1-270/1 | 1-270/1 |
27 FEBRUARI 1996
Dit voorstel heeft in het algemeen naast een herwaardering van het griffie- en secretariaatspersoneel een efficiëntere werking van de griffies en van de secretariaten van de parketten tot doel.
Een aantal gegevens die voor het bereiken van dit doel belangrijk zijn, overschrijden daarom dit voorstel. Deze zullen bij een verdere rationalisering dienen te worden behandeld. Zo zijn er de huisvesting en de uitrusting van de diensten, de concretisering van de opleiding en de voortgezette vorming, de verdere vereenvoudiging van de fiscale taken, bijvoorbeeld door eenmalige en eenvormige vorderingen bij de rechtsingang in burgerlijke zaken en bij gelegenheid van het eindvonnis in strafzaken, eventueel een herziening van de tucht en de tuchtprocedure en het systeem van de adviezen, de eenheid van bevoegdheid voor alle benoemingen, het probleem van de bezoldigingen, enz.
Daar echter voorgesteld is dat dit voorstel geen budgettaire weerslag zal hebben, behoren tot de huidige middelen om het doel te bereiken voornamelijk : het concreet omschrijven van de structuren, de bevoegdheden en de taken en het vastleggen van objectieve criteria voor aanwervingen, benoemingen en bevorderingen.
De voornaamste criteria voor de aanwervingen, benoemingen en bevorderingen zijn de bekwaamheid en de werkijver. Deze kunnen enkel gemeten worden door schoolgetuigschriften, examens en adviezen. Verder zijn de minimumleeftijd en de stage of opleiding van belang.
Wij wensen door dit voorstel :
het ambt van griffier en dit van secretaris te herwaarderen, ieder in functie van de dienst waarvoor ze voorzien zijn;
in de mate van het mogelijke, in gelijke titels te voorzien voor vergelijkbare ambten van de leden van de griffies en van de secretariaten van de parketten;
de aanwervings-, bevorderings- en benoemingsvoorwaarden voor vergelijkbare ambten van de leden van de griffies en van het personeel van de secretariaten van de parketten, steeds in de mate van het mogelijke, gelijk te schakelen;
nieuwe dimensies te creëren voor de ambten van griffier en secretaris en deze aan te passen aan de nieuwe noden;
de stage ter griffie of bij het parket van de licentiaten in de rechten om te zetten in een effectieve dienstuitoefening;
het statuut van het administratief personeel van de griffies en parketten aan te passen en bepaalde anomalieën weg te werken.
De wijziging van de titels is een aanzet tot herwaardering van de ambten. Zo vervangt de titel van hoofdsecretaris deze van secretaris. De titel griffier-hoofd van de griffie wordt vervangen door hoofdgriffier. De adjunct-secretaris wordt secretaris. De klerk-griffier en klerk-secretaris worden adjunct-griffier, respectievelijk adjunct-secretaris, tevens teneinde verwarring uit te sluiten met de vroegere benaming commis-griffier of griffier-klerk en met de klerk in de administratie. Er wordt in een nieuwe functie voorzien van kabinetssecretaris bij het hoofd van het parket. De door de voorzitters gekozen secretarissen worden eveneens kabinetssecretaris genoemd.
Deze wijzigingen van titel hebben geen invloed op de bezoldiging. Ze hebben evenmin invloed op de taken. Zo zal de hoofdgriffier van het vredegerecht de rechter, zoals voorheen, als griffier bijstand blijven verlenen in zijn ambtsverrichtingen.
Teneinde de functies van griffier en secretaris te herwaarderen, dienen de taken beter omschreven en, waar verantwoord, dienen nieuwe taken toevertrouwd te worden.
In het algemeen dient bij het omschrijven van taken en het bepalen van eventuele nieuwe taken voor de griffiers of de secretarissen elk dubbel gebruik te worden vermeden.
Het afleveren van afschriften is uitsluitend voorbehouden aan de griffiers ingevolge artikelen 172 en 1380 van het Gerechtelijk Wetboek. Het opzetten van een tweede dienst voor aflevering van afschriften door de secretaris, « met bijkomende boekhouding », is te verwerpen.
