1-296/1

1-296/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

15 MAART 1996


Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, en met het Protocol, ondertekend te Brussel op 22 april 1993


MEMORIE VAN TOELICHTING


De Regering onderwerpt heden aan uw goedkeuring de Overeenkomst tussen België en Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, alsmede het daarbij gevoegde Protocol, ondertekend te Brussel op 22 april 1993.

Vooraleer de technische bepalingen van deze Overeenkomst met Venezuela te onderzoeken, wordt de economische en financiële context ervan geschetst.

A. DE ECONOMISCHE EN FINANCIËLE CONTEXT

Venezuela is één van de landen van Latijns-Amerika met heel sterke troeven voor het beleven van een duurzame expansie. De Venezolaanse economie maakt een spectaculaire groei door : in 1992 bijvoorbeeld is het bruto binnenlands produkt gestegen met 7,3 pct.

Venezuela, mede-stichter van de O.P.E.C., is in de eerste plaats een olieland. De sector van de koolwaterstoffen die sedert 1975 genationaliseerd is, brengt 80 pct. voort van de inkomsten in deviezen en meer dan 70 pct. van de fiscale inkomsten.

De staatsoliemaatschappij zou voor haar investeringen meer middelen nodig hebben dan die welke de Staat ter beschikking stelt. Bijgevolg wenst zij een beroep te doen op buitenlands kapitaal.

Venezuela heeft overigens een indrukwekkend potentieel op het vlak van mijnbouw. Men exploiteert er chroom, zink, zwavel, fosfaten, gas, steenkool, ijzererts, bauxiet, marmer, enz. De economische groei die het land doormaakt zou dus moeten leiden tot aanzienlijke behoeften op het vlak van de aankoop van uitrustingsgoederen alsook tot een industriële samenwerking waarbij Venezuela initiatieven verwacht van Europa.

In augustus 1991 werd een Venezolaanse delegatie te Brussel ontvangen voor een korte gedachtenwisseling omtrent de algemene oplossingen van de problemen van dubbele belasting tussen beide landen. Een Belgische delegatie is op haar beurt naar Venezuela afgereisd in januari 1992 om de besprekingen echt aan te vatten. In september 1992 werden de onderhandelingen beëindigd in Brussel : op 17 september 1992 werd een definitieve verdragstekst geparafeerd.

In Venezuela kadert de Overeenkomst in het algemeen beleid tot openstelling van 's lands economie voor buitenlands, en inzonderheid Europees, kapitaal. In dit verband wordt opgemerkt dat Venezuela eveneens onderhandelingen heeft gevoerd voor het sluiten van een dubbelbelastingverdrag met andere Lid-Staten van de E.U., met name Frankrijk, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk.

Door de nieuwe Overeenkomst kunnen de Belgische ondernemingen die in Venezuela gevestigd zijn of die er zich wensen te vestigen, profiteren van een betere concurrentiepositie aangezien zij niet langer onderworpen zullen zijn aan dubbele belasting.

B. TECHNISCHE BEPALINGEN

Alhoewel Venezuela geen lid van de O.E.S.O. is, volgt de nieuwe Overeenkomst in vrij ruime mate het door die internationale organisatie gepubliceerde modelverdrag.

1. Verschilpunten met het O.E.S.O.-model van belastingverdrag

De belangrijkste verschilpunten met het O.E.S.O.-model van belastingverdrag zijn de volgende :

a) Artikel 9

De rechtzetting van de winst afkomstig uit transacties tussen afhankelijke ondernemingen kan leiden tot economische dubbele belasting (belasting van verschillende personen ter zake van dezelfde inkomsten) wegens het feit dat de onderneming waarvan de winst wordt verbeterd, wordt belast op winst waarop de in de andere Staat gevestigde afhankelijke onderneming reeds is beslast.

Artikel 9, paragraaf 2, van het O.E.S.O.-modelverdrag waarbij is bepaald dat die andere Staat zijn belastingheffing op passende wijze zal herzien, is in bovenvermeld artikel niet opgenomen; beide Staten wilden immers ten alle prijze vermijden dat dergelijke herziening automatisch zou plaatsvinden.

b) Artikel 11

Bepaalde interesten zijn van belasting vrijgesteld in de bronstaat. Met name :

­ interest betaald aan de Regering van de andere overeenkomstsluitende Staat of aan vennootschappen die geheel in bezit zijn van die overeenkomstsluitende Staat;

­ interest van handelsschuldvorderingen wegens termijnbetaling van leveringen van koopwaar, goederen of diensten door ondernemingen;

­ interest betaald uit hoofde van een lening of een krediet toegestaan, gewaarborgd of verzekerd in het kader van de bevordering van de uitvoer;

­ interest van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde gelddeposito's bij bankondernemingen.

c) Artikel 12

In tegenstelling tot het O.E.S.O.-modelverdrag voorziet artikel 12 in een belastingheffing van royalty's in de bronstaat; die belasting mag evenwel niet meer bedragen dan 5 pct. van het normale brutobedrag van de royalty's.

d) Artikel 13

In afwijking van de algemene regel dat alle « overige » vermogenswinst belastbaar is in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is, kent paragraaf 4 het recht van belastingheffing ter zake van meerwaarden uit de vervreemding van aandelen van immobiliënvennootschappen toe aan de Staat waarin de onroerende goederen zijn gelegen.

e) Artikel 18

In tegenstelling tot het O.E.S.O.-modelverdrag bepaalt artikel 18 dat particuliere pensioenen en daarmee gelijkgestelde inkomsten in de bronstaat mogen worden belast.

f) Artikel 22

Indien het samen toepassen van de Overeenkomst en van het territorialiteitsprincipe dat in Venezuela van toepassing is, tot gevolg heeft dat in België inkomsten van belasting zijn vrijgesteld of slechts aan een verlaagde belasting zijn onderworpen, kent artikel 22 in de regel aan ons land het recht toe om die inkomsten te belasten als ware de Overeenkomst niet van toepassing.

