hof van Cassatie, het Arbitragehof en de Raad van State. Hun aantal is immers wel vastgesteld (10) .
— De vaststelling van het aantal referendarissen en parketjuristen kan een aanleiding zijn voor een debat over de aard van hun ambt. De aard van de taken van de referendarissen en parketjuristen hangt immers samen met hun aantal. Als een parketjurist voor tien magistraten moet werken, kan hij niet ingaan op alle mogelijke vragen van elke magistraat. Als er daarentegen vier juristen werken voor tien magistraten, kunnen zij werken voor welbepaalde magistraten en een deel van hun taken overnemen.
— De vaststelling van een personeelsformatie maakt het mogelijk om de referendarissen en parketjuristen op een transparante en objectieve manier te verdelen over de rechtscolleges. In dat verband is de bestaande situatie niet ideaal. Sommige parlementsleden hebben hierover al vragen gesteld en dan met name over het feit dat er veel meer Franstalige referendarissen en parketjuristen zijn dan Nederlandstalige en dat er veel meer parketjuristen zijn dan referendarissen.
— Bij ontstentenis van een personeelsformatie kan de uitvoerende macht momenteel naar willekeur vacante betrekkingen bekendmaken. Hoewel vele personeelsleden vertrekken (met name naar de magistratuur), moet nu worden vastgesteld dat het benoemde personeel niet echt wordt vervangen en dat er al jaren geen vergelijkend toelatingsexamen voor dit ambt meer is georganiseerd.
— Gevolg hiervan is dat geen vacante betrekkingen meer worden bekendgemaakt, maar in plaats daarvan contractuelen in dienst worden genomen die geen vooruitzicht hebben op een statutaire betrekking aangezien er geen vergelijkende toelatingsexamens worden georganiseerd. Het aangeworven contractuele personeel wordt op die manier gediscrimineerd : hun status is immers minder voordelig dan die van de statutaire personeelsleden. Ook de andere kandidaten voor het ambt worden gediscrimineerd gezien het totale gebrek aan transparantie bij de aanwerving van contractuele personeelsleden.
— Toen hij het ambt in het leven heeft geroepen, heeft de wetgever zelf gezegd dat moest worden overwogen een personeelsformatie vast te stellen « eenmaal de regeling op kruissnelheid was gekomen » (stuk Senaat, 1998-1999, verslag namens de commissie, 1235/3, blz. 5).
Er moet wel rekening worden gehouden met de mobiliteit van het personeel binnen de rechterlijke orde. De personeelsformatie moet dus worden vastgesteld per rechtsgebied van het hof van beroep zodat de interne mobiliteit binnen dat rechtsgebied niet via een benoemingsprocedure moet verlopen.
Wij stellen dus het volgende amendement voor op artikel 18 van het ontwerp : artikel 162, § 3, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen als volgt : « Hun aantal wordt bepaald volgens de behoeften van de dienst. Deze behoeften moeten blijken uit een gemotiveerd verslag opgesteld ter attentie van de minister. De minister wint over de behoeften van de dienst ook het gemotiveerd advies in van de eerste voorzitter en van de procureur-generaal. Het aantal referendarissen per rechtsgebied van het hof van beroep wordt vastgesteld door de Koning en kan niet meer bedragen van 35 % van het totaal aantal magistraten van de zetel van het hof van beroep en van de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg, zoals vastgesteld in de wet bedoeld in artikel 186, vijfde lid, onverminderd artikel 286 en dit binnen de budgettaire middelen. Het aantal parketjuristen per rechtsgebied van het hof van beroep wordt vastgesteld door de Koning en kan echter niet meer bedragen dan 35 % van het totaal aantal parketmagistraten van de procureur des Konings in elk rechtsgebied van het hof van beroep zoals vastgesteld in de wet bedoeld in artikel 186, vijfde lid, onverminderd artikel 287sexies en dit binnen de budgettaire middelen. »
Ten slotte moet worden benadrukt dat de Hoge Raad voor de Justitie in zijn advies van mening is dat de maximumgrens van 35 % van het aantal magistraten vanuit functioneel oogpunt niet gerechtvaardigd is.
Achterstallen wat betreft het in aanmerking nemen van de balie-ervaring voor de berekening van de loonanciënniteit
AJUREF stelt het volgende amendement voor :
Het wetsontwerp bepaalt dat de balie-ervaring van bij het begin wordt meegerekend voor de berekening van de loonanciënniteit. Dat is ongetwijfeld een gunstige evolutie aangezien de eerste vier jaar aan de balie nu niet worden meegerekend.
Het wetsontwerp bevat evenwel geen overgangsbepaling met betrekking tot die nieuwe regel. De nieuwe berekeningswijze inzake anciënniteit zou dus pas worden toegepast vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
Dat is strijdig met het arrest van 29 november 2006, waarin het Arbitragehof heeft geoordeeld dat het niet meerekenen van de eerste vier jaar aan de balie voor de berekening van de anciënniteit van referendarissen en parketjuristen ongrondwettig is.
Wij eisen dus een overgangsbepaling die de nieuwe regel terugwerkende kracht verleent. Als dergelijke bepaling niet wordt goedgekeurd, overwegen wij om het achterstallige loon via gerechtelijke weg terug te vorderen.
Toen het Arbitragehof een vergelijkbaar arrest heeft gewezen voor de magistratuur, heeft de wetgever de magistraten het achterstallig deel van hun loon toegekend. We zien niet in waarom de wetgever dat niet zou doen voor ons ambt.
De magistraten hebben anderhalf jaar achterstallig loon bijgekregen (wet van 27 december 2004 houdende diverse bepalingen). Wij vragen dus dezelfde regeling.
Ziehier dus het gevraagde amendement : toevoeging van een overgangsbepaling : « Met betrekking tot de bepaling dat voor de berekening van de anciënniteit van de referendarissen bij de hoven en rechtbanken en van de parketjuristen de tijd van inschrijving bij de balie vanaf het begin in aanmerking wordt genomen, heeft artikel 124 terugwerkende kracht tot 1 juni 2005. »
Werving
AJUREF meent dat van de werving van referendarissen en parketjuristen geen bevoegdheid van de uitvoerende macht mag worden gemaakt, zoals dit ontwerp wel doet door deze taak over te laten aan Selor.
De Hoge Raad voor de Justitie moet hiervoor bevoegd blijven, vooral ook omdat de referendarissen en juristen nauw met de magistraten samenwerken.
Ook de Raad van State vindt deze overdracht van bevoegdheid naar de uitvoerende macht buitensporig (zie advies).
Wedden van contractuele referendarissen en juristen
Wat de inschaling in verschillende klassen, de regels met betrekking tot de gecertificeerde opleidingen en de evaluatie betreft wordt in het wetsontwerp verwezen naar « het gerechtspersoneel niveau A », zodat zowel contractuele als statutaire referendarissen en parketjuristen onder dezelfde regelgeving vallen.
Voor de overgangsmaatregelen (zie artikel 163 van het wetsontwerp) is er echter onduidelijkheid door de systematische verwijzing naar « graad » (§ 1 de personen die op het moment van de inwerkingtreding van deze wet titularis zijn van één van de geschrapte graden ... § 2 voor de berekening van de klassenanciënniteit van diegenen die worden benoemd in de klasse in kolom 3, worden diensten die gepresteerd zijn in de graad ...). Hierdoor lijken contractuelen uit de boot te vallen.
Er dient uitdrukkelijk te worden voorzien dat de reeds gepresteerde dienstjaren bepalend zijn voor de inschaling in klassen, zonder te verwijzen naar « graden » of « ambtsuitoefening (cf. kolommen) ». Dit is van belang enerzijds voor de contractuele referendarissen en parketjuristen teneinde hun dienstanciënniteit te valoriseren. Anderzijds dient ook wat betreft de statutaire referendarissen en parketjuristen de dienstanciënniteit gevaloriseerd te worden, gezien deze kan verschillen van de graadanciënniteit.
Evaluatie
Wij betreuren ten eerste dat de evaluatie niet wordt verricht door een college van magistraten maar alleen door de korpschef.
Om de evaluatie zo relevant mogelijk te maken, vinden wij het wenselijk te bepalen dat de magistraat of magistraten de evaluatie verrichten op grond van een verslag van de magistraten die de referendaris of de parketjurist daadwerkelijk bijstaat.
Bovendien vinden wij het ongegrond dat het ontwerp expliciet bepaalt dat de raad van beroep met betrekking tot de evaluatie bestaat uit magistraten, secretarissen en griffiers terwijl het mogelijk is dat referendarissen en parketjuristen er niet in vertegenwoordigd zijn.
Ten slotte merken wij op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State een voorbehoud maakt indien de wetgever de Koning de bevoegdheid verleent om de evaluatiecriteria vast te stellen, zoals het ontwerp bepaalt.
Opleiding
De referendarissen en parketjuristen hebben momenteel toegang tot de opleidingsprogramma's voor magistraten van de Hoge Raad voor de Justitie. Dat is normaal, aangezien het de bedoeling is dat zij magistraten bijstaan in hun rechtstreekse opdrachten en zij een deel van die opdrachten overnemen. Magistraten moedigen hun referendarissen of parketjuristen trouwens vaak aan om een opleiding van de Hoge Raad voor de Justitie te volgen. De nieuwe wet mag er niet toe leiden dat deze opleidingen ontoegankelijk worden.