Het zou ook niet logisch zijn aan griffiers en secretarissen bepaalde bevoegdheden toe te kennen op basis van het loutere feit dat deze hun in de praktijk nu reeds gedelegeerd worden.
Magistraten, griffiers en secretarissen moeten ieder de taken vervullen die hun zijn opgedragen.
Er dient vooropgesteld dat de magistraten van de zetel en van het parket hun bevoegdheden niet kunnen delegeren.
Er dient ook vooropgesteld dat de griffie en het secretariaat bij het parket geen overeenstemmende begrippen zijn in functie van de dienst voor welke ze werden opgericht.
Identieke taken van de ene dienst aan de andere toewijzen op basis van een vergelijking, zou fundamenteel fout zijn. Elke van beide diensten dient zijn eigenheid en specificiteit te bewaren en als dusdanig geherwaardeerd te worden.
Het begrip griffie is voldoende bekend. De griffie is enerzijds een autonome openbare dienst, die bediend wordt door leden van de griffie, anderzijds de plaats waar de griffier gerechtelijke functies vervult in verband met de rechterlijke organisatie en de rechtspleging en waar hij gerechtelijke akten bewaart.
Voor het ambt van griffier moet een nieuwe dimensie worden gecreëerd. Het zou echter fout zijn van de griffier, de notaris van het gerechtelijke gebeuren, de getuige die authenticiteit verleent aan de gerechtelijke akten, thans een soort hulprechter te maken. Daardoor zou de essentie van zijn ambt verloren gaan. Hij ondertekent nooit « voor de rechter ». Hij is een openbaar ambtenaar, lid van de rechterlijke orde, die gerechtelijke functies vervult, enerzijds in de griffie, waar hij de eigenlijke griffietaken vervult, hem rechtstreeks door de wetgever toevertrouwd, anderzijds in zijn specifieke bijstand als griffier aan de rechter, waar hij notuleert en authentificeert.
De griffier is het derde element in de gerechtelijke administratie, naast de rechter en het openbaar ministerie.
Het is een belangrijke vernieuwing thans de dubbele taak van de griffier in de wet als zodanig te omschrijven.
« De griffier vervult de griffietaken en staat de rechter bij als griffier in alle verrichtingen van zijn ambt » (art. 170). « De griffiers oefenen een gerechtelijke functie uit en vervullen hun taken in de griffie » (art. 171).
De dualiteit van de functie is duidelijk omschreven. Tot de taken van de griffier behoren de bijstand als griffier aan de rechter en de eigenlijke griffietaken. De voornaamste taken zijn omschreven in artikel 173 van het Gerechtelijk Wetboek.
a) Bijstand aan de rechter
Voor de griffier betekent bijstand aan de rechter in zijn ambtsverrichtingen ook het nagaan van de rechtmatigheid van de procesgang, erover waken dat de rechtspleging optimaal verloopt met inachtneming van alle betrokken procespartijen. Deze bijstand aan de rechter in zijn ambtsverrichtingen kan ook het opzoeken van rechtspraak en rechtsleer inhouden, hetgeen een grondige en permanente opleiding vereist. Ook de voorbereiding van de terechtzittingsdossiers kan tot de taken van bepaalde griffiers behoren.
Niet een wettekst alleen, maar ook een eigentijdse interpretatie van « bijstand aan de rechter » wordt met dit voorstel beoogd, opdat in de dagelijkse werkelijkheid wel degelijk een verhoogde medewerking van de griffiers aan de rechterlijke praktijk tot stand zou komen.
De bijstand aan de rechter in zijn ambtsverrichtingen kan uitgebreid worden tot het noodzakelijke opzoekingswerk en de voorbereiding van de ambtsverrichtingen.
De griffier als bewaker van de procedure kan de rechter ontlasten van tijdrovende opzoekingen en van administratief werk. Het is de griffier die conclusies en dossiers ontvangt en allicht concrete aanwijzingen i.v.m. rolnummer, inventaris der stukken enz. kan geven.
