3-366/7 | 3-366/7 |
27 APRIL 2005
A. Bevoegdheid
Volgens de artikelen 127, 128 en 129 van de Grondwet zijn de gemeenschappen in ons land bevoegd voor persoonsgebonden aangelegenheden. Hiermee worden bedoeld : taal, cultuur, sport, onderwijs maar ook gezondheidszorg.
Artikel 5, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 maakt dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor alles wat te maken heeft met gezondheidspreventie. Het is deze bijzondere wet die Vlaanderen de juridische basis verleent voor haar decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening. Dit decreet biedt een kader, opdat men op een gezonde manier sport kan beoefenen. Het viseert niet alleen dopinggebruik, maar ook het respecteren van minimumleeftijden voor sporttakken en dergelijke meer. Het decreet voorziet tevens disciplinaire sancties (schorsing en geldboetes) voor personen die de decretale bepalingen met de voeten treden. Het viseert in de eerste plaats de sportbeoefenaar, maar ook de begeleiders van de sportbeoefenaar en de sportverenigingen. De Franstalige gemeenschap heeft sinds 8 maart 2001 het decreet betreffende de promotie van de gezondheid bij de sportbeoefening, het dopingverbod en de preventie ervan in de Franse Gemeenschap. Ook hier kunnen de sportbeoefenaar en eventuele derden die doping aanbieden of gebruik ervan vergemakkelijken een sanctie oplopen zoals een boete en of een schorsing. De Duitstalige gemeenschap heeft een decretaal kader met het sportdecreet van 19 april 2004. Voor de controles op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedellijk Gewest is er nog geen regeling.
Hoewel sport dus een gemeenschapsbevoegdheid is, hebben diverse aspecten ervan betrekking op federale bevoegdheden en wetten en kan het gebruik, het bezit, het verstrekken en verhandelen en het produceren van sommige dopingproducten ook in strijd zijn met de volgende federale regelgeving.
— De wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica verbiedt een groot aantal verdovende producten die ook door de gemeenschappen worden verboden.
— Het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies.
— Het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti-hormonale, anabole, bèta-adrenergische, anti-infectieuze, antiparasitaire en anti-inflammatoire werking.
— De wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, bèta-adrenergische of productiestimulerende werking.
— Het koninklijk besluit van 22 januari 1998 houdende regeling van sommige psychotrope stoffen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies.
B. Vaststellingen
— Algemeen
1. Dopinggebruik is een wijd verspreid maatschappelijk en cultureel fenomeen dat moeilijk aan te pakken is. De onhoudbare jacht op nieuwe wereldrecords, de invloed van de media en de commercialisering van sport zetten de deur open voor dopinggebruik. Vooral minderjarigen kunnen hierdoor slachtoffer worden van de niet aflatende prestatiedruk.
2. Het gebruik van prestatieverbeterende producten in het kader van sport/topsport wordt goedgepraat. Er is een overheersende mentaliteit dat sport/topsport neerkomt op het verleggen van grenzen, ook de grenzen van het medisch verantwoorde.
3. Dopinggebruik betekent een niet te onderschatten gevaar voor de volksgezondheid. Niet alleen is er een gevaar van acute overdoseringen, maar ook het chronisch gebruik kan gevolgen hebben, niet alleen voor de sporter zelf maar soms zelfs voor zijn kinderen.
4. Het gebruik van dopingproducten blijft niet beperkt tot de topsporters of betaalde sporters. Ook amateursporters en occasionele sportbeoefenaars gebruiken op eigen initiatief dopingproducten, bijvoorbeeld om op korte termijn een sterke spiermassa te ontwikkelen. Daarnaast is er een grote groep van sportbeoefenaars die dopingproducten gebruiken om uit te blinken in hun competitie en hopen zo ooit ontdekt te worden als een nieuw supertalent of omdat ze een gevoel van welbehagen, kracht of esthetiek beogen. Topsporters hebben hierbij vaak een voorbeeldfunctie.
— Aanbod
5. Doping is big business. Er is een enorm aanbod van een zeer brede waaier van legale en illegale prestatieverhogende producten, gaande van de klassieke dopingproducten tot hormonen, prohormonen, pseudo-medicijnen, voedingssuplementen en middelen die dienen om dopinggebruik te maskeren. De jaarlijkse omzet aan dopingproducten zou zo'n 8 miljard euro bedragen. Verder werd gesteld dat 80 % van de jaarlijkse EPO-productie (goed voor 4 miljard euro omzet) zou worden geconsumeerd in de sport. 84 % van de productie van groeihormonen zou naar de sport gaan. Er zijn dus ook grote farmaceutische concerns bij betrokken.