AJUREF meent bovendien dat het wetsvoorstel bijzonder weinig spaarzaam en efficiënt is aangezien het leidt tot het organiseren van afzonderlijke opleidingen voor de magistraten en voor de referendarissen en parketjuristen. »
Gedachtewisseling
De heer Willems vraagt hoe de vakorganisaties zich inrichten om het in het wetsontwerp bedoelde personeel te vertegenwoordigen.
Mevrouw Gossiaux (VSOA) antwoordt dat haar vakorganisatie niet gewacht heeft op het voorstel betreffende het vakbondsstatuut om griffiers in haar rangen op te nemen. Er wordt tijdens de besprekingen rekening gehouden met hun specifieke rol, en er wordt naar hen geluisterd.
Wat betreft de afwezigheid van griffiers bij de onderhandelingen met het kabinet van de minister van Justitie : er waren deskundigen van de drie vakorganisaties aanwezig, onder wie hoofdgriffiers.
De heer Lizen (ACOD) verklaart dat, hoewel zijn organisatie niet representatief genoeg is om zich in naam van de griffiers uit te spreken, de griffiers individueel het recht hebben om tot een vakorganisatie toe te treden, en dat de ACOD ook griffiers onder haar leden telt. Tijdens het hele onderhandelingsproces werden zij op de hoogte gehouden.
Het is inderdaad zo dat alle aanpassingen voor het parketpersoneel ook gelden voor de griffiers.
Anderzijds is de opleiding om het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris te verkrijgen dezelfde. Ook de examens zijn precies dezelfde. Het feit dat de betrokkenen naar de griffie of naar het parket gaan, heeft te maken met toeval of gelegenheden die zich voordoen.
Men heeft gezegd dat er een verschil is in het niveau van verantwoordelijkheid. Spreker meent echter dat de verantwoordelijkheden misschien anders zijn, maar dat zij van hetzelfde niveau zijn in een griffie of parket. Spreker ziet niet in hoe de financiële en administratieve wijzigingen de onafhankelijkheid van de griffier ten opzichte van zijn magistraat op de helling zou plaatsen.
Wat de vertegenwoordiging van de griffiers betreft, spreker is daar voorstander van. Het voorliggende ontwerp van vakbondsstatuut betekent een opening en bevordert het pluralisme, aangezien er sprake is van representatieve vakorganisaties en een vereniging met dezelfde representativiteitscriteria. Het zou dus kunnen dat er vier partners rond de tafel gaan zitten in plaats van drie.
Spreker pleit er dus voor dat beide wetsontwerpen spoedig worden goedgekeurd.
De heer Merkelbach (ACV) bevestigt dat interprofessionele vakorganisaties als het ACV, het ABVV en het VSOA onder hun leden personeel met de meest uiteenlopende functies tellen, onder wie griffiers. Wat de officiële vertegenwoordiging betreft — die al lang gevraagd werd — herinnert spreker eraan dat die bij de Veiligheid van de Staat tot stand is gekomen.
Indien men daar in zo'n specifiek kader in geslaagd is, ziet spreker niet in waarom het anders zou zijn voor de griffiers.
Voor het welzijn van het hele personeel, en de griffiers in het bijzonder, wacht men dus met ongeduld op het vakbondsstatuut.
Mevrouw Nyssens vraagt of de griffiers die de traditionele vakorganisaties vergezeld hebben tijdens de onderhandelingen akkoord gaan met het ontwerp.
Mevrouw Gossiaux antwoordt dat de meeste griffiers vragende partij waren voor een vakbondsstatuut. Het is mogelijk dat het voorgestelde statuut niet volledig naar de zin van CENEGER is, maar het is een heel positief feit dat de toestand van de griffiers op administratief vlak uitgeklaard is (men verandert niets aan hun gerechtelijke voorrechten), en dat zij eindelijk verdedigd worden zoals ze verdienen.
De vorige spreekster verwijst naar het tweeledige karakter (administratief en rechterlijk) van het statuut van griffier. Zij vraagt of er volgens de vakorganisaties tijdens de onderhandelingen rekening werd gehouden met het rechterlijke aspect.
De heer Vermeire stipt aan dat hij voorstander blijft van het syndicaal statuut zoals bepaald door de wet van 1974. Uiteraard voelt men aan dat het voor specifieke groepen (bijvoorbeeld ook de Staatsveiligheid) beter is dat iedereen betrokken wordt bij de bespreking van de werkvoorwaarden- en omstandigheden van het personeel, ook al betekent dit in zekere mate afstand doen van de wet van 1974. Bij voorliggend wetsontwerp werd deze specifieke toepassing voor een specifieke groep toegepast.
Spreker heeft geen enkel bezwaar tegen de aldus toegepaste werkwijze. Wel heeft hij bezwaar tegen het feit dat men de problemen niet zou behandelen omdat de vertegenwoordiging niet wordt ingevuld.
De drie representatieve vakbonden tellen veel leden onder de griffiers. Het is niet omdat de griffiers geen syndicaal statuut hebben dat zij geen lid kunnen zijn van een syndicale organisatie.
De organisatie heeft enkel niet de mogelijkheid om de griffiers als groep te benaderen. Wel heeft zij het recht om de problemen van deze leden te bespreken. Dat was in casu het geval.
Spreker is enigszins verbaasd over de tussenkomst van de minister waarbij zij blijkbaar niet akkoord ging met het feit dat de leden werden betrokken bij de onderhandelingen en instemden met de voorstellen. Spreker bevestigt dat de vertegenwoordiger van de minister, de heer Janssens, tijdens de vier jaar durende onderhandelingen wel degelijk permanent aanwezig was. Het is dan ook gepast zich neer te leggen bij het standpunt van de meerderheid.
Mevrouw Crombé stelt vast dat het vakbondsstatuut er pas na de onderhandelingen komt, wat duidelijk een gevoel van onbehagen schept. Men kan zich afvragen waarom men niet andersom is tewerk gegaan, zoals men gewoonlijk doet.
Spreekster stelt bovendien vast dat men de hoofdgriffiers opneemt in niveau A. Betekent dit dat zij momenteel niet in dat niveau zitten ? Het antwoord op deze vraag is belangrijk voor de juristen die in niveau A zijn aangeworven (als zij er nu nog in zitten), en die morgen in niveau B zouden terechtkomen, wat geen wervingsniveau voor een jurist met een universitair diploma is.
Mevrouw Gossiaux antwoordt dat de hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen deel uitmaken van niveau 1. Zolang het ontwerp niet is aangenomen, kunnen zij niet worden opgenomen in « niveau A », zoals de nieuwe benaming luidt.
De VSOA is het eens met CENEGER wat betreft het opnemen van de griffiers en secretarissen in niveau B, en de kwaliteit van het toegangsexamen voor deze functies, die overeenkomt met een examen voor houders van een universitair diploma.
Er moeten 8 cursussen gevolgd worden om dit examen bij de FOD Justitie af te leggen, en het is niet evident dat de moeilijkheidsgraad dezelfde zou zijn voor niveau A van de ambtenaren.
Om adjunct-griffier of adjunct-secretaris te worden, moet men overigens ofwel licentiaat in de rechten ofwel houder van een getuigschrift van kandidaat-griffier of -secretaris zijn.
De VSOA betreurt dat personen die dat examen hebben afgelegd, worden gedegradeerd doordat men ze op niveau B plaatst.
De heer Vanmaldegem bevestigt dat de griffiers steeds werden beschouwd en behandeld als behorende tot het niveau 1. Het volstaat trouwens te verwijzen naar het Gerechtelijk Wetboek, namelijk de benoemingsvoorwaarden, dat bepaalt dat men licenciaat in de rechten dient te zijn of houder van het brevet van kandidaat-griffier. Nu zet men voor een gedeelte van de functie in generieke zin een stap achteruit.
De minister verklaart dat de betreffende personen in het verleden niet tot niveau 1 behoorden, maar dat het om specifieke graden ging die in het Gerechtelijk Wetboek beschreven worden.
Sommige leidinggevende personen voerden inderdaad een soort gelijkschakeling in, maar dat stemt niet overeen met de wettekst. De integratie die het ontwerp tot stand brengt, is bijgevolg volkomen correct.
De heer Willems stipt aan dat de griffiers hun opdracht rechtstreeks uit het Gerechtelijk Wetboek halen, en aldus in zekere zin een plaats bekleden binnen de rechterlijke orde. In welke mate sluit een vertegenwoordiging door representatieve vakorganisaties aan bij een opdracht die in het Gerechtelijk Wetboek wordt bepaald ? Was dit een twistpunt in de voorbije onderhandelingen ?
De heer Vermeire antwoordt dat men bij de onderhandelingen vertrok van het standpunt dat er geen wijzigingen plaatsvinden op functioneel vlak. De onderhandelingen betreffen enkel arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, aanwervingsvoorwaarden en vorming. De werking zelf maakt trouwens niet het voorwerp uit van de onderhandelingen met de vakbonden, aangezien dit het beleid betreft.
De heer Hugo Vandenberghe vraagt zich af of de wijziging van het systeem van bevorderingen, na advies van de korpschef of de hoofdgriffier, niet indirect een invloed kan hebben op het functioneren van de betrokkenen. Is dit louter beleid ? Heeft aanwerven en promotie ook niet met de werking te maken ?