De griffier zal voor een belangrijk deel de fixaties tot behandeling van zaken door de rechter uitvoeren en de persoonlijke verschijning der partijen mee organiseren. Hij roept desgevallend na tussenvonnis de getuigen en partijen op, betekent gerechtsbrieven aan deskundigen en waakt over het goed verloop der rechtspleging. Hij helpt partijen en rechter.
Een andere herwaardering van de taak van de griffier volgt uit de herschrijving van artikel 173 : « De griffier notuleert het verloop van de rechtszaken ... Hij bewaakt de procedure ». De nieuwe tekst van artikel 173 van het Wetboek vervangt de vage bestaande tekst « ... schrijft op wat de rechter uitspreekt of dicteert... ». De nieuwe tekst geeft tevens inhoud aan het nieuwe begrip : « het bewaken van de procedure ».
De heer Wigny, minister van Justitie, preciseert op 24 mei 1966 in een antwoord op een parlementaire vraag : « de griffier is geenszins de ondergeschikte van de rechter. Hij is zelfs niet zijn secretaris. De griffier staat de rechter bij, hetgeen heel wat anders is ». De taak van bijstand aan de rechter is geen passieve rol; hij is de notaris van het gerechtelijk gebeuren (cf. art. 155 en 189 Wetboek van strafvordering); « hij dient aanwezig te zijn op de terechtzitting, de verrichtingen van de rechter (en van alle partijen) te notuleren en er authenticiteit aan te verlenen, maar dit ook als waarborg tegen willekeur, als waarborg van een regelmatig verloop van de procedure ».
b) Griffiefuncties
Bij de griffiefuncties die wel degelijk door de wet als gerechtelijke functie dienen te worden omschreven, bestaat een eerste nieuwe taak voor de griffier uit het openhouden van de griffie « voor het publiek ».
Het is van uitzonderlijk belang te stellen dat de griffie, als openbare dienst, ook een plaats is waar het contact tussen enerzijds de burger als rechtssubject, en anderzijds de justitie, op gerechtelijk en administratief vlak, vlot en menselijk dient te verlopen. Dit kan o.m. door het efficiënt beantwoorden van mondelinge en schriftelijke vragen, vanzelfsprekend in de mate dat dit professioneel en deontologisch verantwoord is en geen « consult » inhoudt, dit laatste verboden zijnde door artikel 297 van het Gerechtelijk Wetboek. Het onthaal van het rechtssubject met behoefte aan een eerstelijnhulp moet worden uitgewerkt. Men kan hier ook spreken over een informatieplicht, zeker inzake de rechterlijke organisatie en de rechtspleging, informatieplicht in een taal, verstaanbaar voor de mensen en met de plicht tot vermelding van naam en functie van de verantwoordelijke griffier. Het is niet ondenkbaar dat men in de toekomst één griffier zal aanwijzen die zich op het verstrekken van informatie speciaal toelegt, naast zijn gewoon werk. In grote rechtbanken kan een griffier eventueel uitsluitend belast worden met de informatie aan de rechtzoekende. Zo zal bij ontvangst van verzoekschriften de griffier vrijblijvend vormopmerkingen kunnen maken.
« Le Répertoire pratique de droit belge » omschrijft de functie en de opdracht van de griffiers (229, 230, 231, onder « plichten en verplichtingen », letter D, « voorlichting van de rechtsonderhorigen »), als volgt : « In de mate van het mogelijke zal hij de personen, minder vertrouwd met gerechtszaken, die zich ter griffie voor inlichtingen melden, zo klaar en duidelijk mogelijk inlichten (233, 296, 504) ». Dit is dus niet nieuw.
In 1979 nam de minister van Justitie een lovenswaardig initiatief. Drie brochures werden ter beschikking van de griffiers gesteld om af te geven aan de rechtssubjecten. Deze brochures zijn : « U bent gedaagd : voor de politierechtbank voor de correctionele rechtbank ? », « U bent getuige ? » en « U bent veroordeeld ? ». Deze brochures bevatten allerlei informatie en dienen zelfs ongevraagd aan de rechtssubjecten te worden afgegeven. In 1982 stuurde de deken van de Nationale Orde van advocaten, samen met de toelating van de minister van Justitie d.d. 18 juni 1982, aan alle hoofdgriffiers een vouwblad met informatie, ter beschikking te stellen van het publiek.