2. Belastingstelsel dat voor de belangrijkste soorten van inkomsten die door inwoners van België in Venezuela worden verkregen, uit de Overeenkomst voortvloeit

Artikels van de Overeenkomst
­
Articles de la Convention
Aard van de inkomsten
­
Nature des revenus
In Venezuela
­
Au Venezuela
In België (art. 23)
­
En Belgique (art. 23)
Artikel 6. ­ Article 6 Inkomsten van onroerende goederen. ­ Revenus de biens immobiliers Belastingheffing. ­ Imposition Vrijstelling (1). ­ Exonération (1)
Artikel 7. ­ Article 7 Ondernemingswinst die kan worden toegerekend aan een vaste inrichting. ­ Bénéfices d'entreprises imputables à un établissement stable Belastingheffing. ­ Imposition Vrijstelling (1). ­ Exonération
Artikel 8. ­ Article 8 Winst uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer. ­ Bénéfices provenant de l'exploitation de navires ou d'aéronefs en trafic international Vrijstelling. ­ Exonération Belastingheffing overeenkomstig het interne recht. ­ Imposition suivant droit interne
Artikel 10. ­ Article 10 Dividenden betaald aan een vennootschap die ten minste 25 % bezit van het kapitaal van de uitkerende vennootschap. ­ Dividendes versés à une société qui détient au moins 25 % du capital de la société distributrice Belasting normaliter beperkt tot 5 %. ­ Imposition
normalement plafonnée à 5 %
Vrijstelling op de voorwaarden en binnen de grenzen van het interne recht (stelsel van de definitief belaste inkomsten). ­ Exonération dans les conditions et limites du droit interne (régime des revenus définitivement taxés)
Artikel 10. ­ Article 10 Andere dividenden. ­ Autres dividendes Belasting normaliter beperkt tot 15 %. ­ Imposition normalement plafonnée à 15 % Stelsel van het interne recht. ­ Régime du droit interne
Artikel 11. ­ Article 11 Interest bedoeld in sub. 1, b) , hierboven. ­ Intérêts cités sub. 1, b), ci-avant Vrijstelling. ­ Exonération Belastingheffing overeenkomstig het interne recht. ­ Imposition suivant droit interne
Artikel 11. ­ Article 11 Andere interest. ­ Autres intérêts Belasting normaliter beperkt tot 10 %. ­ Imposition normalement plafonnée à 10 % Belasting met een belastingkrediet. ­ Imposition avec un crédit d'impôt
Artikel 12. ­ Article 12 Royalty's. ­ Redevances Belasting normaliter beperkt tot 5 %. ­ Imposition normalement plafonnée à 5 % Belasting met een belastingkrediet. ­ Imposition avec un crédit d'impôt
Artikel 14. ­ Article 14 Baten uit zelfstandige beroepen die aan een vaste basis kunnen worden toegerekend. ­ Profits de professions
indépendantes imputables à une base fixe
Belastingheffing. ­ Imposition Vrijstelling (1). ­ Exonération (1)
Artikel 15. ­ Article 15 Particuliere beloningen. ­ Salaires privés Belastingheffing. ­ Imposition Vrijstelling (1). ­ Exonération (1)
Artikel 15. ­ Article 15 Particuliere beloningen voor een verblijf van minder dan 183 dagen. ­ Salaires privés pour séjour inférieur à 183 jours Vrijstelling. ­ Exonération Belastingheffing overeenkomstig het interne recht. ­ Imposition suivant droit interne
Artikel 17. ­ Article 17 Inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars. ­ Revenus des artistes et des sportifs Belastingheffing. ­ Imposition Vrijstelling (1). ­ Exonération (1)
Artikel 18. ­ Article 18 Particuliere pensioenen. ­ Pensions privées Belastingheffing. ­ Imposition Vrijstelling (1). ­ Exonération (1)
Artikel 20. ­ Article 20 Beloningen van hoogleraren, onderwijzers en onderzoekers gedurende een periode van
2 jaar. ­ Rémunérations de professeurs, enseignants et chercheurs pour une durée de 2 ans
Vrijstelling. ­ Exonération Belastingheffing overeenkomstig het interne recht. ­ Imposition suivant droit interne
ssen

(1) Vrijstelling met progressievoorbehoud : bij het bepalen van het tarief van de belasting die van de belastbare inkomsten mag worden geheven, wordt rekening gehouden met de vrijgestelde inkomsten.

De Regering is van oordeel dat de nieuwe Overeenkomst in haar geheel een bevredigende oplossing brengt voor de problemen van dubbele belasting die tussen België en Venezuela bestaan of in de toekomst kunnen rijzen. Deze Overeenkomst mag bovendien worden beschouwd als een instrument dat kan bijdragen tot de verbetering van de economische betrekkingen tussen beide landen.

De Regering stelt u derhalve voor de Overeenkomst spoedig goed te keuren opdat zij binnen de kortst mogelijke tijd in werking kan treden.

De minister van Buitenlandse Zaken,

Erik DERYCKE.

De minister van Financiën en Buitenlandse Handel,

Philippe MAYSTADT.


WETSONTWERP


ALBERT II,

Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.

Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en van Onze minister van Financiën en Buitenlandse Handel,

HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ :

Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Financiën en Buitenlandse Handel zijn gelast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6º, van de Grondwet.

Art. 2

De Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, en het Protocol, ondertekend te Brussel op 22 april 1993, zullen volkomen uitwerking hebben.

Gegeven te Brussel, 1 maart 1996.

ALBERT

Van Koningswege :

De minister van Buitenlandse Zaken,

Erik DERYCKE.

De minister van Financiën
en Buitenlandse Handel,

Philippe MAYSTADT.


OVEREENKOMST

tussen het Koninkrijk België en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen


DE REGERING VAN HET KONINKRIJK BELGIE

en

DE REGERING VAN DE REPUBLIEK VENEZUELA

WENSENDE een Overeenkomst sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, zijn het volgende overeengekomen :

HOOFDSTUK I

Werkingssfeer van de Overeenkomst

Artikel 1

Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een overeenkomstsluitende Staat of van beide overeenkomstsluitende Staten.

Artikel 2

Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is

§ 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een overeenkomstsluitende Staat, van de staatkundige onderhelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan.

§ 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.

§ 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name :

a) in Venezuela :

de inkomstenbelasting, zelfs indien deze belasting door inhouding aan de bron wordt geheven; (hierna te noemen « Venezolaanse belasting »);

b) in België :

1º de personenbelasting;

2º de vennootschapsbelasting;

3º de rechtspersonenbelasting;

4º de belasting van niet-inwoners;

5º de met de personenbelasting gelijkgestelde bijzondere heffing;

met inbegrip van de voorheffingen, de opcentiemen op die belastingen en voorheffingen, alsmede de aanvullende belastingen op de personenbelasting;

(hierna te noemen « Belgische belasting »).

§ 4. De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van de ondertekening van de Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetten zijn aangebracht, mede.

