3-478/3 | 3-478/3 |
11 FEBRUARI 2004
Dit verplicht bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-564/1).
Het werd op 22 januari 2004 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 128 stemmen bij 20 onthoudingen.
Het werd op 27 januari 2004 overgezonden aan de Senaat.
De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 11 februari 2004.
België was het dertiende land dat op 28 juni 2000 de akte van bekrachtiging bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafgerechtshof neerlegde. Het Statuut is op 1 juli 2002 in werking getreden, nadat een zestigste Staat er deel van is gaan uitmaken. Tot op heden hebben 92 Staten, waaronder alle lidstaten van de Europese Unie, het Statuut bekrachtigd of ze hebben zich aangesloten bij het Statuut.
De aanvaarding van deze samenwerkingsregels met het Hof zal voor België de uitvoering betekenen van de internationale verplichtingen die voortkomen uit de bekrachtiging van het verdrag. Het zal ons eveneens toelaten om ons te richten naar de aanbevelingen die aanvaard werden door de Raad van de Europese Unie in haar gemeenschappelijk standpunt van 16 juni laatstleden.
De aanvaarding van dit wetsontwerp is essentieel voor de goede werking van het Hof, dat op basis van het complementariteitbeginsel met de nationale rechtsmachten belast is met het vervolgen van de meest zware internationale misdaden, namelijk de oorlogsmisdaden, de misdaden tegen de menselijkheid en de volkenmoord. Het is dankzij deze samenwerking dat het Hof, dat niet beschikt over een eigen politie of over een eigen ordemacht die dwang kan uitoefenen, haar opdracht van internationale justitie tot een goed einde zal kunnen brengen.
Op het vlak van de samenwerking met bepaalde internationale rechtscolleges beschikt België reeds over een wet waarin de samenwerking met de ad hoc tribunalen voor Rwanda en voormalig Joegoslavië is geregeld, te weten de wet van 22 maart 1996 betreffende de erkenning van en de samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor voormalig Joegoslavië en het Internationaal Tribunaal voor Rwanda.
Teneinde het geheel van bepalingen betreffende de samenwerking tussen België en de internationale straftribunalen samen te brengen, heeft het ontwerp van wet tot doel hetgeen in de wet van 22 maart 1996 bepaald is op te nemen in Titel III van de nieuwe wet, op voorwaarde dat een aantal aanpassingen wordt verricht, hierbij rekening houdend met onze ervaring terzake. De wet van 1996, die geen voorwerp meer zal hebben, wordt derhalve opgeheven. De nieuwe wet, zal dus twee essentiële titels bevatten, regelt de samenwerking tussen de Belgische autoriteiten en het Internationaal Strafgerechtshof (Titel II) enerzijds en de internationale straftribunalen (Titel III) anderzijds.
Het wetsontwerp houdt gedeeltelijk rekening met de opmerkingen die de Raad van State in zijn advies 32 992/2 formuleerde. De memorie van toelichting rechtvaardigt de keuzes die de regering op dit gebied maakte.
De minister stelt voor om u, in het kader van deze inleidende nota, de bepalingen betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof uitvoeriger voor te stellen. Ze wil wel onderstrepen dat het de opvatting van het ontwerp is om zo getrouw mogelijk de regels van het Statuut en het procedure- en bewijsreglement ervan te volgen. Onze speelruimte was dus op dit vlak niet uitgebreid, dit wegens het feit dat wij eveneens met ons gerechtelijk systeem rekening moesten houden.
Hoofdstuk 1 van Titel II van het wetsontwerp bevat een reeks algemene bepalingen betreffende de definities van de gebruikte begrippen, betreffende de algemene samenwerkingsverplichting tussen het Hof en België en betreffende het recht dat toepasselijk is op deze samenwerking.
Bepaalde definities verwijzen naar een of meer artikelen van het Statuut van Rome inzake de invoering van het Internationaal Strafgerechtshof. In het ontwerp dat u voorgelegd wordt, is geopteerd voor de volgende benadering : indien het nuttig blijkt, wordt de tekst van de bepaling integraal overgenomen. Indien het woordelijk citaat niet van doorslaggevend belang is om de tekst te begrijpen, wordt naar de relevante bepaling van het Statuut verwezen. Deze methode werd op vraag van de practici gekozen, om een beter begrip te garanderen van de meest belangrijke bepalingen van het Statuut van Rome.
Het is evenwel niet de bedoeling dat dit wetsontwerp de tekst van alle bepalingen van het Statuut omvat of vervangt. Met het oog op het goede begrip en de goede toepassing van de wet is het evenwel vereist de samenwerkingswet en de relevante bepalingen van het Statuut samen te lezen.
Hoofdstuk 2 legt de grondslag van de samenwerking vast.
Dit hoofdstuk bevat een bepaling gekopieerd op die welke bestaat op het vlak van de samenwerking met de internationale tribunalen voor Rwanda en voormalig Joegoslavië. Deze bepaling verduidelijkt dat de minister van Justitie de bevoegde centrale autoriteit is op het vlak van de samenwerking met het Hof. Deze centrale autoriteit is de tussenpersoon tussen het Hof en België. Het is voornamelijk een administratieve rol, zoals het ontvangen en overzenden van de verzoeken van het Hof, de tenuitvoerlegging verzekeren van de vormen van samenwerking, enzovoort.
Hoofdstuk 3 betreft de verhoudingen tussen het Hof en België.
Een belangrijke bepaling van dit hoofdstuk, dat artikel 14 van het Statuut in werking brengt, betreft de mogelijkheid die België heeft om een situatie waarbij één of meerdere misdaden zouden kunnen gepleegd zijn die tot de bevoegdheid van het Hof behoren, naar dat Hof te verwijzen. Dit artikel is aangevuld met de tekst van het huidige artikel 28 van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht dat toelaat om zaken die reeds bij onze gerechtelijke autoriteiten aanhangig zijn gemaakt naar het Hof te verwijzen.
De bezorgdheid van de Raad van State over het feit dat de bevoegdheden verleend aan de uitvoerende macht inzake de vervolging van misdaden, in strijd zouden zijn met het beginsel van de scheiding der machten, is ongegrond. Wanneer de Ministerraad beslist om een situatie voor het Hof te brengen, behoort het aan het Hof van Cassatie en niet aan de minister van Justitie om, op vordering van de procureur-generaal, zich uit te spreken over de onttrekking van een zaak bij het Belgische gerecht waarbij de feiten aanhangig zijn gemaakt, na het onder meer nazien van het feit dat de bevoegde autoriteiten van het Hof wel degelijk officieel beslist hebben om voor die zaak hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.
Hoofdstuk 4 handelt over de aanhouding, vervoer en overdracht van personen aan het Hof.
De uitvoeringsprocedure van de vragen tot arrestatie en overdracht afkomstig van het Hof is overgenomen van die welke beschreven zijn in de wet van 22 maart 1996 betreffende de samenwerking met de internationale tribunalen voor Rwanda en voor ex-Joegoslavië. Er werden enkele aanvullingen bijgevoegd, om enkele verduidelijkingen aan te brengen in de procedure die momenteel in gebruik is in het kader van de samenwerking met de ad hoc-tribunalen en om de voorschriften van het Statuut en van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering te respecteren.
De eerste afdeling gaat over het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door het Hof ten aanzien van een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt. In dat geval is het aan de raadkamer van de verblijfplaats van die persoon of van de plaats waar hij is aangetroffen om dat bevel uitvoerbaar te verklaren. Tegen deze beslissing is beroep mogelijk.
De tweede afdeling beoogt het verzoek tot voorlopige aanhouding in spoedeisende gevallen.
De derde afdeling bevat de bepalingen die van toepassing zijn voor de overbrenging naar het Hof van de in België aangehouden persoon.
Tot slot, betreft de laatste afdeling van dit hoofdstuk het vervoer over het Belgische grondgebied van elke persoon die door de autoriteiten van een andere Staat aan het Hof wordt overgedragen.
Hoofdstuk V van het wetsontwerp dat u wordt voorgelegd handelt onder meer over de andere vormen van samenwerking dan de aanhouding, de voorlopige aanhouding en de overdracht.
Een eerste afdeling formuleert de beginselen die deze andere vormen van samenwerking regelen. Zij somt, bij wijze van voorbeeld, een reeks handelingen op die, voor zover die niet verboden zijn krachtens de Belgische wetgeving, als reactie op een aanvraag afkomstig van het Hof zullen uitgevoerd worden door de bevoegde autoriteiten.