6. De producten zijn zeer eenvoudig te verkrijgen via internet. Op het internet duiken ook vaak spammails op die bepaalde producten aanprijzen. Misleidende reclame is verboden, nochtans bestaan er inzake niet-voorschriftplichtige geneesmiddelen en voedingssuplementen misbruiken.
7. De import uit EU-landen wordt niet gecontroleerd. Het verdwijnen van de binnengrenzen (men spreekt douanetechnisch niet meer van import maar van in vrij verkeer stellen of in vrij gebruik) maken het probleem actueel onbeheersbaar en zeer complex met betrekking tot de huidige nationale wetgevingen die bij wijze van spreken tegen de nationale grenzen opbotsen. De import uit derde landen is niet altijd opspoorbaar door de douane en berust eveneens op toevalstreffers. De controle op postpakketten door de douane is wegens een beperkte personeelsbezetting marginaal, de pakkans berust bijgevolg op toeval.
8. Sommige artsen nemen het niet zo nauw met hun voorschrijfgedrag. Zij schrijven bijvoorbeeld therapeutisch onverantwoorde hoeveelheden anabolica voor. Sommige sportbeoefenaars lopen ook verschillende geneesheren af in de hoop een dokter te vinden die de producten wil voorschrijven die de sportbeoefenaar nodig acht voor het opdrijven van zijn sportieve mogelijkheden. « Veelvoorschrijvers » worden slechts sporadisch opgespoord, en indien ze toch bekend zijn kunnen ze niet worden bestraft (artsen hebben vrijheid van voorschrijven). De Code van de geneeskundige plichtenleer voorziet wel in artikel 36 dat artsen dienen te vermijden « geneesmiddelen voor te schrijven op eenvoudig verzoek van de patient zonder dat diens toestand dit medisch rechtvaardigt » en dat « geneesmiddelen in gepaste vorm en hoeveelheid » dienen voorgeschreven te worden. Maar de Orde van geneesheren treedt zelden of nauwelijks op. Dossiers van het parket worden vaak niet doorgespeeld. Indien dopingcontrole (Vlaamse Gemeenschap) positief blijkt wordt de Directoraat-generaal Geneesmiddelen (federaal) niet ingeschakeld, zelfs niet indien verboden middelen worden gevonden. Apothekers kunnen « abnormaal » voorgeschreven dosissen of vermoeden van misbruik rapporteren aan inspectie van het DGG maar zij doen dit zelden of nooit. Sommige apothekers leveren zelfs dopingproducten af zonder voorschrift.
9. Er ontstaat een grijze zone in de voedingssupplementen. Er is een totale afwezigheid van een strikte regelgeving ter zake en er is geen controle op de werkelijke inhoud van dergelijke voedingssupplementen. Sommige producten bevatten fytohormonen of prestatiebevorderende middelen, al of niet vermeld op het etiket, en al of niet met medeweten van de sportbeoefenaar. Voor sommige producten wordt onterecht een bepaald effect beweerd of worden foutieve gezondheidsbeweringen gebruikt. Er zijn nauwelijks controles op « nutraceuticals » waarin hormonen, fyto- of pro-hormonen en zelfs stimulerende middelen verwerkt zijn. Voor de nutriënten geldt immers enkel een notificatieverplichting waar voor geneesmiddelen een registratieverplichting bestaat.
10. Er zijn soms grote gelijkenissen tussen middelen die worden gebruikt om bij dieren vet- en spiermassa aan te kweken en middelen die de sportieve prestaties van mensen moeten verbeteren. De (illegale) ontwikkeling en bevoorrading verloopt op parallelle wijze.
11. Er is een verregaande verwevenheid tussen de hormonenhandel, het drugsmilieu en de wereld van de doping. Veeartsen mogen producten afleveren vanuit een depot waarvoor ze zich bevoorraden bij de apotheek. De knoop zit hem in de mogelijke collusie met sommige apothekers en het feit dat enkele veeartsen zelf eigenaar zijn van apotheken. Abnormale dosissen of malafide praktijken zijn bijgevolg niet zichtbaar, hormonale producten voor dier of mens zijn dezelfde, en de handel in sommige van die producten is vaak uitermate lucratief.