HOOFDSTUK II

Begripsbepalingen

Artikel 3

Algemene bepalingen

§ 1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij het zinsverband anders vereist :

a) 1º betekent de uitdrukking « Venezuela » de Republiek Venezuela;

2º betekent de uitdrukking « België » het Koninkrijk België; in aardrijkskundig verband gebruikt, betekent ze ook elk gebied dat buiten de territoriale wateren van België is gelegen waarop België, in overeenstemming met het internationale recht, soevereine rechten of zijn rechtsmacht uitoefent;

b) betekenen de uitdrukkingen « een overeenkomstsluitende Staat » en « de andere overeenkomstsluitende Staat », Venezuela of België, al naar het zinsverband vereist;

c) omvat de uitdrukking « persoon » een natuurlijke persoon, een vennootschap en elke andere vereniging van personen;

d) betekent de uitdrukking « vennootschap » elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;

e) betekenen de uitdrukkingen « onderneming van een overeenkomstsluitende Staat » en « onderneming van de andere overeenkomstsluitende Staat » onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere overeenkomstsluitende Staat;

f) betekent de uitdrukking « internationaal verkeer » elk vervoer door een schip of luchtvaartuig dat door een onderneming die haar plaats van werkelijke leiding in een overeenkomstsluitende Staat heeft, wordt geëxploiteerd, behalve indien het schip of luchtvaartuig slechts tussen in de andere overeenkomstsluitende Staat gelegen plaatsen wordt geëxploiteerd;

g) betekent de uitdrukking « onderdaan » :

1º elke natuurlijke persoon die de nationaliteit van een overeenkomstsluitende Staat bezit;

2º elke rechtspersoon, personenvennootschap en vereniging die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in een overeenkomstsluitende Staat van kracht is;

h) betekent de uitdrukking « bevoegde autoriteit » :

1º in Venezuela, de « Dirección General Sectorial de Rentas del Ministerio de Hacienda », de gevolmachtigde vertegenwoordiger daarvan of de autoriteit die voor de toepassing van de Overeenkomst als een bevoegde autoriteit is aangeduid, en

2º in België, de Directeur-generaal der directe belastingen.

§ 2. Voor de toepassing van de Overeenkomst door een overeenkomstsluitende Staat heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke niet erin omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. De uitdrukking « wetgeving van die Staat » betekent in de eerste plaats de « fiscale wetgeving van die Staat ».

Artikel 4

Inwoner

§ 1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking « inwoner van een overeenkomstsluitende Staat » iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. Die uitdrukking omvat echter niet personen die in die Staat alleen ter zake van inkomsten uit in die Staat gelegen bronnen aan belasting zijn onderworpen.

§ 2. Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van paragraaf 1 inwoner van beide overeenkomstsluitende Staten is, wordt zijn toestand op de volgende wijze geregeld :

a) hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);

b) indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;

c) indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;

d) indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

§ 3. Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van paragraaf 1 inwoner is van beide overeenkomstsluitende Staten, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.

Artikel 5

Vaste inrichting

§ 1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking « vaste inrichting » een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

§ 2. De uitdrukking « vaste inrichting » omvat in het bijzonder :

a) een plaats waar leiding wordt gegeven;

b) een filiaal;

c) een kantoor;

d) een fabriek;

e) een werkplaats;

f) een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen;

en

g) een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden maar slechts dan indien de duur van dat bouwwerk of die werkzaamheden twaalf maanden overschrijdt vanaf de daadwerkelijke aanvang van de werken.

§ 3. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht indien :

a) gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen;

b) een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uistalling of aflevering;

c) een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

d) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

e) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming, andere werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben, te verrichten;

f) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om verscheidene van de in de subparagrafen a) tot e) vermelde werkzaamheden te verrichten, op voorwaarde dat het geheel van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheden heeft.

§ 4. Indien een persoon ­ niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger op wie paragraaf 5 van toepassing is ­ voor een onderneming werkzaam is en in een overeenkomstsluitende Staat een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht aldaar gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1 en 2, geacht een vaste inrichting in die Staat te hebben voor alle werkzaamheden welke deze persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot de in paragraaf 3 vermelde werkzaamheden die, indien zij met behulp van een vaste bedrijfsinrichting zouden worden verricht, die vaste bedrijfsinrichting niet tot een vaste inrichting zouden stempelen ingevolge de bepalingen van die paragraaf.

§ 5. Een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere overeenkomstsluitende Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken doet door middel van een makelaar, een algemeen commissionnair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, op voorwaarde dat deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

§ 6. De enkele omstandigheid dat een vennootschap die inwoner is van een overeenkomstsluitende Staat, een vennootschap beheerst of door een vennootschap wordt beheerst, die inwoner is van de andere overeenkomstsluitende Staat of die in die andere Staat zaken doet (hetzij met behulp van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt één van beide vennootschappen niet tot een vaste inrichting van de andere.

HOOFDSTUK III

Belastingheffing naar het inkomen

Artikel 6

Inkomsten uit onroerende goederen

§ 1. Inkomsten die een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat verkrijgt uit in de andere overeenkomstsluitende Staat gelegen onroerende goederen (inkomsten uit landbouw- of bosbedrijven daaronder begrepen) mogen in die andere Staat worden belast.

§ 2. De uitdrukking « onroerende goederen » heeft de betekenis die daaraan wordt toegekend door het recht van de overeenkomstsluitende Staat waar de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of het recht tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere bodemrijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.

§ 3. De bepalingen van paragraaf 1 zijn van toepassing op inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie of het rechtstreekse genot, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.

§ 4. De bepalingen van de paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen gebezigd voor de uitoefening van een zelfstandig beroep.

Artikel 7

Ondernemingswinst

§ 1. Winst van een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat is slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere overeenkomstsluitende Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mag de winst van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kan worden toegerekend.

§ 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 3 wordt, indien een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat in de andere overeenkomstsluitende Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elke overeenkomstsluitende Staat aan die vaste inrichting de winst toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen indien zij een onafhankelijke onderneming zou zijn, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk zou handelen.

§ 3. Bij het bepalen van de winst van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten, die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt, daaronder begrepen een redelijk deel van de aldus gemaakte kosten van leiding en de algemene beheerskosten, hetzij in de overeenkomstsluitende Staat waar de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders.

§ 4. Voor zover de interne wetgeving van een overeenkomstsluitende Staat toelaat de aan een vaste inrichting toe te rekenen winst te bepalen op basis van een verdeling van de totale winst van de onderneming over haar verschillende delen, belet paragraaf 2 die overeenkomstsluitende Staat niet de te belasten winst te bepalen volgens dergelijke verdeling; de gevolgde methode van verdeling moet echter zodanig zijn dat het resultaat in overeenstemming is met de in dit artikel neergelegde beginselen.

§ 5. Geen winst wordt aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen voor de onderneming.

§ 6. Voor de toepassing van de voorgaande paragrafen wordt de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst van jaar tot jaar volgens dezelfde methode bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat om hiervan af te wijken.

§ 7. Indien in de winst inkomstenbestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

Artikel 8

Zeevaart en luchtvaart

§ 1. Winst uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer is slechts belastbaar in de overeenkomstsluitende Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel omvat winst uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer mede :

a) winst verkregen uit de verhuring van bemande of onbemande schepen of luchtvaartuigen gebruikt in internationaal verkeer,

b) winst verkregen uit het gebruik, het onderhoud of de verhuring van laadkisten en het daarbijhorende gerei voor het vervoer van laadkisten gebruikt in internationaal verkeer,

indien die winst bijkomend is ten opzichte van de winst waarop de bepalingen van paragraaf 1 van toepassing zijn.