De heer Vermeire wijst erop dat er in 2002 juist al te veel aanwijzingen waren dat er een loopje werd genomen met de aanwervings- en benoemingsvoorwaarden. Aldus konden de vakorganisaties bijvoorbeeld niet instemmen met het feit dat personen die geslaagd waren voor het brevet adjunct-griffier of adjunct-secretaris geen kans kregen om benoemd te worden in een vacante functie, omdat men oordeelde dat zij hiertoe niet bekwaam waren. Daarentegen werd deze functie dan wel toegewezen aan een contractuele beambte die hiervoor werd gedelegeerd, soms meer dan 10 jaar. Transparantie op dat vlak is belangrijk.
De heer Hugo Vandenberghe vraagt of men vergelijkende examens wil organiseren voor de toegang tot het beroep.
Mevrouw Gossiaux antwoordt dat het niet om een vergelijkend examen gaat.
De heer Hugo Vandenberghe vraagt in hoeverre het probleem van de massale inzet van contractuelen en de systematische verlenging van hun contracten door het nieuwe statuut zal worden opgelost.
Mevrouw Gossiaux antwoordt dat men in het nieuwe statuut heeft voorzien in een reglementering voor de delegaties, die voortaan in de tijd zullen worden beperkt en na gemotiveerd advies van de minister kunnen worden verlengd. Het voorbeeld dat de heer Vermeire aanhaalt, bestaat vandaag in onze griffies en parketten, maar zal in de toekomst niet meer mogelijk zijn.
De heer Vermeire kan zich niet van de indruk ontdoen dat de plaats en tijd van benoeming van de houder van een brevet tot op heden enigszins afhankelijk is van louter toeval en eerder « à la tête du client » is. De vakorganisaties menen dat een geslaagd persoon sowieso ergens dient benoemd te worden.
Wat betreft de contractuelen die gedelegeerd worden in een functie van griffier, meent de heer Bonnewijn dat 70 à 80 % van deze groep zich bevinden in de Brusselse agglomeratie. Aldus speelt de tweetaligheidsvereiste hierbij waarschijnlijk een grote rol. Men mag niet vergeten dat er aan de tweetaligheid slechts een vergoeding is verbonden van 25 euro per maand, wat weinig motiverend is om de nodige inspanningen te doen om in het tweetaligheidsexamen te slagen.
De heer Hugo Vandenberghe bevestigt dat er acties plaatsvonden uit Franstalige hoek omwille van het feit dat er al te veel Nederlandstaligen waren tewerkgesteld op de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel.
Spreker is er niet van overtuigd dat de wijziging van het systeem van bevorderingsmogelijkheden, met afschaffing van de inbreng van de korpschef of de hoofdgriffier, geen enkele invloed heeft op het functioneren van de betrokkene.
De heer Vanmaldegem beaamt dat de specificiteit van het ambt van griffier niet kan samengaan met de regeling van betrekkingen tussen overheid en griffiers, zoals voorgesteld in het voorliggende wetsontwerp. Dit zal onvermijdelijk aanleiding geven tot ernstige problemen.
Men mag niet vergeten dat de wet van 1974 de magistraten en de griffiers heeft uitgesloten van het syndicaal statuut. De griffier moet ten allen tijde bijstand verlenen aan de magistraat. Deze regel geldt trouwens evenzeer voor de griffier bij de Raad van State en de griffier bij het Arbitragehof. Het zou misschien interessant zijn om het standpunt ter zake van de rechterlijke macht zelf te kennen.
Mevrouw Nyssens stelt vast dat de referendarissen niet zijn geraadpleegd.
Ze vraagt vervolgens of er in de besproken overgangsmaatregelen sprake van is geweest om de houders van een gelijkwaardig diploma (getuigschrift van griffier) toegang te geven tot het statuut van categorie A.
Hoe zit het overigens met het probleem van de functieweging, die door een commissie moet gebeuren, onder het toezicht van de minister van Justitie ?
Heeft men het in het debat over de weging gehad ?
Er is daarover reeds gedebatteerd in de tijd van minister Verwilghen.
De heer Lizen antwoordt dat er voor het eerste punt overgangsmaatregelen zijn. Alle houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of van kandidaat-secretaris behouden dat voordeel en zijn voor de in het akkoord vastgelegde periode vrijgesteld van alle getuigschriften om toegang te krijgen tot niveau A. De mogelijkheid om via bevordering op te klimmen tot een hoger niveau, zonder diplomavereiste, blijft bestaan.
Wat de functieweging betreft, maakt men hetzelfde verschijnsel mee bij het federaal openbaar ambt : er is een functiewegingscomité ingesteld. Hetzelfde zal gebeuren voor de griffies en de parketten.
De heer Vermeire stipt aan dat het ontwerp enerzijds een statuut creëert voor de nieuwe personeelsleden, aangeworven na de inwerkingtreding van deze nieuwe wet.
Anderzijds wordt ook een overgangsmaatregel voorzien voor al het personeel dat momenteel in dienst is. De op dit ogenblik benoemde adjunct-griffiers of adjunct-secretarissen of hoger benoemden, zullen bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet, bijvoorbeeld op 1 januari 2009, gedurende zes jaar genieten van overgangsmaatregelen, waarbij hen geen enkele supplementaire voorwaarde wordt opgelegd. In concreto betekent dit dat alle personeelsleden momenteel benoemd als adjunct-griffier en adjunct-secretaris tot 2015 kunnen mee postuleren voor alle vacatures van griffier, hoofd van dienst in het niveau A, of hoofdgriffier, zonder dat zij één of andere bijkomende proef dienen af te leggen.
Wat betreft de discussie over het al dan niet behoren tot het niveau 1, antwoordt spreker dat alle personeelsleden tot en met hoofdgriffier en hoofdsecretaris niet tot het niveau 1 behoren, maar wel een speciaal statuut hebben.
Tijdens de onderhandelingen kwam men tot het akkoord de personeelsleden in niveau B te plaatsen, en hen de hoogste wedde in niveau B toe te kennen, wat neerkomt op de beginwedde in niveau A. De verloning bleek tijdens de onderhandelingen het meest doorslaggevende element te zijn.
De heer Hugo Vandenberghe vindt het niet verkeerd op te komen voor zijn materiële belangen. De juridische beroepen worden in ons land immers, vergeleken met de Europese standaard, ondergewaardeerd. Aldus is het moeilijk om in de openbare sector een kwaliteitsvol juridisch apparaat te behouden.
De heer Vermeire kan hiermee akkoord gaan. Daarom ook vinden de organisaties het belangrijk dat het niveau B voor de griffiers en secretarissen wordt behouden. Bachelors moeten kunnen worden aangeworven, aan wie een aantrekkelijk pakket kan worden aangeboden dat kan concurreren met de privésector of andere instellingen. Ook de opwaardering vanuit het niveau C via vorming is belangrijk.
De heer Willems vraagt of de griffier als een ambtenaar zal worden beschouwd, na de inwerkingtreding van voorliggende wet.
De heer Hugo Vandenberghe antwoordt van niet. De griffier blijft griffier, echter met een gemengd statuut.
De heer Vanmaldegem wenst duidelijk te stellen dat alle griffiers, welke graad ook, dezelfde bevoegdheden en eigen verantwoordelijkheden hebben.
Verder meent spreker te mogen bevestigen dat de syndicale organisaties over alle aangelegenheden die de griffiers betreffen hebben deelgenomen aan de onderhandelingen en zich daar aldus duidelijk buiten het terrein van de wet van 1974 hebben begeven, die zulks niet toelaat.
De minister vraagt of CENEGER voorstander is van een Adviesraad van de griffies, zoals er een voor de magistratuur bestaat.
De heer Vanmaldegem bevestigt dat.
De minister vraagt hoe een dergelijke raad de belangen van de griffiers beter kan verdedigen.
De heer Vanmaldegem vraagt op zijn beurt hoe de magistraten het sociaal overleg zullen voeren. Blijkbaar ziet niemand problemen voor de magistraten; spreker begrijpt dan ook niet waarom dit een probleem zou vormen voor de griffiers. De bedoeling is een consultatief orgaan te hebben dat constructief kan bijdragen tot de goede werking van de rechterlijke organisatie.
De minister antwoordt dat in dit wetsontwerp wel degelijk sprake is van verplicht sociaal overleg voor de overheid, terwijl de Adviesraad van de magistratuur geen sociaal overleg voert maar een adviesorgaan is waarop de verschillende overheden, zonder verplichtingen, een beroep kunnen doen. De opdrachten verschillen dus.
Spreekster vraagt vervolgens aan de verschillende sprekers hoe zij het werk dat de griffies nu verrichten in het algemeen beoordelen.
Mevrouw Gossiaux antwoordt dat er gezien de beschikbare middelen voor het personeel van griffies en parketten, de wijze waarop dit personeel zijn loon krijgt, de beperkte professionele toekomst die zij tot nu hadden, de werkomstandigheden die in de particuliere sector onaanvaardbaar zouden zijn, goed werk wordt geleverd.
