1-1105/1

1-1105/1

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

1 OKTOBER 1998


Wetsontwerp houdende instemming met volgende internationale Akten :

1. Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961

2. Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971


INHOUD



MEMORIE VAN TOELICHTING


I. INLEIDING

Dit ontwerp van wet strekt ertoe in te stemmen met de Akte van Parijs dd. 24 juli 1971 ter herziening van het Verdrag van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961.

In België wordt deze materie geregeld door de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (Belgisch Staatsblad van 27 juli 1994, errata Belgisch Staatsblad van 22 november 1994), gewijzigd bij de wet van 3 april 1995 (Belgisch Staatsblad van 29 april 1995). Op internationaal vlak is België thans op het stuk van het auteursrecht en de naburige rechten hoofdzakelijk verbonden door de volgende verdragen :

1º het Verdrag van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, herzien te Stockholm op 14 juli 1967 (wet van 26 september 1974, Belgisch Staatsblad van 29 januari 1975);

2º de universele Auteursrechtconventie en de Protocollen ervan, ondertekend te Genève op 6 september 1952 (wet van 20 april 1960, Belgisch Staatsblad van 30 augustus 1960);

3º de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, ondertekend te Marrakech op 15 april 1994 (wet van 23 december 1994).

Het u voorgelegde ontwerp van wet strekt ertoe aan België de internationale verbintenissen na te komen. Artikel 5 van Protocol 28 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Ruimte bepaalt dat de Overeenkomstsluitende partijen zich ertoe verbinden om vóór 1 januari 1995 toe te treden tot het Verdrag van Bern voor de bescherming van de werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs 1971), alsook tot het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (PBEG, 3 januari 1993, L.1).

Artikel 1 van de resolutie van de Raad dd. 14 mei 1992 tot versterking van de bescherming van het auteursrecht en de naburige rechten bepaalt dat de Raad er nota van neemt dat de lidstaten van de Gemeenschap zich ertoe verbinden om, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan, vóór 1 januari 1995, met inachtneming van hun grondwettelijke bepalingen, partij te worden bij de Akte van Parijs ter herziening van het Verdrag van Bern, alsook bij het Internationaal Verdrag van Rome, en ervoor te zorgen dat beide Verdragen in hun interne rechtsorde werkelijk worden geëerbiedigd (PBEG, 28 mei 1992, C.138/1).

Voornoemde internationale verdragen moeten dan ook onverwijld worden goedgekeurd.

Tijdens de jaren zeventig heeft de Adviescommissie voor het Auteursrecht opgericht door het ministerieel besluit van 10 december 1969 (Belgisch Staatsblad van 18 april 1970) verscheidene malen een advies uitgebracht ten behoeve van de ministers van Nationale Opvoeding en Cultuur. In de adviezen van 5 mei 1976 en van 20 december 1978 wordt aanbevolen de Akte van Parijs ter herziening van het Verdrag van Bern en het Internationaal Verdrag van Rome goed te keuren.

De passages in deze memorie van toelichting waarin de oorsprong en de draagwijdte van deze verdragen worden omschreven, zijn bijna integraal overgenomen uit voornoemde adviezen van de Adviescommissie voor het Auteursrecht.

II. OORSPRONG EN DRAAGWIJDTE VAN HET VERDRAG VAN BERN, AKTE VAN PARIJS VAN 1971

Wat de internationale regelgeving betreft, gaat de bescherming van de auteursrechten terug tot het Verdrag van Bern, ondertekend op 9 september 1886. Dit Verdrag is een eerste maal aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, vervolgens herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, nogmaals herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en ten slotte te Parijs op 24 juli 1971.

De Belgische wetgeving regelt alleen de betrekkingen tussen particulieren in België. De rechten van de Belgische auteurs in het buitenland werden derhalve gewaarborgd op grond van internationale overeenkom sten. Zulks is overigens reeds in 1853 vastgesteld tijdens het Congres voor de eigendom van werken van letterkunde en kunst. Dergelijke diplomatieke instrumenten vormen een aanvulling op de verschillende nationale wetgevingen.

Met het Verdrag van Bern van 1886 is een bloeiende Unie ontstaan waarvan thans 114 Staten deel uitmaken. Het gaat hierbij om de meeste Europese landen, waaronder ook België, alsook om landen uit andere werelddelen, zoals Argentinië, Australië, Brazilië, Canada, de Filippijnen, India, de Ivoorkust, Japan, Marokko, Mexico, Pakistan, Senegal, Tunesië, Uruguay, de Verenigde Staten en Zaïre.

De oorspronkelijke ondertekenaars hebben het Verdrag verscheidene malen herzien teneinde het aan te passen aan de evolutie van de techniek, aan de veranderingen en aan de uitvindingen die op alle gebieden hebben plaatsgevonden, inzonderheid in het domein dat rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op de schepping en de verspreiding van intellectuele werken, zoals dit het geval is voor de fotografie, de reproduktiemethodes, de ontwikkeling van de cinematografie, alsook voor de overbrenging van geluiden en beelden.

Voornoemde Akte van Brussel van 26 juni 1948 wordt als uitermate geslaagd beschouwd, niet alleen omdat zij heeft gezorgd voor een grote vooruitgang op het stuk van de bescherming van zowel het morele recht als de vermogensrechten van de auteurs, waarvan zij het exclusieve karakter heeft gexpliciteerd, maar tevens omdat de Akte erin is geslaagd deze bescherming te harmoniseren met de noodzaak om het algemeen belang te vrijwaren, onder meer met betrekking tot de verspreiding van de cultuur en de vrijheid van informatieverstrekking.

De laatste twee herzieningen, van Stockholm in 1967 en van Parijs in 1971, waren hoofdzakelijk erop gericht de ontwikkelingslanden te helpen bij hun culturele en educatieve ontplooiing.

De herziening van Stockholm heeft evenwel niet de gewenste steun verkregen omdat de afwijkingen waarin het bijzondere regime voorzag, als moeilijk aanvaardbaar werden beschouwd.

Bijgevolg moest worden gezocht naar een meer evenwichtig internationaal systeem ter bescherming van de auteursrechten, dat door de landen die de meeste werken produceren, zou worden aanvaard en terzelfdertijd aan de ontwikkelingslanden een efficiënte hulp zou bieden om hun toestand te verbeteren.

Dit was de doelstelling van de diplomatieke conferentie tot herziening van het Verdrag, die in 1971 te Parijs is gehouden. Tijdens die conferentie is de Akte van Parijs bij het Verdrag van Bern uitgewerkt, waarin de bepalingen van materieel recht (artikelen 1 tot en met 21) en de administratieve bepalingen (artikelen 22 tot en met 26) van de Akte van Stockholm ongewijzigd zijn overgenomen. Alleen de bepalingen van het Protocol bij het Verdrag die betrekking hadden op de voorkeursbehandeling die de ontwikkelingslanden genoten, zijn gewijzigd.

In vergelijking met de Akte van Brussel van 1948 bieden sommige van de nieuwe bepalingen van materieel recht een bijkomende bescherming aan de auteurs, terwijl andere het Verdrag aan de technische en sociale evolutie aanpassen.

In dit verband moeten volgende punten worden vermeld.

­ het exclusieve recht tot reproductie wordt voor het eerst uitdrukkelijk in het Verdrag erkend;

­ de bescherming wordt uitgebreid tot werken die aanvankelijk zijn gepubliceerd in een land dat niet tot de Unie behoort, maar waarvan de auteur zijn gewone verblijfplaats in één van de lidstaten van de Unie heeft. Zo ook volstaat het voortaan dat de producent zijn zetel of zijn gewone verblijfplaats in één van de landen van de Unie heeft, opdat zijn cinematografisch werk wordt beschermd;

­ de beschermingstermijn is thans in beginsel in het Verdrag vastgesteld, zulks zowel voor cinematografische werken (50 jaar) als voor fotografische werken en werken van toegepaste kunst, die als kunstwerken worden beschermd (25 jaar);

­ het moreel recht moet voortaan na de dood van de auteur worden beschermd, zulks ten minste tot op het tijdstip dat de vermogensrechten vervallen;

­ de middelen ter bestrijding van de namaak worden uitgebreid, inzonderheid met betrekking tot de zogenaamde folkloristische werken;

­ er is slechts sprake van « reproductie » indien het werk is vastgelegd op een materiële drager, maar er is overeengekomen dat iedere geluids- of beeldopname als een reproductie moet worden beschouwd;

­ de door het Verdrag toegestane reserves, onder meer op het gebied van onderwijs en informatieverstrekking, die betrekking hebben op ontleningen en artikelen over de actualiteit, zijn uitgebreid tot de moderne uitzendmethoden zoals radio-uitzendingen en het bijkomend gebruik ervan, maar de doelstellingen van de reserves zijn strenger omschreven.

De bepalingen ten gunste van de ontwikkelingslanden zijn opgenomen in de bijlage bij de Akte van Parijs, die een integrerend deel van deze Akte uitmaakt. De bepalingen bestaan in hoofdzaak in een tijdelijke en uitzonderlijke voorkeursbehandeling waarvan de volgende elementen de belangrijkste zijn :

­ Iedere Verdragsluitende Staat die overeenkomstig de normen vastgesteld door de Verenigde Naties als ontwikkelingsland wordt beschouwd en die zich gelet op zijn economische toestand en zijn sociale en culturele behoeften, tijdelijk niet in staat acht de rechten bepaald in het Verdrag ten volle te beschermen, kan onder voorbehoud van onder meer territoriale beperkingen en procedurevoorwaarden, voorzien in een regime van verplichte, niet-exclusieve en niet-overdraagbare licenties op grond waarvan aan zijn onderdanen toestemming wordt verleend een gedrukt werk te vertalen en het vertaalde werk te publiceren ingeval de houder van het vertalingsrecht de vertaling nog niet heeft gepubliceerd in één van de omgangstalen van dat land of daartoe toestemming heeft verleend.

Het is in ieder geval zo dat voornoemde licentie uitsluitend kan worden verleend indien de vertaling bestemd is om te worden aangewend op school (in ruime zin), aan de universiteit of in een onderzoek (met uitzondering van onderzoek met doelstellingen op industrieel of commercieel vlak).

Aangezien radio- en televisieuitzendingen in de onderwijsprogramma's van voornoemde landen, die een gebrek hebben aan boeken en aan onderwijzend personeel, een steeds grotere plaats innemen, kunnen ook vertaallicenties worden verleend aan de omroeporganisaties van die landen op voorwaarde dat de uitzending van de vertaling bestemd is voor het onderwijs of voor de verspreiding van wetenschappelijke of technische informatie ten behoeve van deskundigen op een bepaald gebied en zij zonder winstoogmerk geschiedt.

­ Reproductielicenties kunnen worden verleend onder dezelfde voorwaarden en met hetzelfde voorbehoud als die welke gelden voor de vertaallicenties. Zij kunnen niet alleen worden verleend voor gedrukte werken of voor in een daarmee analoge vorm gereproduceerde werken maar ook voor geoorloofde audiovisuele vastleggingen, zulks voor zover het gaat om beschermde werken of om vastleggingen waarin beschermde werken zijn opgenomen, alsook voor de vertaling van de begeleidende tekst, in een omgangstaal van het land waar de licenties zijn aangevraagd.

Wanneer het een vertaling betreft, kan de licentie tot reproduktie en publikatie ervan slechts worden verleend indien de vertaling nog niet door de houder van het vertalingsrecht of met diens toestemming is gepubliceerd. De licentie kan niet worden verleend voor vertalingen die niet zijn gemaakt in één van de omgangstalen van het land waar zij is aangevraagd.

In elk geval kunnen alleen reproducties worden toegestaan waarvan de doelstelling tegemoet komt aan de behoeften van het onderwijs op school of aan de universiteit.

Bovendien neemt de licentie een einde wanneer de houder van het auteursrecht onder bepaalde voorwaarden van dat recht gebruik wenst te maken of daartoe aan een derde toestemming verleent, of wanneer hij alle exemplaren van zijn werk uit de omloop heeft genomen. Tenslotte moet de licentie voorzien in een billijke vergoeding van de houder van het auteursrecht, die door het land dat de licentie heeft toegekend, moet worden betaald en overgemaakt.

Artikel 28.2 van het Verdrag bepaalt dat de artikelen 1 tot en met 21 alsook de bijlage in werking treden drie maanden nadat tenminste vijf landen van de Unie het Verdrag hebben geratificeerd of daartoe zijn toegetreden en wanneer Frankrijk, Spanje, de Verenigde Staten van Amerika en het Verenigd Koninkrijk verbonden zullen zijn door het universele Verdrag dat in 1971 te Parijs is herzien. Aan die voorwaarden is thans voldaan.

Uit voorgaande uiteenzetting blijkt dat de Akte van Parijs uit 1971 ter herziening van het Verdrag van Bern als toereikend kan worden beschouwd, zulks zowel voor de auteurs van de lidstaten van de Unie als voor de bevolking van de ontwikkelingslanden.

III. OORSPRONG EN DRAAGWIJDTE VAN HET INTERNATIONAAL VERDRAG VAN ROME

De internationale bescherming van uitvoerende kunstenaars, van producenten van fonogrammen en van omroeporganisaties wordt gewaarborgd door het Internationaal Verdrag ondertekend te Rome op 26 oktober 1961.

De noodzaak om de rechten van uitvoerende kunstenaars te beschermen, vloeit voort uit de ontwikkeling van technische middelen die de mogelijkheid bieden de uitvoering te gebruiken zonder hun toestemming, te weten radio en fonogrammen.

Tot dat tijdstip konden de kunstenaars hun betrekkingen met de gebruikers zeer goed langs contractuele weg regelen.

De ontwikkeling van nieuwe technieken heeft dat rechtstreeks beheer evenwel onmogelijk gemaakt. Het is immers zo dat de kunstenaar de radio-uitzending van zijn uitvoering nog steeds aan zijn toestemming kan onderwerpen, maar hij zich niet langer kan verzetten tegen een heruitzending of een vastlegging van de uitzending.

De kunstenaar kan ook toestemming verlenen tot de opname van zijn uitvoering, maar hij kan niet langer toezicht uitoefenen op de reproductie, op de radio-uitzending en op de openbare uitvoering van de opname.

Het gemeen recht voorziet in een aantal middelen om deze gebruikswijzen tegen te gaan, maar de kunstenaars hebben vlug ondervonden dat ze ontoereikend waren.

Door een ruime interpretatie van het begrip « auteur » is aanvankelijk gepoogd de bescherming te waarborgen door te verwijzen naar de wetgeving betreffende het auteursrecht.

Tijdens de conferenties van Rome (1928) en van Brussel (1948) tot herziening van het Verdrag van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, is die opvatting evenwel niet gevolgd.

De gebruikers van deze nieuwe technieken hadden intussen vastgesteld dat zij zelf ook kwetsbaar waren en hebben op hun beurt eveneens om bescherming verzocht.

Een fonogram, dat slechts door middel van aanzienlijke investeringen wordt gefabriceerd, kan door een oneerlijke concurrent worden gekopieerd. De infrastructuur van omroeporganisaties is zeer duur en het zou onbillijk zijn dat een andere zender hun uitzendingen zonder meer relayeert of opneemt teneinde ze op een fonogram te reproduceren.

Het Internationaal Arbeidsbureau en het Bureau van de Unie van Bern (thans de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom) hebben reeds vóór de oorlog pogingen ondernomen om internationale overeenkomsten uit te werken teneinde de drie groepen rechthebbenden te beschermen. Dit streven is na de oorlog, ook door de UNESCO, voortgezet.

Zulks heeft op 26 oktober 1961 geleid tot de ondertekening van het Internationaal Verdrag van Rome, waardoor een naar omstandigheden harmonisch evenwicht tussen de soms tegengestelde belangen van de drie groepen rechthebbenden tot stand is gebracht.

48 Staten, waaronder dertien Lid-Staten van de Europese Unie, zijn thans partij bij het Verdrag van Rome. Artikel 1 van het Verdrag bevat een waarborgclausule ten voordele van de auteurs, die zich lang hebben verzet tegen de toekenning van rechten aan uitvoerende kunstenaars, aan producenten van fonogrammen en aan omroeporganisaties uit vrees dat zulks ten nadele van hun eigen rechten zou geschieden.

Artikel 2 voorziet in een beperkte toepassing van het beginsel van nationale behandeling. In verband met de in het Verdrag bedoelde rechten wordt aan de onderdanen van de andere Verdragsluitende Staten dezelfde bescherming verleend als aan de eigen onderdanen.

In artikel 3 worden bepaalde in het Verdrag aangewende termen gedefinieerd.

De artikelen 4, 5 en 6 bepalen de voorwaarden waaraan uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties moeten voldoen teneinde de bescherming te genieten. De Verdragsluitende Staten kunnen in zekere mate de toekenningscriteria bepalen die zij wensen toe te passen.

De artikelen 7, 8 en 9 regelen de bescherming van de uitvoerende kunstenaars. Artikel 7 biedt hen een geringe mate van bescherming. Zij hebben niet het recht om toe te stemmen in het gebruik van hun uitvoering en kunnen zulks ook niet verbieden. Zij kunnen zich alleen tegen het gebruik ervan « verzetten ».

De artikelen 10 en 11 regelen de bescherming van de producenten van fonogrammen. Er wordt voorzien in formaliteiten om de bescherming te verkrijgen. De Verdragsluitende Staten zijn evenwel niet verplicht om die formaliteiten op te leggen.

Krachtens artikel 12 wordt aan de uitvoerende kunstenaars en aan de producenten van fonogrammen een vergoeding toegekend voor het openbaar gebruik van een fonogram.

Artikel 13 regelt de bescherming van de omroeporganisaties.

Artikel 14 bepaalt dat de Verdragsluitende Staten de duur van de bescherming van de betrokken rechten vrij kunnen vaststellen, maar zij ten minste 20 jaar moet bedragen.

Artikel 15 biedt aan de Verdragsluitende Staten de mogelijkheid de bescherming die krachtens het Verdrag moet worden toegekend, in zekere mate te beperken, waarbij het bepaalde in dit artikel evenwel in acht moet worden genomen.

Een Verdragsluitende Staat kan over het algemeen voorzien in dezelfde beperkingen als die vastgesteld met betrekking tot het auteursrecht.

De artikelen 16, 17 en 18 bevatten een aantal bepalingen op grond waarvan iedere Verdragsluitende Staat in verband met de toepassing van het Verdrag een aantal reserves kan vaststellen, die hij later eventueel weer kan intrekken.

Naar luid van artikel 19 verliezen kunstenaars die hun toestemming hebben verleend tot de opname van hun uitvoering in een visuele of een audio-visuele vastlegging, de bescherming geboden door het Verdrag. Deze bepaling beperkt in aanzienlijke mate het toepassingsgebied van de juridische bescherming toegekend aan uitvoerende kunstenaars.

De artikelen 20 en 21 bepalen dat het Verdrag geen terugwerkende kracht heeft en dat het geen afbreuk doet aan andere vormen van bescherming die uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties eventueel genieten.

De artikelen 22 tot 34 hebben betrekking op administratieve aangelegenheden.

Artikel 22 bepaalt dat de bijlage integraal deel uitmaakt van de Conventie.

Er moet worden gewezen op artikel 26 dat aan de Verdragsluitende Staten de verplichting oplegt om op het tijdstip van neerlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, in staat te zijn om overeenkomstig hun nationale wetgeving de bepalingen van het Verdrag toe te passen.

België kan sedert de inwerkingtreding van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties toepassen.

IV. RESERVES

De Verdragsluitende Staten kunnen op grond van de artikelen 5, 6, 16 en 17 van het Verdrag van Rome onder meer de criteria voor de toekenning van de in voornoemd Verdrag bepaalde behandeling vaststellen, alsook het reciprociteitsbeginsel toepassen in verband met het recht op een billijke vergoeding van de uitvoerende kunstenaars en van de producenten van fonogrammen in geval van uitzending of overbrenging aan het publiek van een fonogram dat met commerciële doeleinden openbaar is gemaakt.

Op grond van de artikelen 5 en 6 van het Verdrag van Rome en overeenkomstig de kennisgevingen gedaan in toepassing van artikel 13 van de overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, beoogt de regering de criteria vast te stellen voor de toekenning van de in het Verdrag van Rome bepaalde behandeling teneinde te voorkomen dat de goedkeuring van het Verdrag van Rome tot gevolg heeft dat een hoge graad van bescherming wordt toegekend aan onderdanen van landen die voornoemd Verdrag niet hebben goedgekeurd. Het blijkt immers dat de meeste landen die het Verdrag van Rome niet hebben goedgekeurd, de houders van naburige rechten niet beschermen of hen een graad van bescherming toekennen die veel lager ligt dan die bepaald in de Belgische wetgeving.

De uitvoerende kunstenaars, de producenten van fonogrammen en de omroeporganisaties die niet zullen voldoen aan de criteria voor toekenning van de in het Verdrag van Rome bepaalde behandeling, zullen niet noodzakelijk rechtsbescherming worden ontzegd. Op grond van artikel 79 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten waarin gewag wordt gemaakt van het reciprociteitsbeginsel, kunnen zij immers bepaalde rechten doen gelden.

Anderzijds, komt het toe gebruik te maken van de reserves bepaald in artikel 16, 1., (iii) en (iv) van het Verdrag van Rome teneinde het reciprociteitsbeginsel toe te passen in verband met het recht op een billijke vergoeding van de uitvoerende kunstenaars en van de producenten van fonogrammen voor de uitzending of voor de overbrenging aan het publiek van fonogrammen die voor commerciële doeleinden openbaar zijn gemaakt.

De verklaring gedaan in toepassing van deze bepalingen dient te voorzien dat :

1º artikel 12 van het Verdrag van Rome niet van toepassing is op fonogrammen waarvan de producent geen onderdaan is van een Verdragsluitende Staat; er moet evenwel aan herinnerd worden dat de fonogrammen waarvan de producent geen onderdaan is van een Verdragsluitende Staat niettegenstaande voornoemde reserve kunnen worden beschermd bij toepassing van het reciprociteitsbeginsel bepaald in artikel 79 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten;

2º wat betreft de fonogrammen waarvan de producent onderdaan is van een andere Verdragsluitende Staat, de omvang en de duur van de in artikel 12 voorziene bescherming beperkt zullen worden tot de mate waarin, en de duur waarvoor, de laatstgenoemde Staat bescherming toekent aan fonogrammen die voor het eerst door een Belgische onderdaan zijn vastgelegd.

V. TOEPASSING VAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN HET VERDRAG VAN BERN EN VAN HET VERDRAG VAN ROME OP DE BELGISCHE ONDERDANEN

Overeenkomstig het precedent van de wet van 27 juli 1953 betreffende de toepassing op de Belgen van zekere bepalingen van de Internationale Overeenkomst van 26 juni 1948 voor de bescherming van de kunst- en letterkundige werken (Belgisch Staatsblad van 17 september 1953), komt het toe aan de Belgische auteurs en Belgische houders van naburige rechten, zich in België te kunnen beroepen op respectievelijk de bepalingen van de Akte van Parijs van het Verdrag van Bern en de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, die voor hen gunstiger zouden zijn dan de nationale wetgeving.

Een bepaling die aan de Belgen het recht toekent zich te beroepen op de internationale bepalingen die gunstiger zijn dan de nationale wetgeving, is een materie die onder toepassing valt van artikel 78 van de Grondwet, terwijl de goedkeuring van internationale Verdragen een aangelegenheid is als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Om deze reden worden de bepalingen die de Belgen het voordeel toekennen om de bepalingen in te roepen van het Verdrag van Bern of het Verdrag van Rome die gunstiger zouden zijn dan de nationale wetgeving, gesplitst van huidig ontwerp van wet.

De minister van Buitenlandse Zaken,

Erik DERYCKE.

De minister van Justitie,

Tony VAN PARYS.


WETSONTWERP


ALBERT II,

Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.

Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en van Onze minister van Justitie,

HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ :

Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Justitie zijn gelast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

Het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961, zal volkomen gevolg hebben.

Art. 3

De Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971, zal volkomen gevolg hebben.

Gegeven te Brussel, 20 september 1998.

ALBERT.

Van Koningswege :

De minister van Buitenlandse Zaken,

Erik DERYCKE.

De minister van Justitie,

Tony VAN PARYS.


INTERNATIONAAL VERDRAG INZAKE DE BESCHERMING VAN UITVOERENDE KUNSTENAARS, PRODUCENTEN VAN FONOGRAMMEN EN OMROEPORGANISATIES

De Verdragsluitende Staten, geleid door de wens de rechten van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties te beschermen,

Zijn overeengekomen als volgt :

Artikel 1

De krachtens dit Verdrag toegekende bescherming laat onverlet en is op generlei wijze van invloed op de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst. Derhalve mag geen bepaling van dit Verdrag zo worden uitgelegd dat daardoor aan deze bescherming afbreuk zou worden gedaan.

Artikel 2

1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder nationale behandeling verstaan de behandeling toegekend door de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staat waar aanspraak op bescherming wordt gemaakt :

a) aan uitvoerende kunstenaars die zijn onderdanen zijn, ten aanzien van uitvoeringen die op zijn grondgebied plaats vinden, worden uitgezonden of voor het eerst zijn vastgelegd;

b) aan producenten van fonogrammen die zijn onderdanen zijn, ten aanzien van fonogrammen die voor het eerst zijn vastgelegd of openbaar gemaakt op zijn grondgebied;

c) aan omroeporganisaties die hun hoofdkantoor hebben op zijn grondgebied, ten aanzien van radio-uitzendingen via zendinstallaties die op zijn grondgebied zijn gelegen.

2. De nationale behandeling is onderworpen aan de in dit Verdrag speciaal gewaarborgde bescherming en speciaal voorziene beperkingen.

Artikel 3

Voor de toepassing van dit Verdrag :

a) wordt onder « uitvoerende kunstenaars » verstaan acteurs, zangers, musici, dansers en andere personen die acteren, zingen, reciteren, declameren, spelen of anderszins werken van letterkunde of kunst uitvoeren;

b) wordt onder « fonogram » verstaan iedere uitsluitend hoorbare vastlegging van klanken van een uitvoering of van andere klanken;

c) wordt onder « producent van fonogrammen » verstaan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de klanken van een uitvoering of andere klanken voor het eerst vastlegt;

d) wordt onder « openbaarmaking » verstaan het aanbieden van exemplaren van een fonogram aan het publiek in een redelijke hoeveelheid;

e) wordt onder « reproductie » verstaan het maken van een exemplaar of van exemplaren van een vastlegging;

f) wordt onder « uitzending » verstaan de overdracht langs draadloze weg van klanken of van beelden en klanken voor ontvangst door het publiek;

g) wordt onder « heruitzending » verstaan het gelijktijdig uitzenden door de ene omroeporganisatie van de uitzending van een andere omroeporganisatie.

Artikel 4

Elke Verdragsluitende Staat kent uitvoerende kunstenaars een nationale behandeling toe indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan :

a) de uitvoering vindt plaats in een andere Verdragsluitende Staat;

b) de uitvoering is opgenomen op een fonogram dat wordt beschermd ingevolge artikel 5 van dit Verdrag;

c) de uitvoering, die niet is vastgelegd op een fonogram, wordt uitgezonden door middel van een uitzending die wordt beschermd ingevolge artikel 6 van dit Verdrag.

Artikel 5

1. Elke Verdragsluitende Staat kent een nationale behandeling toe aan producenten van fonogrammen indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan :

a) de producent van het fonogram is onderdaan van een andere Verdragsluitende Staat (nationaliteitscriterium);

b) de eerste vastlegging van de klanken werd verricht in een andere Verdragsluitende Staat (vastleggingscriterium);

c) het fonogram werd voor het eerst openbaar gemaakt in een andere Verdragsluitende Staat (openbaarmakingscriterium).

2. Indien een fonogram voor het eerst werd openbaar gemaakt in een niet-Verdragsluitende Staat, maar indien deze ook binnen dertig dagen na de eerste openbaarmaking, openbaar werd gemaakt in een Verdragsluitende Staat (gelijktijdige openbaarmaking), wordt deze beschouwd als voor het eerst openbaar gemaakt in de Verdragsluitende Staat.

3. Iedere Verdragsluitende Staat kan, door middel van een bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties neergelegde kennisgeving, verklaren dat hij het openbaarmakingscriterium of het vastleggingscriterium niet zal toepassen. Deze kennisgeving kan worden neergelegd op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk tijdstip daarna; in het laatste geval wordt zij van kracht zes maanden nadat zij is neergelegd.

Artikel 6

1. Elke Verdragsluitende Staat kent een nationale behandeling toe aan omroeporganisaties indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan :

a) het hoofdkantoor van de omroeporganisaties is gelegen in een andere Verdragsluitende Staat;

b) de uitzending geschiedde via een zendinstallatie gelegen in een andere Verdragsluitende Staat.

2. Iedere Verdragsluitende Staat kan door middel van een bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties neergelegde kennisgeving verklaren dat hij uitzendingen alleen zal beschermen indien het hoofdkantoor van de omroeporganisatie is gelegen in een andere Verdragsluitende Staat en de uitzending geschiedde via een in diezelfde Verdragsluitende Staat gelegen zendinstallatie. Deze kennisgeving kan worden neergelegd op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk tijdstip daarna; in het laatste geval wordt zij van kracht zes maanden nadat zij is neergelegd.

Artikel 7

1. De in dit Verdrag voorziene bescherming van uitvoerende kunstenaars omvat de mogelijkheid het volgende te voorkomen :

a) de uitzending en overbrenging aan het publiek, zonder hun toestemming, van hun uitvoering, behalve wanneer de in de uitzending of de overbrenging aan het publiek gebruikte uitvoering zelf reeds een uitgezonden uitvoering is of deze geschiedt door middel van een vastlegging;

b) de vastlegging, zonder hun toestemming, van hun niet vastgelegde uitvoering;

c) de reproductie, zonder hun toestemming, van een vastlegging van hun uitvoering :

(i) indien de oorspronkelijke vastlegging zelf was vervaardigd zonder hun toestemming;

(ii) indien de reproductie is vervaardigd voor andere doeleinden dan voor die waarvoor de uitvoerende kunstenaars hun toestemming hebben gegeven;

(iii) indien de oorspronkelijke vastlegging geschiedde overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 en de reproductie is gemaakt voor andere dan in dat artikel bedoelde doeleinden.

2. (1) Indien de uitvoerende kunstenaars in de uitzending hebben toegestemd, wordt het aan de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staat waar aanspraak op bescherming wordt gemaakt, overgelaten de bescherming te regelen tegen heruitzending, vastlegging ten behoeve van uitzending en reproductie van deze vastlegging ten behoeve van uitzending.

(2) De voorwaarden voor het gebruik door omroeporganisaties van ten behoeve van uitzending gemaakte vastleggingen worden bepaald overeenkomstig de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staat waar aanspraak op bescherming wordt gemaakt.

(3) De in (1) en (2) van dit lid bedoelde nationale wetgeving mag evenwel niet ertoe leiden dat daardoor uitvoerende kunstenaars de mogelijkheid wordt ontnomen door middel van een contract hun betrekking met omroeporganisaties te regelen.

Artikel 8

Iedere Verdragsluitende Staat kan in zijn nationale wetgeving de wijze aangeven waarop uitvoerende kunstenaars zullen worden vertegenwoordigd in verband met de uitoefening van hun rechten, indien verscheidene van hen deelnemen aan dezelfde uitvoering.

Artikel 9

Iedere Verdragsluitende Staat kan in zijn nationale wetgeving de in dit Verdrag voorziene bescherming uitbreiden tot artiesten die geen werken van letterkunde of kunst uitvoeren.

Artikel 10

Producenten van fonogrammen genieten het recht de directe of indirecte reproductie van hun fonogrammen toe te staan of te verbieden.

Artikel 11

Indien een Verdragsluitende Staat, als voorwaarden voor de bescherming van de rechten van producenten van fonogrammen of van uitvoerende kunstenaars, of van beiden, ingevolge zijn nationale wetgeving met betrekking tot fonogrammen eist dat aan bepaalde formaliteiten wordt voldaan, wordt geacht daaraan te zijn voldaan als alle in de handel zijnde exemplaren van het openbaar gemaakte fonogram of het omhulsel daarvan, voorzien zijn van een aanduiding bestaande uit het teken (P) vergezeld van het jaar van de eerste openbaarmaking, en wel zo aangebracht dat de aanspraak op bescherming duidelijk blijkt; en indien de exemplaren of hun omhulsel niet de producent of de licentiehouder van de producent aanduiden (doordat zijn naam, handelsmerk of andere passende aanduiding daarop is vermeld), dient de aanduiding tevens de naam van de eigenaar van de productierechten te omvatten; en voorts dient de aanduiding, indien de exemplaren of hun omhulsel niet de voornaamste uitvoerende kunstenaars vermelden, tevens de naam te omvatten van de persoon die in het land waar de vastlegging geschiedde, de rechten van deze uitvoerende kunstenaars bezit.

Artikel 12

Indien een voor handelsdoeleinden openbaar gemaakt fonogram of een reproductie van zulk een geluidsdrager rechtstreeks wordt gebruikt voor uitzending of voor enigerlei overbrenging aan het publiek, dient door de gebruiker één enkele redelijke vergoeding te worden betaald aan de uitvoerende kunstenaars of aan de producenten van de fonogrammen of aan beiden. De nationale wetgeving kan bij het ontbreken van overeenstemming tussen deze partijen de voorwaarden inzake de verdeling van deze vergoeding bepalen.

Artikel 13

Omroeporganisaties genieten het recht toe te staan of te verbieden :

a) de heruitzending van hun uitzendingen;

b) de vastlegging van hun uitzendingen;

c) de reproductie :

(i) van zonder hun toestemming vervaardigde vastleggingen van hun uitzendingen;

(ii) van overeenkomstig de bepalingen van artikel 15 gemaakte vastleggingen van hun uitzendingen indien de reproductie wordt vervaardigd voor andere doeleinden dan in die bepalingen bedoeld;

d) de overbrenging aan het publiek van hun televisieuitzendingen indien deze overbrenging geschiedt in voor het publiek toegankelijke plaatsen tegen betaling van entreegeld; het wordt overgelaten aan de nationale wetgeving van de Staat waar aanspraak op bescherming van dit recht wordt gemaakt, de voorwaarden te bepalen waarop dit recht kan worden uitgeoefend.

Artikel 14

De duur van de ingevolge dit Verdrag toe te kennen bescherming loopt tot ten minste het einde van een tijdvak van 20 jaar berekend vanaf het einde van het jaar waarin :

a) de vastlegging geschiedde, voor fonogrammen en voor daarop opgenomen uitvoeringen;

b) de uitvoering plaats vond, voor niet op fonogrammen opgenomen uitvoeringen;

c) de uitzending plaats vond, voor uitzendingen.