Het « onthaal van de rechtzoekende » komt herhaald ter sprake in mercurialen, voordrachten en artikelen in tijdschriften. Het is noodzakelijk dat dit eindelijk in de praktijk wordt omgezet.
De hoofdgriffier is verantwoordelijk voor de werking van zijn griffie en heeft derhalve de plicht tot creativiteit, alsmede initiatief- en organisatierecht met betrekking tot het hem toevertrouwde personeel, de lokalen en de uitrusting, de documentatie, de coördinatie met andere diensten, dit binnen de wetten en de hem toegekende budgetten.
Er dient zorg voor gedragen dat deze plicht tot interne organisatie van de griffie niet kan verlamd, verstard of gedemotiveerd worden door een oneigenlijke toepassing van het toezicht, omschreven in de artikelen 140, 148, 399 en 415 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze artikelen hebben uitsluitend tot doel te garanderen dat de griffiedienst regelmatig wordt verzorgd, de orde en de tucht worden gehandhaafd en de wetten en besluiten worden nageleefd. Kortom dat de rechtsonderhorige verkrijgt waar hij recht op heeft.
« De hoofdgriffier leidt de griffie en verdeelt de griffietaken en de administratieve taken en wijst de griffier aan om de rechter bij te staan. » (art. 172)
Dit betekent dat de hoofdgriffier de leiding van en het toezicht over de leden van de griffie en het griffiepersoneel heeft, verantwoordelijk is voor de efficiënte en rationele werking van de griffie en zijn ambt onafhankelijk uitoefent binnen de wettelijke verplichtingen. Zijn taken zijn talrijk en veelzijdig.
De gewone taken van de hoofdgriffier zijn :
hij houdt de griffie;
hij verdeelt het werk onder de leden van de griffie, wijst de leden van de griffie aan die de rechter als griffier bijstaan en/of ter griffie eigenlijke griffietaken vervullen en verdeelt tevens het administratief werk onder de personeelsleden van de griffie. Hij regelt de vakantie en de verloven;
hij beheert de griffielokalen, het kantoormeubilair en -materiaal, de bibliotheek van de hoofdgriffier, binnen de grenzen van het budget. Alleen hij houdt de inventaris van het meubilair en het materiaal van de griffielokalen.
Daar de hoofdgriffier de leiding van en het toezicht over de leden van de griffie en van het griffiepersoneel heeft en het griffiewerk en het administratief werk onder hen verdeelt, dient hij uiteraard ook de dienst te regelen en de vakanties en verloven van alle leden van de griffie en personeelsleden te bepalen. Het is evident dat hij de gegevens in verband met ziekteverloven en afwezigheid, via het hoofd van het parket, toezendt aan het ministerie van Justitie.
De rechter wijst nooit de griffier aan die hem bijstaat in zijn ambtsverrichtingen, uitgezonderd bij toepassing van het voorbijgestreefde artikel 329 van het Gerechtelijk Wetboek, dat dient te worden aangepast. Het behoort tot de taken van de hoofdgriffier te bepalen welke leden van de griffie een rechter bijstaan in zijn ambtsverrichtingen en/of eigenlijk griffiewerk verrichten. Het behoort eveneens tot zijn taak, in een rechtsmacht met afdelingen, te bepalen in welke afdeling leden van de griffie of het griffiepersoneel blijvend, tijdelijk of afwisselend tewerkgesteld zijn.
Als huismeester van de griffie regelt hij de aangelegenheden betreffende de lokalen van de griffie, onderhoud en verfraaiingen, bestellingen, herstellingen van kantoormeubels en -materiaal, drukwerk, enzovoort rechtstreeks met het ministerie van Justitie.