12. Het gebruik van doping door topsporters is geen individuele aangelegenheid, maar gebeurt meer en meer op een begeleide manier en op basis van goed uitgewerkte programma's. De entourage (producenten en bevoorraders, maar ook medische begeleiders, ploegdirectie en sponsors die tot dopinggebruik aanzetten) worden echter zelden geïdentificeerd en/of bestraft. Amateur sportbeoefenaars handelen meestal op eigen houtje, maar doen ook beroep op bepaalde malafide figuren voor het verkrijgen van dopingproducten.
13. Het gebruik van sommige dopingproducten kan op de duur dezelfde afhankelijkheidsverschijnselen vertonen als bij drugs. Sommige producten worden door sportlui gebruikt zonder dat er zelfs klinische studies mee gebeurden op dieren.
— Opsporing
14. De lijst van dopingproducten die door het WADA worden verboden, is zeer lang en de sportbeoefenaars zijn soms niet op de hoogte van het feit dat het geneesmiddel dat ze gebruiken een positieve controle kan opleveren.
15. De multi-disciplinaire hormonencel bestaande uit personeelsleden van de federale politie, het Directoraat-generaal Geneesmiddelen (de vroegere farmaceutische inspectie), de Douane en het Federaal Agentschap voor de voedselveiligheid tracht een gecoördineerd beleid te garanderen. Naar de strijd tegen de hormonen in de veeteelt werden er tot nu toe goede resultaten geboekt. De cel stelde echter vast dat er een verschuiving plaatsvindt naar de wereld van de sport. Daarom besliste de Ministerraad op 30 maart 2004 de activiteiten van de Cel hormonen uit te breiden naar de illegale handel in hormonen, niet-conforme geneesmiddelen en illegale dopingproducten.
16. De politiediensten zijn onvoldoende vertrouwd met dopingproducten. De aandacht is vrijwel exclusief gericht op het traceren van drugs. Dopingbestrijding is zeker geen prioriteit.
17. De politiediensten, het parket en het Directoraat Geneesmiddelen worden niet altijd tijdig ingelicht over positief bevonden sportbeoefenaars. Daardoor zijn de ordediensten niet aanwezig om onmiddellijk monsters te nemen, de bagage te fouilleren, voertuigen te controleren en bepaalde ruimtes te doorzoeken.
18. Informatie over positieve dopingcontroles wordt evenmin doorgegeven aan de inspectiediensten van het DGG van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu. Er is trouwens een nijpend personeelstekort bij deze diensten wat een proactief optreden onmogelijk maakt. Ook routinematige controles van apotheken en groothandels worden niet uitgevoerd. Evenmin wordt gezocht om bij eventuele verslavingsverschijnselen de hulpverlening in te schakelen zoals dat bijvoorbeeld wel voor drugs gebeurt.
19. De samenwerking tussen de controleartsen van de gemeenschappen, de multidisciplinaire hormonencel en justitie kan beter. De Vlaamse Gemeenschap heeft een samenwerkingsprotocol gesloten met justitie. Het gros van de dopingdossiers worden doorgegeven aan het openbaar ministerie. De controleurs hebben echter geen zicht op wat er met deze informatie gebeurt. Een systematische informatie-uitwisseling tussen de Franstalige Gemeenschap en justitie ontbreekt.
20. De Europese Unie voorziet vrij verkeer van goederen. Dit maakt de bewaking en retracering van geneesmiddelen en dus ook dopingproducten die in het buitenland worden aangeschaft vrijwel onmogelijk.
21. Jaarlijks worden ongeveer 130 000 dopingcontroles uitgevoerd voor een totale kostprijs van ongeveer 65 miljoen euro. 98,5 % daarvan zijn negatief. Daaruit kan worden afgeleid dat meer en meer dopingproducten onopspoorbaar zijn met de gebruikte opsporingstechnieken (bijvoorbeeld EPO op basis van humaan plasma, groeihormoon).
22. Er bestaat een grijze zone-overleg waar men poogt de kennis en vaststellingen van de eetwareninspectie en het Directoraat Geneesmiddelen op mekaar af te stemmen.
23. « Electronic pharmacy », de aanschaf van dopingproducten via internet ontsnapt aan elke controle. Hoewel het hier vaak gaat om inbreuken op de geneesmiddelenwetgeving die de invoer van geneesmiddelen door particulieren verbiedt.