Artikel 15

1. Iedere Verdragsluitende Staat kan in zijn nationale wetgeving voorzien in uitzonderingen op de door dit Verdrag gewaarborgde bescherming ten aanzien van :

a) privé-gebruik;

b) gebruik van korte uittreksels in verband met de berichtgeving over actuele gebeurtenissen;

c) kortstondige vastlegging door een omroeporganisatie met gebruikmaking van haar eigen middelen en voor haar eigen uitzendingen;

d) gebruik uitsluitend ten behoeve van onderwijs of wetenschappelijk onderzoek.

2. Ongeacht het eerste lid van dit artikel kan een Verdragsluitende Staat in zijn nationale wetgeving voorzien in dezelfde soorten beperkingen ten aanzien van de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties als waarin hij in zijn binnenlandse wetten en voorschriften voorziet in verband met de bescherming van het auteursrecht van werken van letterkunde en kunst. Er mag evenwel slechts in dwanglicenties worden voorzien voor zover deze verenigbaar zijn met dit Verdrag.

Artikel 16

1. Iedere Staat is, wanneer hij partij bij dit Verdrag wordt, gebonden door alle verplichtingen en geniet alle voordelen daarin bepaald. Een Staat kan evenwel te allen tijde middels een bij de secretaris generaal van de Verenigde Naties neergelegde kennisgeving verklaren dat hij :

a) wat artikel 12 betreft :

(i) de bepalingen van dat artikel niet zal toepassen;

(ii) de bepalingen van dat artikel niet zal toepassen ten aanzien van bepaalde soorten gebruik;

(iii) wat fonogrammen betreft waarvan de producent geen onderdaan is van een andere Verdragsluitende Staat, dat artikel niet zal toepassen;

(iv) wat geluidsdragers betreft waarvan de producent onderdaan is van een andere Verdragsluitende Staat, de in dat artikel voorziene bescherming zal beperken tot de mate waarin en tot de duur waarvoor de laatstgenoemde Staat bescherming toekent aan fonogrammen die voor het eerst zijn vastgelegd door een onderdaan van de Staat die de verklaring aflegt, het feit dat de Verdragsluitende Staat waarvan de producent onderdaan is, niet aan dezelfde gerechtigde(n) bescherming toekent als de Staat die de verklaring aflegt, wordt echter niet beschouwd als een verschil in de mate van bescherming;

b) wat artikel 13 betreft, niet letter (d), van dat artikel zal toepassen; indien een Verdragsluitende Staat zulk een verklaring aflegt, zijn de andere Verdragsluitende Staten niet verplicht het in artikel 13, letter (d), bedoelde recht toe te kennen aan omroeporganisaties waarvan het hoofdkantoor in die Staat is gelegen.

2. Indien de in het eerste lid van dit artikel bedoelde kennisgeving wordt gedaan na de datum van neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, wordt de kennisgeving van kracht zes maanden nadat zij is neergelegd.

Artikel 17

Een Staat die op 26 oktober 1961 aan producenten van fonogrammen uitsluitend op basis van het vastleggingscriterium bescherming toekent, kan door middel van een op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties neergelegde kennisgeving verklaren dat hij, voor de toepassing van artikel 5, uitsluitend het vastleggingscriterium zal toepassen en voor de toepassing van artikel 16, eerste lid, letter (a), onder (iii) en (iv), het vastleggingscriterium in plaats van het nationaliteitscriterium.

Artikel 18

Een Staat die een kennisgeving heeft neergelegd ingevolge artikel 5, derde lid, artikel 6, tweede lid, artikel 16, eerste lid, of artikel 17, kan door middel van een latere kennisgeving, neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, de reikwijdte daarvan beperken of deze intrekken.

Artikel 19

Niettegenstaande elke andere bepaling in dit Verdrag is artikel 7 niet langer van toepassing wanneer een uitvoerende kunstenaar eenmaal heeft toegestemd in de opneming van zijn uitvoering in een visuele of audio-visuele vastlegging.

Artikel 20

1. Dit Verdrag laat onverlet rechten die in een Verdragsluitende Staat zijn verworven vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor die Staat.

2. Een Verdragsluitende Staat is niet gebonden de bepalingen van dit Verdrag toe te passen op uitvoeringen of uitzendingen die hebben plaatsgevonden of op fonogrammen die werden vastgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor die Staat.

Artikel 21

De in dit Verdrag voorziene bescherming laat onverlet bescherming die anderszins is verzekerd aan uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties.

Artikel 22

De Verdragsluitende Staten behouden zich het recht voor onderling bijzondere overeenkomsten te sluiten, voor zover zulke overeenkomsten uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen of omroeporganisaties uitgebreidere rechten toekennen dan die welke zijn toegekend bij dit Verdrag, of andere bepalingen bevatten die niet strijdig zijn met dit Verdrag.

Artikel 23

Dit Verdrag wordt neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Het staat tot 30 juni 1962 open voor ondertekening door iedere Staat die werd uitgenodigd voor de Diplomatieke Conferentie inzake de internationale bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, die partij is bij de Universele Auteursrecht-Conventie of lid is van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst.

Artikel 24

1. Dit Verdrag dient door de ondertekenende Staten te worden bekrachtigd of aanvaard.

2. Dit Verdrag staat open voor toetreding door iedere Staat die werd uitgenodigd voor de in artikel 23 bedoelde Conferentie en door iedere lidstaat van de Verenigde Naties, mits in beide gevallen deze Staat partij is bij de Universele Auteursrecht-Conventie of lid is van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst.

3. De bekrachtiging, aanvaarding of toetreding geschiedt door de neerlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 25

1. Dit Verdrag treedt in werking drie maanden na de datum van neerlegging van de zesde akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding.

2. Daarna treedt dit Verdrag ten aanzien van elke Staat in werking drie maanden na de datum van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding.

Artikel 26

1. Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich ertoe overeenkomstig zijn grondwet de noodzakelijke maatregelen te nemen ten einde de toepassing van dit Verdrag te verzekeren.

2. Op het tijdstip van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, moet elke Staat in staat zijn ingevolge zijn nationale wetgeving uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 27

1. Iedere Staat kan op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk tijdstip daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren dat dit Verdrag zich uitstrekt tot alle of enkele van de grondgebieden voor wier internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is, mits de Universele Auteursrecht-Conventie of de Internationale Conventie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst van toepassing is op het betrokken grondgebied of de betrokken grondgebieden. Deze kennisgeving wordt van kracht drie maanden na de datum van ontvangst.

2. De kennisgevingen bedoeld in artikel 5, derde lid, artikel 6, tweede lid, artikel 16, eerste lid, en de artikelen 17 en 18 kunnen worden uitgebreid tot alle of enkele van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde grondgebieden.

Artikel 28

1. Iedere Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag opzeggen wat hemzelf betreft, dan wel namens alle of enkele van de in artikel 27 bedoelde grondgebieden.

2. De opzegging geschiedt door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties en wordt van kracht twaalf maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving.

3. Het recht van opzegging wordt door een Verdragsluitende Staat niet uitgeoefend vóór het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar van de datum waarop het Verdrag ten aanzien van die Staat in werking is getreden.

4. Een Verdragsluitende Staat houdt op partij te zijn bij dit Verdrag vanaf het tijdstip waarop hij geen partij meer is bij de Universele Auteursrecht-Conventie of geen lid meer is van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst.

5. Vanaf dat tijdstip houdt dit Verdrag op van toepassing te zijn op een in artikel 27 bedoeld gebied wanneer noch de Universele Auteursrecht-Conventie noch de Internationale Conventie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst op dat gebied van toepassing zijn.

Artikel 29

1. Nadat dit Verdrag vijf jaar van kracht is geweest, kan iedere Verdragsluitende Staat door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken een conferentie bijeen te roepen ter herziening van het Verdrag. De Secretaris-Generaal stelt alle Verdragsluitende Staten in kennis van dit verzoek. Indien binnen een tijdvak van zes maanden na de datum van kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties niet minder dan de helft van de Verdragsluitende Staten hem in kennis stelt dat zij instemt met het verzoek, stelt de Secretaris-Generaal de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst daarvan in kennis, die een herzieningsconferentie bijeenroepen in samenwerking met de in artikel 32 ingestelde Intergouvernementele Commissie.

2. Voor de aanneming van een herziening van dit Verdrag is een meerderheid vereist van twee derde van de Staten die de herzieningsconferentie bijwonen, mits deze meerderheid twee derde van de Staten omvat die op het tijdstip van de herzieningsconferentie partij bij het Verdrag zijn.

3. In geval van aanneming van een Verdrag tot algehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag en tenzij het Verdrag tot herziening anderszins bepaalt :

a) staat dit Verdrag met ingang van de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot herziening niet langer open voor bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;

b) blijft dit Verdrag van kracht ten aanzien van betrekkingen tussen of met Verdragsluitende Staten die geen partij zijn geworden bij het Verdrag tot herziening.

Artikel 30

Geschillen die zich kunnen voordoen tussen twee of meer Verdragsluitende Staten betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en die niet door middel van onderhandelingen worden geregeld, worden op verzoek van een van de partijen bij het geschil ter beslissing voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof, tenzij zij een andere wijze van regeling overeenkomen.

Artikel 31

Geen ander voorbehoud kan ten aanzien van dit Verdrag worden gemaakt dan voorzien in de bepalingen van artikel 5, derde lid, artikel 6, tweede lid, artikel 16, eerste lid, en artikel 17.

Artikel 32

1. Hierbij wordt een Intergouvernementele Commissie ingesteld, die de volgende taken heeft :

a) het bestuderen van vraagstukken betreffende de toepassing en werking van dit Verdrag; en

b) het verzamelen van voorstellen en het vergaren van documentatie voor de eventuele herziening van dit Verdrag.

2. De Commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten, gekozen met inachtneming van een billijke geografische verdeling. Het aantal leden is zes als er twaalf Verdragsluitende Staten of minder zijn, negen als er dertien tot achttien Verdragsluitende Staten zijn en twaalf als er meer dan achttien Verdragsluitende Staten zijn.

3. De Commissie wordt opgericht twaalf maanden nadat het Verdrag in werking is getreden door middel van een verkiezing onder de Verdragsluitende Staten, die elk één stem hebben; deze verkiezing wordt georganiseerd door de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst overeenkomstig regels die voordien door een meerderheid van alle Verdragsluitende Staten goedgekeurd zijn.

4. De Commissie kiest haar Voorzitter en de andere leden van het dagelijks bestuur. Zij stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast. Dit heeft met name betrekking op het toekomstig functioneren van de Commissie en op een methode voor de keuze van haar leden in de toekomst, en wel op zodanige wijze dat een roulering tussen de verschillende Verdragsluitende Staten wordt gewaarborgd.

5. Het Secretariaat van de Commissie wordt gevormd door functionarissen van het Internationale Arbeidsbureau, van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst, aangewezen door de Directeuren-Generaal onderscheidenlijk de Directeur daarvan.

6. De vergaderingen van de Commissie, die worden bijeengeroepen wanneer een meerderheid van haar leden zulks noodzakelijk acht, worden achtereenvolgens gehouden ter plaatse van de zetel van het Internationale Arbeidsbureau, van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst.

7. De kosten van de leden van de Commissie worden gedragen door hun onderscheiden Regeringen.

Artikel 33

1. Dit Verdrag is opgesteld in de Engelse, de Franse en de Spaanse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek.

2. Daarnaast zullen officiële teksten van dit Verdrag worden opgesteld in de Duitse, de Italiaanse en de Portugese taal.

Artikel 34

1. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt de Staten die waren uitgenodigd voor de in artikel 23 bedoelde Conferentie en iedere Staat die lid is van de Verenigde Naties, alsmede de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst in kennis van :

a) de neerlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;

b) de datum van inwerkingtreding van het Verdrag;

c) alle kennisgevingen, verklaringen of mededelingen zoals bepaald in dit Verdrag;

d) een van de situaties bedoeld in artikel 28, vierde en vijfde lid.

2. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst eveneens in kennis van de hem overeenkomstig artikel 29 gedane verzoeken, alsmede van de mededelingen ontvangen van de Verdragsluitende Staten betreffende de herziening van het Verdrag.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Rome, zesentwintig oktober 1961, in een enkel exemplaar in de Engelse, de Franse en de Spaanse taal. Door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zullen voor eensluidend gewaarmerkte afschriften worden gezonden aan alle Staten die werden uitgenodigd voor de in artikel 23 bedoelde Conferentie en aan iedere lidstaat van de Verenigde Naties, alsmede aan de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst.


BERNER CONVENTIE voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971

De landen van de Unie, gelijkelijk bezield door de wens op een zo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze de rechten van de auteurs op hun werken van letterkunde en kunst te beschermen;

Het belang erkennend van de werkzaamheden van de herzieningsconferentie van Stockholm in 1967;

Hebben besloten de door de Conferentie van Stockholm aangenomen Akte te herzien met ongewijzigde handhaving van de artikelen 1 tot en met 20 en 22 tot en met 26 van die Akte.

Dientengevolge zijn de ondergetekende gevolmachtigden, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende overeengekomen :

Artikel 1

De landen waarvoor deze Conventie geldt, vormen een Unie voor de bescherming van de rechten van de auteurs op hun werken van letterkunde en kunst.

Artikel 2

1. De term « werken van letterkunde en kunst » omvat alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes; muzikale composities met of zonder woorden; cinematografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithografeerkunst; fotografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van toegepaste kunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topografie, de bouwkunde of de wetenschappen.

2. Het is nochtans aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden te bepalen dat werken van letterkunde en kunst, of een of meer categorieën daarvan, niet beschermd zijn voorzover zij niet in een tastbare vorm zijn vastgelegd.

3. Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de rechten van de auteur van het oorspronkelijke werk : vertalingen, bewerkingen, muziekarrangementen en andere wijzigingen van een werk van letterkunde of kunst.

4. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om de aan officiële teksten op het gebied van wetgeving, bestuur en rechtspraak, een aan officiële vertalingen van deze teksten te verlenen bescherming vast te stellen.

5. Verzamelingen van werken van letterkunde of kunst, zoals encyclopedieën en bloemlezingen, die door de keuze of de rangschikking van de stof een schepping van de geest vormen, worden als zodanig beschermd, onverminderd de rechten van de auteurs op elk werk dat van deze verzamelingen deel uitmaakt.

6. De in dit artikel vermelde werken genieten bescherming in alle landen van de Unie. Deze bescherming bestaat ten gunste van de auteur en van zijn rechtsopvolgers.

7. Het is onderminderd de bepalingen van artikel 7, vierde lid, van de Conventie aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. Voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, kan in een ander land van de Unie slechts de bijzondere bescherming worden ingeroepen welke in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend; indien echter in dat land geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend, worden deze werken beschermd als werken van kunst.

8. De bescherming van deze Conventie is niet toepasselijk op nieuwstijdingen of gemengde berichten die louter het karakter van persberichten dragen.

Artikel 2bis

1. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om van de bescherming bedoeld in het vorige artikel politieke redevoeringen en in rechtszaken uitgesproken redevoeringen geheel of gedeeltelijk uit te sluiten.

2. Eveneens is het aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om voorwaarden vast te stellen waaronder lezingen, toespraken en andere werken van dezelfde aard, die in het openbaar worden uitgesproken, door de pers mogen worden weergegeven, door de radio mogen worden uitgezonden, per draadverbinding aan het publiek mogen worden overgebracht en tot voorwerp mogen worden gemaakt van de openbare mededelingen bedoeld in het eerste lid van artikel 11bis onder (1), van deze Conventie, wanneer een zodanig gebruik is gerechtvaardigd uit een oogpunt van voorlichting.

3. Alleen de auteur zal evenwel het recht hebben zijn in de vorige leden genoemde werken in een verzameling bijeen te brengen.

Artikel 3

1. Krachtens deze Conventie genieten bescherming :

a. auteurs die onderdaan zijn van een van de landen van de Unie, voor hun al dan niet gepubliceerde werken;

b. auteurs die geen onderdaan zijn van een van de landen van de Unie, voor de werken die zij voor het eerst publiceren in een van deze landen of gelijktijdig in een land dat geen lid van de Unie is en in een land van de Unie.

2. Auteurs die geen onderdaan zijn van een van de landen van de Unie doch die hun gewone verblijfplaats in een van deze landen hebben, worden voor de toepassing van deze Conventie gelijkgesteld met onderdanen van dat land.

3. Onder « gepubliceerde werken » moeten worden verstaan de werken die met toestemming van hun auteur zijn uitgegeven, welke ook de wijze van vervaardiging moge zijn van de exemplaren, mits deze zodanig ter beschikking zijn gesteld dat daarmede wordt voorzien in de redelijke behoeften van het publiek, zulks met inachtneming van de aard van het werk. De opvoering van een toneelwerk of dramatisch-muzikaal werk, de vertoning van een cinematografisch werk, de uitvoering van een muziekwerk, de openbare voordracht van een werk van letterkunde, de overbrenging of radio-uitzending van werken van letterkunde of kunst, de tentoonstelling van een kunstwerk en het bouwen van een bouwwerk, vormen geen publikatie.

4. Als gelijktijdig in verscheidene landen gepubliceerd, wordt beschouwd elk werk dat binnen dertig dagen na zijn eerste publicatie in twee of meer landen verschenen is.