De heer Janssen, hoofdgriffier bij de politierechtbank van Luik, wijst er nogmaals op dat justitie sedert de zaak Dutroux veel kritiek heeft gekregen. Inzake de gerechtelijke achterstand of de slechte werking van het gerecht zijn evenwel noch het personeel van de griffies en de parketten, noch de griffiers ooit in vraag gesteld.
Voor het overige benadrukt spreker dat de vakbondsdelegatie geen enkele griffier bevat en dat geen enkel lid de job van griffier kent. Sommigen kennen zelfs de werking van een rechtbank niet.
Bij het begin van de onderhandelingen met het departement heeft het VSOA spreker gevraagd hen te vergezellen als deskundige. Spreker heeft dit met plezier gedaan aangezien hij 40 jaar beroepservaring heeft.
Om te beginnen zou het personeel B, C en D worden besproken.
De heer Cheruy, directeur-generaal, heeft verklaard dat wat met een algemene term niveau A wordt genoemd, de griffiers en secretarissen dus, later zou worden behandeld, maar dat hij de opmerkingen zou noteren. Hij was niet gemachtigd om daarover te onderhandelen en stelde voor de opmerkingen voor te leggen aan de minister, die een standpunt zou innemen.
Iets later is in de vergadering het protocol behandeld, waar een akkoord bestond voor het personeel B, C en D en de parketsecretarissen. De regering zou dan later de griffiers behandelen. De griffiers hebben toen begrepen dat de toestand ongunstig was.
Vanaf dat ogenblik is in alle onderhandelingen voortdurend gesproken over de griffiers, totdat werd gezegd dat de vakbonden niet over de griffiers mochten spreken bij gebrek aan syndicaal statuut.
De heer Hugo Vandenberghe vraagt of het voorgestelde statuut toch niet kan worden beschouwd als zijnde balsem op de wonde; men opent immers de mogelijkheid voor representatieve verenigingen om in de toekomst betrokken te worden bij de uitwerking van het statuut.
De heer Vanmaldegem betwist niet dat het wetsontwerp waarbij een structuur sui generis wordt opgesteld een interessante piste opent. Wel wil spreker een erkend orgaan dat het woord kan voeren namens de griffier, rekening houdend met de specificiteit van het ambt van griffier.
Als men tot een structuur komt dat uitsluitend betrekking heeft op de griffiers, lijkt het spreker ook normaal dat CENEGER betrokken partij is om suggesties te doen en het betreffende statuut mee uit te werken. Nu staan zij voor een voldongen feit met heel wat onvolmaaktheden. Het voorgestelde statuut volstaat niet, maar kan uiteraard heel wat pistes openen die niet radicaal van de hand zullen worden gewezen, op voorwaarde van overleg.
De heer Hugo Vandenberghe vraagt hoe het zit met de referendarissen en parketjuristen.
De heer Defossez antwoordt dat de situatie gelijklopend is met deze van de griffiers. Spreker wijst erop dat de wet voorwaarden heeft bepaald om als vereniging te kunnen worden erkend. De voorwaarden komen overeen met deze voor de erkenning van een vakbond, wat het de organisaties zeer moeilijk maakt. Zo wordt het lidmaatschap bijvoorbeeld gekoppeld aan de betaling van een premie, waarmee de verenigingen van griffiers, parketjuristen en referendarissen helemaal niet vertrouwd zijn.
Spreker vervolgt dat hier de mogelijkheid wordt geboden aan de representatieve organisaties om te onderhandelen over een aantal aspecten van het wetsontwerp, waarvan echter de basisfilosofie zelf reeds wordt betwist door de betreffende organisaties.
V. EINDE VAN DE ALGEMENE BESPREKING
Mevrouw Nyssens benadrukt dat tijdens de hoorzittingen bezorgdheid rees over de contractuelen. Heeft dit ontwerp betrekking op de situatie van de contractuelen ? Zijn zij benadeeld in vergelijking met de statutairen die in de nieuwe opzet van het ontwerp passen ? Moet er eventueel een overgangsmaatregel komen voor contractuelen zodat zij in een loopbaan kunnen instappen en gebruik maken van het nieuwe systeem ?
Spreekster verwoordt vervolgens de bezorgdheid van de griffiers en adjunct-secretarissen van de hoven van beroep en het Hof van Cassatie die het ontwerp nadelig vinden omdat zij worden ingedeeld in een barema dat lager ligt dan dat van de andere griffiers en adjunct-secretarissen ? Is dat correct ?
Een derde vrees betreft de interne carrièremogelijkheden. Het huidige systeem maakt het mogelijk dat mensen hogerop komen via interne bevordering. De vrees leeft dat in het nieuwe systeem mensen van buitenaf die beschikken over de juiste diploma's zullen worden verkozen boven interne kandidaten zonder die diploma's. Wordt hier aandacht aan besteed ?
Volgens mevrouw Nyssens vinden verschillende korpsen het moeilijk om de voorgestelde hervorming te beoordelen omdat de functiewegingen pas later zullen worden uitgevoerd.
De referendarissen menen ten slotte dat het ontwerp hen indeelt in een bureaucratische classificatie die niet overeenstemt met hun specifieke taken. Zij werken rechtstreeks met een magistraat samen en hun functie varieert erg naargelang voor welke magistraat ze werken. Zij zijn moeilijk in te passen in een classificatie.
Mevrouw Crombé verwijst naar bladzijde 151 van de memorie van toelichting.
Inzake de integratie van de griffiers-hoofden van dienst stelt spreekster vast dat de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel zijn opgenomen, maar de politierechtbanken niet, terwijl daar toch ook griffiers-hoofden van dienst zijn.
De minister komt eerst terug op de doelstellingen die aan deze hervorming ten grondslag liggen. De vorige regering had in 2003 een aantal engagementen aangegaan. De overheid had met de vakbonden een intentieverklaring ondertekend. De overheid had ook beloofd een hervorming op te starten voor de categorieën die niet vertegenwoordigd worden door interprofessionele organisaties.
Men is vertrokken van de idee dat iedereen, dus zowel de overheid als de betrokkenen, baat moet hebben bij het ontwerp opdat het bijval zou vinden.
Er werd dus informeel gewerkt. Spreekster verwijst ter zake naar de bijlage bij protocol nr. 293 van 17 oktober 2005. Een gedetailleerd document werd meegedeeld, waarin de schalen vervat zaten zodat iedereen bij het lezen ervan een goed idee had van zijn toekomstige situatie.
De negatieve gevolgen voor sommigen werden gecorrigeerd en wie meer verdiende, kreeg de garantie dat dat zo zou blijven tot aan het einde van hun carrière.
De krachtlijnen van de hervorming, die erg ingewikkeld en technisch is, zijn niet altijd goed begrepen. Een essentieel aspect van de hervorming is de invoering van de permanente opleiding tijdens de loopbaan, verbonden aan competentietoelagen. Voor de loopbaan van een griffier bijvoorbeeld is de functie opengesteld voor aanwerving, naast de interne weg die nooit in gevaar kan komen door de externe weg. De interne weg wordt soms zelfs bevoordeeld ten aanzien van de aanwerving, onder bepaalde voorwaarden.
Schematisch verloopt de carrière van een griffier of secretaris als volgt. De functie is toegankelijk via aanwerving of bevordering. Na een benoeming op proef van een jaar kan de betrokkene vast benoemd worden. Hij kan dan meedoen aan een meting. Ieder personeelslid dat slaagt voor meting 1 krijgt gedurende vijf jaar bovenop zijn loon een competentietoelage van 2 000 euro. Wie niet slaagt voor de eerste meting kan zijn competenties bijschaven en het jaar nadien opnieuw meedoen.
De competentiemeting blijft vijf jaar geldig. Na afloop van deze termijn moet de betrokkene opnieuw bewijzen dat zijn bekwaamheden nog het vereiste niveau halen.
Als hij slaagt voor meting 2 behoudt hij de vergoeding voor nog eens vijf jaar. Na tien jaar in de eerste schaal met de vergoeding, wordt hij gepromoveerd naar de tweede schaal. De basisidee achter het ontwerp is dus te komen tot een permanente opleiding, een revolutie in de rechterlijke orde.
Het woord « permanent » heeft hier zijn belang.
Voor het niveau A wordt gesproken over gecertificeerde opleiding, maar het heeft dezelfde bedoeling. De gecertificeerde opleiding is gericht op de functie van de persoon. Wie slaagt heeft recht op een competentietoelage (2 000 euro voor klasse 1, 3 000 euro voor klasse 2, ...).
Momenteel bestaat een dergelijke permanente opleiding op geen enkel niveau. De invoering leidt tot vrees aangezien de overheid de betrokkenen gaat testen op hun bekwaamheid. Het ontwerp kan dus niet worden uitgevoerd zonder opleiding voor alle personeelsleden van de rechterlijke orde. Het opleidingsinstituut is dan ook van groot belang. Hieruit blijkt de samenhang tussen de verschillende moderniseringsinitiatieven die zijn ontwikkeld.
Men mag ook de situatie van de rechterlijke orde niet uit het oog verliezen zoals ze vandaag is.
In 2005 was ongeveer een kwart van de griffiers en secretarissen ouder dan 55. Binnen tien jaar zal dus een kwart van deze groep vernieuwd zijn.
Bijna 60 % van het personeel van de griffies en parketten is ouder dan 40. Daarmee moet rekening worden gehouden.