Een tweede afdeling verduidelijkt de vorm en de inhoud waaraan het verzoek om bijstand van het Hof moet beantwoorden.
De tenuitvoerlegging van het verzoek om bijstand wordt geregeld door de derde en de vierde afdeling.
De bepalingen met betrekking tot de opschorting en weigering van het verzoek om bijstand zijn vervat in afdeling vijf. De eerste hypothese waarbij opschorting in overweging genomen zou kunnen worden, beoogt het reageren op een situatie waarbij een onmiddellijke tenuitvoerlegging afbreuk kan doen aan het goede verloop van een lopend onderzoek of aan de gang zijnde vervolging in een andere zaak.
Daarna wordt een afdeling gewijd aan de tenuitvoerlegging van bepaalde onderzoekshandelingen van de aanklager op Belgisch grondgebied. Deze hypothese is voorzien in artikel 99, § 4, van het Statuut van Rome. Het wetsontwerp voorziet dat de minister van Justitie, op voorwaarde dat de gerechtelijke autoriteiten vooraf advies uitbrengen, kan weigeren dat de aanklager van het Internationaal Strafgerechtshof deze handelingen ten uitvoer legt, ingeval deze handelingen binnen dezelfde termijn en de nadere regels voorzien door de bepalingen met betrekking tot de samenwerking tussen België en het Hof, in antwoord op een verzoek om bijstand kunnen worden verricht. Een dergelijke weigering moet uiteraard de uitzondering blijven.
De ratio legis van deze bepaling beoogt uitsluitend het sanctioneren van eventuele vormen van rechtsmisbruik door het Hof. Deze misbruiken zouden zich kunnen voordoen in de vorm van het systematisch beroep doen op artikel 99, § 4, van het Statuut, teneinde de klassieke procedures van het verzoek om bijstand, zoals in het wetsontwerp voorzien, te omzeilen.
Hoofdstuk VI van het wetsontwerp betreft de tenuitvoerlegging van beslissingen gewezen door het Hof.
Deze bepalingen stellen het principe vast en organiseren de eventuele opsluiting in Belgische gevangenissen van personen die door het Hof veroordeeld werden. Een bepaling betreft eveneens de tenuitvoerlegging door België van geldboeten en maatregelen houdende verbeurdverklaring die door het Hof werden bevolen.
Hoofdstuk VII voert gevangenisstraffen en geldboeten in voor wie een misdrijf pleegt tegen de rechtsbedeling van het Internationaal Strafgerechtshof.
Het gaat hier over de omzetting van artikel 70, § 1, van het Statuut van Rome.
Hoofdstuk VIII is gewijd aan de voordracht van kandidaten voor het ambt van rechter bij het Internationaal Strafgerechtshof. Het respecteert de voorschriften van artikel 36 van het Statuut.
Tot slot handelt Titel III van de wet over de samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor voormalig Joegoslavië en het Internationaal Tribunaal voor Rwanda.
De regering was van mening dat het beter is om alle bepalingen met betrekking tot de samenwerking tussen België en de internationale rechtbanken in één enkele wet samen te brengen. In overeenstemming met het advies van de Raad van State, werd de wet van 22 maart 1996 in het wetsontwerp opgenomen. Er werden enkele verbeteringen aangebracht, vergeleken met de bestaande vormen van samenwerking. Deze verbeteringen beantwoorden aan de lacunes die de practici vaststelden bij de toepassing van de wet van 22 maart 1996 en zijn meestal overgenomen van mechanismen die op het vlak van de samenwerking tussen België en het Hof in dit wetsontwerp voorzien zijn.
Er is niettemin geen volledige uniformiteit tussen de twee vormen van samenwerking, dus tussen die met het Hof en die met de tribunalen ad hoc, dit wegens het feit dat de artikelen van het Statuut van Rome en die van het Procedure- en Bewijsreglement van het Hof veel uitvoeriger beschreven zijn en soms uiteenlopen in vergelijking met die van de Statuten en de Reglementen van de ad hoc-tribunalen.
Titel IV van het wetsontwerp omvat de opheffings- en overgangsbepalingen.
De eerste betreft de opheffing van de wet van 22 maart 1996. De tweede heft artikel 28 van de wet van 5 augustus 2003 op dat integraal overgenomen wordt in artikel 8, § 2, van dit ontwerp.
Tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Kamer werd een reeks technische verduidelijkingen en ophelderingen aangebracht. Er werd met name een bijkomende artikel (56) in het wetsvoorstel ingelast, om te bepalen dat de samenwerkingsdaden met de ad hoc-tribunalen die aan de gang zijn op het moment dat de nieuwe wet in werking treedt in de toekomst aan de hand van de relevante regels van de nieuwe wet zouden gebeuren.
De belangrijkste ambtenaren van het Hof de rechters, de griffier, de aanklager en de adjunct-aanklager zijn nu in functie getreden. Sedert die datum hebben de diensten van de aanklager meer dan 750 klachten ontvangen over feiten die onder de bevoegdheid van het Hof kunnen vallen.
Momenteel worden enkele situaties die onder de bevoegdheid van het Hof vallen door de aanklager met de meeste zorg onderzocht. Enkele dagen geleden deelde de aanklager mee dat Oeganda officieel bij het Hof een zaak aanhangig had gemaakt betreffende de daden van de zogenaamde « Lord's Resistance Army » opstand. Het is mogelijk dat er, binnen zeer korte tijd, verzoeken om samenwerking uitgaan van het Hof. Het is bijgevolg primordiaal dat België, als dertiende staat die partij is bij het Statuut van Rome, zo snel mogelijk een samenwerkingswet goedkeurt, om onze internationale verbintenissen na te kunnen komen.
Mevrouw Nyssens, wier fractie dit wetsontwerp zal goedkeuren, herinnert zich na de inleidende uiteenzetting van de minister bepaalde vragen die tijdens de besprekingen in de commissie ter sprake zijn gekomen met betrekking tot de verschillende wijzigingen in de wet op de universele bevoegdheid van 1993.
Een van de principiële kwesties die in de Kamer reeds aan bod kwam en waar spreekster nu graag wil op terugkomen heeft te maken met de grondwettigheid van het ontwerp. Blijkbaar kan iedereen voor het Internationaal Strafhof gedaagd worden. Het wetsontwerp houdt dus geen rekening met de onschendbaarheid die in de Grondwet vervat is (de onschendbaarheid van de Koning bijvoorbeeld). Alhoewel er in de discussies in de Kamer op dit punt is verwezen naar de werkzaamheden van de interministeriële commissie voor humanitair recht, die belast is met het oplossen van dit soort problemen, vraagt spreekster zich af of deze commissie nog steeds operationeel is.
Spreekster wijst er ook op dat de tekst belangrijke wijzigingen heeft ondergaan sinds het advies van de Raad van State. Het zou dus interessant zijn over een recenter advies te kunnen beschikken.
De rol van de minister van Justitie als centrale autoriteit en de implicaties die dit inhoudt, lijken volgens spreekster ook voor problemen te zorgen. Is het de bedoeling te raken aan het injunctierecht van de minister zoals wij dit nu kennen ? Krijgt de uitvoerende macht er een nieuwe bevoegdheid bij ?
Een ander punt dat wat verduidelijking kan gebruiken houdt verband met het vaststellen van de complementaire of subsidiaire rol van het Internationaal Strafhof ten opzichte van onze gerechtshoven.
Artikel 31 van het Statuut ten slotte vermeldt de strafuitsluitingsgronden en meer bepaald de wettige verdediging. Deze wordt hier vrij ruim geïnterpreteerd, in tegenstelling tot de strikte interpretatie die er in België aan wordt gegeven. Is er door de regering bij het ondertekenen van het Statuut van Rome een beperkende verklaring afgelegd over de wettige verdediging ?
De heer Mahoux verheugt zich over het feit dat dit wetsontwerp eindelijk aan bod komt.