— Bestraffing
24. De bestraffing van dopinggebruik door de verschillende gemeenschappen vertoont grote verschillen. De wederzijdse erkenning van de disciplinaire sancties door de gemeenschappen blijft achterwege. Meestal is er ook een gebrek aan informatie over de genomen sancties. Buitenlandse of Waalse sportbeoefenaars die in Vlaanderen worden betrapt op doping en tegen wie een sanctie wordt uitgesproken, kunnen hun sportieve activiteiten zonder problemen verder zetten in het Franstalige landsgedeelte en in het buitenland. Disciplinaire sancties, uitgesproken door de Vlaamse Gemeenschap, hebben enkel rechtskracht op het Vlaamse grondgebied. In Brussel is er totaal geen regelgeving.
25. Sportfederaties die zelf disciplinaire sancties nemen, zijn hier juridisch onvoldoende voor gewapend en dreigen te worden geconfronteerd met dure procedures voor reguliere rechtbanken. Zij riskeren daardoor soms hoge schadeclaims.
26. De informatieverstrekking door de Vlaamse en Franstalige Gemeenschap aan buitenlandse sportbeoefenaars die worden gecontroleerd op doping of worden betrapt op bezit van doping gebeurt enkel in de taal van de respectieve gemeenschap. Dit heeft tot gevolg dat deze sporters amper weten wat door de Vlaamse en Franstalige Gemeenschap is verboden en welke procedure er wordt gevolgd.
27. Er is een moeilijk raakvlak tussen disciplinaire en correctionele straffen. Dit is voornamelijk het gevolg van het feit dat ingevolge de staatshervorming de strijd tegen doping overgelaten werd aan de gemeenschappen. Bovendien is doping voor de parketten geen prioriteit.
28. Zo is het mogelijk dat de strafmaat voor het gebruik van en de handel in sommige verboden producten in de veeteelt veel zwaarder is dan die voor eenzelfde overtreding met dezelfde producten in de sport.
29. De Ordes geven weinig adviezen over de houding van artsen, veeartsen en apothekers tegenover dopinggebruik. Zij krijgen pas kennis van een dossier wanneer het strafrechterlijk is afgehandeld met een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak. Slechts op dat ogenblik, meestal jaren na de feiten, kan een tuchtprocedure worden opgestart.
C. Aanbevelingen
De Senaat gaat er van uit dat dopinggebruik moet worden bestreden, niet alleen omwille van de fair play en de gelijke kansen in de sport maar ook en vooral omwille van de volksgezondheid. In de eerste plaats is er een sensibiliseringsactie nodig die aanzet tot « gezond » sporten.
— Aanbod
1. De ministers van Volksgezondheid en Consumentenzaken moeten de instrumenten krijgen om strenger toe te zien op de reclame die wordt gevoerd met betrekking tot niet-voorschrijfplichtige geneesmiddelen en voedingssupplementen. Reclame voor voedingssupplementen moet worden gereglementeerd op het Europese niveau.
2. De Senaat roept de organisatoren van sportieve manifestaties op erover te waken dat de deelnemende sportbeoefenaars dopingvrij zijn. Het zou aangewezen zijn de gemeenschappen van het probleem bewust te maken, opdat ze de organisatoren een gedragscode kunnen voorstellen waaraan elke sportwedstrijd zou moeten voldoen en die onder meer stipuleert dat sportbeoefenaars tegen wie een gerechtelijk onderzoek loopt wegens het gebruik van doping zouden worden uitgesloten van de competitie en dit zo lang hun naam niet is gezuiverd.
De Senaat roept de organisatoren van sportieve manifestaties eveneens op erover te waken dat de sportieve competities rekening houden met de fysieke vermogens van een sportbeoefenaar.
3. De Senaat roept bedrijven, die clubs of individuele sportbeoefenaars sponsoren op om wanneer deze meermaals voor dopinggebruik werden veroordeeld, hun verantwoordelijkheid op te nemen en resoluut afstand te nemen van dopinggebruik. In zoverre sponsors blind zijn voor doping, kan niet worden aanvaard dat de bestede reclamebudgetten in aanmerking worden genomen als beroepskosten en zo fiscaal in mindering gebracht kunnen worden. Het sponsorgeld dat besteed wordt aan een sporter die disciplinair geschorst of gerechtelijk veroordeeld werd voor bezit of gebruik van dopingproducten — of aan het team of de club waarmee deze sporter contractueel verbonden is — dient dan ook als verworpen uitgave beschouwd te worden. De maatregel mag geenszins een retroactief karakter vertonen en kan enkel gelden met ingang van de periode waarop de schorsing van toepassing is.