De vrees om concurrentie te krijgen van externe kandidaten is begrijpelijk, en artikel 68 van het ontwerp komt daaraan tegemoet.
Het niveau van de diploma's is ook erg zwak, zoals de minister uiteenzette. Sommige hoofdgriffiers of hoofdsecretarissen hebben nog een niveau 3 of 4 volgens de oude kwalificatie.
Dat toont voldoende aan dat de basiskennis enorm zal toenemen.
Morgen zullen 25 % van de griffiers ofwel via de interne weg ofwel via aanwerving in niveau B komen (dus middelbaar en 3 jaar hoger onderwijs). Het niveau zal dus worden opgetild, zoals ook de doelstelling was van de hervorming voor de niveaus B, C en D, waar de regering de bedoeling had het niveau D op te tillen tot niveau C via aangepaste opleidingen. De noden zijn veranderd, de vraag is groter, het recht en de taken zijn complexer geworden. Ook de informatisering vergt bijzondere bekwaamheden.
De minister bezorgt een document met daarin een overzicht van de diploma's per niveau, met cijfergegevens over het betrokken personeel, met de onderverdeling per beroepsgroep en de onderverdeling van de griffiers en parketsecretarissen per rechtsgebied.
De contractuelen worden niet benadeeld. Zij krijgen bovendien ook de competentietoelage.
Ook de situatie van de adjunct-secretarissen van de hoven van beroep en van het Hof van Cassatie verslechtert niet. Hun vergoeding blijft behouden. Deze « uitdovende » loopbanen zijn opgenomen in de tabellen van de minister.
In verband met de suggestie dat de interne personeelsleden zouden worden voorbijgestoken door aanwervingen, wordt verwezen naar artikel 68 van het ontwerp waarin onder bepaalde voorwaarden voorrang wordt gegeven aan bevordering, dit wil zeggen aan het intern personeel.
In verband met de weging wordt hier een kader geschetst waarvan de inhoud nog moet worden verduidelijkt. Aan de weging zullen de gerechtelijke overheden nadrukkelijk deelnemen (artikel 15). Er zullen een wegingscomité en een uitgebreid wegingscomité zijn. Het wetsontwerp inzake het vakbondsstatuut waarborgt dat een standpunt via verschillende organisaties kenbaar kan worden gemaakt.
De minister zegt verbaasd te zijn over het standpunt van AJUREF, dat de zaken bureaucratisch zijn aangepakt. De minister kan deze kritiek niet aanvaarden over een wetsontwerp dat bedoeld is om duidelijkheid te scheppen.
De minister verwijst nog naar het document met het overzicht van de functies van referendarissen, parketjuristen, griffiers en secretarissen.
Dat document beschrijft de bestaande toestand (« as is »). Voor hoe het morgen moet zijn (« to be ») wijst de minister ook op de verantwoordelijkheid van de gerechtelijke overheden die hieraan actief zullen moeten meewerken.
Natuurlijk kunnen termen als « bijstand verlenen », « een dossier voorbereiden », « een ontwerp van vonnis voorbereiden » meerdere zaken omvatten. Toch zullen de gerechtelijke overheden op een bepaald moment grenzen moeten stellen aan die bijstand. Er kan naast de rechter niet nog een « bijna-rechter » zijn.
Er moet een einde komen aan de verwarring die hierover bestaat in sommige rechtsgebieden en parketten.
Daarom wordt er gewerkt op het niveau van het rechtsgebied van een hof van beroep en niet meer op het niveau van een arrondissement. Vandaag worden juristen en referendarissen benoemd op het niveau van het rechtsgebied van een hof van beroep en vervolgens toegewezen aan een rechtbank van eerste aanleg of een hof van beroep. De beschikbare middelen, en dan met name de mensen, blijven beperkt. Er moeten dus oplossingen komen waarmee de bestaande expertise optimaal kan worden gebruikt. Zo kan een bepaalde mate van mobiliteit behouden blijven naar gelang van de behoeften. Iemand kan ook gespecialiseerd zijn. Een parketjurist of referendaris kan zijn bekwaamheden ten dienste stellen van verschillende rechtsgebieden na elkaar of tegelijk.
Dat moet allemaal leiden tot een beter beheer van het gerechtelijk apparaat en moet gebeuren met eerbiediging van de grondrechten van iedereen.
De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerkingen van de Raad van hoofdsecretarissen van de parketsecretariaten :
« Evenwel als mandaathouder voor de Raad van hoofdsecretarissen van de parketsecretariaten en mede namens de voorzitter van de Nationale Koninklijke Federatie van het personeel van de parketsecretariaten, menen wij als direct betrokken partij de vrijheid te mogen nemen eveneens — zij het dan enkel schriftelijk — in bijlage onze bemerkingen aangaande dit wetsontwerp te laten geworden.
Uiteraard hebben wij ons beperkt tot het deel aangaande de parketsecretariaten.
Mag ik U dan ook namens beide organen vriendelijk verzoeken bijgevoegde opmerkingen tijdens uw eerstvolgende besprekingen in overweging te nemen en in de mate van het mogelijke met onze verzuchtingen rekening te willen houden :
— het behoud van de secretarissen en het personeel van de parketten binnen de rechterlijke orde (dus geen federale ambtenaren maar behoud in het Gerechtelijk Wetboek)
— behoud van de volledige gelijkschakeling statuten griffiers — parketsecretarissen (inschaling, lonen, diploma's, carrièremogelijkheden, examens, competentietesten en dergelijke meer)
— om de steeds weerkerende discussie van ongelijke inschaling griffier — secretaris voor de toekomst te vermijden, aanpassing van het artikel 176 Ger. W. (het oude artikel 182 Ger. W) als taakomschrijving van de (parket)secretarissen conform de zeer uitgebreide taakomschrijving van de griffiers in artikel 168 Ger. W. (het oude artikel 173 Ger. W.) : § 1 van het nieuw artikel 176 vervangen als volgt :
« Aan ieder parket is een secretariaat verbonden, onder de leiding van een hoofdsecretaris.
De hoofdsecretaris wordt door de Koning benoemd.
De hoofdsecretaris van het parket is belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder (leiding ?) (gezag en ?) toezicht van de procureur-generaal, van de federale procureur, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. Hij verdeelt de administratieve taken onder de leden en het personeel van het secretariaat.
De hoofdsecretaris kan worden bijgestaan door een of meer secretarissen en door adjunct-secretarissen, die de Koning benoemt.
Hun aantal wordt door de Koning bepaald naar de behoeften van de dienst.
De secretaris staat de procureur-generaal, de federale procureur, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij.
Hij verleent bijstand aan de magistraten :
— voor documentatie- en opzoekingswerk;
— voor het samenstellen, het beheren en het voorbereiden met het oog op hun afwikkeling van de administratieve —, tucht- en strafdossiers;
— voor het beheer, de opvolging en uitvoering van de wettelijk voorgeschreven strafprocedures;
— voor alle aspecten van de strafuitvoering;
— voor de oproeping en de dagvaarding van de partijen;
— voor de voorbereiding van de rechtsdagbepaling van de strafzaken;
— voor de kwalificatie- en de opsporingsverrichtingen in de zaken die de magistraat hem toewijst;
— voor het toezicht op de griffiediensten;
— voor nazicht van de kostenstaten en de gerechtskosten;
— voor beslissing ten aanzien van overtuigingsstukken;
— inzake de voorbereiding van de adviezen in de sociale zaken;
— voor de briefwisseling met advocaten, overheidsdiensten en rechtzoekenden;
— op hun verzoek, voor de redactie van de processen-verbaal van verhoor;
— bij de voorbereiding van de korpsvergadering en de uitvoering van de er genomen beslissing;
— en voor andere taken met uitzondering van die welke uitdrukkelijk aan de magistraten zijn voorbehouden.
Tot de taken van de secretaris behoren :
— hij ondertekent de documenten die eigen zijn aan zijn functie en die welke hij in opdracht van het hoofd van het parket moet ondertekenen;
— hij stelt de dossiers van de rechtspleging op en ziet, in het kader van zijn bevoegdheid, toe op de naleving van de reglementering ter zake;
— hij stelt het parketsecretariaat toegankelijk voor het publiek en de advocaten en verzorgt het onthaal;
— hij zorgt voor het voorleiden en het overbrengen van gevangenen;
— hij verstrekt alle wettelijke en nuttige informatie over de stand van de zaak, de procedure, de middelen van verhaal, de uitvoering, aan de rechtzoekende zonder inbreuk te plegen op art. 297 G.W.;
— hij beheert de materiële uitrusting van de gerechtelijke dienst, de informatica- en communicatietoepassingen en houdt de inventaris van alle materiële middelen;
— hij voert het systeembeheer van de informaticatoepassingen;
— hij bewaart de registers, het archief en de documenten van het parket;
— hij ontvangt de registratie van benadeelden en de verklaringen in de door de wet voorziene gevallen;
— hij verzamelt en bewaart de documentatie inzake wetgeving, rechtspraak en rechtsleer ten behoeve van de magistraten;
— hij staat in voor het aanleggen van documentatie en het opmaken van bestanden ten behoeve van de gerechtelijke dienst of op vraag van een overheid;
— hij maakt tabellen, statistieken en andere documenten op waarmee hij bij de wet of besluit is belast, of op verzoek van de korpschef.