Het Internationaal Strafhof is volgens hem immers de meest geschikte structuur om de schendingen van het internationaal humanitair recht te behandelen. Spreker kan enkele betreuren dat een aantal Staten, zoals de Verenigde Staten, uitdrukkelijk beslist hebben het Statuut van Rome niet te ondertekenen en niet te ratificeren. De doeltreffendheid van het Strafhof kan dan ook niet optimaal zijn. Daarentegen is de aansluiting van niet-democratische Staten bij het Statuut van het Internationaal Strafhof positief, voor zover die Staten zich voortaan verplicht zien rekenschap te geven van hun daden.
Spreker stelt zich ook vragen over de beoordelingsvrijheid waarover het Hof van Cassatie zal beschikken met betrekking tot het na overleg in de Ministerraad vastgestelde besluit van de minister van Justitie om de procureur-generaal te vragen de onttrekking van een zaak aan een nationaal rechtscollege te vorderen.
De heer Willems onderstreept dat voorliggend wetsontwerp grotendeels internationaal gericht is, en dat het Parlement op dat vlak weinig discussieruimte heeft. Bovendien heeft reeds een belangrijke bespreking in de Kamer plaatsgevonden. Spreker neemt de gelegenheid te baat om de minister te herinneren aan haar engagement om de Europese agenda tijdig aan het parlement te bezorgen.
Er kan bij de bespreking van het voorliggende ontwerp worden verwezen naar de wet van 22 maart 1996 over de samenwerking met de internationale straftribunalen.
Ook toen werd het probleem van de grondwettigheid reeds opgeworpen. Spreker is verheugd dat de minister werk maakt van een aanpassing van de grondwet op dit punt.
Verder stelt spreker vast dat een zeer ruime bevoegdheid wordt gegeven aan de minister van Justitie als centrale autoriteit. Hoe zit het met de mogelijke schending van het principe van de scheiding der machten op dat vlak ?
De heer Coveliers meent dat het zeer belangrijk is dat het Parlement wordt betrokken bij de voorbereiding van de goede werking van het internationaal strafhof. Een bezoek ter plaatse lijkt hem aangewezen.
Een belangrijk probleem voor het Internationaal Strafhof is de bewijsgaring. Op welke wijze moeten de bewijzen worden verzameld voor de misdrijven die men in West-Europa eigenlijk niet kent, en die moeten worden verzameld over een voorbije periode ? Tegenstrevers van de toenmalige gezagdragers, nu verdachten, zullen als getuige worden gehoord. Ploegen van onderzoekers, afkomstig uit verschillende landen, doen het onderzoek in functie van hun eigen strafrecht.
Spreker verwijst terzake naar de moeilijkheden in het Internationaal Tribunaal voor ex-Joegoslavië in verband met de bewijsgaring tegen Milosevic. Het zou aangewezen zijn de nationale parlementen bij deze problematiek te betrekken. Zij zullen immers worden geconfronteerd met deze problematiek van bewijsvoering. Zo is het perfect mogelijk dat een van de Belgische onderdanen gedaagd wordt voor een internationaal strafhof bijvoorbeeld voor feiten gebeurd in Afrika. Wat als deze persoon wordt veroordeeld voor een bewijsrecht dat in België niet wordt aanvaard ? Het zou nochtans goed zijn, naar de publieke opinie toe, indien deze arresten zouden worden aanvaard.
Verder is er ook de problematiek van de centrale autoriteit. Spreker stipt aan dat deze figuur niet nieuw is; de figuur van de centrale autoriteit bestaat ook in het verdrag van Den Haag over de parentale ontvoering. Daar is het ook de centrale autoriteit van een land die onderhandelt met de centrale autoriteit van het land waar de kinderen worden gevonden, over de eventuele uitvoering van een in kracht van gewijsde zijnde beschikking. In België is deze centrale autoriteit de minister van Justitie. Ook op dit vlak werd de vraag gesteld of dit geen schending uitmaakt van het beginsel van de scheiding der machten.
In de economie van het verdrag en van het strafrechterlijk denken van het grootste deel van de wereld maakt dit geen schending uit, omdat de minister van Justitie er immers wordt beschouwd als de « chief executor », als het hoofd van het vervolgingsapparaat. In het verleden werden op dat vlak nooit misbruiken vastgesteld. In de meeste landen is de minister van Justitie het hoofd van de vervolging, in België bestaat er een ander, wat verouderd, systeem. Men kan hier dus gewag maken van een botsing tussen het nationaal en internationaal strafrecht, zodat de vraag rijst naar een eventuele aanpassing van het Belgisch systeem.
Deze vraag leidt tevens naar de discussie over de positie van de onderzoeksrechter. Spreker is er in ieder geval van overtuigd dat de centrale autoriteit geen schending vormt van de scheiding der machten. Hoe zou men dit anders trouwens regelen ? Hoe kan men anders iemand aanduiden om te zorgen voor de uitvoering van de relaties tussen België en het Hof. Volgens spreker kan dit alleen via de minister van Justitie. Men kan op het eerste gezicht misschien theoretisch komen aandraven met constitutionele bezwaren, maar praktisch ziet spreker geen andere oplossing. Dit neemt niet weg dat later de Grondwet kan worden aangepast.
Het vinden van aanvaardbare bewijsregels zal niet makkelijk zijn. Men zal immers steeds iemand beoordelen die misdrijven heeft gepleegd in een land met een totaal ander systeem van bewijsvoering en met andere normen. Spreker verwijst naar de Maghreb-landen waar de bekentenis niet bestaat. Ook in het Amerikaanse systeem wordt bij de aanhouding gesteld dat al hetgeen u zegt tegen u kan worden gebruikt. Men moet zich ervoor hoeden dat men in ernstige zaken niet tot vrijspraak komt, omdat de bewijsregeling niet degelijk is geregeld.
De heer De Clerck meent dat het voorliggende ontwerp zeer belangrijk is en dat het Internationaal Strafhof een cruciaal element vormt in de internationale rechtsorde. Het Statuut van Rome moet zo snel mogelijk operationeel worden gemaakt. Spreker hoopt dat dit ontwerp kan bijdragen tot meer rechtvaardigheid in de wereld.
Het lijkt spreker evident dat de reeds bestaande bepalingen betreffende de samenwerking tussen België en de internationale straftribunalen in het voorliggend ontwerp worden geïntegreerd.
Het feit dat magistraten met verschillende nationaliteiten uit landen met verschillende rechtstelsels creatief samenwerken kan uiteraard problemen scheppen, maar is tegelijkertijd fascinerend. Het is belangrijk dat eminente magistraten met gezond verstand worden benoemd, om tot een efficiënte rechtsafhandeling te komen.
Spreker heeft de indruk dat de centrale autoriteit, in casu de minister van Justitie, steeds meer beroep moet doen op de Ministerraad en blijkbaar niet alleen mag beslissen (artikel 8). Is er dan zo een groot wantrouwen ten opzichte van de minister ? Spreker meent dat dit geen goede zaak is. Het risico van inmenging van andere departementen en van politisering wordt vergroot. Spreker pleit voor de zuiverheid van actie van de minister van Justitie.
De heer Nimmegeers wenst de nadruk te leggen op de mogelijke discrepantie tussen onze (westerse) wetgeving en de wetgeving uit landen met andere rechtstelsels. Zou het niet interessant zijn een bestendig waarnemer te hebben bij het Internationaal Strafhof, die ook de functie vervult van « go-between » tussen België en het Internationaal Strafhof ?
De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de visie van Kant die in de 18e eeuw reeds stelde dat enkel het internationaal recht de bestendigheid van de internationale vrede kon waarborgen. De laatste 50 jaren werd ernstig gewerkt aan het inzicht dat enkel het internationaal recht een bestendig kader voor het oplossen van vredesconflicten kan meebrengen, inclusief de bestraffing van bepaalde ernstige misdrijven.
Spreker verwijst verder naar de pragmatische aanpak van de wetgeving en het blijvend bestaan van andere internationale tribunalen.
Men kan zich de vraag stellen waarom men niet eerder één internationaal strafhof instelt. Deze materie zal later nog aan de orde moeten komen.
Spreker verwijst verder naar de opmerkingen van de Raad van State. Aan de meeste algemene opmerkingen werd gevolg gegeven. Blijft echter de discussie omtrent de al dan niet noodzakelijkheid van een grondwetswijziging. Dit probleem zou relatief dringend moeten worden geregeld, omwille van het feit dat men nu rechtsreeks naar het Arbitragehof kan stappen op grond van titel II van de Grondwet, artikel 12.