4. Het zou aangewezen zijn dat de minister van Volksgezondheid overleg organiseert met de gemeenschappen om meer preventie en begeleiding te voorzien in de rangen van jeugd- en amateur-sporters en in het onderwijs. Ook zou het aangewezen zijn dat de gemeenschappen met de sportfederaties overeenkomen dat een deel van de subsidies, verstrekt aan de door hen erkende en gesubsidieerde sportfederaties, specifiek wordt aangewend voor de bestrijding van dopinggebruik. Tevens zou het wenselijk zijn een preventiecampagne te organiseren om de sportlui te waarschuwen voor de gevolgen op lange termijn van het nemen van doping.
5. Geneesmiddelen die op de lijst van de WADA staan, zoudenmoeten worden voorzien van een doorkruist olympisch logo. De Belgische regering zou dit standpunt op Europees niveau moeten aankaarten en hierover bij monde van de minister van Volksgezondheid overleg opstarten met de farmaceutische industrie
6. De bijsluiter voor het publiek van de geneesmiddelen die op de lijst van het WADA staan, moet de nadruk leggen op het feit dat ze in geen geval mogen worden gebruikt bij een sportwedstrijd of bij sportbeoefening.
7. Voor sommige diergeneesmiddelen zou het aangewezen zijn om, naar analogie met wat is ingevoerd voor geneesmiddelen, een unieke barcode te voorzien om de opsporing beter te laten verlopen omdat ze niet alleen in de veeteelt maar ook als dopingproducten worden gebruikt. De minister van Volksgezondheid zou hiertoe de bestaande controlesystemen moeten uitbreiden.
8. De ministers van Volksgezondheid, van Economie en van Consumentenzaken zouden internationaal overleg moeten opstarten om te trachten de verkoop van en reclame voor geneesmiddelen via internet te beperken. Minstens moeten de referenties worden vermeld van de personen die verantwoordelijk zijn voor de websites.
9. De minister van Economie zou de Cel Informatie van Economische Zaken moeten doen optreden tegen spammails die prestatiebevorderende voorschriftplichtige producten aanprijzen.
10. Er is een betere etikettering nodig van voedingssupplementen. De minister van Volksgezondheid zou moeten, in samenwerking met de producenten, een lijst samenstellen van voedingsssupplementen die dopingvrij zijn, geen gevaar betekenen voor de gezondheid van de sportbeoefenaar en geen onjuiste informatie bevatten, naar analogie met wat in Nederlend gebeurt via het Nederlandse Zekerheidscentrum Voedingssupplementen Topsport.
11. Er moet meer overleg op het Europese niveau komen om de strijd aan te binden met de sluikhandel in doping.
12. Met eerbiediging van het beginsel van de vrije keuze van diagnose en therapie van de arts, mag het vrije voorschrijfgedrag van artsen niet leiden tot oneigenlijk gebruik van geneesmiddelen in een andere niet-therapeutische context. Het voorschrijven van dosissen die boven de normale, in het registratiedossier vermelde therapeutische dosis ligggen moet door de betrokken geneesheer kunnen worden gemotiveerd.
13. De geneesmiddelenwetgeving zou daartoe door de minister van Volksgezondheid moeten worden aangepast : stoffen met hormonale, antihormonale en andere stoffen en stoffen met anabole werking kunnen slechts voorgeschreven en verkocht worden in een volgens het registratiedossier aangenomen therapeutische dosis, eventueel met uitzonderingen te motiveren én te attesteren door de behandelende arts.
— Opsporing
14. De douanediensten zouden moeten worden versterkt, zodat ze meer gericht kunnen zoeken naar drugs- en dopingproducten. De douane zou de wettelijke mogelijkheid moeten krijgen om uit gecontroleerde zendingen geneesmiddelen te halen. De minister van Financiën zou hiertoe de nodige initiatieven moeten nemen.