Artikel 4

Krachtens deze Conventie genieten bescherming, zelfs indien de in artikel 3 bedoelde voorwaarden niet zijn vervuld :

a. auteurs van cinematografische werken waarvan de producent zijn zetel of zijn gewone verblijfplaats in een van de landen van de Unie heeft;

b. scheppers van bouwwerken die gebouwd zijn in een land van de Unie of auteurs van werken van grafische en plastische kunst die een geheel vormen met een gebouw gelegen in een land van de Unie.

Artikel 5

1. De auteurs genieten voor de werken waarvoor zij krachtens deze Conventie zijn beschermd, in de landen van de Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen, alsmede de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend.

2. Het genot en de uitoefening van die rechten zijn aan geen enkele formaliteit onderworpen; dat genot en die uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan van de bescherming in het land van oorsprong van het werk. Bijgevolg worden, buiten de bepalingen van deze Conventie, de omvang van de bescherming, zowel als de rechtsmiddelen die de auteur worden gewaarborgd ter handhaving van zijn rechten uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen.

3. De bescherming in het land van oorsprong wordt geregeld door de nationale wetgeving. Wanneer de auteur evenwel geen onderdaan is van het land van oorsprong van het werk waarvoor hij door deze Conventie wordt beschermd, heeft hij in dat land dezelfde rechten als de auteurs die onderdaan van dat land zijn.

4. Als land van oorsprong wordt beschouwd :

a. voor de voor het eerst in één van de landen van de Unie gepubliceerde werken, dat land; indien het evenwel werken betreft die gelijktijdig zijn gepubliceerd in verscheidene landen van de Unie die een bescherming van verschillende duur kennen, het land waarvan de wetgeving de minst langdurige bescherming toekent;

b. voor werken die gelijktijdig zijn gepubliceerd in een land dat geen lid van de Unie is en in een land van de Unie, laatstgenoemd land;

c. voor niet gepubliceerde werken of voor werken die voor het eerst zijn gepubliceerd in een land dat geen lid van de Unie is, zonder dat gelijktijdige publikatie heeft plaatsgevonden in een land van de Unie, het land van de Unie waarvan de auteur onderdaan is; indien het evenwel :

i. cinematografische werken betreft waarvan de producent zijn zetel of zijn gewone verblijfplaats in een land van de Unie heeft, is dit land het land van oorsprong, en

ii. bouwwerken betreft gebouwd in een land van de Unie of werken van grafische en plastische kunst die één geheel vormen met een gebouw gelegen in een land van de Unie, is dit land het land van oorsprong.

Artikel 6

1. Wanneer een land dat geen lid van de Unie is, de werken van auteurs die onderdaan zijn van een van de landen van de Unie niet in voldoende mate beschermt, kan dat laatste land de bescherming beperken van werken waarvan de auteurs op het ogenblik van de eerste publikatie van die werken onderdaan zijn van dat andere land en niet hun gewone verblijfplaats hebben in een van de landen van de Unie. Indien het land van eerste publikatie van deze bevoegdheid gebruik maakt, zijn de andere landen van de Unie niet gehouden aan de werken, die aldus aan een bijzondere behandeling zijn onderworpen, een ruimere bescherming toe te kennen dan die welke in het land van eerste publikatie wordt toegekend.

2. Geen krachtens het vorige lid opgelegde beperking zal de rechten mogen aantasten die een auteur mocht hebben verkregen op een werk dat is gepubliceerd in een land van de Unie voordat die beperking van kracht werd.

3. De landen van de Unie die krachtens dit artikel de bescherming van de rechten van de auteurs beperken, moeten daarvan aan de Directeur-generaal van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (hierna te noemen de « Directeur-generaal ») kennis geven door een schriftelijke verklaring, waarin moeten worden aangegeven de landen tegenover welke de bescherming wordt beperkt evenals de beperkingen waaraan de rechten van de tot die landen behorende auteurs zijn onderworpen. De Directeur-generaal zal die verklaring dadelijk ter kennis van alle landen van de Unie brengen.

Artikel 6bis

1. Onafhankelijk van de vermogensrechtelijke auteursrechten en zelfs na overdracht van die rechten behoudt de auteur het recht om het auteurschap van het werk op te eisen en om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dat werk, of tegen elke andere aantasting daarvan die nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of zijn goede naam.

2. De krachtens het eerste lid hierboven aan de auteur toegekende rechten worden na zijn dood gehandhaafd ten minste tot het vervallen van de vermogensrechten en uitgeoefend door de daartoe door de nationale wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen bevoegd verklaarde personen of instellingen.

3. De landen, waarvan de wetgeving op het tijdstip van de bekrachtiging van deze Akte of van de toetreding daartoe geen bepalingen bevat die na de dood van de auteur de bescherming verzekeren van alle krachtens het eerste lid hierboven toegekende rechten, zijn evenwel bevoegd te bepalen dat enige van deze rechten niet gehandhaafd blijven na de dood van de auteur.

4. De rechtsmiddelen ter handhaving van de in dit artikel toegekende rechten worden geregeld door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen.

Artikel 7

1. De duur van de bescherming die door deze Conventie wordt toegekend, omvat het leven van de auteur en vijftig jaren na zijn dood.

2. Voor cinematografische werken hebben de landen van de Unie evenwel de bevoegdheid te bepalen dat de duur van de bescherming verstrijkt vijftig jaar nadat het werk met toestemming van de auteur voor het publiek toegankelijk is gemaakt of dat, bij gebreke van een zodanige gebeurtenis binnen vijftig jaar te rekenen van de vervaardiging van dat werk, de duur van de bescherming vijftig jaar na vervaardiging verstrijkt.

3. Voor anonieme of pseudonieme werken verstrijkt de duur van de door deze Conventie toegekende bescherming vijftig jaar nadat het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Wanneer evenwel de door de auteur aangenomen schuilnaam geen enkele twijfel aan zijn identiteit laat, is de beschermingsduur die welke is voorzien in het eerste lid. Indien de auteur van een anoniem of pseudoniem werk zijn identiteit tijdens het hierboven aangegeven tijdvak openbaart, is de toe te passen beschermingstermijn die welke is voorzien in het eerste lid. De landen van de Unie zijn niet gehouden de anonieme of pseudonieme werken te beschermen waarvan de auteur, naar men redelijkerwijze mag veronderstellen, sedert vijftig jaar dood is.

4. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de duur van de bescherming van de fotografische werken en werken van toegepaste kunst die als werken van kunst worden beschermd, te regelen; deze beschermingsduur mag echter niet korter zijn dan een periode van vijfentwintig jaar te rekenen van de vervaardiging van dat werk.

5. De beschermingstermijn na de dood van de auteur en de in het tweede, derde en vierde lid hierboven voorziene termijn nemen een aanvang op de datum van de dood of van de in deze leden bedoelde gebeurtenis, maar de duur van deze termijnen wordt slechts berekend met ingang van de eerste januari van het jaar volgend op de dood of die gebeurtenis.

6. De landen van de Unie hebben de bevoegdheid een langere beschermingsduur toe te kennen dan die bedoeld in de voorgaande leden.

7. De landen van de Unie die zijn gebonden door de Akte van Rome van deze Conventie en die in hun nationale wetgeving die van kracht is op het tijdstip van ondertekening van deze Akte, kortere termijnen toekennen dan die welke bedoeld zijn in de voorgaande leden, hebben de bevoegdheid deze bij toetreding tot of bekrachtiging van deze Akte te handhaven.

8. In alle gevallen wordt de duur geregeld door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen; tenzij de wetgeving van dat land anders beschikt, overschrijdt hij evenwel niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur.

Artikel 7bis

De bepalingen van het voorgaande artikel zijn eveneens van toepassing wanneer het auteursrecht gemeenschappelijk toebehoort aan de medewerkers aan een werk, met dien verstande dat de termijnen volgend op de dood van de auteur worden berekend vanaf de datum van overlijden van de auteur die het langst in leven gebleven is.

Artikel 8

De door deze Conventie beschermde auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten gedurende de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijk werk het uitsluitend recht om vertalingen van hun werken te maken of daartoe toestemming te verlenen.

Artikel 9

1. De door deze Conventie beschermde auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitende recht om toestemming te verlenen tot het verveelvoudigen van deze werken, ongeacht op welke wijze en in welke vorm.

2. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden in bijzondere gevallen het verveelvoudigen van genoemde werken toe te staan, mits die verveelvoudiging geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk en de wettige belangen van de auteur niet op ongerechtvaardigde wijze schaadt;

3. Geluids- of beeldopnamen worden beschouwd als een verveelvoudiging in de zin van deze Conventie.

Artikel 10

1. Geoorloofd zijn aanhalingen uit een werk dat reeds op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt, mits zij verenigbaar zijn met de goede gebruiken en voor zover door het doel gerechtvaardigd, zulks met inbegrip van aanhalingen uit artikelen in nieuwsbladen en tijdschriften in de vorm van persoverzichten.

2. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie, alsmede aan de bijzondere overeenkomsten die tussen hen bestaan of gesloten zullen worden, voorbehouden het gebruik toe te staan, voor zover door het doel gerechtvaardigd, van werken van letterkunde of kunst als illustraties bij het onderricht dat wordt gegeven door middel van publikaties, in radio-uitzendingen of geluids- of beeldopnamen, mits een zodanig gebruik verenigbaar is met de goede gebruiken.

3. Bij de aanhalingen en het gebruik bedoeld in de voorgaande leden moeten de bron en de naam van de auteur vermeld worden indien deze naam in de bron voorkomt.

Artikel 10bis

1. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de verveelvoudiging door de pers, de uitzending door de radio of de overbrenging per draad aan het publiek van artikelen waarin actuele vragen van economie, politiek of godsdienst worden behandeld, en die zijn gepubliceerd in nieuwsbladen of tijdschriften, of van door de radio uitgezonden werken van dezelfde aard toe te staan in de gevallen waarin de verveelvoudiging, de radio-uitzending of de genoemde overbrenging niet uitdrukkelijk zijn voorbehouden. De bron moet echter altijd duidelijk zijn aangegeven; de sanctie op overtreding van deze verplichting wordt bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen.

2. Het is eveneens aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de voorwaarden te regelen waaronder ter gelegenheid van verslagen van actuele gebeurtenissen door middel van fotografie, cinematografie of langs de weg van radio-uitzending of overbrenging per draad aan het publiek, de werken van letterkunde of kunst gezien of gehoord tijdens de gebeurtenis, voor zover uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd, kunnen worden weergegeven en voor het publiek toegankelijk gemaakt.

Artikel 11

1. Auteurs van toneelwerken, dramatisch-muzikale werken en muziekwerken genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot :

1º de openbare opvoering en uitvoering van hun werken, met inbegrip van openbare opvoering en uitvoering met alle middelen of werkwijzen;

2º de openbare overbrenging met alle middelen van de opvoering en uitvoering van hun werken.

2. Dezelfde rechten worden toegekend aan auteurs van toneelwerken of dramatisch-muzikale werken gedurende de gehele duur van hun rechten op hun oorspronkelijke werk ten aanzien van de vertaling van hun werken.

Artikel 11bis

1. Auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot :

1º de radio-uitzending van hun werken of de openbare mededeling van deze werken door ieder ander middel dienend tot het draadloos verspreiden van tekens, geluiden of beelden;

2º elke openbare mededeling, hetzij met of zonder draad, van het door de radio uitgezonden werk, wanneer deze mededeling door een andere organisatie dan de oorspronkelijke geschiedt;

3º de openbare mededeling van het door de radio uitgezonden werk door een luidspreker of door ieder ander dergelijk instrument dat tekens, geluiden of beelden overbrengt.

2. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de voorwaarden vast te stellen tot uitoefening van de in het eerste lid bedoelde rechten, maar die voorwaarden hebben slechts een werking die uitsluitend beperkt blijft tot de landen die ze hebben vastgesteld. Zij kunnen in geen geval afbreuk doen aan het zedelijk recht op een billijke vergoeding die bij gebreke van een minnelijke schikking door het bevoegde gezag wordt vastgesteld.

3. Tenzij anders is overeengekomen, is in een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel verleende toestemming niet begrepen de toestemming om het door de radio uitgezonden werk op te nemen door middel van instrumenten die geluiden of beelden vastleggen. Nochtans is het aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden een regeling vast te stellen voor kortstondige opnamen, die door een radiozendorganisatie met haar eigen middelen en voor haar eigen uitzendingen tot stand worden gebracht. Die wetgeving kan toestaan dat zulke opnamen uit hoofde van hun uitzonderlijk documentair karakter in officiële archieven worden bewaard.

Artikel 11ter

1. Auteurs van letterkundige werken genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot :

1º de openbare voordracht van hun werken, met inbegrip van de openbare voordracht met alle middelen of werkwijzen;

2º de openbare overbrenging met alle middelen van de voordracht van hun werken.

2. Dezelfde rechten worden toegekend aan auteurs van letterkundige werken gedurende de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijke werk, ten aanzien van de vertaling van werken.

Artikel 12

Auteurs van werken van letterkunde of kunst genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot bewerkingen, arrangementen en andere veranderingen van hun werken.

Artikel 13

1. Ieder land van de Unie kan, voor zover het dit land zelf aangaat, voorbehouden en voorwaarden vaststellen met betrekking tot het uitsluitend recht van de auteur van een muziekwerk en van de auteur van de woorden, wanneer laatstgenoemde auteur reeds toestemming heeft verleend tot de opname van die woorden tezamen met het muziekwerk, om tot de geluidsopname van genoemd muziekwerk, eventueel met de woorden, toestemming te verlenen : de werking van alle voorbehouden en voorwaarden van dien aard zal evenwel strikt beperkt blijven tot het land dat ze gesteld heeft en zal in geen geval afbreuk kunnen doen aan het aan de auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, die bij gebreke van een minnelijke schikking door het bevoegde gezag wordt vastgesteld.

2. De opnamen van muziekwerken die in een land van de Unie zijn gemaakt overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de Conventies ondertekend te Rome op 2 juni 1928 en te Brussel op 26 juni 1948 zullen in dat land verveelvoudigd kunnen worden zonder de goedkeuring van de auteur van het muziekwerk tot het verstrijken van een periode van twee jaar te rekenen van de datum waarop genoemd land door deze Akte wordt gebonden.

3. De opnamen die krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel zijn gemaakt, en zonder toestemming van de belanghebbenden zijn ingevoerd in een land waar zij niet geoorloofd zijn, kunnen daar in beslag worden genomen.

Artikel 14

1. Auteurs van werken van letterkunde of kunst hebben het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot :

1º de cinematografische bewerking en weergave van deze werken en het in omloop brengen van de aldus bewerkte of weergegeven werken;

2º de openbare opvoering en uitvoering en de overbrenging per draad aan het publiek van de aldus bewerkte of weergegeven werken.

2. De bewerking in iedere andere kunstvorm van films afgeleid van werken van letterkunde of kunst blijft, onverminderd de toestemming van de auteurs van die films, onderworpen aan de toestemming van de auteurs van de oorspronkelijke werken.

3. De bepalingen van het eerste lid van artikel 13 zijn niet van toepassing.

Artikel 14bis

1. Onverminderd de rechten van de auteur van elk werk dat is bewerkt of verveelvuldigd, wordt het cinematografische werk beschermd als een oorspronkelijk werk. De rechthebbende op het auteursrecht op het cinematografische werk geniet dezelfde rechten als de auteur van een oorspronkelijk werk waaronder de in het voorgaande artikel bedoelde rechten zijn begrepen.

2. a. Het is aan de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen, voorbehouden te bepalen wie de rechthebbenden op het auteursrecht op het cinematografische werk zijn.

b. In de landen van de Unie waar de wetgeving als rechthebbenden mede erkent de auteurs die bijdragen hebben geleverd aan de totstandkoming van het cinematografische werk, kunnen deze, wanneer zij zich verbonden hebben tot het leveren van die bijdragen, behoudens andersluidende of bijzondere bepalingen, zich evenwel niet verzetten tegen de verveelvoudiging, het in omloop brengen, de openbare opvoering en uitvoering, de overbrenging per draad aan het publiek, de radio-uitzending, de mededeling aan het publiek, het aanbrengen van ondertitels en het nasynchroniseren van de teksten van het cinematografische werk.

c. De vraag of de hierboven bedoelde verbintenis voor de toepassing van het onder b bepaalde al dan niet moet zijn aangegaan in de vorm van een schriftelijk contract of een daaraan gelijkwaardig schriftelijk stuk, wordt geregeld door de wetgeving van het land van de Unie waar de producent van het cinematografische werk zijn zetel of zijn verblijfplaats heeft. Aan de wetgeving van het land van de Unie waar de bescherming wordt ingeroepen, is evenwel de bevoegdheid voorbehouden te bepalen dat deze verbintenis in een schriftelijk contract of in een daaraan gelijkwaardig schriftelijk stuk moet worden opgesteld. De landen die van deze bevoegdheid gebruik maken, moeten daarvan kennis geven aan de directeur-generaal door een schriftelijke verklaring die door deze laatste onmiddellijk ter kennis van alle andere landen van de Unie wordt gebracht.

d. Onder « andersluidende of bijzondere bepalingen » dient te worden verstaan elke beperkende voorwaarde die aan genoemde verbintenis kan worden verbonden.