Verder onderstreept spreker dat het bewijsrecht een essentieel element is van een eerlijk proces. In Europa hebben 45 landen het Europees Verdrag van de rechten van de mens onderschreven. Voor de aanhouding dient aldus artikel 5 te worden nageleefd, en voor het proces artikel 6.
Indien de wetgever een bevoegdheid overdraagt aan een internationaal rechtscollege, moet hij verzekerd zijn dat de andere internationale verplichtingen die hij heeft opgenomen worden nageleefd door het internationaal rechtscollege. De Europese Conventie moet worden nageleefd indien iemand, Belg of vreemdeling, in België wordt gevat en in Den Haag verschijnt. De bewijsvoering dient te beantwoorden aan de minimumcriteria aangenomen door het Europees Hof te Straatsburg.
Spreker vindt het tenslotte een goed idee een bezoek te brengen aan het Internationaal Strafhof, het Europees Hof van Justitie en het Europees Hof voor de mensenrechten te Straatsburg.
Antwoorden van de minister
Op de vraag aangaande de grondwettigheid van dit ontwerp, antwoordt de minister dat momenteel in de rechtsleer en in de rechtspraak twee stellingen worden verdedigd inzake de voorrang van het internationaal recht op het intern recht.
Een eerste stroming verdedigt de absolute voorrang van het internationaal recht op het intern recht, met inbegrip van de Grondwet. Het Hof van Cassatie en de afdeling administratie van de Raad van State nemen eveneens dat standpunt in.
De afdeling wetgeving van de Raad van State en tot op zekere hoogte het Arbitragehof hebben een ietwat andere opvatting over de voorrang van het internationaal recht op de Grondwet. Men moet echter vaststellen dat België de laatste decennia is toegetreden tot essentiële verdragen die bepalingen bevatten die strijdig zijn met de Grondwet. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Handvest van de Verenigde Naties.
Als België blauwhelmen ter beschikking stelt van de Verenigde Naties, gehoorzamen die Belgische militairen de bevelen van een door de Verenigde Naties aangewezen militaire bevelhebber, wat in strijd is met de grondwetsbepaling die de Koning aan het hoofd stelt van het leger.
Zo heeft België in het begin van de jaren vijftig het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide geratificeerd, waardoor alle personen die schuldig zijn aan genocide kunnen worden vervolgd, met inbegrip van staatshoofden. Dit is strijdig met de bepalingen in de Grondwet die het staatshoofd absolute onschendbaarheid, en leden van de regeringen en de parlementen onschendbaarheid in bepaalde omstandigheden verlenen. De regering zal in de loop van de volgende weken het advies ontvangen van de interministeriële commissie voor humanitair recht, waarvan de raadgevende rol onlangs bij koninklijk besluit is uitgebreid. Dit advies zal eventueel leiden tot voorstellen tot herziening van de Grondwet naar aanleiding van de verklaring tot herziening van de Grondwet tijdens de vorige zittingsperiode. Die herziening is echter pas mogelijk nadat dit wetsontwerp is goedgekeurd, zo niet komt België in een moeilijk parket ten aanzien van een eventueel verzoek tot samenwerking van het Hof.
Wat het advies van de Raad van State betreft, geeft spreekster toe dat de tekst die aan de Raad is voorgelegd ondertussen is gewijzigd, maar dat is bijna altijd het geval.
De rol van de minister van Justitie als centrale autoriteit kan tot op zekere hoogte worden vergeleken met een gewone « brievenbus ». Artikel 5 van het ontwerp bepaalt : « De minister van Justitie is de centrale autoriteit die bevoegd is om de verzoeken van het Hof in ontvangst te nemen en om de verzoeken van de Belgische gerechtelijke autoriteiten over te zenden aan het Hof. Hij verzekert de opvolging ervan. »
De eerste volzin gaat dus over het overzenden van het verzoek tot samenwerking van de verzoeker aan de bestemmeling en de tweede over het overzenden van het antwoord van de bestemmeling aan de verzoeker, ongeacht of die laatste een Belgische overheid dan wel het Internationaal Strafhof is. Alleen zo moet de tweede volzin van artikel 5 worden geïnterpreteerd.
De minister benadrukt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de rol van de minister van Justitie als centrale autoriteit voor de gewone samenwerkingshandelingen dat wil zeggen wanneer het Internationaal Strafhof of de Belgische gerechten in verband met een bepaalde zaak een verzoek tot samenwerking richten tot de centrale autoriteit en de situatie bedoeld in artikel 8 van het wetsontwerp, die totaal anders is.
In het eerste geval zal bijvoorbeeld een Belgisch rechtscollege in een bepaalde zaak op basis van de wet van 5 augustus 2003 het getuigenis willen horen van een kroongetuige die in Den Haag wordt vastgehouden in het kader van door het Hof gestarte vervolgingen. Dan wordt via de centrale autoriteit een verzoek tot samenwerking gericht tot het Hof.
Artikel 8 van het ontwerp betreft daarentegen geen geval van gerechtelijke samenwerking maar de zeer specifieke situatie waarin België een procedure start voor het Internationaal Strafhof. In dat geval is het de regering die de beslissing neemt en de minister van Justitie die ze, als vertegenwoordiger van de regering bij het Hof, ter kennis brengt van het Hof (verklaring van België in toepassing van artikel 87 van het Statuut).
Wat artikel 8 betreft is er geen sprake van een negatief injunctierecht van de minister van Justitie. Vervolgingen kunnen enkel worden stopgezet op basis van een beslissing van het Hof van Cassatie en niet van de minister. Overeenkomstig artikel 8 van het wetsontwerp kan de zaak enkel aan de Belgische rechtscolleges worden onttrokken en voor het Internationaal Strafhof worden gebracht als de aanklager bij het Internationaal Strafhof beslist om te vervolgen.
Het laatste lid van artikel 8, § 2, bepaalt uitdrukkelijk dat ingeval het Hof, op verzoek van de minister van Justitie, na de onttrekking van de zaak aan het Belgische rechtscollege, laat weten dat de aanklager van het Hof heeft beslist geen akte van inbeschuldigingstelling op te stellen, dat het Hof die akte niet heeft bevestigd, dat het Hof zich onbevoegd heeft verklaard of de zaak onontvankelijk heeft verklaard, de Belgische gerechten opnieuw bevoegd zijn.
Vervolgens snijdt de minister het probleem aan van het aanvullend of subsidiaire rol van het Internationaal Strafhof ten opzichte van onze rechtscolleges. Men mag hierbij niet uit het oog verliezen dat het gekozen procédé er is gekomen omdat men rationeel wou tewerk gaan. Spreekster wil dat met een voorbeeld illustreren.
Men zou zich kunnen voorstellen dat alle leden van een regering, die zich schuldig hebben gemaakt aan genocide, door het Internationaal Strafhof worden vervolgd. Is één van de slachtoffers een Belg, dan zijn de Belgische rechtscolleges voor dat dossier eveneens bevoegd, krachtens de wet van 5 augustus 2003.
Mochten de Belgische rechtscolleges dit dossier werkelijk behandelen, dan moeten ze hetzelfde proces van het Internationaal Strafhof overdoen, maar dan alleen voor die zaak met een Belgisch slachtoffer. Het gekozen systeem, waardoor België een zaak uit handen kan geven aan het Hof wanneer de procureur van het Internationaal Strafhof het wenselijk acht in die zaak vervolging in te stellen, voorkomt dubbele rechtspleging.
In verband met de vraag van senator Nyssens over de draagwijdte van artikel 31 van het Statuut dat betrekking heeft op de wettige verdediging, wijst de minister erop dat België bij de ratificatie van het Verdrag een specifieke verklaring heeft afgelegd over artikel 31 § 1, c van het Statuut. Die verklaring strekte ertoe duidelijk te stellen dat België weliswaar het recht van het Hof erkent om de elementen die er worden beschreven, te beschouwen als bestanddelen van de wettige verdediging maar dat zulks in geen geval afbreuk kan doen aan het Belgische recht inzake wettige verdediging noch aan het internationale gewoonterecht zoals België dat ziet. Artikel 31 § 1, c is dus een rechtsnorm eigen aan het Internationaal Strafhof en wijzigt de regels van de Verdragen van Genève niet.
De minister kan het alleen maar eens zijn met de opmerking van senator Mahoux over de positieve gevolgen die de toetreding tot het Statuut van het Internationaal Strafhof voor landen waar gewapende conflicten woeden heeft.