§ 3. Indien de plaats van de werkelijke leiding van een zeescheepsvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de overeenkomstsluitende Staat waar het schip zijn thuishaven heeft, of, indien er geen thuishaven is, in de overeenkomstsluitende Staat waarvan de exploitant van het schip inwoner is.

§ 4. De bepalingen van de paragrafen 1 en 2 zijn ook van toepassing op winst verkregen uit de deelneming in een pool, een gemeenschappelijk bedrijf of een internationaal bedrijfslichaam.

Artikel 9

Afhankelijke ondernemingen

Indien

a) een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere overeenkomstsluitende Staat, of

b) dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat en van een onderneming van de andere overeenkomstsluitende Staat,

en, in het ene of in het andere geval, tussen de twee ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen, voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mag winst die één van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

Artikel 10

Dividenden

§ 1. Dividenden betaald door een vennootschap die inwoner is van een overeenkomstsluitende Staat aan een inwoner van de andere overeenkomstsluitende Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

§ 2. Deze dividenden mogen echter ook in de overeenkomstsluitende Staat waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt inwoner is overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden inwoner is van de andere overeenkomstsluitende Staat, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan :

a) 5 % van het brutobedrag van de dividenden indien de uiteindelijk gerechtigde een vennootschap is die onmiddellijk of middelijk ten minste 25 % bezit van het kapitaal van de vennootschap die de dividenden betaalt;

b) 15 % van het brutobedrag van de dividenden in alle andere gevallen.

Deze paragraaf laat onverlet de belastingheffing van de vennootschap ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald.

§ 3. De uitdrukking « dividenden », zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten op een aandeel in de winst, met uitzondering van schuldvorderingen, alsmede inkomsten ­ zelfs indien zij worden betaald in de vorm van interest ­ die door de interne belastingwetgeving van de Staat waarvan de vennootschap die de inkomsten betaalt inwoner is, worden beschouwd als inkomsten uit aandelen.

§ 4. De bepalingen van de paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een overeenkomstsluitende Staat, in de andere overeenkomstsluitende Staat waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt inwoner is, een nijverheids- of handelsbedrijf met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting of een zelfstandig beroep door middel van een aldaar gevestigde vaste basis uitoefent en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald met die vaste inrichting of die vaste basis wezenlijk is verbonden. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14, naar het geval, van toepassing.

§ 5. Indien een vennootschap die inwoner is van een overeenkomstsluitende Staat winst of inkomsten verkrijgt uit de andere overeenkomstsluitende Staat, mag die andere Staat geen belasting heffen op dividenden die door de vennootschap worden betaald, behalve voor zover die dividenden aan een inwoner van die andere Staat worden betaald of voor zover het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald wezenlijk is verbonden met een in die andere Staat gelegen vaste inrichting of vaste basis, noch de niet-uitgedeelde winst van de vennootschap onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit winst of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig zijn.

Artikel 11

Interest

§ 1. Interest afkomstig uit een overeenkomstsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere overeenkomstsluitende Staat mag in die andere Staat worden belast.

§ 2. Deze interest mag echter ook in de overeenkomstsluitende Staat waaruit hij afkomstig is overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest inwoner is van de andere overeenkomstsluitende Staat, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan 10 % van het brutobedrag van de interest.

§ 3. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2 mag interest in de overeenkomstsluitende Staat waaruit hij afkomstig is, worden vrijgesteld indien het betreft :

a) interest betaald aan de Regering van de andere overeenkomstsluitende Staat of aan vennootschappen die geheel in bezit zijn van die overeenkomstsluitende Staat;

b) interest van handelsschuldvorderingen ­ met inbegrip van vorderingen vertegenwoordigd door handelspapier ­ wegens termijnbetaling van leveringen van koopwaar, goederen of diensten door ondernemingen;

c) interest betaald uit hoofde van een lening toegestaan, gewaarborgd of verzekerd of een krediet verleend, gewaarborgd of verzekerd door een openbare financiële instelling of een openbaar lichaam ter bevordering van de uitvoer;

d) interest van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde gelddeposito's bij bankondernemingen.

§ 4. De uitdrukking « interest », zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet gewaarborgd door hypotheek of al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen en obligaties, daaronder begrepen premies en loten op die effecten; voor de toepassing van dit artikel omvat de uitdrukking « interest » echter niet boeten voor laattijdige betaling noch interest die overeenkomstig artikel 10, paragraaf 3, als dividenden wordt behandeld.

§ 5. De bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een overeenkomstsluitende Staat, in de andere overeenkomstsluitende Staat waaruit de interest afkomstig is, een nijverheids- of handelsbedrijf met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting of een zelfstandig beroep door middel van een aldaar gevestigde vaste basis uitoefent en de schuldvordering uit hoofde waarvan de interest is verschuldigd met die vaste inrichting of die vaste basis wezenlijk is verbonden. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14, naar het geval, van toepassing.

§ 6. Interest wordt geacht uit een overeenkomstsluitende Staat afkomstig te zijn indien de schuldenaar die Staat zelf is, een staatkundig onderdeel, een plaatselijke gemeenschap of een inwoner van die Staat. Indien evenwel de schuldenaar van de interest, ongeacht of hij inwoner van een overeenkomstsluitende Staat is of niet, in een overeenkomstsluitende Staat een vaste inrichting of een vaste basis heeft waarvoor de schuld, ter zake waarvan de interest wordt betaald is aangegaan en de interest ten laste komt van die vaste inrichting of die vaste basis, wordt die interest geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting of de vaste basis is gevestigd.

§ 7. Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de interest, gelet op de schuldvordering waarvoor hij wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laastbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval is het daarboven uitgaande deel van de betalingen belastbaar in de overeenkomstsluitende Staat waaruit de interest afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat.

Artikel 12

Royalty's

§ 1. Royalty's afkomstig uit een overeenkomstsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere overeenkomstsluitende Staat mogen in die andere Staat worden belast.

§ 2. Deze royalty's mogen echter ook in de overeenkomstsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's inwoner is van de andere overeenkomstsluitende Staat, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan 5 % van het brutobedrag van de royalty's.

§ 3. De uitdrukking « royalty's », zoals gebezigd in dit artikel, betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap, daaronder begrepen bioscoopfilms en films of banden voor radio of televisie, van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening, een model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, nijverheids- of handelsuitrusting of wetenschappelijke uitrusting of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

§ 4. De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's die inwoner is van een overeenkomstsluitende Staat, in de andere overeenkomstsluitende Staat waaruit de royalty's afkomstig zijn een nijverheids- of handelsbedrijf met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting of een zelfstandig beroep door middel van een aldaar gevestigde vaste basis uitoefent en het recht of het goed uit hoofde waarvan de royalty's verschuldigd zijn met die vaste inrichting of die vaste basis wezenlijk is verbonden. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14, naar het geval, van toepassing.

§ 5. Royalty's worden geacht uit een overeenkomstsluitende Staat afkomstig te zijn indien de schuldenaar die Staat zelf is, een staatkundig onderdeel, een plaatselijke gemeenschap of een inwoner van die Staat. Indien evenwel de schuldenaar van de royalty's, ongeacht of hij inwoner van een overeenkomstsluitende Staat is of niet, in een overeenkomstsluitende Staat een vaste inrichting of een vaste basis heeft waarvoor de verbintenis, uit hoofde waarvan de royalty's worden betaald is aangegaan en die de last van de royalty's draagt, worden die royalty's geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting of de vaste basis is gevestigd.

§ 6. Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de royalty's, gelet op het gebruik, het recht of de inlichtingen waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval is het daarboven uitgaande deel van de royalty's belastbaar in de overeenkomstsluitende Staat waaruit de royalty's afkomstig zijn, overeenkomstig de wetgeving van die Staat.

Artikel 13

Vermogenswinst

§ 1. Voordelen die een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat verkrijgt uit de vervreemding van onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 6 die in de andere overeenkomstsluitende Staat zijn gelegen, mogen in die andere Staat worden belast.

§ 2. Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat in de andere overeenkomstsluitende Staat heeft, of van roerende goederen die behoren tot een vaste basis die een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat in de andere overeenkomstsluitende Staat tot zijn beschikking heeft voor de uitoefening van een zelfstandig beroep, daaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van die vaste inrichting (alleen of te samen met de gehele onderneming) of van die vaste basis, mogen in die andere Staat worden belast.

§ 3. Voordelen verkregen uit de vervreemding van schepen of luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd of van roerende goederen die bij de exploitatie van die schepen of luchtvaartuigen worden gebruikt, zijn slechts belastbaar in de overeenkomstsluitende Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

§ 4. Voordelen verkregen uit de vervreemding van aandelen in het kapitaal van een vennootschap waarvan de activa, onmiddellijk of middellijk, hoofdzakelijk bestaan uit in een overeenkomstsluitende Staat gelegen onroerende goederen, mogen in die Staat worden belast.

§ 5. Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere goederen dan die vermeld in de paragrafen 1, 2, 3 en 4, zijn slechts belastbaar in de overeenkomstsluitende Staat waarvan de vervreemder inwoner is.

Artikel 14

Zelfstandige beroepen

§ 1. Inkomsten verkregen door een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere werkzaamheden van zelfstandige aard zijn slechts in die Staat belastbaar; tenzij die inwoner in de andere overeenkomstsluitende Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vaste basis beschikt. Indien hij over zulk een vaste basis beschikt, mogen de inkomsten in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste basis kunnen worden toegerekend.

§ 2. De uitdrukking « vrij beroep » omvat in het bijzonder zelfstandige werkzaamheden op het gebied van wetenschap, letterkunde, kunst, opvoeding of onderwijs, alsmede de zelfstandige werkzaamheden van artsen, advocaten, ingenieurs, architecten, tandartsen en accountants.

Artikel 15

Niet-zelfstandige beroepen

§ 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18 en 19 zijn lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere overeenkomstsluitende Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mogen de ter zake daarvan verkregen beloningen in die andere Staat worden belast.

§ 2. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 zijn beloningen verkregen door een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat ter zake van een in de andere overeenkomstsluitende Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien :

a) de verkrijger in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken die in enig tijdperk van twaalf maanden een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en

b) de beloningen worden betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is, en

c) de beloningen niet ten laste komen van een vaste inrichting of een vaste basis, die de werkgever in de andere Staat heeft.

§ 3. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel mogen beloningen verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, worden belast in de overeenkomstsluitende Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

Artikel 16

Vennootschapsleiding

§ 1. Tantièmes, presentiegelden en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat in zijn hoedanigheid van lid van de raad van bestuur of van toezicht of van een gelijkaardig orgaan van een vennootschap die inwoner is van de andere overeenkomstsluitende Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

Deze bepaling is ook van toepassing op beloningen verkregen ter zake van de uitoefening van werkzaamheden die, volgens de wetgeving van de overeenkomstsluitende Staat waarvan de vennootschap inwoner is, worden behandeld als werkzaamheden van soortgelijke aard als die welke worden verricht door een persoon waarop deze bepaling van toepassing is.

§ 2. Beloningen die een persoon, op wie paragraaf 1 van toepassing is, van de vennootschap verkrijgt ter zake van de uitoefening van dagelijkse werkzaamheden van leidinggevende of van technische aard, en beloningen die een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat verkrijgt ter zake van zijn persoonlijke werkzaamheid als vennoot in een vennootschap, niet zijnde een vennootschap op aandelen, die inwoner is van de andere overeenkomstsluitende Staat, mogen overeenkomstig de bepalingen van artikel 15 worden belast, alsof het ging om beloningen die een werknemer ter zake van een dienstbetrekking verkrijgt en alsof de « werkgever » de vennootschap was.

Artikel 17

Artiesten en sportbeoefenaars

§ 1. Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 14 en 15 mogen inkomsten die een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat verkrijgt uit zijn persoonlijke werkzaamheden die hij in de andere overeenkomstsluitende Staat verricht in de hoedanigheid van artiest, zoals toneelspeler, film-, radio- of televisieartiest, of musicus, of in de hoedanigheid van sportbeoefenaar, in die andere Staat worden belast.

§ 2. Indien inkomsten uit werkzaamheden die een artiest of een sportbeoefenaar persoonlijk en als zodanig verricht niet worden toegekend aan de artiest of aan de sportbeoefenaar zelf maar aan een andere persoon, mogen die inkomsten, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7, 14 en 15, worden belast in de overeenkomstsluitende Staat waar de werkzaamheden van de artiest of de sportbeoefenaar worden verricht.

Artikel 18

Pensioenen

§ 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, paragraaf 2, mogen pensioenen en andere soortgelijke beloningen uit bronnen gelegen in een overeenkomstsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere overeenkomstsluitende Staat ter zake van een vroegere dienstbetrekking, in de eerstbedoelde Staat worden belast.

§ 2. Pensioenen en andere uitkeringen die worden betaald in het kader van een algemeen stelsel dat door een overeenkomstsluitende Staat is georganiseerd ter aanvulling van de voordelen van de sociale wetgeving van die Staat, mogen in die Staat worden belast.

Artikel 19

Overheidsfuncties

§ 1. a) Beloningen, niet zijnde pensioenen, betaald door een overeenkomstsluitende Staat of een staatkundig onderdeel of plaatselijke gemeenschap daarvan aan een natuurlijke persoon, ter zake van diensten bewezen aan die Staat of aan dat onderdeel of die gemenschap, zijn slechts in die Staat belastbaar.

b) Die beloningen zijn evenwel slechts in de andere overeenkomstsluitende Staat belastbaar indien de diensten in die Staat worden bewezen en de natuurlijke persoon inwoner van die Staat is, die :

1º onderdaan is van die Staat; of

2º niet uitsluitend met het oog op het bewijzen van de diensten inwoner van die Staat is geworden.