3. Tenzij de nationale wetgeving anders bepaalt, zijn de bepalingen van het tweede lid, onder b, niet van toepassing op auteurs van scenario's, dialogen en muziekwerken die zijn gemaakt voor het tot stand brengen van het cinematografische werk noch op degene die bij het tot stand brengen daarvan de leiding heeft. De landen van de Unie waarvan de wetgeving evenwel geen bepalingen bevat waarbij wordt voorzien in de toepassing van het tweede lid, onder b, op degene die bij het tot stand brengen van de film de leiding heeft, moeten daarvan kennis geven aan de Directeur-generaal door een schriftelijke verklaring die door de laatste onmiddellijk ter kennis van alle andere landen van de Unie wordt gebracht.

Artikel 14ter

1. Wat oorspronkelijke kunstwerken en oorspronkelijke handschriften van schrijvers en componisten betreft, geniet de auteur ­ of, na zijn dood, de door de nationale wetgeving aangewezen personen of instellingen ­ het onvervreemdbaar recht op een geldelijk voordeel bij elke verkooptransactie van het werk na de eerste overdracht door de auteur.

2. De in het voorgaande lid voorziene bescherming kan in ieder land van de Unie slechts worden ingeroepen indien de nationale wetgeving van de auteur deze bescherming erkent, en in de mate waarin de wetgeving van het land waar deze bescherming wordt ingeroepen, het toestaat.

3. De wijze van inning en de hoogte van de bedragen worden door elke nationale wetgeving bepaald.

Artikel 15

1. Opdat de auteurs van de door deze Conventie beschermde werken van letterkunde en kunst, behoudens bewijs van het tegendeel, als zodanig worden beschouwd en zij bijgevolg voor de rechter van de landen van de Unie worden toegelaten om vervolging wegens inbreuk in te stellen, is het voldoende dat de naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat. Dit lid is van toepassing, zelfs indien deze naam een schuilnaam is, zodra de door de auteur aangenomen schuilnaam geen twijfel laat ten aanzien van zijn identiteit.

2. Als vervaardiger van een cinematografisch werk wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, beschouwd de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens naam op de gebruikelijke wijze op het genoemde werk vermeld staat.

3. Voor anonieme werken en voor andere dan de hierboven in het eerste lid bedoelde pseudonieme werken wordt de uitgever wiens naam op het werk is aangegeven, zonder verder bewijs geacht de auteur te vertegenwoordigen; in deze hoedanigheid is hij gerechtigd diens rechten te beschermen en te doen gelden. De bepaling van dit lid houdt op van toepassing te zijn wanneer de auteur zijn indentiteit heeft onthuld en zijn hoedanigheid heeft aangetoond.

4. a. Voor niet-gepubliceerde werken waarvan de identiteit van de auteur onbekend is, maar waarvoor alle reden is om aan te nemen dat deze auteur onderdaan van een land van de Unie is, is het aan de wetgeving van dat land voorbehouden de bevoegde autoriteit aan te wijzen die deze auteur vertegenwoordigt en gerechtigd is diens rechten te beschermen en te doen gelden in de landen van de Unie.

b. De landen van de Unie die krachtens deze bepaling tot een zodanige aanwijzing overgaan, geven daarvan kennis aan de Directeur-generaal door een schriftelijke verklaring waarin alle gegevens betreffende de aldus aangewezen autoriteit zijn vermeld. De Directeur-generaal brengt deze verklaring onmiddellijk ter kennis van alle andere landen van de Unie.

Artikel 16

1. Elk afschrift van een werk waardoor inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht, kan in de landen van de Unie waar het oorspronkelijke werk wettelijke bescherming geniet, in beslag worden genomen.

2. De bepalingen van het voorgaande lid zijn eveneens van toepassing op exemplaren die afkomstig zijn uit een land waar het werk niet of niet meer beschermd wordt.

3. Het beslag wordt gelegd overeenkomstig de wetgeving van elk land.

Artikel 17

De bepalingen van deze Conventie kunnen in geen enkel opzicht afbreuk doen aan het recht van de Regering van elk land van de Unie om door maatregelen van wetgeving of bestuur de verspreiding, opvoering of tentoonstelling van elk werk of voortbrengsel ten aanzien waarvan het bevoegde gezag dat recht meent te moeten uitoefenen, toe te staan, onder toezicht te stellen of te verbieden.

Artikel 18

1. Deze Conventie is van toepassing op alle werken die op het ogenblik van haar inwerkingtreding nog niet gemeengoed zijn geworden in het land van oorsprong ten gevolge van het verstrijken van de beschermingsduur.

2. Indien echter een werk ten gevolge van het verstrijken van de beschermingsduur die daaraan vroeger was toegekend, gemeengoed is geworden in het land waar de bescherming wordt ingeroepen, zal het daar niet opnieuw worden beschermd.

3. De toepassing van dit beginsel geschiedt overeenkomstig de bepalingen vervat in reeds bestaande of te dien einde tussen landen van de Unie te sluiten bijzondere verdragen. Bij gebreke van dergelijke bepalingen regelen de onderscheiden landen, ieder voor zover het hem aangaat, de wijze van toepassing van dit beginsel.

4. De voorgaande bepalingen zijn eveneens van toepassing in geval van nieuwe toetredingen tot de Unie en in gevallen waarin de bescherming wordt uitgebreid door toepassing van artikel 7 of door het prijsgeven van voorbehouden.

Artikel 19

De bepalingen van deze Conventie beletten niet dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming, die door de wetgeving van een van de landen van de Unie mocht zijn voorgeschreven.

Artikel 20

De Regeringen van de landen van de Unie behouden zich het recht voor onderling bijzondere schikkingen te treffen, voor zover deze aan de auteurs ruimere rechten toekennen dan die door de Conventie toegekend, of andere bepalingen bevatten die niet in strijd zijn met deze Conventie. De bepalingen van de bestaande schikkingen die aan de bovenomschreven voorwaarden voldoen, blijven van toepassing.

Artikel 21

1. De bijzondere bepalingen betreffende de ontwikkelingslanden zijn vervat in het Aanhangsel.

2. Behoudens het bepaalde in artikel 28, eerste lid, letter b, vormt het Aanhangsel een integrerend deel van deze Akte.

Artikel 22

1. a. De Unie kent een Algemene Vergadering, samengesteld uit de landen van de Unie die gebonden zijn door de artikelen 22 tot en met 26.

b. De Regering van elk land is vertegenwoordigd door een afgevaardigde, die zich kan doen bijstaan door plaatsvervangers, adviseurs en deskundigen.

c. De door elke delegatie gemaakte kosten worden gedragen door de Regering die haar heeft aangewezen.

2.a. De Algemene Vergadering :

i. neemt alle vraagstukken in behandeling betreffende de instandhouding en de ontwikkeling van de Unie en de toepassing van deze Conventie;

ii. verstrekt aan het Internationale Bureau voor de Intellectuele Eigendom (hierna te noemen « het Internationale Bureau ») bedoeld in het Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (hierna te noemen « de Organisatie ») richtlijnen betreffende de voorbereiding van de herzieningsconferenties, hierbij deugdelijk rekening houdend met de opmerkingen van de landen van de Unie die niet zijn gebonden door de artikelen 22 tot en met 26;

iii. bestudeert en hecht haar goedkeuring aan de rapporten en werkzaamheden van de Directeur-generaal van de Organisatie met betrekking tot de Unie en geeft deze alle van belang zijnde richtlijnen met betrekking tot de vraagstukken die tot de competentie van de Unie behoren;

iv. kiest de leden van de Uitvoerende Commissie van de Algemene Vergadering;

v. bestudeert en hecht haar goedkeuring aan de rapporten en werkzaamheden van en geeft richtlijnen aan haar Uitvoerende Commissie;

vi. stelt het programma en de tweejaarlijkse begroting van de Unie vast en keurt haar afrekening goed;

vii. stelt het financiële reglement van de Unie vast;

viii. roept de commissie van deskundigen en de werkgroepen in het leven die zij van belang acht voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie;

ix. beslist welke landen, geen leden van de Unie zijnde, en welke intergouvernementele en andere dan gouvernementele, internationale organisaties als waarnemers tot haar vergaderingen kunnen worden toegelaten;

x. neemt de wijzigingen van de artikelen 22 tot en met 26 aan;

xi. verricht iedere andere handeling die dienstig is ter verwezenlijking van de doelstelling van de Unie;

xii. verricht alle overige taken die in deze Conventie besloten liggen;

xiii. oefent, onder voorbehoud dat zij dit aanvaardt, de rechten uit die haar door het Verdrag tot oprichting van de Organisatie zijn toegekend.

b. Aangaande de vraagstukken die eveneens andere door de Organisatie beheerde Unies raken, doet de Algemene Vergadering uitspraak na het advies van de Coördinatiecommissie van de Organisatie te hebben ingewonnen.

3. a. Elk land dat lid is van de Algemene Vergadering heeft één stem.

b. Het quorum wordt gevormd door de helft van de landen die lid zijn van de Algemene Vergadering.

c. Niettegenstaande het bepaalde onder letter b. kunnen, indien gedurende een zitting het aantal vertegenwoordigde landen kleiner is dan de helft, maar gelijk aan of groter dan het derde deel van de landen die lid zijn van de Algemene Vergadering, door die Vergadering besluiten worden genomen; evenwel worden de besluiten van de Algemene Vergadering, met uitzondering van die welke haar eigen procedure betreffen, rechtens eerst uitvoerbaar nadat aan de hierna vermelde voorwaarden is voldaan. Het Internationale Bureau brengt de hier bedoelde besluiten ter kennis van de landen die lid zijn van de Algemene Vergadering die niet vertegenwoordigd waren en verzoekt hun binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de datum van de bedoelde kennisgeving, schriftelijk hun stem uit te brengen of hun onthouding kenbaar te maken. Indien na afloop van deze termijn het aantal landen dat op deze wijze zijn stem heeft uitgebracht of zijn onthouding kenbaar heeft gemaakt, ten minste gelijk is aan het aantal landen dat aan het quorum van de vergadering ontbrak, worden bedoelde besluiten rechtens uitvoerbaar, mits te zelfder tijd de vereiste meerderheid is bereikt.

d. Behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel 26 worden de besluiten van de Algemene Vergadering genomen met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen.

e. Onthouding geldt niet als stem.

f. Een afgevaardigde kan slechts één land vertegenwoordigen en slechts uit naam van dit land zijn stem uitbrengen.

g. De landen van de Unie die geen lid zijn van de Algemene vergadering, kunnen haar vergaderingen bijwonen als waarnemers.

4. a. De Algemene Vergadering komt eens in de twee jaar in gewone zitting bijeen op uitnodiging van de Directeur-generaal en, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, gedurende dezelfde periode en te zelfder plaatse als de Algemene Vergadering van de Organisatie.

b. De Algemene Vergadering komt in buitengewone zitting bijeen op uitnodiging van de Directeur-generaal ingevolge een verzoek van de Uitvoerende Commissie of ingevolge een verzoek van eenvierde van de landen die lid zijn van de Algemene Vergadering.

5. De Algemene Vergadering stelt haar reglement van orde vast.

Artikel 23

1. De Algemene Vergadering heeft een Uitvoerende Commissie.

2. a. De Uitvoerende Commissie is samengesteld uit landen, door de Algemene Vergadering gekozen uit haar leden. Bovendien beschikt het land op het grondgebied waarvan de Organisatie haar zetel heeft, ambtshalve over een zetel in de Commissie, zulks onder voorbehoud van het bepaalde in het zevende lid, onder letter b, van artikel 25.

b. De Regering van elk land dat lid is van de Uitvoerende Commissie, is vertegenwoordigd door een afgevaardigde die zich kan doen bijstaan door plaatsvervangers, adviseurs en deskundigen.

c. De door elke delegatie gemaakte kosten worden gedragen door de Regering die haar heeft aangewezen.

3. Het aantal landen dat lid is van de Uitvoerende Commissie is gelijk aan eenvierde van het aantal landen dat lid is van de Algemene Vergadering. Bij de berekening van het aantal zetels wordt het overschot na deling van het aantal door vier buiten beschouwing gelaten.

4. Bij de verkiezing van de leden van de Uitvoerende Commissie houdt de Algemene Vergadering rekening met een billijke geografische verdeling en met het vereiste dat landen die partij zijn bij de bijzondere overeenkomsten aangegaan in verband met de Unie, voorkomen onder de landen die de Uitvoerende Commissie vormen.

5. a. De leden van de Uitvoerende Commissie zijn in functie vanaf de sluiting van de zitting van de Algemene Vergadering tijdens welke zij werden gekozen tot de sluiting van de volgende gewone zitting van de Algemene Vergadering.

b. Ten hoogste tweederde van de zittende leden van de Uitvoerende Commissie zijn herkiesbaar.

c. De Algemene Vergadering stelt de wijze van verkiezing en eventuele herverkiezing van de leden van de uitvoerende Commissie vast.

6. a. De Uitvoerende Commissie :

i. stelt de ontwerp-agenda voor de Algemene Vergadering vast;

ii. legt aan de Algemene Vergadering de door de Directeur-generaal opgestelde voorstellen voor betreffende de ontwerpen voor een programma en een tweejaarlijkse begroting van de Unie;

iii. (opgegeven)

iv. legt aan de Algemene Vergadering de van geëigende toelichtingen voorziene periodieke rapporten van de Directeur-generaal alsmede de jaarlijkse rapporten over het nazien van de rekeningen voor;

v. neemt alle maatregelen die met het oog op de uitvoering van het programma van de Unie door de Directeur-Generaal dienstig zijn overeenkomstig de besluiten van de Algemene Vergadering en met inachtneming van al hetgeen zich tussen twee gewone zittingen van de Algemene Vergadering kan voordoen;

vi. verricht alle overige taken die haar in het kader van deze Conventie worden toegewezen.

b. Aangaande de vraagstukken die eveneens andere door de Organisatie beheerde Unies raken, doet de Uitvoerende Commissie uitspraak na het advies van de Coördinatiecommissie van de Organisatie te hebben ingewonnen.

7. a. De Uitvoerende Commissie komt eenmaal per jaar in gewone zitting bijeen op uitnodiging van de Directeur-generaal, voor zover mogelijk gedurende dezelfde periode en te zelfder plaatse als de Coördinatiecommissie van de Organisatie.

b. De Uitvoerende Commissie komt in buitengewone zitting bijeen op uitnodiging van de Directeur-generaal, hetzij op diens eigen initiatief hetzij ingevolge een verzoek van de voorzitter van de Commissie of van een vierde van haar leden.

8. a. Elk land dat lid is van de Uitvoerende Commissie, heeft één stem.

b. Het quorum wordt gevormd door de helft van de landen die lid zijn van de Uitvoerende Commissie.

c. De besluiten worden genomen bij gewone meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen.

d. Onthouding geldt niet als stem.

e. Een afgevaardigde kan slechts een enkel land vertegenwoordigen en kan slechts uit naam van dit land zijn stem uitbrengen.

9. De landen van de Unie die geen lid zijn van de Uitvoerende Commissie, kunnen haar vergaderingen bijwonen als waarnemers.

10. De Uitvoerende Commissie stelt haar reglement van orde vast.

Artikel 24

1. a. De administratieve taken die aan de Unie ten deel vallen, worden verricht door het Internationale Bureau, dat een voortzetting is van het Bureau van de Unie verenigd met het Bureau van de Unie ingesteld bij het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom.

b. Het Internationale Bureau voorziet in het bijzonder in het secretariaat van de verschillende organen van de Unie.

c. De Directeur-generaal van de Organisatie is de hoogste functionaris van de Unie en tevens haar vertegenwoordiger.

2. Het Internationale Bureau verzamelt en publiceert de gegevens betreffende de bescherming van de auteursrechten. Elk land van de Unie stelt het Internationale Bureau zo spoedig mogelijk in kennis van de tekst van alle nieuwe wetten, alsmede van alle officiële teksten betreffende de bescherming van het auteursrecht.

3. Het Internationale Bureau geeft een maandelijks verschijnend blad uit.

4. Op verzoek verstrekt het Internationale Bureau aan elk land van de Unie inlichtingen inzake vraagstukken betreffende de bescherming van de auteursrechten.

5. Het Internationale Bureau verricht studies en verleent diensten ter bevordering van de bescherming van het auteursrecht.

6. De Directeur-generaal en ieder door hem aangewezen lid van het personeel nemen zonder stemrecht deel aan alle bijeenkomsten van de Algemene Vergadering, van de Uitvoerende Commissie en van alle andere commissies van deskundigen of werkgroepen. De Directeur-generaal of een door hem aangewezen lid van het personeel is ambtshalve secretaris van die organen.

7. a. Het Internationale Bureau bereidt volgens de aanwijzingen van de Algemene Vergadering en in samenwerking met de Uitvoerende Commissie de conferenties voor ter herziening van de bepalingen van de Conventie, met uitzondering van de artikelen 22 tot en met 26.

b. Het Internationale Bureau kan bij de voorbereiding van de herzieningsconferenties het advies inwinnen van intergouvernementele en andere dan gouvernementele, internationale organisaties.

c. De Directeur-generaal en de door hem aangewezen personen nemen zonder stemrecht deel aan de beraadslagingen tijdens deze herzieningsconferenties.