Zo heeft Oeganda, een land in crisis, onlangs een eerste zaak voor het Hof gebracht. Dat zegt in ieder geval veel voor de grote hoop die dergelijke landen vestigen op de preventieve of curatieve rol die het Hof in de toekomst kan spelen.
Vastgesteld moet worden dat de huidige procedure voor het Internationaal Strafhof ontworpen werd om optimaal bruikbaar te zijn voor dit soort internationale rechtbank. Het gaat geenszins om het soort Angelsaksisch geïnspireerde rechtsbedeling die geldt bij de ad hoc-rechtbanken, die werden opgericht op grond van een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Hier hebben de rechters werkelijk een rol te spelen in het verloop van het proces. Het is ook zo dat de in het Statuut geëiste beroepservaring voor magistraten niet te vergelijken is met wat momenteel voor de internationale gerechtshoven bestaat.
In antwoord op een vraag van senator Nimmegeers, die een externe bezinning over de rechtspleging voor het Internationaal Strafhof nuttig acht, merkt de minister op dat die zal plaatshebben naar aanleiding van het verslag dat het Hof elk jaar over zijn werk zal uitbrengen bij de Assemblee van de Staten die partij zijn bij het verdrag.
Op grond van dat verslag kan de Assemblee van de Staten die partij zijn, in voorkomend geval het Reglement voor de proces- en bewijsvoering of het Statuut amenderen.
De heer Nimmegeers wenst aan te dringen op de intensivering van de controle en de communicatie, en het daartoe aanwijzen van een eventuele waarnemer. Het jaarlijks verslag lijkt hem niet te volstaan.
De heer Coveliers stelt voor een bezoek te brengen aan het Internationaal Strafhof en de heer Brammertz te verzoeken een toelichting te verstrekken.
De heer Hugo Vandenberghe meent dat men ook bijvoorbeeld de ambassades kan verzoeken regelmatig verslag uit te brengen bij Kamer en Senaat, via het ministerie van Justitie.
De heer Coveliers wijst erop dat België over twee afzonderlijke ambassadeurs beschikt bij het ICC.
De minister bevestigt dat België inderdaad twee ambassadeurs ter plaatse heeft. Eén ervan is precies belast met de relaties met de internationale organisaties die in Den Haag gevestigd zijn. Het betreft de heer Nieuwenhuize. Krachtens het Statuut van het Internationaal Strafhof zullen de contacten echter via de minister van Justitie verlopen, wat niet uitsluit dat de minister zich door onze ambassadeur in Den Haag laat begeleiden.
Artikel 1
Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Het wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 2
De heer Hugo Vandenberghe merkt op dat in het vierde streepje van dit artikel, het onnodig is het woord « centrale » te herhalen in de definitie van « centrale autoriteit ».
De commissie stemt in met deze technische verbetering.
Dezelfde spreker stelt voor om in hetzelfde streepje van dat artikel, de woorden « , te weten de minister van Justitie » te doen vervallen, omdat die verduidelijking reeds in artikel 5 staat.
Bovendien spreekt men in een aantal artikelen over « de centrale autoriteit », terwijl in andere artikelen « de minister van Justitie » wordt vermeld. Dat zou de verkeerde indruk kunnen wekken dat het om twee verschillende autoriteiten gaat.
De minister antwoordt dat het vermelden van de minister van Justitie in het vierde streepje inderdaad niet nodig is, maar dat het de tekst niet schaadt.
Men moet weten dat de tekst is voorbereid door een ad hoc-comité binnen het ministerie van Justitie, dat samengesteld was uit praktisch alle leden van de interministeriële commissie voor humanitair recht die eraan wensten mee te werken, en mensen uit de praktijk (waaronder onderzoeksmagistraten en leden van het federaal parket belast met zaken betreffende het humanitair recht).
Zij hebben gevraagd dat de tekst zo duidelijk en expliciet mogelijk wordt opgesteld.
De enige plaats waar de minister van Justitie in plaats van de centrale autoriteit vermeld wordt, is in artikel 8, waar het zoals gezegd om een bijzondere rol gaat.
De minister vindt het daarom beter dat op die plaats uitdrukkelijk de minister van Justitie en de Ministerraad vermeld worden.
De heer Coveliers merkt op dat wanneer de minister van Justitie optreedt als lid van de Belgische regering, hij niet de « centrale autoriteit » is die optreedt als hoofd van het vervolgingsapparaat waarop het Hof steunt.
De heer Vandenberghe besluit dat men artikel per artikel moet nagaan welke termen gebruikt moeten worden.
Spreker vestigt ook de aandacht op het zesde streepje van artikel 2, waar in de Franse tekst sprake is van het « bureau du procureur », maar in de Nederlandse tekst van « diensten van de aanklager ».
De minister antwoordt dat men dezelfde termen heeft willen gebruiken als in de vertaling van het Statuut van Rome zoals die in het Belgisch Staatsblad verschenen is.
De heer Zenner vraagt waarom de tekst niet gewoon « de procureur van het Internationaal Strafhof » vermeldt.
De minister antwoordt dat men het Statuut volgt.
Als men alleen « de procureur » zou vermelden, zou men alleen kunnen ingaan op een verzoek tot samenwerking dat uitgaat van de procureur als hij zelf de auteur en de ondertekenaar van het verzoek is, wat slechts heel zelden voorkomt (bijvoorbeeld bij een verzoek tot aanhouding en overdracht).
Een aantal samenwerkingshandelingen op grond van het Statuut gaan niet uit van de procureur zelf, maar van de leden van zijn diensten.
Dat is bijvoorbeeld het geval als men wil weten of een bepaalde persoon ooit wel in een bepaald land verbleef, of zich op het grondgebied ervan bevindt, of wat de juiste naam is van iemand die pas getuigd heeft.
Artikel 2 wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikelen 3 en 4
Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. Zij worden aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 5
Amendement nr. 3
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-478/3, amendement nr. 3), dat ertoe strekt de laatste zin van artikel 5 te doen vervallen.
In de Kamer is de rol van de minister van Justitie als tussenpersoon bevestigd, maar tijdens de bespreking werd benadrukt dat de centrale autoriteit zich uitspreekt over de toelaatbaarheid van het verzoek tot samenwerking, eventueel de bevoegdheid van het Hof kan betwisten, enz.
De indiener van het amendement is er dus niet zeker van dat de centrale autoriteit een puur administratieve taak heeft.
De heer De Clerck is het eens met deze opmerkingen. De tekst verduidelijkt dat de minister van Justitie de opvolging verzekert. Deze rol overstijgt dus de rol van gewone « brievenbus ».
De heer Coveliers trekt de parallel met het Verdrag van Den Haag inzake de ontvoering van kinderen, waarin nagenoeg dezelfde formulering is terug te vinden (« Hij bewaakt de voortgang ervan »).
Voor de centrale autoriteit gaat het erom na te gaan of, in het nationale rechtssysteem, nadat alle stadia van de procedure zijn doorlopen, de beslissing is uitgevoerd.
De minister verwijst naar de wet van 1996 betreffende de samenwerking met ad hoc rechtbanken, waarin te lezen staat : « De minister van Justitie is de centrale autoriteit die bevoegd is verzoeken om gerechtelijke samenwerking uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen en verder op te volgen. »
Die formulering is nagenoeg identiek. Als de tweede zin van artikel 5 wordt geschrapt, zegt het artikel niet meer wie het antwoord op het verzoek overzendt.
Rekening houdend met de verduidelijkingen van de minister, trekt mevrouw Nyssens amendement nr. 3 in.
Artikel 5 wordt aangenomen met 10 stemmen bij 4 onthoudingen.
Artikel 6
Amendement nr. 4
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-478/2, amendement nr. 4) dat beoogt de eerste zin van artikel 6 te vervangen als volgt :
« Overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Statuut, worden de verzoeken van het Hof aan de centrale autoriteit schriftelijk gedaan, behalve in de spoedeinsende gevallen zoals geregeld door hetzelfde artikel van het Statuut. »
Zoals de Raad van State opmerkte, bepaalt het Statuut dat verzoeken schriftelijk worden gedaan, tenzij in spoedeisende gevallen.
De formulering van artikel 6 is niet volledig in overeenstemming met dit voorschrift, en verschilt bovendien van de formulering van artikel 13 van het ontwerp.