De procureur-generaal, de federale procureur, de procureur des Konings en de arbeidsauditeur bij een gerecht waarvan het rechtsgebied meer dan tweehonderdvijftigduizend inwoners telt, kunnen een kabinetssecretaris kiezen uit de leden of het personeel van het secretariaat op advies van de hoofdsecretaris.
Bij een parket kunnen één tot drie secretarissen-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdsecretaris, deelnemen aan de leiding van het secretariaat. Ingeval in een parket meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal secretarissen-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden.
(De Koning bepaalt hun aantal en wijst hen voor drie jaar aan uit de secretarissen, op voordracht van de procureur-generaal, van de federale procureur, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur en van de hoofdsecretaris van het parket. Die aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd). »
— blz. 18 : om via bevordering benoemd te worden tot hoofdgriffier.
— blz. 22 : om via bevordering benoemd te worden tot hoofdsecretaris : de voorwaarden om tot de vergelijkende selecties te worden toegelaten verschillen; bij de hoofdsecretarissen wordt verwezen naar een artikel 262, § 2, derde lid dat nergens terug te vinden is.
— op blz. 22 + 23 ontbreken de leeftijdsvoorwaarden om via bevordering benoemd te worden tot hoofdsecretaris en tot secretaris-hoofd van dienst (cf. hoofdgriffier en griffier-hoofd van dienst).
— de leeftijdsvoorwaarden om tot griffier of tot secretaris benoemd te worden moet minstens 23 jaar zijn.
— blz. 26 + 27 : waar situeert zich de « administratief deskundige » (= bachelor richting rechtspraktijk); kan dit enkel binnen de steundienst of ook binnen het parketsecretariaat waardoor de afschaffing van de graad van adjunct-secretaris enigszins zou ondervangen worden.
— art. 274 — blz. 29 : In het niveau A en voor een betrekking van griffier of secretaris kiest de minister van Justitie de wijze van benoeming volgens welke iedere vacant geworden betrekking moet worden verleend na het advies te hebben ingewonnen van de desbetreffende hoofdgriffier-hoofdsecretaris.
— art. 275 — blz. 29 : Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende selecties, wordt, bij eenzelfde adviesverlening, voorrang verleend aan de geslaagden van de selectie waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten.
— blz. 36 : de vernummering van de artikels lijkt op vele plaatsen niet te kloppen (bijvoorbeeld artikel 287quater moet zijn artikel 287ter, artikel 287quinquies moet zijn artikel 287quater, e.a.
De heer Hugo Vandenberghe verwijst ook naar het advies van de Raad van State waarbij werd gesteld dat referendarissen en parketsecretarissen niet onder het ambtenarenstatuut kunnen vallen, op grond van de vereiste van onafhankelijkheid vervat in artikel 151 van de Grondwet. De Raad van State stelt dat de graad van onafhankelijkheid moet afhangen van de medewerking verleend in de eigenlijke justitiële functie.
Wat betreft artikel 38 over de arbeidsovereenkomsten, stipt spreker aan dat dit artikel de mogelijkheid bevat voor de minister van justitie om personeel aan te werven op grond van een arbeidsovereenkomst.
De Raad van State wijst erop dat in de tekst geen rekening wordt gehouden met de opmerkingen die door de minister van ambtenarenzaken zijn geformuleerd dienaangaande, meer bepaald dat een beperkende opsomming van redenen moet worden gegeven die zulke aanwervingen rechtvaardigen.
Met betrekking tot artikel 68 spreekt de Raad van State zich uit tegen selectie onder het toezicht van Selor.
Waarom is aan deze opmerkingen niet tegemoet gekomen ?
De minister verklaart, met betrekking tot de opmerkingen van de Raad van State over de onafhankelijkheidspositie van de parketjuristen en de referendarissen, dat de Raad van State reeds in een vorige legislatuur terecht een halt toeriep aan een poging om alle bepalingen met betrekking tot parketjuristen en referendarissen uit het Gerechtelijk Wetboek te lichten, gegeven dat parketjuristen en referendarissen ontegensprekelijk verbonden blijven met de uitoefening van de rechterlijke macht. Het feit dat hun statuut geregeld blijft in het Gerechtelijk Wetboek vormt de bekrachtiging van de link tussen hun taakuitoefening en de rechterlijke organisatie op zich. Bovendien wordt expliciet voorzien dat, voor alle statutaire elementen op elk ogenblik van de wervingsprocedure of het verloop van bevordering, de vertegenwoordigers van de rechterlijke organisatie deel uitmaken van de selectiejury. De magistraat-korpsoverste van de plaats waar het ambt te begeven is, is aldus voorzitter van de selectiejury.
Wat betreft de bepalingen met betrekking tot de arbeidsovereenkomst, stipt de minister aan dat voorliggend ontwerp artikel 180 van het huidige Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 10 juni 2006, ongewijzigd overneemt. In het kader van de betreffende aanpassing van het artikel werd reeds naar voren gebracht dat het principe van de werving in de openbare sector een statutaire benoeming is. Het aangaan van een arbeidsovereenkomst is dus per definitie een uitzonderingssituatie. Dit werd zeer uitvoerig toegelicht in de memorie van toelichting in het kader van betreffend wetsontwerp ter wijziging van artikel 180.
Wat betreft de organisatie van de wervingen door Selor, bevestigt spreker dat Selor een dragende kracht blijft van het selectieproces. Zij hebben immers een zekere expertise ter zake. Op grond van de opmerking van de Raad van State werd echter expliciet gesteld dat de selectie moet gedragen worden vanuit de rechterlijke organisatie. Heel concreet betekent dit dat de magistraat-korpsoverste voorzitter is van de selectiejury.
In verband met de opmerkingen van de parketsecretarissen stelt de minister dat daarop zal worden geantwoord bij de artikelsgewijze bespreking. Zij wijst er echter op dat sommige opmerkingen betrekking hebben op het voorontwerp, en reeds zijn opgelost in de ingediende tekst.
De opmerking van mevrouw Crombé is zeer pertinent, en er zal een amendement worden ingediend om de griffiers-diensthoofden van de politierechtbanken ook te vermelden.
VI. BESPREKING VAN DE ARTIKELEN EN STEMMINGEN
Artikelen 1 en 2
Er zijn geen opmerkingen bij deze artikelen.
Zij worden beide eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Artikel 3
De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie, die voorstelt om in de Nederlandse tekst van het 2º, tweede lid, het woord « stof » te vervangen door het woord « aangelegenheden ».
De regering steunt deze suggestie en dient hiertoe amendement nr. 1 in (stuk Senaat nr. 3-2010/2). In dit amendement wordt voorgesteld om enerzijds een taalkundige correctie door te voeren in de Franse tekst van het eerste lid, 1º, a), van het artikel, door er het woord « congé » te vervangen door het woord « congés ». Anderzijds wordt voorgesteld in de Nederlandse tekst van het tweede lid, het woord « stof » te vervangen door het woord « aangelegenheden ».
Stemmingen
Amendement nr. 1 en het aldus geamendeerde artikel worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Artikel 4
Er zijn geen opmerkingen bij dit artikel.
Het wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Artikel 5
De regering dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat nr. 3-2010/2), dat ertoe strekt technische correcties aan te brengen in het voorgestelde derde lid, om dezelfde terminologie te gebruiken als in artikel 8.
Stemmingen
Amendement nr. 2 en het aldus geamendeerde artikel worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Artikel 6
Er zijn geen opmerkingen bij dit artikel.
Het wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Artikel 7
Mevrouw de T' Serclaes stelt vast dat het wetsontwerp niet eenvormig is. In § 1, eerste lid, van artikel 7 is er sprake van « de bevoegde overheden ». Dit is ook het geval in artikel 3. De artikelen 5, 6 en 8 daarentegen gebruiken het woord « de overheid » in het enkelvoud, zonder dat daar het begrip « bevoegde » aan wordt toegevoegd. Artikel 12, 1º, spreekt over de « overheden die ertoe gemachtigd zijn te beslissen », terwijl het 2º verwijst naar « de overheid ». Wat wordt er met die begrippen bedoeld ?
Zij vraagt ook hoe het hier voorliggende wetsontwerp zich verhoudt tot het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie (stuk nr. 3-2009). Het tweede ontwerp bekrachtigt de korpsoverste in zijn rol van manager en plaatst aldus de hoofdgriffier onder zijn gezag en toezicht. Op organisatorisch vlak staat het gerechtspersoneel onder het gezag van de magistraten. Wat gaat er gebeuren als er overeenkomsten, die niet aan de noden van de dienst beantwoorden, worden gesloten tussen de bevoegde overheid en de representatieve vakorganisaties ? Zijn de magistraten door dergelijke overeenkomsten gebonden ?
De minister antwoordt dat het begrip « overheid » doelt op de uitvoerende macht, dat wil zeggen de minister van Justitie. Zoals overigens is bepaald in artikel 5, tweede lid, maken naast de minister van Justitie ook de ministers van Begroting en van Ambtenarenzaken deel uit van het onderhandelingscomité, aangezien de onderhandelingen gevolgen kunnen hebben voor de begroting en het gaat om een kwestie die op het terrein van de « ambtenarenzaken » valt.
Mevrouw de T' Serclaes vraagt wat het verschil is tussen de « overheid » en de « bevoegde overheid ».