8. Het Internationale Bureau voert alle overige aan hem opgedragen taken uit.

Artikel 25

1. a. De Unie heeft een begroting.

b. De begroting van de Unie omvat de eigen inkomsten en uitgaven van de Unie, haar bijdragen aan de begroting van de gemeenschappelijke uitgaven van de Unies alsook, indien zulks zich voordoet, het bedrag dat ter beschikking is gesteld van de begroting van de Conferentie van de Organisatie.

c. Als gemeenschappelijke uitgaven van de Unies worden beschouwd de uitgaven die niet uitsluitend ten laste van de Unie komen maar tevens van een of meer andere Unies, welke worden beheerd door de Organisatie. Het aandeel van de Unie in deze gemeenschappelijke uitgaven is evenredig aan het belang dat deze uitgaven voor haar vertegenwoordigen.

2. De begroting van de Unie wordt vastgesteld met inachtneming van de vereisten tot coördinatie met de begrotingen van de andere door de Organisatie beheerde Unies.

3. De begroting van de Unie wordt gefinancierd uit de volgende bronnen van inkomsten :

i. de bijdragen van de landen van de Unie;

ii. de taksen en gelden verschuldigd voor diensten verleend door het Internationale Bureau met betrekking tot de Unie;

iii. de opbrengst van de verkoop van de publicaties van het Internationale Bureau betreffende de Unie en de rechten welke op deze publikaties betrekking hebben;

iv. giften, legaten en subsidies;

v. huuropbrengsten, renten en overige inkomsten.

4. a. Ter vaststelling van zijn bijdragen aan de begroting behoort ieder land van de Unie tot een klasse en betaalt het zijn jaarlijkse bijdragen op basis van een als volgt vastgesteld aantal eenheden :

Klasse I ...................... 25

Klasse II ..................... 20

Klasse III .................... 15

Klasse IV ..................... 10

Klasse V ...................... 5

Klasse VI ..................... 3

Klasse VII .................... 1

b. Tenzij het zulks reeds eerder heeft gedaan, geeft elk land op het tijdstip van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding de klasse aan waartoe het wenst te behoren. Het kan van klasse veranderen. Indien het een lagere klasse kiest, moet het de Algemene Vergadering tijdens een gewone zitting hiervan in kennis stellen. Een dergelijke verandering gaat in bij het begin van het kalenderjaar volgend op dat van genoemde zitting.

c. De jaarlijkse bijdrage van elk land wordt gevormd door een bedrag waarvan de verhouding tot de totale som van de jaarlijkse bijdragen van alle landen aan de begroting van de Unie dezelfde is als de verhouding tussen het aantal eenheden van de klasse waarin het is ondergebracht en het totale aantal eenheden van de landen gezamenlijk.

d. De bijdragen zijn ieder jaar op 1 januari verschuldigd.

e. Een land dat achterstallig is met de betaling van zijn bijdragen, kan in geen van de organen van de Unie waarvan het lid is, zijn stemrecht uitoefenen indien het bedrag van zijn achterstalligheid gelijk is aan of hoger is dan dat van de bijdragen verschuldigd over twee voorafgaande volle jaren. Het kan dat land evenwel vergund worden de uitoefening van zijn stemrecht in het desbetreffende orgaan te behouden zolang dit orgaan van oordeel is dat de achterstalligheid wordt veroorzaakt door uitzonderlijke en onvermijdelijke omstandigheden.

f. Ingeval een begroting niet is vastgesteld voor de aanvang van het nieuwe begrotingsjaar, wordt de begroting van het voorafgaande jaar aangehouden volgens de werkwijze voorzien in het financieel reglement.

5. Het bedrag van de taksen en gelden verschuldigd voor door het Internationale Bureau met betrekking tot de Unie verleende diensten wordt vastgesteld door de directeur-generaal, die daarover verslag uitbrengt aan de Algemene Vergadering en de Uitvoerende Commissies.

6. a. De Unie bezit een operationeel fonds dat gevormd wordt door een eenmalige storting van ieder land van de Unie. Indien het fonds ontoereikend blijkt, beslist de Algemene Vergadering tot bijstorting.

b. Het bedrag van de eerste storting door ieder land aan het hiervoor vermelde fonds of van zijn deelneming aan de bijstorting is evenredig aan de bijdrage van dat land voor het jaar waarin het fonds is gesticht of tot bijstorting is besloten.

c. Het aandeel en de wijze van storting worden vastgesteld door de Algemene Vergadering op voorstel van de Directeur-generaal en na ingewonnen advies van de Coördinatiecommissie van de Organisatie.

7. a. De zetelovereenkomst gesloten met het land op het grondgebied waarvan de Organisatie haar zetel heeft, bepaalt dat indien het operationeel fonds niet toereikend is, dat land voorschotten verstrekt. Het bedrag van deze voorschotten en de voorwaarden waaronder zij worden verstrekt, vormen telkenmale het onderwerp van afzonderlijke overeenkomsten tussen het betrokken land en de Organisatie. Zolang dit land gehouden is voorschotten te verstrekken, beschikt het van rechtswege over een zetel in de Uitvoerende Commissie.

b. Het land bedoeld onder letter a en de Organisatie hebben elk het recht de overeenkomst tot het verstrekken van voorschotten schriftelijk op te zeggen. De opzegging wordt van kracht drie jaar na afloop van het jaar waarin de kennisgeving is gedaan.

8. Het nazien van de rekeningen wordt verricht op de wijze voorzien in het financile reglement, door een of meer landen van de Unie of door onafhankelijke controleurs die met hun instemming zijn aangewezen door de Algemene Vergadering.

Artikel 26

1. Voorstellen tot wijziging van de artikelen 22, 23, 24 en 25 en van dit artikel kunnen worden ingediend door ieder land dat lid is van de Algemene Vergadering, door de Uitvoerende Commissie of door de Directeur-generaal. Deze voorstellen worden door laatstgenoemde ten minste zes maanden voor zij aan het onderzoek door de Algemene Vergadering worden onderworpen, medegedeeld aan de landen die lid zijn van de Algemene Vergadering.

2. De wijzigingen van de in het eerste lid genoemde artikelen worden door de Algemene Vergadering aangenomen. Voor deze aanneming is drievierde van de uitgebrachte stemmen vereist; voor de wijziging van artikel 22 en van dit lid is evenwel viervijfde van de uitgebrachte stemmen vereist.

3. De wijzigingen van de in het eerste lid genoemde artikelen worden van kracht een maand na ontvangst door de Directeur-generaal van de schriftelijke verklaringen van aanvaarding, verricht overeenkomstig hun onderscheiden constitutionele procedures, door drievierde van de landen die lid waren van de Algemene Vergadering op het tijdstip waarop de wijziging werd aanvaard. Een aldus aanvaarde wijziging van de genoemde artikelen bindt alle landen die lid zijn van de Algemene Vergadering op het tijdstip waarop de wijziging van kracht wordt of die op een latere datum lid worden; wijzigingen die de financiële verplichtingen van de landen verzwaren, binden evenwel slechts die landen die te kennen hebben gegeven deze wijziging te aanvaarden.

Artikel 27

1. Deze Conventie wordt onderworpen aan herzieningen ten einde daarin wijzigingen aan te brengen die kunnen strekken tot verbetering van het stelsel van de Unie.

2. Te dien einde zullen achtereenvolgens in een van de landen van de Unie conferenties van afgevaardigden van die landen plaatshebben.

3. Behoudens de bepalingen van artikel 26 die van toepassing zijn op de wijziging van de artikelen 22 tot en met 26, is voor elke herziening van deze Conventie, met inbegrip van het Aanhangsel, eenparigheid van stemmen vereist.

Artikel 28

1. a. Elk land van de Unie dat deze akte heeft ondertekend, kan haar bekrachtigen en zo het deze niet heeft ondertekend, daartoe toetreden. De akten van bekrachtiging en toetreding worden neergelegd bij de Directeur-generaal.

b. Elk land van de Unie kan in zijn akte van bekrachtiging of toetreding verklaren dat zijn bekrachtiging of toetreding niet geldt ten aanzien van de artikelen 1 tot en met 21 en het Aanhangsel; indien dit land evenwel reeds een verklaring ingevolge artikel VI, eerste lid, van het Aanhangsel heeft afgelegd, kan het in genoemde akte verklaren dat zijn bekrachtiging of toetreding niet geldt ten aanzien van de artikelen 1 tot en met 20.

c. Elk land van de Unie dat overeenkomstig het bepaalde onder letter b de onder die letter genoemde bepalingen heeft uitgesloten van zijn bekrachtiging of toetreding, kan op elk later tijdstip verklaren dat zijn bekrachtiging of toetreding zich uitstrekt tot deze artikelen. Een zodanige verklaring wordt neergelegd bij de Directeur-generaal.

2. a. De artikelen 1 tot en met 21 en het Aanhangsel treden in werking drie maanden nadat aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan :

i. tenminste vijf landen van de Unie hebben deze Akte bekrachtigd of zijn daartoe toegetreden zonder aflegging van een verklaring zoals bedoeld in het eerste lid, letter b;

ii. Frankrijk, Spanje, de Verenigde Staten van Amerika en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn gebonden door de Universele Auteursrechtconventie, zoals herzien te Parijs op 24 juli 1971.

b. De inwerkingtreding bedoeld in letter a wordt van kracht voor de landen van de Unie die ten minste drie maanden voor genoemde inwerkingtreding akten van bekrachtiging of toetreding hebben neergelegd die geen verklaring zoals bedoeld in het eerste lid, letter b, bevatten.

c. Voor elk land van de Unie waarop letter b niet van toepassing is en dat deze Akte bekrachtigt of daartoe toetreedt zonder aflegging van een verklaring ingevolge het eerste lid, letter b, treden de artikelen 1 tot en met 21 en het Aanhangsel in werking drie maanden na de datum waarop de Directeur-generaal kennis heeft gegeven van de neerlegging van de betrokken akte van bekrachtiging of toetreding, tenzij in de neergelegde akte een latere datum is aangegeven. In dat geval treden de artikelen 1 tot en met 21 en het Aanhangsel voor dat land in werking op de aldus aangegeven datum.

d. De bepalingen van de letters a tot en met c laten de toepassing van artikel VI van het Aanhangsel onverlet.

3. Voor elk land van de Unie dat deze Akte bekrachtigt of daartoe toetreedt met of zonder verklaring ingevolge het eerste lid, letter b, treden de artikelen 22 tot en met 38 in werking drie maanden na de datum waarop de Directeur-generaal kennis heeft gegeven van de neerlegging van de betrokken akte van bekrachtiging of toetreding, tenzij in de neergelegde akte een latere datum is aangegeven. In dat geval treden de artikelen 22 tot en met 38 voor dat land in werking op de aldus aangegeven datum.

Artikel 29

1. Elk land dat geen lid is van de Unie kan, tot deze akte toetreden en daardoor partij bij deze Conventie en lid van de Unie worden. De akten van toetreding worden neergelegd bij de Directeur-generaal.

2. a. Behoudens het bepaalde in letter b treedt deze Conventie voor elk land dat geen lid is van de Unie, in werking drie maanden na de datum waarop de Directeur-generaal kennis heeft gegeven van de neerlegging van de akte van toetreding, tenzij in de neergelegde akte een latere datum is aangegeven. In dat geval treedt de Conventie voor dat land in werking op de aldus aangegeven datum.

b. Indien de inwerkingtreding krachtens toepassing van letter a voorafgaat aan de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 21 en het Aanhangsel op grond van artikel 28, tweede lid, letter a, zal dat land middelerwijl zijn gebonden door de artikelen 1 tot en met 20 van de Akte van Brussel van deze Conventie, die daarmee in de plaats treden van de artikelen 1 tot en met 21 en het Aanhangsel.

Artikel 29bis

De bekrachtiging van of de toetreding tot deze Akte door een land dat niet is gebonden door de artikelen 22 tot en met 38 van de Akte van Stockholm van deze Conventie, staat uitsluitend ten behoeve van de toepassing van artikel 14, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Organisatie gelijk met de bekrachtiging van de Akte van Stockholm of toetreding tot deze Akte met de beperking voorzien in artikel 28, eerste lid, letter b onder i, van genoemde Akte.

Artikel 30

1. Behoudens de uitzonderingen toegestaan in het tweede lid van dit artikel, in artikel 28, eerste lid, letter b, in artikel 33, tweede lid, alsmede in het Aanhangsel, houdt bekrachtiging of toetreding van rechtswege in aanvaarding van alle bepalingen en toelating tot alle voordelen in deze Akte vastgelegd.

2. a. Elk land van de Unie dat deze Akte bekrachtigt of daartoe toetreedt, kan behoudens het bepaalde in artikel V, tweede lid, van het Aanhangsel de voorbehouden die het vroeger heeft gemaakt, blijven genieten mits het daaromtrent een verklaring bij de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding aflegt.

b. Elk land dat geen lid is van de Unie, kan behoudens het bepaalde in artikel V, tweede lid, van het Aanhangsel bij toetreding tot deze Akte verklaren dat het voornemens is, althans voorlopig, in plaats van artikel 8 betreffende het recht van vertaling, de bepalingen van artikel 5 van het Unieverdrag van 1886 dat in 1896 te Parijs werd aangevuld, toe te passen, waarbij wel te verstaan is dat deze bepalingen slechts de vertaling in een in dat land algemeen gebruikte taal betreffen. Onder voorbehoud van artikel I, zesde lid, letter b, van het Aanhangsel heeft elk land de bevoegdheid ten aanzien van het recht van vertaling van werken die als land van oorsprong hebben een land dat gebruik maakt van een zodanig voorbehoud, een soortgelijke bescherming toe te passen als die welke door dit laatste land wordt toegekend.

c. Elk land kan op ieder tijdstip zodanige voorbehouden intrekken door een aan de Directeur-generaal gerichte kennisgeving.

Artikel 31

1. Elk land kan in zijn akte van bekrachtiging of toetreding verklaren of op ieder tijdstip de Directeur-generaal schriftelijk mededelen dat deze Conventie van toepassing is op alle of op een gedeelte van de gebieden aangegeven in de verklaring of kennisgeving, voor de buitenlandse betrekkingen waarvan dat land verantwoordelijk is.

2. Elk land dat een zodanige verklaring heeft afgelegd of een zodanige mededeling heeft gedaan, kan te allen tijde de Directeur-generaal ervan in kennis stellen dat deze Conventie niet langer van toepassing is op alle of op een gedeelte van deze gebieden.

3. a. Verklaringen krachtens het eerste lid treden in werking op dezelfde datum als de bekrachtiging of toetreding vermeld in de akte waarin zij werden opgenomen en mededelingen gedaan krachtens dat lid treden in werking drie maanden na kennisgeving daarvan door de Directeur-generaal.

b. Mededelingen krachtens het tweede lid treden in werking twaalf maanden na ontvangst daarvan door de Directeur-generaal.

4. Dit artikel mag evenwel in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het de erkenning of stilzwijgende aanvaarding door een van de landen van de Unie zou inhouden van de feitelijke situatie van elk gebied waarop een ander land van de Unie deze Conventie toepasselijk doet zijn ingevolge een verklaring als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 32

1. Deze Akte vervangt in de betrekkingen tussen de landen van de Unie en voor zover zij van toepassing is, de Berner Conventie van 9 september 1886 en de daarop gevolgde Akten van herziening. De Akten die tevoren van kracht waren, blijven in hun geheel of voor zover deze Akte daarvoor niet in plaats treedt krachtens de voorgaande zin, van toepassing in de betrekkingen met de landen van de Unie die deze Akte niet bekrachtigen of daartoe niet toetreden.

2. Landen die geen lid van de Unie zijn en partij worden bij deze Akte, passen haar onder voorbehoud van het bepaalde in het derde lid toe ten aanzien van elk land van de Unie dat niet is gebonden door deze Akte of dat, daardoor gebonden zijnde, de verklaring bedoeld in artikel 28, eerste lid, letter b, heeft afgelegd. Deze landen stemmen ermee in dat het bedoelde land van de Unie in zijn betrekkingen met hen :

i. de bepalingen toepast van de meeste recente Akte waardoor het gebonden is, en

ii. behoudens het bepaalde in artikel I, zesde lid, van het Aanhangsel de bevoegdheid heeft de bescherming aan het niveau voorzien in deze Akte aan te passen.

3. Een land dat gebruik heeft gemaakt van een van de mogelijkheden voorzien in het Aanhangsel, kan de bepalingen van het Aanhangsel die betrekking hebben op die mogelijkheid of mogelijkheden waarvan het gebruik heeft gemaakt, inroepen in zijn betrekkingen met elk ander land van de Unie dat niet gebonden is door deze Akte, mits laatstgenoemd land de toepassing van deze bepalingen heeft aanvaard.

Artikel 33

1. Elk geschil tussen twee of meer landen van de Unie betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Conventie dat niet door onderhandelingen kan worden beslecht, kan door een van de betrokken landen worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof, tenzij de betrokken landen een andere wijze van beslechting van het geschil overeenkomen. Het land dat het geschil aan het Hof heeft voorgelegd, stelt het Internationale Bureau hiervan in kennis; het Bureau brengt de zaak onder de aandacht van de andere landen van de Unie.

2. Elk land kan op het tijdstip waarop het deze Akte ondertekent of zijn akte van bekrachtiging of toetreding neerlegt, verklaren dat het zich niet gebonden acht door het bepaalde in het eerste lid. Met betrekking tot geschillen tussen een zodanig land en een ander land van de Unie zijn de bepalingen van het eerste lid niet van toepassing.

3. Elk land dat een verklaring overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid aflegt, kan deze te allen tijde intrekken door een aan de Directeur-generaal gerichte kennisgeving.

Artikel 34

1. Behoudens het bepaalde in artikel 29bis kan een land na de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 21 en van het Aanhangsel niet meer toetreden tot voorgaande Akten van deze Conventie of deze bekrachtiging.

2. Na de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 21 en van het Aanhangsel kan een land niet meer een verklaring afleggen krachtens artikel 5 van het Protocol betreffende ontwikkelingslanden gehecht aan de Akte van Stockholm.

Artikel 35

1. Deze Conventie blijft voor onbepaalde tijd van kracht.

2. Elk land kan deze Akte opzeggen door een aan de Directeur-generaal te richten schriftelijke kennisgeving. Deze opzegging houdt tevens opzegging van alle vroegere Akten in en betreft slechts het land dat heeft opgezegd; de Conventie blijft van kracht en van toepassing ten aanzien van de andere landen van de Unie.

3. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum waarop de Directeur-generaal de kennisgeving heeft ontvangen.

4. De bevoegdheid tot opzegging bedoeld in dit artikel kan door een land slechts worden uitgeoefend na afloop van een termijn van vijf jaren te rekenen van de datum waarop dat land lid van de Unie is geworden.

Artikel 36

1. Elk land, partij bij deze Conventie, verbindt zich overeenkomstig zijn grondwet ertoe de nodige maatregelen te treffen om de toepassing van deze Conventie te verzekeren.

2. Het is wel verstaan dat op het ogenblik waarop een land wordt gebonden door deze Conventie, het overeenkomstig zijn binnenlandse wetgeving in staat is aan de bepalingen van deze Conventie uitvoering te geven.

Artikel 37

1. a. Deze akte wordt ondertekend in een enkel exemplaar in de Franse en de Engelse taal en, behoudens het bepaalde in het tweede lid, neergelegd bij de Directeur-generaal.

b. Officiële teksten worden vastgelegd door de Directeur-generaal na raadpleging van de betrokken Regeringen, in de Arabische, de Duitse, de Italiaanse, de Portugese en de Spaanse taal en in andere door de Algemene Vergadering aan te wijzen talen.

c. In geval van geschillen omtrent de uitlegging van de verschillende teksten is de Franse tekst gezaghebbend.

2. Deze Akte staat open voor ondertekening tot 31 januari 1972. Tot die datum is het exemplaar bedoeld in het eerste lid, letter a, neergelegd bij de Regering van de Franse Republiek.

3. De Directeur-generaal verstrekt twee door hem voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van de ondertekende tekst van deze Akte aan de Regeringen van alle landen van de Unie en op verzoek aan de Regeringen van andere landen.

4. De Directeur-generaal doet deze Akte registreren bij het Secretariaat van de Verenigde Naties.

5. De Directeur-generaal brengt de ondertekeningen, de neerleggingen van akten van bekrachtiging of toetreding en de verklaringen vervat in deze akten, dan wel afgelegd ingevolge de artikelen 28, eerste lid, letter c, 30, tweede lid, letters a en b, en 33, tweede lid, de inwerkingtreding van alle bepalingen van deze Akte, de kennisgevingen van opzegging en de mededelingen gedaan ingevolge de artikelen 30, tweede lid, letter c, 31, eerste en tweede lid, 33, derde lid, en 38, eerste lid, alsmede de mededelingen bedoeld in het Aanhangsel ter kennis van de Regeringen van alle landen van de Unie.

Artikel 38

1. De landen van de Unie die deze Akte hebben bekrachtigd of daartoe niet zijn toegetreden en die niet zijn gebonden door de artikelen 22 tot en met 26 van de Akte van Stockholm, kunnen indien zij dit wensen, tot 26 april 1975 de rechten uitoefenen bedoeld in genoemde artikelen alsof zij door deze artikelen waren gebonden. Elk land dat deze rechten wenst uit te oefenen, richt tot dit doel een schriftelijke kennisgeving aan de Directeur-generaal, waarvan de rechtsgevolgen ingaan op de datum van ontvangst. Zodanige landen worden geacht lid te zijn van de Algemene Vergadering tot genoemde datum.

2. Zolang niet alle landen van de Unie lid van de Organisatie zijn geworden, treedt het Internationale Bureau van de Organisatie tevens op als Bureau van de Unie en de Directeur-generaal als Directeur van dit Bureau.

3. Wanneer alle landen van de Unie lid van de Organisatie zijn geworden, gaan de rechten, verplichtingen en goederen van het Bureau en de Unie over op het Internationale Bureau van de Organisatie.

AANHANGSEL

Artikel I

1. Een land dat overeenkomstig de gevestigde gebruiken van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties als ontwikkelingsland wordt beschouwd en dat deze Akte waarvan dit Aanhangsel een integrerend deel uitmaakt, bekrachtigt of daartoe toetreedt en dat zich, gelet op zijn economische situatie en zijn sociale of culturele behoeften, niet in staat acht om terstond de nodige regelingen te treffen ten einde de bescherming te verzekeren van alle rechten zoals bepaald in deze akte kan door middel van een kennisgeving neergelegd bij de Directeur-generaal op het tijdstip van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding of behoudens het bepaalde in artikel V, eerste lid, letter c, op elk later tijdstip verklaren dat het zich beroept op de mogelijkheid voorzien in artikel II of op die voorzien in artikel III, dan wel op beide. In plaats van een beroep te doen op de mogelijkheid voorzien in artikel II, kan het een verklaring afleggen overeenkomstig artikel V, eerste lid, letter a.

2. a. Een ingevolge het eerste lid afgelegde verklaring waarvan kennis wordt gegeven voor het verstrijken van een tijdvak van tien jaar te rekenen van de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 21 en van dit Aanhangsel overeenkomstig artikel 28, tweede lid, blijft geldig tot het verstrijken van genoemd tijdvak. Zij kan geheel of gedeeltelijk worden verlengd voor verder achtereenvolgende tijdvakken van tien jaar door middel van een kennisgeving, niet langer dan vijftien maanden doch uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van het lopende tijdvak van tien jaar neergelegd bij de Directeur-generaal.

b. Een ingevolge het eerste lid afgelegde verklaring waarvan kennis is gegeven na het verstrijken van een tijdvak van tien jaar te rekenen van de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 21 en van dit Aanhangsel overeenkomstig artikel 28, tweede lid, blijft van kracht tot het verstrijken van het lopende tijdvak van tien jaar. Zij kan worden verlengd zoals bepaald in de tweede zin van letter a.

3. Een land van de Unie dat niet langer wordt beschouwd als ontwikkelingsland zoals bedoeld in het eerste lid, is niet langer bevoegd zijn verklaring te verlengen zoals bepaald in het tweede lid. Ongeacht of dit land zijn verklaring al dan niet officieel intrekt, kan het zich niet meer beroepen op de mogelijkheden voorzien in het eerste lid, en wel hetzij bij het verstrijken van het lopende tijdvak van tien jaar, hetzij drie jaar nadat het niet langer als ontwikkelingsland wordt beschouwd, waarbij de termijn die het laatste verstrijkt, moet worden aangehouden.

4. Wanneer er op het tijdstip waarop de verklaring afgelegd ingevolge het eerste of het tweede lid, niet langer geldig is, een voorraad exemplaren is, vervaardigd uit hoofde van een vergunning verleend krachtens de bepalingen van dit Aanhangsel, kan worden voortgegaan met het in omloop brengen van die exemplaren tot het tijdstip waarop de voorraad is uitverkocht.

5. Een land dat is gebonden door de bepalingen van deze akte en dat overeenkomstig artikel 31, eerste lid, een verklaring of een kennisgeving heeft neergelegd betreffende de toepassing van deze Akte voor een bepaald gebied, waarvan de situatie kan worden beschouwd als overeenkomend met die van de landen bedoeld in het eerste lid, kan ten aanzien van dat gebied de in het eerste lid bedoelde verklaring afleggen en de in het tweede lid bedoelde kennisgeving van verlenging verrichten. Zolang deze verklaring of kennisgeving geldig blijft, zijn de bepalingen van deze Akte van toepassing voor het gebied ten aanzien waarvan zij is gedaan.

6. a. Het feit dat een land zich beroept op een van de mogelijkheden voorzien in het eerste lid, geeft een ander land niet de vrijheid aan de werken waarvan het eerste land het land van oorsprong is, een geringere bescherming toe te kennen dan waartoe het is verplicht ingevolge de artikelen 1 tot en met 20.

b. Van de mogelijkheid tot wederkerigheid voorzien in artikel 30, tweede lid, letter b, tweede zin, kan tot de datum waarop de termijn die ingevolge artikel I, derde lid, van toepassing is, verstrijkt , geen gebruik worden gemaakt voor werken uit een land van oorsprong dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig artikel V, eerste lid, letter a.

Artikel II

1. Elk land dat heeft verklaard de mogelijkheid voorzien in dit artikel in te roepen, is bevoegd, wat de werken betreft die in gedrukte vorm of in enigerlei andere soortgelijke vorm van verveelvoudiging zijn gepubliceerd, het uitsluitende recht tot vertaling voorzien in artikel 8 te vervangen door een stelsel van vergunningen die noch uitsluitend noch overdraagbaar zijn en die door de bevoegde autoriteit op de onderstaande voorwaarden en overeenkomstig artikel IV verleend worden.

2. a. Behoudens het bepaalde in het derde lid kan wanneer bij het verstrijken van een tijdvak van drie jaar of van een langer tijdvak bepaald door de nationale wetgeving van genoemd land te rekenen van de eerste publikatie van een werk, door de rechthebbende op het vertaalrecht of met zijn toestemming geen vertaling is gepubliceerd in een algemeen in dat land gebruikte taal, elke onderdaan van genoemd land een vergunning verwerven om een vertaling van het werk in genoemde taal te maken en deze vertaling te publiceren in gedrukte vorm of in een andere soortgelijke vorm van verveelvoudiging.

b. Krachtens dit artikel kan eveneens een vergunning worden verleend indien alle uitgaven van de in de betrokken taal gepubliceerde vertaling zijn uitverkocht.

3. a. In geval van vertalingen in een taal die niet algemeen wordt gebruikt in een of meer ontwikkelde landen, leden van de Unie, wordt het tijdvak van drie jaar bedoeld in het tweede lid, letter a, vervangen door een tijdvak van een jaar.

b. Een land bedoeld in het eerste lid kan met de eenstemmige goedkeuring van de ontwikkelde landen, leden van de Unie, waar dezelfde taal algemeen wordt gebruikt, in het geval van vertalingen in die taal, het tijdvak van drie jaar bedoeld in het tweede lid, letter a, vervangen door een korter tijdvak vastgesteld bij genoemde goedkeuring, waarbij dit tijdvak evenwel niet korter mag zijn dan een jaar. De bepalingen van de voorgaande zin zijn niettemin niet van toepassing wanneer de betrokken taal het Engels, het Spaans of het Frans is. Elke goedkeuring in deze zin wordt door de Regeringen die haar hebben verleend, ter kennis gebracht van de Directeur-generaal.

4. a. Een in dit artikel bedoelde vergunning kan ingeval zij kan worden verworven na het verstrijken van een tijdvak van drie jaar, slechts worden verleend na een aanvullend tijdvak van zes maanden en ingeval zij kan worden verworven na het verstrijken van een tijdvak van een jaar, na een aanvullend tijdvak van negen maanden,

i. te rekenen van de datum waarop de aanvrager de formaliteiten bepaald in artikel IV, eerste lid, heeft vervuld;

ii. dan wel, indien de identiteit of het adres van de rechthebbende op het vertaalrecht niet bekend is, te rekenen van de datum waarop de aanvrager, zoals bepaald in artikel IV, tweede lid, afschriften van de door hem ingediende aanvraag toezendt aan de autoriteit die bevoegd is om de vergunning te verlenen.

b. Indien gedurende het tijdvak van zes of negen maanden een vertaling in de taal waarvoor het verzoek werd ingediend, wordt gepubliceerd door de rechthebbende op het vertaalrecht of met zijn toestemming, wordt geen vergunning krachtens dit artikel verleend.

5. Een in dit artikel bedoelde vergunning kan slechts worden verleend voor gebruik bij het onderwijs aan scholen en universiteiten of bij wetenschappelijk onderzoek.

6. Indien de vertaling van een werk door de rechthebbende op het vertaalrecht of met zijn toestemming wordt gepubliceerd tegen een prijs vergelijkbaar met die welke in het betrokken land voor soortgelijke werken gebruikelijk is, neemt een krachtens dit artikel verleende vergunning een einde indien het een vertaling betreft in dezelfde taal als die van de krachtens de vergunning gepubliceerde vertaling en haar inhoud in hoofdzaak dezelfde is. Het in omloop brengen van alle reeds voor het verstrijken van de vergunning vervaardigde exemplaren kan worden voortgezet totdat zij zijn uitverkocht.

7. Voor werken die voornamelijk bestaan uit illustraties kan slechts een vergunning om een vertaling van de tekst te maken en te publiceren en om de illustraties te reproduceren en te publiceren worden verleend indien eveneens is voldaan aan de voorwaarden van artikel III.

8. Er kan geen vergunning krachtens dit artikel worden verleend wanneer de auteur alle exemplaren van zijn werk uit de circulatie heeft genomen.

9. a. Een vergunning voor het maken van een vertaling van een werk dat in gedrukte vorm of in enigerlei andere soortgelijke vorm van weergave is gepubliceerd, kan ook worden verleend aan een radiozendorganisatie die haar zetel heeft in een in het eerste lid bedoeld land naar aanleiding van een door genoemde organisatie bij de bevoegde autoriteit van dat land ingediende aanvraag mits is voldaan aan alle onderstaande voorwaarden :

i. de vertaling wordt gemaakt aan de hand van een exemplaar dat is vervaardigd en verkregen in overeenstemming met de wetgeving van genoemd land;

ii. de vertaling kan alleen gebruikt worden in uitzendingen bestemd voor het onderwijs of de verspreiding van wetenschappelijke of technische voorlichting bestemd voor deskundigen van een bepaald beroep;

iii. de vertaling wordt uitsluitend gebruikt voor de in punt ii opgesomde doeleinden in uitzendingen die op rechtmatige wijze plaatsvinden en zijn bestemd voor degenen die ze op het grondgebied van genoemd land kunnen ontvangen, met inbegrip van uitzendingen door middel van geluid- of beeldopnamen die op rechtmatige wijze en uitsluitend voor zodanige uitzendingen zijn vervaardigd;

iv. alle gebruik dat van de vertaling wordt gemaakt, geschiedt zonder winstoogmerk.

b. Geluid- en beeldopnamen van een vertaling door een radiozendorganisatie vervaardigd op grond van een krachtens dit lid verleende vergunning kunnen, voor de doeleinden en onder voorbehoud van de voorwaarden opgesomd in letter a en met goedkeuring van deze organisatie, ook worden gebruikt door elke andere radiozendorganisatie die haar zetel heeft in het land waarvan de bevoegde autoriteit de betrokken vergunning heeft verleend.

c. Mits wordt voldaan aan alle criteria en voorwaarden opgesomd in letter a kan ook een vergunning worden verleend aan een radiozendorganisatie voor vertalingen van teksten verwerkt in een audiovisuele opname vervaardigd en gepubliceerd voor uitsluitend gebruik op scholen of aan universiteiten.

d. Behoudens het bepaalde in de letters a tot en met c zijn de bepalingen van de voorgaande leden van toepassing op de verlening en het gebruik van elke krachtens dit lid verleende vergunning.

Artikel III

1. Een land dat heeft verklaard de bij dit artikel voorziene mogelijkheid in te roepen, is bevoegd het uitsluitend recht van verveelvoudiging voorzien in artikel 9 te vervangen door een stelsel van vergunningen die uitsluitend noch overdraagbaar zijn en die door de bevoegde autoriteit op de onderstaande voorwaarden en overeenkomstig artikel IV verleend worden.

2. a. Ten aanzien van een werk waarop dit artikel krachtens het zevende lid van toepassing is en wanneer bij het verstrijken

i. van het tijdvak vastgesteld in het derde lid berekend vanaf de eerste publicatie van een bepaalde uitgave van een zodanig werk, of

ii. van een langer tijdvak vastgesteld door de nationale wetgeving van het in het eerste lid bedoelde land berekend vanaf dezelfde datum, door de rechthebbende op het recht van verveelvoudiging of met zijn toestemming tegen een prijs vergelijkbaar met die welke in genoemd land gebruikelijk is voor soortgelijke werken, geen exemplaren van deze uitgave te koop zijn aangeboden in dat land om te voldoen aan de behoeften van het grote publiek of die van het onderwijs aan scholen en universiteiten, kan elke onderdaan van genoemd land een vergunning verwerven voor verveelvoudiging en publicatie van deze uitgave tegen die prijs of tegen een lagere prijs ten einde te voldoen aan de behoeften van het schoolonderwijs en het universitaire onderwijs.

b. Een vergunning voor de verveelvoudiging en publicatie van een uitgave die op de wijze als beschreven in letter a in omloop is gebracht, kan ook worden verleend krachtens de voorwaarden bepaald in dit artikel indien na het verstrijken van het toepasselijke tijdvak in het betrokken land gedurende zes maanden geen exemplaren van deze uitgave waarvoor toestemming was verleend, meer in de handel zijn om te voldoen aan de behoeften van het grote publiek of aan die van het onderwijs aan scholen en universiteiten, tegen een prijs vergelijkbaar met die welke in genoemd land voor soortgelijke werken wordt gevraagd.