De minister antwoordt dat de artikelen 6 en 13 elkaar niet tegenspreken.
Artikel 6 valt onder hoofdstuk II, waarin de algemene beginselen tot regeling van de gerechtelijke samenwerking worden uiteengezet.
Artikel 91, § 1, van het Statuut betreft de inhoud van het verzoek tot aanhouding en overdracht. Het bepaalt dat een dergelijk verzoek schriftelijk wordt gedaan. In dringende gevallen kan een verzoek worden gedaan via elk communicatiemiddel dat daarvan een schriftelijke vastlegging kan opleveren.
In hoofdstuk IV, artikel 13, van het ontwerp, dat gaat over de aanhouding, de overbrenging en de doorvoer, wordt bepaald dat het verzoek tot aanhouding of overdracht uitgaande van het Hof, schriftelijk wordt gedaan, overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Statuut.
Dit is een specifieke regel voor dit soort verzoek tot samenwerking en geen algemene regel.
Een communicatiemiddel dat een schriftelijke vastlegging kan opleveren, is bijvoorbeeld een fax of een e-mail.
De heer Hugo Vandenberghe benadrukt dat dit niet nieuw is. Het Europees Verdrag voor de rechten van de mens biedt de mogelijkheid een dringend verzoek te richten aan de commissie (nu dus tot het Hof) om een nationale overheid die een maatregel treft tegen een burger, te gelasten die maatregel op te schorten.
Spreker merkt ook op dat de Franse tekst van artikel 6 (« laissant une trace écrite ») niet overeenstemt met de Nederlandse tekst (« dat een schriftelijk bewijs biedt »). Niet ieder schriftelijk spoor biedt immers een schriftelijk bewijs.
De Nederlandse tekst zou dan ook moeten luiden : « dat een geschrift nalaat ».
Dezelfde spreker stelt voor in de Nederlandse tekst van het artikel de woorden « bij ontstentenis hiervan » te vervangen door het woord « zoniet ».
De commissie is het met dit voorstel eens.
Amendement nr. 4 wordt ingetrokken.
Artikel 6 wordt aangenomen met 12 stemmen bij 2 onthoudingen.
Artikel 7
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 8
De heer Hugo Vandenberghe herhaalt dat in dit artikel de minister van Justitie een andere rol krijgt dan die van centrale autoriteit.
Hij merkt op dat in § 1, eerste lid, in de Franse tekst sprake is van een « décision » vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat niet hetzelfde is als de Nederlandse term « besluit ».
De minister antwoordt dat het huidige recht in soortgelijke situaties voorziet in een « décision » vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Er moet een kennisgeving van de Ministerraad zijn, maar er is geen koninklijk besluit nodig.
De commissie beslist dan ook het woord « besluit » te vervangen door het woord « beslissing » in § 1, eerste lid en § 2, eerste lid, van dit artikel.
De heer Hugo Vandenberghe merkt op dat in het ontwerp wordt verwezen naar paragrafen van artikelen uit het Statuut. Deze artikelen zijn echter niet onderverdeeld in paragrafen, maar in punten.
De minister antwoordt dat voorkruisvewijzingen in het Statuut ook wordt verwezen naar paragrafen, net als in voorliggend ontwerp.
De commissie besluit nog twee andere technische correcties aan te brengen in artikel 8.
in § 1, tweede lid, van de Franse tekst, wordt het woord « pertinentes » ingevoerd achter het woord « circonstances », om de tekst te laten overeenstemmen met de Nederlandse versie van het artikel.
in § 2, eerste lid, worden de woorden « van de huidige wet » ingevoegd na de woorden « artikel 46 ».
Artikel 8 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.
Artikelen 9 tot 12
Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. Ze worden eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.
Artikel 13
Mevrouw Nyssens heeft vragen bij de draagwijdte van de controle die de raadkamer krachtens § 2 van artikel 13 uitvoert.
Overeenkomstig artikel 59 van het Statuut moet niet alleen gecontroleerd worden of het bevel tot aanhouding de juiste persoon betreft, maar ook of de aanhouding volgens de juiste procedure is verlopen en of de rechten van de persoon geëerbiedigd zijn.
De minister antwoordt dat hier dezelfde formulering is gebruikt als in 1996.
Intussen is er wel een rechtspraak ontwikkeld voor de samenwerking met de ad hoc rechtbanken.
Het Hof van cassatie heeft benadrukt dat deze bepalingen betekenen dat de Belgische rechtbanken met name moeten nagaan of de rechten van de verdediging en de andere regels van het gemeen recht zijn geëerbiedigd.
Men heeft hier echter willen verduidelijken dat het onderzoeksgerecht bij een voorlopige aanhouding bijvoorbeeld niet hoeft na te gaan of de zaak dringend is.
Deze les is getrokken uit de ervaring met de werking van ad hoc rechtbanken.
Een van die rechtbanken heeft de dringende voorlopige aanhouding gevraagd van een persoon die zich in België bevond en die vervolgd werd door die ad hoc rechtbank.
Het onderzoeksgerecht is nagegaan of er wel degelijk sprake was van een spoedeisend geval. Het heeft besloten dat dit niet het geval was en heeft de aanhouding geweigerd.
Zulk een beslissing druist echter in tegen onze verplichting tot samenwerking met de rechtbank.
Het Hof zelf zal de conformiteit van de beslissing van de rechtbank met het Statuut onderzoeken.
Artikel 13 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.
Artikel 14
Wat de termen « communicatiemiddel dat een schriftelijk bewijs biedt » betreft, wordt verwezen naar de bespreking van artikel 6.
Amendementen nrs. 5 tot en met 8
De heer Hugo Vandenberghe dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-478/2, amendement nr. 5), dat ertoe strekt § 4 te vervolledigen.
In de eerste plaats verduidelijkt het de derde zin van deze paragraaf, door aan te geven dat de raadkamer beslist om de voorlopige aanhouding te handhaven binnen de termijn die gemeenrechtelijk in het Wetboek van strafvordering is voorzien.
Artikel 5, § 4, EVRM legt immers een beslissing op korte termijn op.
Bovendien luidt de laatste zin van § 4 van ontwerpartikel 14 als volgt : « In geval van betwisting van de voorlopige aanhouding gegrond op de niet-naleving van het beginsel non bis in idem wordt de termijn waarbinnen de raadkamer uitspraak moet doen, geschorst tijdens de duur van de in artikel 89, § 2, van het Statuut bedoelde raadplegingen tussen de centrale autoriteit en het Hof. »
De indiener van het amendement stelt dus voor om ook in deze zin een maximumtermijn van vijftien dagen op te leggen.
De heer Coveliers stelt vast dat de indiener van het amendement verwijst naar de gemeenrechtelijke termijn in het Wetboek van strafvordering.
Daarin staat echter dat een bevel tot aanhouding binnen vijf dagen moet worden bevestigd, anders moet de betrokkene worden vrijgelaten.
Het Wetboek bepaalt geen andere termijn voor de raadkamer.
Spreker veronderstelt dat door te bepalen dat de voorlopig aangehouden persoon binnen vijf dagen voor de raadkamer wordt gebracht, ontwerpartikel 14, § 4, impliciet stelt dat de raadkamer zich onmiddellijk moet uitspreken.
De minister antwoordt dat men zich hier heeft laten leiden door de procedure die is ingesteld voor de rechtbanken ad hoc, waar de raadkamer binnen vijf dagen na de afgifte van het bevel tot aanhouding door de onderzoeksrechter moet beslissen.
Misschien is de formulering van ontwerpartikel 14, § 4, minder duidelijk maar het is inderdaad de bedoeling dat de raadkamer onmiddellijk, met andere woorden binnen vijf dagen, uitspraak doet.
Het nadeel van het amendement is dat het een andere termijn toevoegt aan die van vijf dagen.
Om aan dat laatste bezwaar tegemoet te komen, dienen de heren Vandenberghe en De Clerck een subamendement op amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 3-478/2, amendement nr. 6), om de woorden « binnen de termijn die gemeenrechtelijk in het Wetboek van strafvordering is voorzien » te vervangen door de woorden « binnen de hoger bedoelde termijn ».
Wat betreft de tweede wijziging die amendement nr. 5 voorstelt, namelijk de invoering van een maximumtermijn van vijftien dagen aan het slot van § 4 van artikel 14, antwoordt de minister dat de persoon sowieso vrijgelaten wordt als binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de voorlopige aanhouding alle stukken tot staving die het bevel tot aanhouding bevestigen, niet aan het Hof zijn bezorgd.