15. De erkende controlelaboratoria zouden moeten kunnen beschikken over de nodige high-tech apparatuur. Ondanks de uitbreiding met bloedcontroles blijven immers enkel de urinecontroles bewijskracht hebben. Bovendien hebben de controlelaboratoria de belangrijke taak om trends vast te stellen en moeten ze daarop kunnen inspelen. Er zou meer know how moeten worden uitgewisseld tussen de labs die controleren op dopingproducten en die welke hormonen in de veeteelt opsporen.
16. De Multidisciplinaire Hormonencel zou jaarlijks een aktiviteitenrapport moeten opstellen dat ter beschikking wordt gesteld van het parlement. Er zou ook gezocht moeten worden naar een early-warning systeem.
17. De minister van Binnenlandse Zaken zou de politiediensten moeten gelasten meer aandacht te besteden aan de strijd tegen doping. Politiemensen moeten daartoe de nodige opleiding krijgen. Die zou moeten worden verstrekt door de Hormonencel wat de bestraffing betreft en door de gemeenschappen wat de preventie betreft.
18. Per gerechtelijk ressort zou één politieambtenaar uit de federale of de lokale politie moeten worden aangesteld, die gespecialiseerd is in het domein van dopingproducten. Deze politieambtenaar zou vanuit zijn standplaats steun verlenen aan lokaal lopende gerechtelijke dossiers. De coördinatie van deze steun zou in handen moeten komen van de Multidisciplinaire Hormonencel.
19. De minister van Volksgezondheid zou het Directoraat-Generaal Geneesmiddelen meer mensen en middelen ter beschikking moeten stellen waardoor sluitender controles mogelijk zijn, ook op het verstrekken van geneesmiddelen door veerartsen. Verder zou het Directoraat Geneesmiddelen ook meer risicoanalysetechnieken moeten aanwenden.
20. Het zou raadzaam zijn dat de minister van Volksgezondheid een samenwerkingsprotocol kan sluiten met de gemeenschappen voor het inschakelen van het Directoraat Geneesmiddelen wanneer door de controleorganen van de gemeenschappen dopinggebruik wordt vastgesteld.
21. De minister van Volksgezondheid zou de middelen moeten krijgen om wetenschappelijk onderzoek te laten uitvoeren naar dopinggebruik en de resultaten ervan op de gezondheid.
— Bestraffing
22. De geneesmiddelenwet en de wet op de verdovende middelen moeten onverkort worden toegepast door actiever onderzoek en effectieve vervolging.
23. Justitie mag geen onderscheid maken tussen iemand die om andere dan medische redenen verboden producten gebruikt in het kader van zijn sportieve activiteiten en iemand die gebruikt om andere niet-medische redenen. De inspanningen van Justitie moeten er in de eerste plaats op gericht zijn bevoorraders en producenten van dopingproducten aan te pakken. De rechter moet alle mogelijkheden van bestraffing kunnen benutten, gaande van een gevangenisstraf, een boete, of een doorverwijzing naar de gespecialiseerde hulpverlening.
24. De parketten moeten een grotere openheid aan de dag leggen zodat alle betrokken diensten rond de tafel worden gebracht bij opsporings- of gerechtelijke onderzoeken in belangrijke dossiers en rekening houdend met de beperkingen inzake strafprocedure.
25. Het oplopen van een disciplinaire sanctie wegens doping mag niet betekenen dat er op systematische wijze in geen enkele vorm van strafrechtelijk gevolg wordt voorzien.
Het is aangewezen dat de minister van Justitie, in overleg met het college van de procureurs-generaal, het toepassingsgebied van de omzendbrief van 4 oktober 2004 van de procureurs-generaal van Antwerpen, Brussel en Gent uitbreidt tot het hele land.
26. Het is van vitaal belang zicht te krijgen op de producenten en leveranciers van dopingproducten. Daarom zouden sportbeoefenaars die worden betrapt op dopingproducten, moeten kunnen rekenen op strafvermindering of kwijtschelding van straf, indien ze meewerken aan het onderzoek, naar analogie van wat artikel 6 van de wet van 24 februari 1921 voorschrijft. Tevens zouden de gemeenschappen moeten overwegen in diezelfde maatregel te voorzien in het tuchtrecht.
27. Geneesheren die geneesmiddelen voorschrijven die niet beantwoorden aan een therapeutische noodzaak en die worden aangewend om de sportieve prestaties van een patiënt op te drijven moeten strafbaar worden gesteld krachtens de Drugswet van 24 februari 1921 en de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen.