3-1656/1

3-1656/1

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

12 APRIL 2006


Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma, ondertekend te Brussel op 29 april 2005


INHOUD

  • Memorie van toelichting
  • Wetsontwerp
  • Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma
  • Voorontwerp van wet
  • Advies van de Raad van State

  • MEMORIE VAN TOELICHTING


    De regering heeft de eer u de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de regering van Canada inzake het « werkvakantieprogramma », getekend te Brussel op 29 april 2005, ter goedkeuring voor te leggen.

    Het doel van deze Overeenkomst is jongeren, tussen achttien en dertig jaar oud, uit beide landen toe te laten zich naar het andere land te begeven voor een vakantieverblijf van maximum twaalf maanden, waarbij zij de gelegenheid hebben om er te werken en alzo de financiële middelen waarover ze beschikken aan te vullen.

    Het zijn de Canadese autoriteiten die, door tussenkomst van hun Ambassade te Brussel, in januari 2003 het initiatief hebben genomen om onderhandelingen aan te vatten met het oog op het sluiten van een dergelijke overeenkomst.

    Omdat dit voorstel paste in de lijn van de overeenkomsten reeds onderhandeld met Australië en Nieuw-Zeeland, gaven alle betrokken Belgische instanties hierover al vlug hun akkoord.

    De eigenlijk onderhandelingen, op grond waarvan beide partijen het eens werden over een tekst die geparafeerd werd op 21 april 2004 en uiteindelijk ondertekend werd op 29 april 2005, verliepen in twee fasen (februari 2003 en februari 2004). Hierbij dient opgemerkt dat de Overeenkomst enkel materies behandelt die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen.

    Artikel 1 definieert het onderwerp en de draagwijdte van het werkvakantieprogramma en stelt als principe dat de Belgische kandidaten die ervan willen genieten, hiertoe een aanvraag moeten richten aan de Canadese Zending in Parijs, en de Canadese kandidaten aan het Consulaat-generaal van België te Montreal. Het artikel somt eveneens de algemene voorwaarden op waaraan de onderdanen van beide landen moeten voldoen om te kunnen genieten van de bepalingen van de Overeenkomst.

    Deze voorwaarden hebben met name betrekking op de leeftijd van de deelnemers, de verplichting voor hen om over voldoende bestaansmiddelen te beschikken gedurende hun verblijf en een verzekering te hebben afgesloten die arbeidsongevallen, medische kosten, hospitalisatie en repatriëring dekt.

    Dit artikel stelt ten slotte als regel dat, om te kunnen genieten van deze Overeenkomst, men op het ogenblik van het indienen van de aanvraag, moet gedomicilieerd zijn in België of in Canada en beperkt de periode van toegelaten verblijf in het andere land tot twaalf maanden zonder mogelijkheid van verlenging.

    Artikel 2 handelt over het beginsel van de toekenning van een passend visum door elk van de Partijen aan de onderdanen van de andere Partij die voldoen aan de voorwaarden opgesomd in het eerste artikel en preciseert nogmaals dat het visum afgeleverd door België de Canadese begunstigden van de Overeenkomst zal toelaten om gedurende een periode van maximum twaalf maanden in België te verblijven. In concreto zal de betrokkenen een « machtiging tot voorlopig verblijf » worden afgeleverd in toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dit impliceert dat ze zich binnen de acht dagen na hun aankomst moeten laten inschrijven bij het gemeentebestuur van hun verblijfplaats, dat hen een « bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister » zal afleveren, waarmee ze het land kunnen verlaten en terug binnenkomen zonder enige formaliteit.

    Artikel 3 voorziet dat de werkvergunningen die de Canadese autoriteiten afleveren aan jonge Belgen geldig zullen zijn op het grondgebied van Canada et dat de visa afgeleverd door België geldig zijn in het Koninkrijk België. Het bevestigt trouwens de principes dat de begunstigden van de Overeenkomst arbeid kunnen verrichten om de financiële middelen waarover zij beschikken aan te vullen en dat zij hun verblijf noch kunnen verlengen, noch de aard van hun activiteit kunnen wijzigen.

    Artikel 4 bepaalt in zijn eerste paragraaf dat de Canadese onderdanen die in België verblijven in het kader van de Overeenkomst vrijgesteld zijn van het bekomen van een werkvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst. Het betreft hier een toepassing van artikel 2, 20º van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, waardoor dergelijke afwijking mogelijk is.

    Paragraaf twee voorziet dat de Belgische onderdanen van hun kant, zodra ze in Canada aankomen een werkvergunning zullen krijgen die geldig is voor de periode waarvoor hun verblijf toegestaan werd.

    Artikel 5 herinnert eraan dat de begunstigden van de Overeenkomst de wetgeving moeten respecteren die in de ontvangststaat van toepassing is op de uitoefening van de gereglementeerde beroepen.

    Artikel 6 moedigt de betrokken instanties van elk van beide landen aan om de begunstigden van de overeenkomst het gepaste advies te geven.

    Artikel 7 stelt als principe dat het regime van de ontvangststaat inzake sociale zekerheid van toepassing is. Het voorziet bovendien in een gelijke behandeling van de onderdanen van beide staten wat betreft de arbeidsvoorwaarden, de bezoldiging en de veiligheid en de gezondheid op het werk.

    Artikel 8 betreft het bedrag van de vereiste financiële middelen (vast te stellen door de Partijen in onderling overleg) en de statistische aftelling van het aantal begunstigden van de Overeenkomst.

    Artikel 9 bevat de gebruikelijke bepalingen inzake de duur, de inwerkingtreding de opschorting, de opzegging en de wijziging van de Overeenkomst.

    Dit is, Dames en Heren, de toelichting bij de Overeenkomst die u ter bespreking wordt voorgelegd.

    De minister van Buitenlandse Zaken,

    Karel DE GUCHT.

    De minister van Binnenlandse Zaken,

    Patrick DEWAEL.

    De minister van Sociale Zaken,

    Rudy DEMOTTE.

    De minister van Werk,

    Peter VANVELTHOVEN.


    WETSONTWERP


    ALBERT II,

    Koning der Belgen,

    Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,

    Onze Groet.

    Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken, van Onze minister van Binnenlandse Zaken, van Onze minister van Sociale Zaken en van Onze minister van Werk,

    Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

    Onze minister van Buitenlandse Zaken, Onze minister van Binnenlandse Zaken, Onze minister van Sociale Zaken en Onze minister van Werk zijn ermee belast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :

    Artikel 1

    Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

    Art. 2

    De Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma, ondertekend te Brussel op 29 april 2005, zal volkomen gevolg hebben.

    Gegeven te Brussel, 4 april 2006.

    ALBERT

    Van Koningswege :

    De minister van Buitenlandse Zaken,

    Karel DE GUCHT.

    De minister van Binnenlandse Zaken,

    Patrick DEWAEL.

    De minister van Sociale Zaken,

    Rudy DEMOTTE.

    De minister van Werk,

    Peter VANVELTHOVEN.


    OVEREENKOMST

    tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma.

    HET KONINKRIJK BELGIË

    EN

    DE REGERING VAN CANADA,

    hierna genoemd « de Partijen »,

    VERLANGEND de nauwe samenwerking tussen hun beide landen te bevorderen,

    GELEID DOOR DE WENS hun jonge onderdanen de kans te geven de cultuur en de samenleving van het andere land te leren waarderen, ook door er te werken, en aldus een beter wederzijds begrip tussen beide landen te bevorderen,

    OVERTUIGD van het belang deze jongerenuitwisseling te vergemakkelijken,

    ZIJN HET VOLGENDE overeengekomen :

    ARTIKEL 1

    1. Beide Partijen komen overeen een werkvakantieprogramma tot stand te brengen dat jonge onderdanen van beide Staten in de gelegenheid stelt individueel in de andere Staat te verblijven met de bedoeling er een vakantie door te brengen en er tevens tijdelijk betaalde arbeid te verrichten en aldus de financiële middelen waarover ze beschikken, aan te vullen.

    2. Om als begunstigde van deze Overeenkomst in aanmerking te komen, moeten jongeren die voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, een aanvraag indienen bij de voor immigratiezaken bevoegde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de andere Staat, met name de zending van Canada in Parijs of het consulaat-generaal van België in Montreal.

    Zij moeten de volgende voorwaarden vervullen :

    a) voldoen aan de toelatingscriteria en aan andere voorwaarden die voortvloeien uit de immigratiewetgeving en het immigratiebeleid van Canada en België, voor zover het criteria betreft die niet in de letters b) tot i) zijn opgegeven;

    b) tussen 18 en 30 jaar oud zijn ten tijde van de indiening van de aanvraag;

    c) nog nooit van dit programma gebruik hebben gemaakt;

    d) in het bezit zijn van een geldig Canadees of Belgisch paspoort en van een geldig retourticket dan wel van voldoende middelen om dergelijk ticket te kopen;

    e) bij het begin van hun verblijf over voldoende financiële middelen beschikken om in hun behoeften te voorzien;

    f) een verzekering hebben afgesloten voor het geheel van risico's voor de duur van het toegestane verblijf en, wanneer zij niet kunnen aangesloten worden bij het stelsel van sociale bescherming van het gastland, het bewijs leveren van een verzekering die de arbeidsongevallen en de gezondheidszorg dekt, voor de periode van het toegestane verblijf, hospitalisatie en repatriëring inbegrepen;

    g) voor de Canadese of Belgische visumambtenaar aannemelijk maken dat een reis naar Canada of België maken het hoofddoel en de mogelijkheid er te werken van bijkomstige aard is;

    h) bereid zijn de vereiste rechten te betalen; en

    i) op het ogenblik van de aanvraag zijn woonplaats hebben in Canada of België

    3. De kandidaten kunnen slechts éénmaal genieten van de bepalingen van dit akkoord. De duur van het verblijf mag de periode van toegelaten verblijf, die 12 maanden bedraagt, niet overschrijden.

    ARTIKEL 2

    1. Onder voorbehoud van overwegingen van openbare orde, geven beide Partijen aan de onderdanen van de andere Staat, een document af dat toegang geeft tot hun grondgebied, waarvan de geldigheidsduur de toegelaten verblijfsduur niet overschrijdt en dat de reden van het verblijf vermeldt. Voor Canada is dit document de introductiebrief. Voor het Koninkrijk België plaatst de bevoegde Belgische zending een machtiging tot voorlopig verblijf in het paspoort van de Canadese kandidaat.

    2. Na afhandeling van de inschrijvingsformaliteiten bij de gemeenteadministratie geeft de door België afgegeven machtiging tot verblijf de houder het recht tijdelijk in België te verblijven voor een periode van maximum twaalf maanden. De verblijfstitel geeft gedurende deze twaalf maanden eveneens het recht op meervoudige binnenkomsten in België.

    ARTIKEL 3

    1. De werkvergunningen die de regering van Canada afgeeft op grond van een introductiebrief zijn geldig op het grondgebied van Canada; de visa met betrekking tot deze Overeenkomst die door de bevoegde Belgische autoriteiten zijn afgegeven, zijn geldig in het Koninkrijk België.

    2. Elke Partij geeft de onderdanen van de andere Staat de toestemming tot verblijf op grond van het in artikel 2 bedoelde document voor de duur van de toegestane periode die ingaat op de datum van binnenkomst, evenals de toestemming om op bedoeld grondgebied arbeid te verrichten waarmee ze hun financiële middelen kunnen aanvullen.

    3. De onderdanen van elk van beide Staten die op het grondgebied van de andere Staat verblijven uit hoofde van het werkvakantieprogramma mogen hun verblijf niet verlengen na de toegestane periode van verblijf en mogen de aard van de activiteit die ze tijdens hun verblijf verrichten, niet wijzigen.

    ARTIKEL 4

    1. De Canadese onderdanen die onder deze overeenkomst vallen, zijn vrijgesteld van de verplichting om een werkvergunning te bekomen.

    2. De onderdanen van het Koninkrijk België die van het bevoegde Canadese Immigratiebureau een introductiebrief hebben ontvangen, krijgen bij aankomst op het Canadese grondgebied een werkvergunning voor de toegestane periode van verblijf, zonder dat de situatie op de arbeidsmarkt hen kan worden tegengeworpen.

    ARTIKEL 5

    De onderdanen elk van beide Staten die in het kader van het werkvakantieprogramma op het grondgebied van de andere Staat verblijven, moeten de wetgeving die in de ontvangststaat van kracht is naleven, met name die welke van toepassing is op de uitoefening van gereglementeerde beroepen.

    ARTIKEL 6

    De Partijen moedigen de bevoegde instanties in hun respectieve landen aan mee te werken aan de toepassing van deze Overeenkomst, inzonderheid door gepast advies te verstrekken aan de onderdanen van de andere Staat die mogen deelnemen aan het werkvakantieprogramma.

    ARTIKEL 7

    1. Met betrekking tot de sociale zekerheid, is het stelsel van de ontvangststaat van toepassing.

    2. De begunstigden van deze Overeenkomst hebben inzake arbeidsvoorwaarden en bezoldiging recht op eenzelfde behandeling als de onderdanen.

    3. Wanneer de deelnemers een activiteit uitoefenen, zijn de wetten en voorschriften die in het ontvangstland gelden op het gebied van arbeidsvoorwaarden, bezoldiging, veiligheid en gezondheid op het werk op hen van toepassing.

    4. De deelnemers en hun werkgevers moeten de voorschriften naleven die op het gebied van sociale zekerheid in het ontvangstland van kracht zijn.

    ARTIKEL 8

    1. De Partijen bepalen in onderling overleg het minimumbedrag van de uit hoofde van lid 2.e) van artikel 1 vereiste financiële middelen.

    2. De aftelling van het deelnemersquotum loopt vanaf de aanvangsdatum van het programma tot het einde van het lopende jaar en daarna op jaarbasis van 1 januari tot 31 december.

    ARTIKEL 9

    1 Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde duur gesloten.

    2. Elk van de Partijen stelt de andere Partij langs diplomatieke weg ervan in kennis dat aan de interne procedures voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst is voldaan. Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de datum van ontvangst van de laatste kennisgeving.

    3. Elk van de Partijen kan de toepassing van deze Overeenkomst tijdelijk opschorten door de ander Partij drie maanden op voorhand langs diplomatieke weg hiervan in kennis te stellen.

    4. Elk van de Partijen kan deze Overeenkomst opzeggen door de andere Partij drie maanden op voorhand langs diplomatieke weg hiervan in kennis te stellen. De opzegging of de tijdelijke opschorting van deze Overeenkomst tast het recht op verblijf van de personen die tot het werkvakantieprogramma zijn toegelaten, niet aan.

    5. Latere wijzigingen kunnen aan dit akkoord aangebracht worden ten gevolge van een overeenkomst tussen Partijen. Dergelijke wijzigingen worden uitgevoerd volgens de interne juridische procedures van elk van de Partijen.

    TEN BLIJKE WAARVAN, de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve regeringen, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

    GEDAAN in tweevoud, te Brussel, op 29 april 2005, in de Engelse, de Nederlandse en de Franse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek.


    VOORONTWERP VAN WET VOOR ADVIES VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE


    Voorontwerp van wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma, ondertekend te Brussel op 29 april 2005.

    Artikel 1

    Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

    Art. 2

    De Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma, ondertekend te Brussel op 29 april 2005, zal volkomen gevolg hebben.


    ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

    39.981/1


    De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 2 maart 2006 door de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantie programma, ondertekend te Brussel op 29 april 2005 », heeft op 23 maart 2006 het volgende advies gegeven :

    Het ontwerp geeft geen aanleiding tot opmerkingen.

    De kamer was samengesteld uit

    De heer M. VAN DAMME, kamervoorzitter,

    De heren J. BAERT en VAN VAERENBERGH, staatsraden,

    De heren A. SPRUYT en M. RIGAUX, assessoren van de afdeling wetgeving,

    Mevrouw G. VERBERCKMOES, griffier.

    Het verslag werd uitgebracht door de heer R. AERTGEERTS, eerste auditeur-afdelingshoofd.

    De griffier, De voorzitter,
    G. VERBERCKMOES. M. VAN DAMME.