Bovendien kan de persoon in de loop van de procedure worden vrijgelaten (artikel 16).
De heer Hugo Vandenberghe meent dat een termijn van drie maanden onverenigbaar is met de « korte termijn » in artikel 5, § 4, EVRM. Dat bevat twee waarborgen : het bevel tot aanhouding moet onder gerechtelijke controle worden uitgevaardigd en er moet een contradictoir debat over kunnen gevoerd worden, dat in korte termijn uitmondt in een bevestiging of een vrijlating.
De tekst aan het slot van ontwerpartikel 14, § 4, staat gelijk met een opschorting sine die van de termijn.
Het feit van een bepaald juridisch argument aan te voeren (het beginsel non bis in idem) neemt dus de waarborg van artikel 5, § 4, EVRM weg.
De minister merkt op dat in het geval van een uitleveringsmandaat, een persoon soms maandenlang opgesloten blijft voor hij wordt uitgeleverd.
Hij kan echter een verzoek tot voorwaardelijke vrijlating formuleren.
De heer Hugo Vandenberghe antwoordt dat men het geval van de uitlevering niet kan vergelijken met dat van een bevel tot aanhouding dat bevestigd moet worden.
De minister wijst erop dat practici waarschuwen voor het inbouwen van complicaties in de procedure die zware misdadigers zouden kunnen misbruiken om vrijgelaten te worden.
Artikel 89, § 2, van het Statuut bepaalt dat wanneer een persoon zowel door het Hof als door de Belgische rechtbanken vervolgd wordt, het beginsel non bis in idem van toepassing is. Diezelfde persoon zou inspelen op het bestaan van de twee procedures om noch door de ene rechtbank, noch door de andere vervolgd te worden.
Als men bepaalt dat de persoon kan worden vrijgelaten als een beslissing omtrent de ontvankelijkheid niet binnen dertig dagen genomen wordt, kan dat leiden tot zeer delicate toestanden.
De heer Hugo Vandenberghe antwoordt dat de raadkamer heel goed het aanhoudingsmandaat kan bevestigen in afwachting van latere plichtplegingen.
De minister benadrukt dat het beginsel non bis in idem zelfs op duidelijk onrechtmatige wijze aangevoerd dreigt te worden door alle personen die in België op verzoek van het Hof aangehouden worden.
De heer Hugo Vandenberghe vraagt of het Statuut ook in een opschorting voorziet.
De minister bevestigt dat. Zonder een welbepaalde termijn in te stellen, bepaalt artikel 89, § 2, van het Statuut dat wanneer de persoon van wie de overdracht wordt gevraagd bij een nationaal gerecht een zaak aanhangig maakt die is gegrond op het beginsel non bis in idem, de aangezochte Staat onverwijld het Hof raadpleegt teneinde te vernemen of terzake een beslissing omtrent de ontvankelijkheid ervan bestaat.
Indien is beslist dat de zaak ontvankelijk is, geeft de aangezochte Staat gevolg aan het verzoek. Indien de beslissing omtrent de ontvankelijkheid hangende is, kan de aangezochte Staat de tenuitvoerlegging van het verzoek uitstellen tot wanneer het Hof uitspraak heeft gedaan.
De heer Hugo Vandenberghe merkt op dat die bepaling niet voorziet dat de rechter zijn beslissing tot bevestiging van de voorlopige aanhouding moet uitstellen. Aan het slot van artikel 89, § 2, van het Statuut is het de tenuitvoerlegging van het verzoek die uitgesteld kan worden. In ontwerpartikel 14, § 4, bevindt de persoon zich in staat van aanhouding en is het de gerechtelijke controle op die toestand die wordt opgeschort.
Spreker dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-478/2, amendement nr. 7 subamendement op amendement nr. 5), dat in de laatste volzin van § 4, tussen de woorden « waarbinnen de Raadkamer » en de woorden « uitspraak moet doen » het woord « daarover » wil invoegen.
Zo is er al dan niet een bevestiging van de aanhouding na vijf dagen maar wat de toepassing van het beginsel « non bis in idem » betreft, is er een schorsing tot er een antwoord komt.
De heer Coveliers merkt op dat men omwille van de samenhang in § 5, die de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling regelt, dezelfde verduidelijking moet aanbrengen als amendement nr. 7 heeft aangebracht in § 4 (stuk Senaat, nr. 3-478/2).
Dat is de bedoeling van amendement nr. 8 van de heer Vandenberghe c.s. (stuk Senaat, nr. 3-478/2).
Amendement nr. 5, zoals gesubamendeerd door de amendementen nrs. 6 en 7, alsook amendement nr. 8 worden eenparig aangenomen door de 14 aanwezige leden.
Het aldus geamendeerde artikel 14 wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikelen 15 tot 21
Die artikelen geven geen aanleiding tot commentaar en worden aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 22
Mevrouw Nyssens stelt vast dat artikel 22 van het ontwerp voorziet in een aantal verplichtingen die het Internationaal Strafhof in acht moet nemen bij een verzoek tot bijstand. Dat geldt ook voor afdeling 2 van hoofdstuk V, dat de vorm en de inhoud van zo'n verzoek vaststelt. Is het logisch dat een Belgische wet verplichtingen oplegt aan het Hof ?
De minister antwoordt dat op verzoek van mensen uit de rechtspraktijk is besloten om in het wetsontwerp een aantal bepalingen over te nemen uit het Statuut of uit de procedure- en bewijsregeling. Zo wordt de procedure in haar geheel in de Belgische wetgeving omschreven, al zijn sommige bepalingen misschien niet echt onontbeerlijk. Dat geldt met name voor de artikelen die de vorige spreekster heeft opgenoemd en die bepalingen uit het Statuut overnemen zonder nieuwe verplichtingen in te voeren.
In artikel 22, 1º, stelt de heer Hugo Vandenberghe een gebrek aan overeenstemming vast tussen de Franse tekst, die het heeft over « l'identification de personnes » en de Nederlandse tekst, waarin sprake is van « de identificatie van een persoon ». Hij stelt een vergelijkbaar probleem vast in het 3º van hetzelfde artikel.
De minister antwoordt dat voor het onbepaald meervoud moet worden gekozen.
De commissie is het eens met die technische wijzigingen.
Het aldus gecorrigeerde artikel wordt aangenomen met 15 stemmen bij 1 onthouding.
Artikelen 23 tot 27 (artikel 28 van de aangenomen tekst)
Over die artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. Zij worden aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 27bis (nieuw) (artikel 28 van de aangenomen tekst)
De heer Mahoux c.s. dienen een amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-478/2), dat ertoe strekt een artikel 27bis (nieuw) in te voegen in het wetsontwerp.
Namens de indieners verduidelijkt de heer Mahoux dat het amendement tot doel heeft de situatie van personen aan wie het Hof het statuut van beschermde getuige heeft verleend, in het Belgisch recht te regelen. Voor het overige verwijst hij naar de algemene bespreking.
De minister steunt dat amendement omdat het een leemte aanvult in de wet op de bedreigde getuigen.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 14 aanwezige leden.
Artikelen 28 tot 30 (artikelen 29 tot 31 van de aangenomen tekst)
Over die artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. Zij worden aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 31 (artikel 32 van de aangenomen tekst)
Mevrouw Nyssens stelt vast dat de minister van Justitie krachtens dat artikel kan verhinderen dat de aanklager onderzoekshandelingen ten uitvoer legt op het Belgisch grondgebied. Waar haalt de minister die bevoegdheid vandaan ?
De minister antwoordt dat het Statuut van het Hof daarin voorziet. De bedoeling bestaat erin te voorkomen dat de procedure van tenuitvoerlegging van handelingen als bedoeld in artikel 99, § 4, van het Statuut, wordt aangewend om de gewone regels van verzoeken om bijstand en samenwerking te omzeilen. Als de gevraagde handelingen binnen dezelfde termijn kunnen worden verricht via de klassieke samenwerkingsprocedure, kan de minister de tenuitvoerlegging van een overeenkomstig artikel 99, § 4, van het Statuut geformuleerd verzoek weigeren.