De minister antwoordt dat het om algemene termen gaat. Er wordt het uitvoerende niveau mee bedoeld, wanneer het deelneemt aan een onderhandeling of een overleg om, zoals artikel 3 het stelt, te discussiëren over een administratief statuut, de bezoldigingsregeling, de pensioenregeling, enz. Het betreft dus alles wat te maken heeft met het statuut van deze verschillende beroepscategorieën. De discussies hebben niets te maken met rechterlijke of gerechtelijke aspecten.
De magistraten maken geen deel uit van deze onderhandelingscomités.
Mevrouw de T' Serclaes stelt vast dat de onderhandeling ook teksten kan behelzen die betrekking hebben op het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling (artikel 5, eerste lid, 1º, a).
Dreigt men niet met een soortgelijk probleem te worden geconfronteerd als bij de eengemaakte politie inzake overuren, waar het nieuwe statuut de zaken in hoge mate bemoeilijkt ?
Ze geeft het voorbeeld van een rechtscollege dat tijdelijk veel werk heeft wegens een assisenproces.
Wie krijgt de toestemming om het budget aan te spreken door overwerk te vragen ? Zal de korpschef vakantiedagen kunnen weigeren, werkroosters kunnen aanpassen ? Hoe zal men de goede werking van het rechtscollege concreet kunnen verzekeren ?
De minister wijst erop dat er reeds een hele reeks teksten bestaat die de arbeidstijd, de vakantieregeling, de afwezigheden, enz. vastleggen. Er zijn precieze regels. Anderzijds legt het Gerechtelijk Wetboek de taken vast van de diverse actoren en de relaties tussen de beroepsgroepen. Ministeriële circulaires regelen een aantal praktische zaken zoals weekendwerk, werk op feestdagen en buiten de normale arbeidsuren, enz. Er moet voor worden gezorgd dat de zittende magistratuur en het openbaar ministerie de vereiste hulp hebben opdat de werking van het gerecht verzekerd is wanneer dat nodig is. Heel wat parketten en onderzoeksgerechten werken overigens non-stop.
De door het ondersteunend personeel verrichte arbeid buiten de normale werkuren geeft aanleiding tot inhaalverlof of overloon. Dat is allemaal geregeld. Het ontwerp, dat onderhandelings- en overlegstructuren instelt, geeft alle beroepsgroepen een wettelijke vertegenwoordiging bij gesprekken over hun statuut. Dat is geen beletsel voor een procureur des Konings of een voorzitter van een rechtbank die de werkroosters in zijn korps wil aanpassen om de behoeften beter op te vangen. In dat geval zet hij dat op de agenda van een interne bespreking. Wat er ook van zij, de activiteit van het gerecht reikt verder dan de openingstijden van de griffies en het systeem staat dat toe.
Mevrouw de T' Serclaes denkt dat flexibel werken een kostprijs heeft. De beperkingen van de begroting zijn echter een feit en de minister van Justitie is verantwoordelijk voor de begroting. Waaruit bestaat dan de autonomie van de « managers-magistraten » ? Wat zal er gebeuren wanneer de magistraat een beroep doet op zijn referendarissen of parketmagistraten en hun vele overuren doet verrichten ? Het probleem heeft te maken met de tweekoppige overheid : de magistraat bepaalt de behoeften, maar de federale overheidsdienst Justitie heeft de centen. Spreekster hoopt dat men het dagelijks beheer niet zal compliceren door de statuten al te stroef te maken.
De minister antwoordt dat het ontwerp de huidige toestand niet ingewikkelder maakt. Hiervoor bestaan reeds wettelijke en reglementaire bepalingen, ministeriële besluiten en arbeidsreglementen.
Wat de arbeidstijd in de overheidsdiensten betreft, stelt de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de overheidssector het beginsel voorop van inhaalverlof voor het buiten de normale diensturen geleverde werk. Het overloon is een afwijking van dat beginsel.
Tevens heeft elke rechtbank een eigen reglement waarin de openingstijden van de griffies, de activiteiten van de rechtbanken enz. zijn vastgelegd. Die activiteiten moeten aangepast zijn aan de algemene reglementering betreffende de arbeidstijd die bij de overheid geldt.
De minister verklaart dat de activiteit van het gerecht meestal tijdens de normale werkuren verloopt. Slechts bepaalde specifieke ambten zijn ook buiten de openingstijden van de griffies actief.
Indien een korpschef een beleid wil voeren dat gevolgen heeft voor het beheer van de arbeidstijd, moet hij de overheid daarover inlichten. Hij zal er ook op moeten toezien dat zijn beleid in overeenstemming is met de wet- en regelgeving.
Waar er een specifieke behoefte bestaat, wordt er ten slotte een specifiek antwoord gegeven. Voor het parket bijvoorbeeld wordt die specifieke oplossing met de hoofdsecretaris en het personeel tot stand gebracht. De minister heeft een circulaire goedgekeurd waarin de arbeidstijd, de arbeidsuren buiten de normale werktijd, de manier waarop ze kunnen worden gerecupereerd enz. nader worden bepaald. Die circulaire beklemtoont dat niet te vaak een beroep mag worden gedaan op vrijwilligers buiten de normale arbeidstijd. Het is alleen mogelijk indien het absoluut noodzakelijk is en voor bepaalde ambten (onderzoeksrechters, wachtdiensten van het parket, enz.).
De heer Mahoux komt terug op het begrip « overheid ». Hij denkt dat met « overheid » wordt bedoeld de overheid bij de onderhandelingen, zoals bepaald in artikel 8, § 1, derde lid. De overheid kan verscheidene vormen hebben. Moet men het bijgevolg, zoals bepaald in artikel 7, § 1, over « de bevoegde overheden » hebben ? Is het niet juister het begrip « bevoegde overheid », in het enkelvoud, te gebruiken ?
De minister antwoordt dat wel degelijk de bevoegde overheid in het algemeen wordt bedoeld. Maar omdat er verscheidene basisoverlegcomités zijn — minstens een per rechtsgebied van een hof van beroep — is er een overheid vertegenwoordigd in de diverse comités.
De heer Willems verwijst naar het overleg met de representatieve vakorganisaties bij regelingen met betrekking tot de arbeidsduur en de organisatie van het werk. Wat wordt er precies gewijzigd ten aanzien van de huidige situatie ?
De minister antwoordt dat het grote verschil met de huidige situatie erin bestaat dat de betreffende beroepsgroepen als gevolg van het wetsontwerp de zekerheid zullen hebben dat ze met de overheid kunnen vergaderen, hetzij naar aanleiding van een onderhandeling, hetzij naar aanleiding van een overleg. De overheid van haar kant zal de zekerheid hebben dat de personen die zich aan de onderhandelings- of overlegtafel bevinden, werkelijk de betreffende groepen vertegenwoordigen.
Momenteel raadpleegt de overheid ook wel, maar dan in een informele context. Die informele procedure garandeert niet dat alle standpunten aan bod komen en dat alle groepen vertegenwoordigd worden. Enerzijds biedt de nieuwe procedure de overheid meer gemoedsrust en anderzijds biedt ze de diverse beroepsgroepen de waarborg dat er voorafgaande, verplichte onderhandelingen zullen plaatsvinden.
Op de hoorzittingen hebben de vertegenwoordigers van CENEGER ervoor gepleit een adviesraad van de griffies in te stellen. De minister denkt dat die mogelijkheid de voordelen van het wetsontwerp voor de diverse beroepsgroepen niet evenaart. Door het wetsontwerp verplicht de overheid zich er immers toe te onderhandelen en overleg te plegen. Met een adviesraad stelt de overheid een orgaan in dat adviezen zal geven. De overheid kan het advies van de adviesraad vragen. De raad kan ambtshalve een advies geven. Er is echter geen enkele verplichting. De minister leidt daaruit af dat het ontwerp inzake overleg en onderhandelingen een meerwaarde heeft in vergelijking met het instellen van een adviesraad.
Naar aanleiding van deze discussie dient mevrouw de T' Serclaes amendement nr. 13 in (stuk Senaat nr. 3-2010/2), dat ertoe strekt om in § 1, eerste lid, van dit artikel de woorden « kunnen de bevoegde overheden » te vervangen door de woorden « kan de bevoegde overheid ».
De minister steunt dit amendement.
De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de opmerkingen van de dienst wetsevaluatie.
Het eerste lid van § 1 is inderdaad slecht geformuleerd, daar waar het bepaalt dat de bevoegde overheden niet dan na overleg ... beslissingen kunnen nemen ...
De Franse tekst en de Nederlandse tekst komen daarenboven niet helemaal overeen.
De minister antwoordt dat die formulering letterlijk is overgenomen uit de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
Ze geeft toe dat er in recentere teksten andere formuleringen zijn gebruikt. Zo wordt in de Nederlandse tekst van artikel 8 van de wet van 17 maart 2004 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat gebruik gemaakt van de uitdrukking « enkel na onderhandeling ». Ze voegt eraan toe dat ook de uitdrukking « alleen na onderhandeling » werd gebruikt.
Aangezien er verschillende formuleringen mogelijk zijn, pleit de minister ervoor de tekst niet te wijzigen.