§ 2. a) Pensioenen door een overeenkomstsluitende Staat of een staatkundig onderdeel of plaatselijke gemeenschap daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij uit door hen in het leven geroepen fondsen, betaald aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of aan dat onderdeel of die gemeenschap, zijn slechts in die Staat belastbaar.

b) Die pensioenen zijn evenwel slechts in de andere overeenkomstsluitende Staat belastbaar indien de natuurlijke persoon inwoner en onderdaan is van die Staat.

§ 3. De bepalingen van de artikelen 15, 16 en 18 zijn van toepassing op beloningen en pensioenen ter zake van diensten bewezen in het kader van een nijverheids- of handelsbedrijf uitgeoefend door een overeenkomstsluitende Staat of een staatkundig onderdeel of plaatselijke gemeenschap daarvan.

§ 4. De bepalingen van paragraaf 1 zijn ook van toepassing op beloningen betaald door een overeenkomstsluitende Staat aan een natuurlijke persoon ter zake van werkzaamheden uitgeoefend in de andere overeenkomstsluitende Staat in het kader van samenwerkingsakkoorden die tussen beide overeenkomstsluitende Staten zijn gesloten.

Artikel 20

Leraren en studenten

§ 1. Beloningen, van welke aard ook, van hoogleraren en andere leden van het onderwijzend personeel, die inwoner zijn van een overeenkomstsluitende Staat en in de andere overeenkomstsluitende Staat tijdelijk verblijven om aldaar aan een universiteit of een andere officieel erkende onderwijsinrichting, onderwijs te geven of zich met wetenschappelijk onderzoek bezig te houden, zijn in die andere overeenkomstsluitende Staat vrijgesteld van belasting gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaar vanaf de datum van hun aankomst in die andere Staat.

§ 2. Bedragen die een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding zijnde persoon die inwoner is, of onmiddellijk vóór zijn bezoek aan een overeenkomstsluitende Staat inwoner was, van de andere overeenkomstsluitende Staat en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde Staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, zijn in die Staat niet belastbaar, op voorwaarde dat die bedragen afkomstig zijn uit bronnen buiten die Staat.

Artikel 21

Andere inkomsten

§ 1. Ongeacht de afkomst ervan zijn bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat die niet in de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, slechts in die Staat belastbaar.

§ 2. De bepaling van paragraaf 1 is niet van toepassing op inkomsten, niet zijnde inkomsten uit onroerende goederen als omschreven in artikel 6, paragraaf 2, indien de verkrijger van die inkomsten, die inwoner is van een overeenkomstsluitende Staat, in de andere overeenkomstsluitende Staat een nijverheids- of handelsbedrijf met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting of een zelfstandig beroep door middel van een aldaar gevestigde vaste basis uitoefent en het recht of het goed dat de inkomsten oplevert met die vaste inrichting of die vaste basis wezenlijk is verbonden. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14, naar het geval, van toepassing.

§ 3. Niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1 en 2, mogen bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat die niet in de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld en die uit de andere overeenkomstsluitende Staat afkomstig zijn, ook in die andere Staat worden belast.

Artikel 22

Beperking van de voordelen

Indien ingevolge enige bepaling van deze Overeenkomst inkomsten in België van belasting zijn vrijgesteld of aan een verlaagde belasting zijn onderworpen, en die inkomsten ingevolge de wetgeving welke in Venezuela van kracht is worden beschouwd als inkomsten uit buitenlandse bronnen die deswege in Venezuela van belasting zijn vrijgesteld, mag België die inkomsten aan belasting onderwerpen als ware de Overeenkomst niet van kracht.

HOOFDSTUK IV

Wijze waarop dubbele belasting wordt vermeden

Artikel 23

§ 1. In Venezuela wordt dubbele belasting op de volgende wijze vermeden :

Indien een inwoner van Venezuela inkomsten verkrijgt die ingevolge de bepalingen van deze Overeenkomst in België mogen worden belast, worden die inkomsten van de Venezolaanse belasting naar het inkomen vrijgesteld.

§ 2. In België wordt dubbele belasting op de volgende wijze vermeden :

a) Indien een inwoner van België inkomsten verkrijgt die ingevolge de bepalingen van deze Overeenkomst, niet zijnde de bepalingen van artikel 10, paragraaf 2, van artikel 11, paragrafen 2 en 7, en van artikel 12, paragrafen 2 en 6, in Venezuela mogen worden belast, stelt België deze inkomsten vrij van belasting, maar om het bedrag van de belasting op het overige inkomen van die inwoner te berekenen mag België het belastingtarief toepassen dat van toepassing zou zijn indien die inkomsten niet waren vrijgesteld.

b) Onder voorbehoud van de bepalingen van de Belgische wetgeving betreffende de verrekening van in het buitenland betaalde belastingen met de Belgische belasting wordt, indien een inwoner van België inkomsten verkrijgt die deel uitmaken van zijn samengetelde inkomen dat aan de Belgische belasting is onderworpen en bestaan uit dividenden die belastbaar zijn ingevolge artikel 10, paragraaf 2, en niet van Belgische belasting zijn vrijgesteld ingevolge subparagraaf c) hierna, uit interest die belastbaar is ingevolge artikel 11, paragrafen 2 of 7, of uit royalty's die belastbaar zijn ingevolge artikel 12, paragrafen 2 of 6, de van die inkomsten geheven Venezolaanse belasting in mindering gebracht van de Belgische belasting op die inkomsten.

c) Dividenden verkregen door een vennootschap die inwoner is van België van een vennootschap die inwoner is van Venezuela, en die in Venezuela ingevolge artikel 10, paragraaf 2, mogen worden belast, worden in België vrijgesteld van de vennootschapsbelasting op de voorwaarden en binnen de grenzen die in de Belgische wetgeving zijn bepaald.

d) Indien verliezen die een onderneming gedreven door een inwoner van België in een in Venezuela gelegen vaste inrichting heeft geleden, voor de belastingheffing van die onderneming in België volgens de Belgische wetgeving werkelijk in mindering van de winsten van die onderneming zijn gebracht, is de vrijstelling ingevolge subparagraaf a) in België niet van toepassing op de winst van andere belastbare tijdperken die aan die inrichting kan worden toegerekend, in zoverre als deze winst ook in Venezuela door de verrekening van die verliezen niet werd belast.

HOOFDSTUK V

Bijzondere bepalingen

Artikel 24

Non-discriminatie

§ 1. Onderdanen van een overeenkomstsluitende Staat worden in de andere overeenkomstsluitende Staat niet onderworpen aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere Staat onder gelijke omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 is deze bepaling ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van een overeenkomstsluitende Staat of van beide overeenkomstsluitende Staten.

§ 2. De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat in de andere overeenkomstsluitende Staat heeft, is in die andere Staat niet ongustiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd dat zij een overeenkomstsluitende Staat verplicht aan inwoners van de andere overeenkomstsluitende Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de gezinstoestand of gezinslasten te verlenen die hij aan zijn eigen inwoners verleent.