Het artikel wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 32 (artikel 33 van de aangenomen tekst)
De heer De Clerck stelt zich vragen bij de precieze werkingssfeer van het artikel en meer bepaald van de voorwaarde in het slot ervan : « voor zover België voorkomt op de lijst van Staten die partij zijn, en bereid om veroordeelde personen te aanvaarden ».
Die voorwaarde is zo ruim geformuleerd dat het lijkt alsof ze ook geldt voor de tenuitvoerlegging van een straf die het Hof heeft opgelegd aan een Belg.
Het lijkt toch vanzelfsprekend dat straffen die het Hof oplegt aan Belgen in dit land ten uitvoer worden gelegd. Moet die bepaling niet alleen van toepassing zijn als België bereid is om veroordeelde personen te aanvaarden die geen enkele band hebben met België ?
Als België ermee instemt om voor te komen op de lijst van Staten die partij zijn en bereid om veroordeelde personen te aanvaarden, geldt dat dan voor eens en voor altijd of moet dat bij elk verzoek van het Hof gebeuren ?
De heer Coveliers wijst erop dat de personen die veroordeeld zijn door het Internationaal Tribunaal voor voormalig Joegoslavië hun straf uitzitten in een Nederlandse gevangenis. Een andere Staat kan zich bereid verklaren om enkele van die veroordeelde personen op te vangen. Hij herinnert er ook aan dat het Internationaal Strafhof kennis neemt van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Het is dan ook mogelijk dat het land van herkomst van personen die bijvoorbeeld veroordeeld zijn wegens misdaden van genocide niet meer beschikt over de nodige strafinstellingen om de door het Hof opgelegde veroordelingen ten uitvoer te leggen. In dat geval kan ons land zich bereid tonen om veroordeelde personen op te vangen.
Met betrekking tot de internationale ad hoc-tribunalen bevestigt de minister dat Nederland een gevangenis heeft gebouwd om personen in voorlopige hechtenis en veroordeelde personen op te vangen. Op lange termijn zal deze instelling uiteraard niet volstaan. Er zijn bilaterale akkoorden gesloten met een aantal Staten die bereid zijn om veroordeelde personen op te vangen die meestal geen band van nationaliteit of verblijfplaats hebben met de Staat in kwestie.
Bij de onderhandelingen over het Statuut van Rome, is men ervan uitgegaan dat bepaalde Staten die partij zijn, liever niet verplicht worden op de lijst te staan van de Staten die bereid zijn om veroordeelde personen te aanvaarden. Spreekster herinnert eraan dat niet alle Staten die partij zijn, de materiële mogelijkheden hebben om de detentievoorwaarden te waarborgen die het Statuut oplegt.
Artikel 103 van het Statuut bepaalt dat de gevangenisstraf wordt ondergaan in een Staat die door het Hof wordt aangewezen uit de lijst van Staten die partij zijn en die het Hof te kennen hebben gegeven bereid te zijn veroordeelde personen te aanvaarden. Het gaat om een principiële lijst.
Telkens wanneer het Hof voorstelt een veroordeeld persoon naar een Staat te sturen die ermee heeft ingestemd op die lijst te staan, heeft die Staat nog de mogelijkheid te weigeren. In de praktijk gaat het Hof na wat het opvangpotentieel is vóór het een officieel verzoek doet.
De heer De Clerck merkt op dat de formulering van artikel 32 laat uitschijnen dat België nog kan weigeren op die lijst te staan van Staten die partij zijn en die bereid zijn veroordeelde personen te aanvaarden. Hij veronderstelt dat het geen twijfel lijdt dat ons land bereid is op die lijst te staan.
De minister bevestigt dat dat haar bedoelingen zijn. Ze wijst erop dat een toekomstige regering altijd de mogelijkheid heeft zich van die lijst terug te trekken.
De heer Coveliers vraagt of de veroordeelde persoon zich ertegen kan verzetten dat de straf wordt uitgevoerd in het land waaraan het Hof dat gevraagd heeft.
De minister antwoordt dat het Statuut bepaalt dat de veroordeelde op elk tijdstip het Hof kan vragen dat hij naar een andere Staat van uitvoering wordt overgebracht. Uiteraard is de wil van een veroordeeld persoon niet dwingend.
De heer Mahoux vraagt wat de voorwaarden zijn voor een Staat om veroordeelde personen te kunnen aanvaarden. Hij veronderstelt dat het moet gaan om een Staat die partij is, of een verklaring van bevoegdheid moet hebben afgelegd.
De minister bevestigt dat het moet gaan om een Staat die volgens het Statuut partij is om de verantwoordelijkheid van de uitvoering van de straffen mee te kunnen dragen.
De heer Hugo Vandenberghe meent dat de formulering van de Nederlandse tekst van dit artikel vrij verward is. Hij stelt voor de tekst als volgt te verbeteren : « voor zover België ingestemd heeft om voor te komen op de lijst van Staten die partij zijn en die bereid zijn om veroordeelde personen te aanvaarden ».
De commissie stemt in met die technische correctie.
Het aldus gecorrigeerde artikel wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 33 (artikel 34 van de aangenomen tekst)
Dat artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen en wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 34 (artikel 35 van de aangenomen tekst)
De heer Hugo Vandenberghe stelt een tegenstrijdigheid vast aan het slot van § 2, tussen de Franse tekst, die het over de « expédition » van het vonnis van het Hof heeft, terwijl de Nederlandse tekst het woord « afschrift » gebruikt. Hij stelt bij wijze van technische correctie voor in de Nederlandse tekst het woord « afschrift » te vervangen door het woord « uitgifte ».
De commissie is het met dat voorstel eens.
Het aldus gecorrigeerde artikel wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikelen 35 en 36 (artikelen 36 en 37 van de aangenomen tekst)
Die artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen en worden aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 37 (artikel 38 van de aangenomen tekst)
De heer Hugo Vandenberghe heeft een materiële fout ontdekt in dat artikel. Het moet verwijzen naar artikel 106, § 3, van het Statuut en niet naar artikel 106, § 6.
De commissie stemt in met die technische correctie.
Het aldus gecorrigeerde artikel wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikelen 38 tot 48 (artikelen 39 tot 49 van de aangenomen tekst)
Die artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen en worden aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 49 (artikel 50 van de aangenomen tekst)
De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 3-478/2), dat ertoe strekt artikel 49 aan te vullen om in het Belgische recht het geval te regelen van de personen aan wie het internationaal tribunaal ad hoc het statuut van beschermde getuige verleent.
In naam van de indieners verwijst de heer Mahoux naar de bespreking van amendement nr. 1 (stuk Senaat, nr. 3-478/2).
De minister verklaart dat amendement te steunen.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 14 aanwezige leden.
Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikelen 50 tot 55 (artikelen 51 tot 56 van de aangenomen tekst)
Die artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen en worden aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 56 (artikel 57 van de aangenomen tekst)
De heer Vandenberghe c.s. dient een amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 3-478/2), dat ertoe strekt te bepalen dat het de samenwerkingshandelingen zijn waaraan uitvoering wordt gegeven op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet, die voort ten uitvoer worden gelegd.
De minister steunt dat amendement omdat het de tekst verduidelijkt.
Amendement nr. 9 wordt aangenomen met 12 stemmen bij 2 onthoudingen.
Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 57 (nieuw) (artikel 58 van de aangenomen tekst)
De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 3-478/2), dat ertoe strekt een artikel 57 (nieuw) in het wetsontwerp op te nemen. De indieners stellen voor dat de wet in werking treedt de dag waarop ze wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Mevrouw Nyssens vraagt welke dringende noodzaak een dergelijke afwijking van het gemene recht inzake de datum van inwerkingtreding rechtvaardigt.
De minister meldt dat een Staat een zaak aanhangig heeft gemaakt bij het Internationaal Strafhof. Een vraag tot samenwerking zou de komende weken aan ons land gericht kunnen worden.
Deze hypothese is niet uit de lucht gegrepen als men bedenkt dat ons land de zetel herbergt van vele internationale gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, die om een getuigenis of gelijk welke andere vorm van samenwerking kunnen worden gevraagd.
Het is daarom voorzichtiger het wetsontwerp snel in werking te laten treden. Spreekster steunt dan ook amendement nr. 10.
Amendement nr. 10 wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 13 stemmen bij 1 onthouding.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor de opstelling van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Philippe MAHOUX. | Hugo VANDENBERGHE. |