3. Het tijdvak bedoeld in het tweede lid, letter a, onder i, is vijf jaar.

i. voor werken betreffende exacte wetenschappen, natuurwetenschappen en technologie is het evenwel drie jaar;

ii. voor werken behorend tot het rijk van de verbeelding zoals romans, dichtwerken, dramatische werken en muziekwerken en voor kunstboeken is het evenwel zeven jaar.

4. a. Ingeval zij na verstrijken van een tijdvak van drie jaar kan worden verworven, kan de vergunning krachtens dit artikel slechts worden verleend na verstrijken van een termijn van zes maanden :

i. te rekenen van de datum waarop de aanvrager de formaliteiten bepaald in artikel IV, eerste lid, heeft voltooid;

ii. dan wel indien de identiteit of het adres van de rechthebbende op het recht van verveelvoudiging niet bekend is, te rekenen van de datum waarop de aanvrager zoals bepaald in artikel IV, tweede lid, afschriften zendt van de aanvraag die hij heeft ingediend bij de autoriteit die bevoegd is om de vergunning te verlenen.

b. In andere gevallen en indien artikel IV, tweede lid, van toepassing is, kan de vergunning slechts worden verleend na verstrijken van een termijn van drie maanden te rekenen van de verzending van de afschriften van de aanvraag.

c. Indien gedurende de termijn van zes of drie maanden bedoeld in letter a en b, het ten verkoop aanbieden zoals beschreven in het tweede lid, letter a, heeft plaatsgevonden, wordt geen vergunning krachtens dit artikel verleend.

d. Er kan geen vergunning worden verleend indien de auteur alle exemplaren van de uitgave voor de verveelvoudiging en publicatie waarvan de vergunning wordt gevraagd, uit de circulatie heeft genomen.

5. Een vergunning voor de verveelvoudiging en publicatie van een vertaling wordt niet krachtens dit artikel verleend in de onderstaande gevallen :

i. wanneer de betrokken vertaling niet werd gepubliceerd door de rechthebbende op het vertaalrecht of met zijn toestemming;

ii. wanneer de vertaling niet is vervaardigd in een taal die algemeen wordt gebruikt in het land waar de vergunning wordt gevraagd.

6. Indien door de rechthebbenden op het recht van verveelvoudiging of met zijn toestemming tegen een prijs vergelijkbaar met die welke in genoemd land gebruikelijk is voor soortgelijke werken, exemplaren van een uitgave van een werk te koop worden aangeboden in het in het eerste lid bedoelde land om te voldoen aan de behoeften van het grote publiek of die van het onderwijs aan scholen en universiteiten, wordt een krachtens dit artikel verleende vergunning beëindigd indien deze uitgave is gesteld in dezelfde taal als en haar inhoud in wezen gelijk is aan die van de krachtens de vergunning gepubliceerde uitgave. Het in omloop brengen van alle reeds voor het verstrijken van de vergunning vervaardigde exemplaren kan worden voortgezet totdat zij zijn uitverkocht.

7. a. Behoudens het bepaalde in letter b zijn werken waarop dit artikel van toepassing is, alleen werken die zijn gepubliceerd in gedrukte vorm of in een andere soortgelijke vorm van verveelvoudiging.

b. Dit artikel is eveneens van toepassing op de audiovisuele verveelvoudiging van op rechtmatige wijze gemaakte audiovisuele opnamen voor zover zij beschermde werken vormen of omvatten, alsook op de vertaling van de begeleidende tekst in een taal die algemeen wordt gebruikt in het land waar de vergunning wordt aangevraagd, met dien verstande dat de desbetreffende audiovisuele opnamen uitsluitend zijn bedoeld en zijn gepubliceerd voor gebruik bij het onderwijs aan scholen en universiteiten.

Artikel IV

1. Een vergunning zoals bedoeld in artikel II of III kan slechts worden verleend indien de aanvrager overeenkomstig de bepalingen die in het betrokken land van kracht zijn, bewijst dat hij, al naar het geval, de rechthebbende heeft verzocht om toestemming tot het vervaardigen en publiceren van een vertaling en tot het verveelvoudigen en publiceren van de uitgaven, en dat hij niet diens toestemming heeft kunnen verkrijgen of, na van zijn kant het nodige te hebben verricht, de rechthebbende niet heeft kunnen bereiken. Tegelijk met het verzoek aan de rechthebbende dient de aanvrager de nationale of internationale inlichtingencentra bedoeld in het tweede lid hiervan in kennis te stellen.

2. Indien de rechthebbende niet door de aanvrager kon worden bereikt, dient laatstgenoemde aangetekend per luchtpost afschriften van de door hem bij de autoriteit die bevoegd is om de vergunning te verlenen ingediende aanvraag toe te zenden aan de uitgever wiens naam is vermeld op het werk en aan elk nationaal of internationaal inlichtingencentrum dat door de Regering van het land waar de uitgever wordt verondersteld zijn voornaamste zetel van werkzaamheden te hebben, is aangegeven in een hiertoe bij de Directeur-generaal neergelegde kennisgeving.

3. De naam van de auteur dient te worden vermeld op alle exemplaren van de vertaling of de verveelvoudiging die is gepubliceerd uit hoofde van een krachtens artikel II of III verleende vergunning. De titel van het werk dient te worden vermeld op al deze exemplaren. Indien het een vertaling betreft, dient de oorspronkelijke titel van het werk in elk geval op alle exemplaren te worden vermeld.

4. a. Een vergunning die krachtens artikel II of III verleend is, strekt zich niet uit tot de uitvoer van exemplaren en geldt slechts voor de publicatie van de vertalingen, onderscheidenlijk verveelvoudiging, binnen het grondgebied van het land waar deze vergunning werd aangevraagd.

b. Voor de toepassing van letter a dient als uitvoer te worden beschouwd, het zenden van exemplaren uit een gebied naar het land dat voor dat gebied een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig artikel I, vijfde lid.

c. Wanneer een overheidsorgaan of een ander openbaar orgaan van een land dat overeenkomstig artikel II een vergunning heeft verleend voor een vertaling in een andere taal dan het Engels, het Frans of het Spaans exemplaren van de krachtens een zodanige vergunning gepubliceerde vertaling zendt naar een ander land, wordt een zodanige zending niet als uitvoer beschouwd voor de toepassing van letter a indien is voldaan aan alle onderstaande voorwaarden :

i. de geadresseerden zijn particulieren, onderdanen van het land waarvan de bevoegde autoriteit de vergunning heeft verleend of organisaties waartoe zodanige onderdanen behoren;

ii. de exemplaren worden slechts gebruikt bij het onderwijs aan scholen en universiteiten of bij wetenschappelijk onderzoek;

iii. de zending van exemplaren en latere verspreiding daarvan onder de geadresseerden geschieden geheel zonder winstoogmerk;

iv. het land waarheen de exemplaren worden gezonden, heeft met het land waarvan de bevoegde autoriteit de vergunning heeft verleend, een overeenkomst gesloten om de ontvangst of de verspreiding of beide goed te keuren en de Regering van laatstgenoemd land heeft de Directeur-generaal van een zodanige overeenkomst in kennis gesteld.

5. Elk exemplaar dat is gepubliceerd uit hoofde van een vergunning die krachtens artikel II of III verleend is, dient in de passende taal een vermelding te bevatten waarin nader wordt aangegeven dat het exemplaar slechts in omloop wordt gebracht in het land of gebied waarvoor genoemde vergunning van toepassing is.

6. a. Er worden op nationaal niveau passende maatregelen genomen opdat

i. de vergunning ten gunste van de rechthebbende op het vertaalrecht, onderscheidenlijk het recht tot verveelvoudiging, een billijke vergoeding vermeldt welke in overeenstemming is met de gebruikelijke normen voor vergoedingen die worden betaald in het geval van vergunningen waarover tussen de belanghebbenden in de beide betrokken landen vrij is onderhandeld; en

ii. de betaling en overmaking van deze bezoldiging worden gewaarborgd; indien er nationale deviezenvoorschriften bestaan, zal de bevoegde autoriteit alle moeite aanwenden om, gebruik makend van de internationale kanalen, de overmaking van de vergoeding te verzekeren in internationaal inwisselbare munt of in de tegenwaarde daarvan.

b. In het kader van de nationale wetgeving worden passende maatregelen genomen opdat een juiste vertaling van het werk of een nauwkeurige weergave van de betrokken uitgave, al naar het geval, wordt gewaarborgd.

Artikel V

1. a. Een land dat bevoegd is te verklaren dat het zich beroept op de mogelijkheid voorzien in artikel II, kan wanneer het deze Akte bekrachtigt of daartoe toetreedt, in plaats van een zodanige verklaring,

i. indien het een land is waarop artikel 30, tweede lid, letter a, van toepassing is, een verklaring in de zin van die bepaling afleggen ten aanzien van het recht van vertaling;

ii. indien het een land is waarop artikel 30, tweede lid, letter a, niet van toepassing is en zelfs indien het een land is dat geen lid is van de Unie, een verklaring afleggen zoals bepaald in artikel 30, tweede lid, letter b, eerste zin.

b. In het geval van een land dat niet langer wordt beschouwd als ontwikkelingsland zoals bedoeld in artikel I, eerste lid, blijft een verklaring die overeenkomstig dit lid afgelegd is, geldig tot de datum waarop de termijn die overeenkomstig artikel 1, derde lid, van toepassing is, verstrijkt.

c. Een land dat een verklaring overeenkomstig dit lid heeft afgelegd, kan zich later niet beroepen op de mogelijkheid voorzien in artikel II, zelfs al zou het deze verklaring intrekken.

2. Behoudens het bepaalde in het derde lid kan een land dat zich heeft beroepen op de mogelijkheid voorzien in artikel III, later niet een verklaring overeenkomstig het eerste lid afleggen.

3. Een land dat niet langer wordt beschouwd als ontwikkelingsland zoals bedoeld in artikel I, eerste lid, kan uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de termijn die overeenkomstig artikel I, derde lid, van toepassing is, een verklaring afleggen in de zin van artikel 30, tweede lid, letter b, eerste zin, zulks ongeacht het feit dat het niet een land betreft dat geen lid van de Unie is. Deze verklaring wordt van kracht op de datum waarop de termijn die overeenkomstig artikel 1, derde lid, van toepassing is, verstrijkt.

Artikel VI

1. Elk land van de Unie kan verklaren met ingang van de dagtekening van deze Akte en op elk tijdstip voordat het wordt gebonden door de artikelen 1 tot en met 21 en door dit Aanhangsel :

i. dat het, indien het een land betreft dat, ware het gebonden door de artikelen 1 tot en met 21 en door dit Aanhangsel, bevoegd zou zijn zich te beroepen op de mogelijkheden bedoeld in artikel I, eerste lid, de bepalingen van artikel II of III, dan wel van beide, toepast op de werken waarvan het land van oorsprong een land is dat met toepassing van punt ii hieronder de toepassing van deze artikelen op zodanige werken aanvaardt of dat is gebonden door de artikelen 1 tot en met 21 en door dit Aanhangsel; in een zodanige verklaring kan worden verwezen naar artikel V in plaats van naar artikel II;

ii. dat het de toepassing van dit Aanhangsel door de landen die een verklaring hebben afgelegd krachtens punt i hierboven of een kennisgeving hebben gedaan krachtens artikel I, aanvaardt ten aanzien van de werken waarvan het zelf het land van oorsprong is.

2. Een verklaring ingevolge het eerste lid dient schriftelijk te worden gegeven en te worden neergelegd bij de Directeur-generaal. Zij wordt van kracht op de datum van neerlegging.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe behoorlijk gemachtigd, deze Akte hebben ondertekend.

GEDAAN te Parijs, 24 juli 1971.


VOORONTWERP VAN WET VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE


Voorontwerp van wet houdende instemming met volgende internationale akten :

1. Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van bandopnamen en omroeporganisaties gedaan te Rome op 26 oktober 1961.

2. Berner conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971.

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

De volgende Internationale Akten zullen volkomen gevolg hebben :

1. Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961.

2. Bener Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971.


ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

L. 27.359/2


De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 28 januari 1998 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een ontwerp van wet « houdende instemming met volgende internationale akten :

1. Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961;

2. Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971 »,

heeft op 11 maart 1998 het volgende advies gegeven :

Onderzoek van het ontwerp

1. Om de vrijheid van stemming in de vergaderingen in acht te nemen, behoort met elk verdrag afzonderlijk te worden ingestemd.

2. Het is gebruikelijk ook met de bijlagen in te stemmen. Het opschrift en artikel 2 moeten dienovereenkomstig worden aangepast wat de Berner Conventie betreft.

De kamer was samengesteld uit :

De heer J.-J. STRYCKMANS, voorzitter;

De heren Y. KREINS en P. QUERTAINMONT, staatsraden;

De heren F. DELPERÉE en J. VAN COMPERNOLLE, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevrouw B. VIGNERON, toegevoerd griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer X. DELGRANGE, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer A. LEFEBVRE, adjunct-referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. STRYCKMANS.

De Griffier, De Voorzitter,
B. VIGNERON. J.-J. STRYCKMANS.

BIJLAGE


Wetsontwerp betreffende de toepassing op de Belgen van zekere bepalingen van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971 en van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 29 oktober 1961 (1)


MEMORIE VAN TOELICHTING


Overeenkomstig de wet van 27 juli 1953 betreffende de toepassing op de Belgen van zekere bepalingen van de Internationale Overeenkomst van 26 juni 1948 voor de bescherming van kunst- en letterkundige werken (Belgisch Staatsblad van 17 september 1953), die in dit verband een precedent vormt, bevat het huidig ontwerp van wet een artikel op grond waarvan de Belgische auteurs en de Belgische houders van naburige rechten in België die bepalingen van de Akte van Parijs ter herziening van het Verdrag van Bern, alsook die bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties kunnen inroepen, welke een betere bescherming bieden dan de nationale wetgeving ter zake.

Een bepaling die aan de Belgen het voordeel van internationale bepalingen toekent die gunstiger zijn dan de nationale wetgeving is een materie die valt onder toepassing van artikel 78 van de Grondwet, terwijl de goedkeuring van internationale verdragen een materie is als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Om deze reden, worden in het huidig ontwerp van wet de bepalingen die de Belgen het voordeel toekennen om de meer gunstige bepalingen van het Verdrag van Bern of het Verdrag van Rome in te roepen, gesplitst van het ontwerp van wet houdende goedkeuring van deze internationale Verdragen.

De minister van Buitenlandse Zaken,

Erik DERYCKE.

De minister van Justitie,

Tony VAN PARYS.


ONTWERP VAN WET


ALBERT II,

Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.

Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en van Onze minister van Justitie,

HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ :

Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Justitie zijn gelast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

De Belgische auteurs mogen, tot eigen voordeel, in België de toepassing eisen van de bepalingen van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971, in al de gevallen waar deze bepalingen gunstiger zijn dan de Belgische wet.

De Belgische houders van naburige rechten mogen, tot eigen voordeel, in België de toepassing eisen van de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961, in al de gevallen waar deze bepalingen gunstiger zijn dan de Belgisch wet.

Gegeven te Brussel, 20 september 1998.

ALBERT

Van Koningswege :

De minister van Buitenlandse Zaken,

Erik DERYCKE.

De minister van Justitie,

Tony VAN PARYS.


VOORONTWERP VAN WET VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE


VOORONTWERP VAN WET BETREFFENDE DE TOEPASSING OP DE BELGEN VAN ZEKERE BEPALINGEN VAN DE BERNER CONVENTIE VOOR DE BESCHERMING VAN WERKEN VAN LETTERKUNDE EN KUNST VAN 9 SEPTEMBER 1886, AANGEVULD TE PARIJS OP 4 MEI 1896, HERZIEN TE BERLIJN OP 13 NOVEMBER 1908, AANGEVULD TE BERN OP 20 MAART 1914, HERZIEN TE ROME OP 2 JUNI 1928, TE BRUSSEL OP 26 JUNI 1948, TE STOCKHOLM OP 14 JULI 1967 EN TE PARIJS OP 24 JULI 1971, GEDAAN TE PARIJS OP 24 JULI 1971 EN VAN HET INTERNATIONAAL VERDRAG INZAKE DE BESCHERMING VAN UITVOERENDE KUNSTENAARS, PRODUCENTEN VAN FONOGRAMMEN EN OMROEPORGANISATIES, GEDAAN TE ROME OP 26 OKTOBER 1961

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

De Belgische auteurs mogen, tot eigen voordeel, in België de toepassing eisen van de bepalingen van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971.

De Belgische houders van naburige rechten mogen, tot eigen voordeel, in België de toepassing eisen van de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961, in al de gevallen waar deze bepalingen gunstiger zijn dan de Belgische wet.


ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

L. 27 360/2


De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 28 januari 1998 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een ontwerp van wet « betreffende de toepassing op de Belgen van zekere bepalingen van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlin op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971 en van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961 », heeft op 11 maart 1998 het volgende advies gegeven :

Overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, bepaalt de Raad van State, afdeling wetgeving, zich tot het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan. Bij deze drie punten zijn geen opmerkingen te maken.

De kamer was samengesteld uit :

De heer J.-J. STRYCKMANS, voorzitter;

De heren Y. KREINS en P. QUERTAINMONT, staatsraden;

De heren F. DELPEREE en J. van COMPERNOLLE, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevrouw B. VIGNERON, toegevoerd griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer X. DELGRANGE, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer A. LEFEBVRE, adjunct-referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. STRYCKMANS.

De Griffier, De Voorzitter,
B. VIGNERON. J.-J. STRYCKMANS.

(1) Dit wetsontwerp werd ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers onder het nr. 1747/1-97/98.