Stemmingen
Amendement nr. 13 wordt aangenomen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 8
De regering dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat nr. 3-2010/2) waarin wordt voorgesteld het derde en het vierde lid van § 2 samen te brengen in een nieuwe § 3. Beide leden zijn immers zowel op het in § 1 bedoelde overlegcomité als op het in § 2 bedoelde basisoverlegcomité toepasselijk. Het amendement maakt de structuur van het artikel duidelijker en maakt het begrijpelijker.
De heer Mahoux stelt vast dat de Dienst Wetsevaluatie ook technische opmerkingen over § 2 heeft gemaakt. Welk standpunt neemt de regering daarover in ?
De minister bevestigt dat de regering het met beide opmerkingen eens is. Ze dient daarom de amendementen nrs. 4 en 5 in (stuk Senaat, nr. 3-2010/2).
In amendement nr. 5 wordt voorgesteld in de Nederlandse tekst van het eerste lid van § 2 het woord « ressort » tweemaal te vervangen door het woord « rechtsgebied ». Amendement nr. 4 strekt om in het vierde lid van de Franse tekst de woorden « les règles pour » te vervangen door de woorden « les modalités de ».
Mevrouw Nyssens verwijst naar de hoorzitting met vertegenwoordigers van de referendarissen en de parketjuristen. Momenteel zijn die groepen niet in een vakbond georganiseerd. Welke relatie zal er bestaan tussen het overlegcomité waarvan sprake is in artikel 8 en de klassieke representatieve organisaties waarvan de referendarissen en parketjuristen die dat wensen lid kunnen worden ? Wie zal er zitting hebben in het overlegcomité ? Zullen de typische ambten van de rechterlijke orde erin vertegenwoordigd worden ?
De minister antwoordt dat de hele opzet van het ontwerp erin bestaat ervoor te zorgen dat alle beroepsgroepen vertegenwoordigd worden. Zulks kan worden gerealiseerd op twee manieren : enerzijds via de traditionele interprofessionele vakbonden en anderzijds via organisaties « van het huis » die bepaalde beroepsgroepen vertegenwoordigen. Het gaat om de beroepsgroepen bedoeld in artikel 2 van het wetsontwerp.
De vertegenwoordiging die door het wetsontwerp wordt ingesteld kan tot gevolg hebben dat er naast de drie grote vakbonden andere organisaties die specifiek zijn voor bepaalde beroepsgroepen kunnen plaatsnemen aan de onderhandelingstafel. Die specifieke organisaties zullen aan de criteria van artikel 10 van het wetsontwerp moeten voldoen om te worden erkend als representatieve vakbonden.
De minister illustreert haar woorden met het voorbeeld van de situatie van de referendarissen van het Hof van Cassatie. Die groep bestaat uit ongeveer 15 personen. Indien die referendarissen beslissen een vereniging op te richten en indien die vereniging bewijst dat minstens een vierde van de leden van de beroepsgroep er lid van is en zijn bijdrage heeft betaald, dan krijgt die vereniging dezelfde plaats en hetzelfde gewicht als de andere, traditionele organisaties.
Zoals diverse sprekers op de hoorzittingen hebben opgemerkt, hebben de diverse ambten van de rechterlijke orde hun eigen specifieke kenmerken. Het ontwerp, waarin rekening wordt gehouden met de rechtspraak van het Arbitragehof, neemt niet alleen de specifieke eigenschappen van de diverse ambten in acht, maar maakt het ook mogelijk dat bijzondere personeelscategorieën van de rechterlijke orde door een vakbond worden vertegenwoordigd.
Stemmingen
De amendementen nrs. 3 tot 5 en het aldus geamendeerde artikel 8 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Opschrift van Hoofdstuk V
De regering dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat nr. 3-2010/2), dat strekt om in het opschrift van hoofdstuk V een taalkundige verbetering aan te brengen. Ze stelt voor in de Franse tekst het woord « agréation » te vervangen door het woord « agrément ».
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 9
De regering dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat nr. 3-2010/2), waarin wordt voorgesteld in de Franse tekst in het tweede lid het woord « agréation » te vervangen door het woord « agrément ».
Het amendement en het aldus geamendeerde artikel worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 10
De regering dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 3-2010/2) dat ertoe strekt de Nederlandse en de Franse tekst van het 1º van het tweede lid beter met elkaar in overeenstemming te brengen. Hiertoe stelt ze voor in de Nederlandse tekst de woorden « de erkende vakorganisatie die zitting heeft » te vervangen door de woorden « de erkende vakorganisaties die zitting hebben ».
Mevrouw Nyssens vraagt of CENEGER, indien het 25 % vertegenwoordigt van de groep van de griffiers, kan vragen erkend te worden en zitting te hebben aan de onderhandelingstafel.
De minister bevestigt dit.
Stemmingen
Amendement nr. 7 en het aldus geamendeerde artikel worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 11
De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de suggestie van de Dienst Wetsevaluatie, die voorstelt in § 1 de woorden « en in de overlegcomités » in te voegen na de woorden « in het onderhandelingscomité ».
De minister wijst erop dat de organisatie die is vertegenwoordigd in het onderhandelingscomité, wat het hoogste niveau is, automatisch vertegenwoordigd zal zijn in het overlegcomité. Ze kan het evenwel eens zijn met de toevoeging van de woorden « en in de overlegcomités », want dat verduidelijkt de zaak.
Mevr. Zrihen dient hiertoe amendement nr. 14 in (zie stuk Senaat, nr. 3-2010/2).
Stemmingen
Amendement nr. 14 en het aldus geamendeerde artikel worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 12
De regering dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat nr. 3-2010/2), dat strekt om in de Franse tekst van het eerste lid, het woord « règles » te vervangen door het woord « modalités ».
Stemmingen
Amendement nr. 8 en het aldus geamendeerde artikel worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikelen 13 en 14
Deze artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen en worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 15
De regering dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 3-2010/2), dat van technische aard is.
Stemmingen
Amendement nr. 9 en het aldus geamendeerde artikel worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 16
De regering dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 3-2010/2), dat van taalkundige aard is en strekt om de tekst te verhelderen.
Stemmingen
Amendement nr. 10 en het aldus geamendeerde artikel worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 17
De regering dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 3-2010/2), dat van technische aard is.
Er wordt machtiging gegeven aan de Koning om de datum te bepalen waarop de tekst in werking treedt, met uitzondering van artikel 17, dat de algemene regeling zal volgen.
Stemmingen
Amendement nr. 11 en het aldus geamendeerde artikel worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
VII. EINDSTEMMING
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 11 aanwezige leden.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Luc WILLEMS. | Hugo VANDENBERGHE. |
(1) Voor de magistraten (met inbegrip van de toegevoegde substituten) en de griffiers, zie bijvoorbeeld de artikelen 157, 160, 163, 167 en 186, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting en de wet van 2 juli 1975; voor de hoofdsecretarissen van de parketten, zie bijvoorbeeld artikel 182 Gerechtelijk Wetboek.
(2) Voor de bijzondere graden, zie bijvoorbeeld artikel 185 Gerechtelijk Wetboek; voor de rechters in sociale zaken, zie bijvoorbeeld koninklijk besluit van 7 april 1970; voor de gerechtelijke stagiairs, zie artikel 259octies Gerechtelijk Wetboek; voor de secretarissen van de parketten en de secretarissen-hoofd van dienst, zie bijvoorbeeld artikel 182 Gerechtelijk Wetboek; voor de vertalers, opstellers en beambten van de parketten, zie bijvoorbeeld artikel 183 Gerechtelijk Wetboek; voor de griffiers-hoofd van dienst, zie bijvoorbeeld het koninklijk besluit van 2 juli 1985; voor het griffiepersoneel, zie bijvoorbeeld de artikelen 177, 178, 179, 180 Gerechtelijk Wetboek.
(3) Voor de referendarissen bij het Hof van Cassatie, zie bijvoorbeeld artikel 135bis Gerechtelijk Wetboek; voor de attachés bij het Hof van Cassatie, zie bijvoorbeeld artikel 136 Gerechtelijk Wetboek.
(4) Artikel 86bis GW.
(5) Artikelen 156ter en 206ter GW.
(6) Artikel 86bis GW.
(7) Artikelen 86bis en 326, § 1 GW.
(8) Stuk Kamer, 1990-1991, amendementen, 1245/3, blz. 5; stuk Kamer, 1990-1991, verslag namens de commissie, 1245/4, blz. 2; Stuk Kamer, 2001-2002, 1496/1, blz. 7; stuk Kamer, 2001-2002, 50-1496/002, blz. 19-20; Stuk Kamer, 1996-1997, wetsontwerp, 1053/1, blz. 1; Stuk Kamer, 1996-1997, amendementen, 1053/2, blz. 2; stuk Kamer, 1996-1997, verslag namens de commissie, 1053/4, blz. 2, 4, 6, 7, 8 en 9; stuk Kamer, 1996-1997, verslag namens de commissie, 1053/8, blz. 9; stuk Senaat, Handelingen, 18 december 1997, 4054, 4055, 4056, 4057, 4062, 4063, 4064.
(9) Arbitragehof, 24 maart 2004, nr. 47, B.11.4, B.15.3; Senaat, Handelingen, 18 december 1997, 4057, 4058, 4063.
(10) Voor de referendarissen bij het Hof van Cassatie, zie artikel 135bis GW.