§ 3. Behalve indien de bepalingen van artikel 9, artikel 11, paragraaf 7, of artikel 12, paragraaf 6, van toepassing zijn, worden interest, royalty's en andere uitgaven die door een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat aan een inwoner van de andere overeenkomstsluitende Staat worden betaald, bij het bepalen van de belastbare winst van die onderneming op dezelfde voorwaarden in mindering gebracht, alsof zij aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat zouden zijn betaald.

§ 4. Ondernemingen van een overeenkomstsluitende Staat, waarvan het kapitaal geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van, of wordt beheerst door, één of meer inwoners van de andere onvereenkomstsluitende Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan andere, soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

§ 5. Geen enkele bepaling van dit artikel mag aldus worden uitgelegd dat zij :

a) een overeenkomstsluitende Staat belet een bronbelasting te heffen van dividenden uit een deelneming die wezenlijk is verbonden met een in die overeenkomstsluitende Staat gelegen vaste inrichting van een vennootschap die inwoner is van de andere overeenkomstsluitende Staat;

b) België belet de winst die kan worden toegerekend aan een Belgische vaste inrichting van een vennootschap die inwoner is van Venezuela aan de belasting te onderwerpen tegen het tarief dat door de Belgische wetgeving is bepaald, op voorwaarde dat dit tarief niet hoger is dan het normale tarief dat van toepassing is op het geheel of een gedeelte van de winsten van vennootschappen die inwoners zijn van België.

§ 6. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 2 zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing op belastingen van elke soort en benaming.

Artikel 25

Regeling voor onderling overleg

§ 1. Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een overeenkomstsluitende Staat of van beide overeenkomstsluitende Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst, kan hij, overminderd de rechtsmiddelen waarin het interne recht van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de overeenkomstsluitende Staat waarvan hij inwoner is, of indien zijn geval onder artikel 24, paragraaf 1, ressorteert, aan die van de overeenkomstsluitende Staat waarvan hij de nationaliteit bezit. Het geval moet worden voorgelegd binnen twee jaar nadat de maatregel die een belastingheffing ten gevolge heeft die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de Overeenkomst, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.

§ 2. De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing ervan te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere overeenkomstsluitende Staat te regelen, ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst te vermijden.

§ 3. De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van de Overeenkomst in onderlinge overeenstemming op te lossen.

§ 4. De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten plegen overleg omtrent de administratieve maatregelen die voor de uitvoering van de bepalingen van de Overeenkomst nodig zijn en met name omtrent de bewijsstukken die de inwoners van elke overeenkomstsluitende Staat moeten overleggen om in de andere Staat de bij de Overeenkomst bepaalde belastingvrijstellingen of -verminderingen te verkrijgen.

§ 5. De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten kunnen zich rechtstreeks met elkander in verbinding stellen voor de toepassing van de Overeenkomst. Indien mondelinge gedachtenwisselingen een overeenstemming kunnen vergemakkelijken, kunnen zulke gedachtenwisselingen plaatsvinden in de schoot van een Commissie die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten.

Artikel 26

Uitwisseling van inlichtingen

§ 1. De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten wisselen de inlichtingen uit die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze Overeenkomst of aan die van de nationale wetgeving van de overeenkomstsluitende Staten met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met de Overeenkomst, en in het bijzonder om de ontduiking en het ontgaan van belastingen te voorkomen. De uitwisseling van inlichtingen wordt niet beperkt door artikel 1. De door een overeenkomstsluitende Staat verkregen inlichtingen worden op dezelfde wijze gehouden als de inlichtingen die onder de nationale wetgeving van die Staat zijn verkregen en worden alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke instanties en administratieve lichamen) die betrokken zijn bij de vestiging of invordering van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. Deze personen of autoriteiten gebruiken deze inlichtingen slechts voor die doeleinden. Zij mogen van deze inlichtingen melding maken tijdens openbare rechtszittingen of in rechterlijke beslissingen.

§ 2. In geen geval mogen de bepalingen van paragraaf 1 aldus worden uitgelegd dat zij een overeenkomstsluitende Staat de verplichting opleggen :

a) administratieve maatregelen te nemen die afwijken van de wetgeving en de administratieve praktijk van die of van de andere overeenkomstsluitende Staat;

b) bijzonderheden te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens de wetgeving of in de normale gang van de administratieve werkzaamheden van die of van de andere overeenkomstsluitende Staat;

c) inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een handelswerkwijze zouden onthullen, dan wel inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.

Artikel 27

Invorderingsbijstand

§ 1. De overeenkomstsluitende Staten verlenen elkander hulp en bijstand voor de betekening en de invordering van de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, alsmede van alle met die belastingen verband houdende opcentiemen, verhogingen, interest, kosten en boeten van niet-strafrechtelijke aard, wanneer het belastingvorderingen betreft die eisbaar zijn en waartegen geen beroep meer openstaat volgens de wetten of regels van de Staat die om bijstand verzoekt.

§ 2. Op vraag van de aanzoekende Staat zorgt de aangezochte Staat overeenkomstig de wetgeving en de administratieve praktijk die voor de betekening en de invordering van zijn eigen belastingvorderingen van toepassing zijn, voor de betekening en de invordering van de belastingvorderingen van die Staat, tenzij de Overeenkomst anders bepaalt.

§ 3. De aangezochte Staat is niet verplicht aan de vraag van de aanzoekende Staat te voldoen indien die Staat niet alle middelen voor de invordering van zijn belastingvordering op zijn eigen grondgebied heeft uitgeput.

§ 4. De vraag om bijstand voor de invordering van een belastingvordering dient vergezeld te gaan van :

a) een officieel afschrift van de uitvoerbare titel in de aanzoekende Staat;

b) een officieel afschrift van elk ander document dat in de aanzoekende Staat voor de invordering is vereist; en

c) in voorkomend geval, een eensluitend verklaard afschrift van elke beslissing die kracht van gewijsde heeft verworven en afkomstig is van een administratief lichaam of van een rechtbank.

§ 5. De uitvoerbare titel in de aanzoekende Staat heeft dezelfde uitwerking in de aangezochte Staat.

§ 6. Problemen met betrekking tot de verjaringstermijn van een belastingvordering worden uitsluitend door de wetgeving van de aanzoekende Staat geregeld.

§ 7. De daden van invordering die ten gevolge van een vraag om bijstand door de aangezochte Staat zijn gesteld, en overeenkomstig de wetgeving van die Staat de schorsing of stuiting van de verjaringstermijn tot gevolg zouden hebben, hebben dezelfde uitwerking met betrekking tot de wetgeving van de aanzoekende Staat. De aangezochte Staat stelt de aanzoekende Staat in kennis van de daartoe genomen maatregelen.

§ 8. Belastingvorderingen waarvoor om invorderingsbijstand is verzocht, genieten in de aangezochte Staat geen enkel voorrecht.

§ 9. De aangezochte Staat is niet verplicht middelen van tenuitvoerlegging toe te passen die niet zijn toegestaan door de wettelijke bepalingen of reglementeringen van de aanzoekende Staat.

§ 10. De bepalingen van artikel 26, paragraaf 1, zijn mede van toepassing op elke inlichting die ingevolge dit artikel ter kennis van de bevoegde autoriteit van een overeenkomstsluitende Staat wordt gebracht.

§ 11. Met betrekking tot belastingvorderingen van een overeenkomstsluitende Staat waartegen een beroep aanhangig is of die nog vatbaar zijn voor beroep, mag de bevoegde autoriteit van die Staat, om zijn rechten te vrijwaren, de bevoegde autoriteit van de andere overeenkomstsluitende Staat verzoeken de conservatoire maatregelen te nemen waarin diens wetgeving voorziet. De bepalingen van de voorgaande paragrafen zijn op die maatregelen van overeenkomstige toepassing.

§ 12. De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten plegen overleg om de regels vast te leggen voor de overmaking van de bedragen die door de aangezochte Staat voor rekening van de aanzoekende Staat zijn ingevorderd.

Artikel 28

Leden van diplomatieke zendingen en consulaire posten

De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die leden van diplomatieke vertegenwoordigingen of consulaire posten ontlenen aan de algemene regelen van het volkenrecht of aan bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

HOOFDSTUK VI

Slotbepalingen

Artikel 29

Inwerkingteding

§ 1. Elke overeenkomstsluitende Staat zal de andere overeenkomstsluitende Staat in kennis stellen van de voltooiing van de procedures die door zijn wetgeving voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst zijn vereist. De Overeenkomst zal in werking treden op de vijftiende dag na de datum waarop de laatste kennisgeving is ontvangen.

§ 2. De bepalingen van de Overeenkomst zullen van toepassing zijn :

a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld op of na 1 januari van het jaar dat onmiddellijk volgt op dat waarin de Overeenkomst in werking treedt;

b) op de andere belastingen geheven naar inkomsten van belastbare tijdperken die eindigen op of na 31 december van het jaar dat onmiddellijk volgt op dat waarin de Overeenkomst in werking treedt.

§ 3. De bepalingen van de Overeenkomst tussen België en Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting van zeescheepvaartondernemingen inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Caracas op 17 december 1990, zullen geen toepassing vinden vanaf de datum waarop deze Overeenkomst in werking treedt en zolang deze Overeenkomst uitwerking heeft.

Artikel 30

Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft van kracht tot dat zij door een overeenkomstsluitende Staat is opgezegd, maar elk van de overeenkomstsluitende Staten kan tot en met 30 juni van elk kalenderjaar na het vijfde jaar dat volgt op het jaar waarin de Overeenkomst in werking is getreden, aan de andere overeenkomstsluitende Staat langs diplomatieke weg een schriftelijke opzegging doen toekomen. In geval van opzegging vóór 1 juli van zodanig jaar, zal de Overeenkomst voor de laatste maal uitwerking hebben :

a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld ten laatste op 31 december van het jaar waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan;

b) op de andere belastingen geheven naar inkomsten van belastbare tijdperken die eindigen vóór 31 december van het jaar dat onmiddellijk volgt op dat waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan.

TEN BLIJKE WAARVAN, de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd door hun respectieve Regeringen, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Brussel, op 22 april 1993, in de Nederlandse, de Franse, de Spaanse en de Engelse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in interpretatie is de laatstgenoemde tekst beslissend.

Voor de Regering van het Koninkrijk België :

Willy CLAES,

Minister van Buitenlandse Zaken

Voor de Regering van de Republiek Venezuela :

Fernando OCHOA ANTICH,

Minister van Buitenlandse Betrekkingen


PROTOCOL

Bij de ondertekening van de Overeenkomst tussen de republiek Venezuela en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, zijn de ondergetekenden overeengekomen dat de volgende bepalingen een integrerend deel van de genoemde Overeenkomst vormen.

1. Met betrekking tot artikel 12, paragraaf 3.

Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 12, paragraaf 3, worden betalingen van welke aard ook als vergoeding voor technische diensten, daaronder begrepen studies of rapporten van wetenschappelijke, geologische of technische aard, of voor het verstrekken van advies of het houden van toezicht, geacht betalingen te zijn waarop de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14 van toepassing zijn.

2. Met betrekking tot artikel 22.

Er is overeengekomen dat de bepalingen van artikel 22 niet van toepassing zijn op dividenden, interest of royalty's zoals bedoeld in artikel 10, paragraaf 3, artikel 11, paragraaf 4 en artikel 12, paragraaf 3, waartoe de Regering van de Republiek Venezuela of een vennootschap die inwoner is van Venezuela en die geheel in het bezit is van de Republiek Venezuela de uiteindelijk gerechtigde is.

TEN BLIJKE WAARVAN, de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Brussel, op 22 april 1993, in de Nederlandse, de Franse, de Spaanse en de Engelse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in interpretatie is de laatstgenoemde tekst beslissend.

Voor de regering van het Koninkrijk België :

Willy CLAES,

Minister van Buitenlandse Zaken

Voor de regering van de Republiek Venezuela :

Fernando OCHOA ANTICH,

Minister van Buitenlandse Betrekkingen


VOORONTWERP VAN WET VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE


Voorontwerp van wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, en met het Protocol, ondertekend te Brussel op 22 april 1993

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6º, van de Grondwet.

Art. 2

De Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, en het Protocol, ondertekend te Brussel op 22 april 1993, zullen volkomen uitwerking hebben.


ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE


De Raad van State, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 6 oktober 1994 door de Vice-Eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een wetsontwerp « houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belatingen naar het inkomen, en van het protocol, ondertekend te Brussel op 22 april 1993 », heeft op 30 januari 1995 het volgend advies gegeven :

Onderzoek van het ontwerp

Het is raadzaam de terminologie van de Grondwet te gebruiken en bijgevolg in het opschrift te schrijven :

« Ontwerp van wet houdende instemming met de Overeenkomst... ».

Voordrachtformulier

Er zou geschreven moeten worden :

« Op de voordracht van ... Zaken, Onze Minister ... Financiën en Onze Minister ... Handel, ».

De kamer was samengesteld uit :

De heer J.-J. STRYCKMANS, kamervoorzitter;

De heren Y. BOUCQUEY en Y. KREINS, staatsraden;

De heren J. DE GRAVE en P. GOTHOT, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevrouw J. GIELISSEN, griffier.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. STRYCKMANS.

Het verslag werd uitgebracht door de heer J. REGNIER, eerste auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door mevrouw C. DEBROUX, adjunct-referendaris.

De Griffier, De Voorzitter,
J. GIELISSEN. J.-J. STRYCKMANS.