Wanneer een voorzitter, bij toepassing van de artikelen 162, 165 of 168 van het Gerechtelijk Wetboek van het recht gebruik maakt zich een secretaris te kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel, treedt deze laatste in dit uitzonderlijk geval op als secretaris. Deze specifieke taak heeft echter niets te maken met het begrip « bijstand als griffier aan de rechter in zijn ambtsverrichtingen ». Het advies van de hoofdgriffier is hier zeer nuttig voor de keuze van een secretaris door de voorzitter. Buiten dit uitzonderlijke geval kan de rechter nooit een opdracht geven aan leden of personeelsleden van de griffie (art. 162, 165, 168 en nieuw voor de parketten art. 182, § 2). Deze secretaris is voortaan de « kabinetssecretaris ».
Sommigen zullen de term « kabinetssecretaris » minder gelukkig vinden en een andere term voorstellen zoals « persoonlijk secretaris ». De terminologie voor deze functie bij de voorzitter dient in ieder geval dezelfde te zijn als voor dezelfde functie bij de procureur.
Er dient als slot van de bespreking van de griffies nog gesteld dat het administratief personeel van de griffiediensten van de rechtbanken in alle taken optreedt als aangestelde van de Belgische Staat, terwijl de leden van de griffie als organen van de Staat optreden wanneer zij een daad verrichten die zij in de uitoefening van hun ambt kunnen en moeten verrichten.
Vooraf dient gesteld dat erover gewaakt moet worden dat de eenheid van de leiding van het parket door een magistraat, hoofd van het parket, verzekerd blijft en dat de hiërarchische structuur van het parket beveiligd wordt.
« Bij ieder parket is er een secretariaat verbonden. » Het « secretariaat » als entiteit is hierdoor erkend.
« De secretaris staat de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. »
Naar analogie met de artikelen 170, 173 en 174 waar de functie en opdracht van « de griffier » wordt omschreven, wordt in het nieuwe artikel 182 de functie van « de secretaris » omschreven. Deze functieomschrijving slaat dus (zoals bij de griffier) op de hoofdsecretarissen, secretarissen en adjunct-secretarissen.
Na de gewijzigde titels, de erkenning van het secretariaat als entiteit en het vaststellen van de leidende functie van de hoofdsecretaris, betekent deze nieuwe taakomschrijving een verdere herwaardering van de functie.
Het is onmogelijk van de parketsecretaris een soort hulpprocureur te maken, net zomin als hij gerechtelijke functies vervult, zoals het « voorstellen » van minnelijke schikkingen voor bepaalde overtredingen. Hij kan niet ondertekenen « voor de procureur des Konings ». De handtekening behoort in dit geval tot het ondeelbaar parket dat bestaat uit magistraten. Dit ontwerp laat echter het hoofd van het parket toe aan de secretaris opdracht te geven tot het ondertekenen van bepaalde administratieve documenten. Hij ondertekent in dit geval « in opdracht ».
De juiste betekenis van de « bijstand » dient wel nader te worden omschreven.
Deze bijstand als secretaris kan niet omschreven worden als « bijstand in de ambtsverrichtingen » van de magistraat van het parket, zoals de bijstand als griffier. De secretaris authentificeert niet en hij is hiërarchisch gebonden. Er zijn echter verschillende vormen van « bijstand », ook in het Gerechtelijk Wetboek. De magistraat kan als hoofd van het parket bijgestaan worden door andere magistraten en voorheen ook door politiecommissarissen, gerechtelijke officieren of agenten die dan zelf de functie van openbaar ministerie vervullen. De hoofdgriffier wordt bijgestaan door griffiers en adjunct-griffiers, de hoofdsecretaris door de secretarissen en adjunct-secretarissen. Zo kan dus ook de parketsecretaris een bepaalde vorm van bijstand verlenen aan de leden van het parket. Het hoofd en de leden van het parket moeten echter de vrijheid behouden al dan niet een beroep te doen op de secretaris.
« Hij ondertekent de documenten die hem door het hoofd van het parket worden aangeduid. »
Deze bepaling betekent een verdere herwaardering van het ambt van secretaris.
Het betreft hier uiteraard administratieve taken. Het hoofd van het parket zal telkens oordelen welke documenten de secretarissen zullen ondertekenen, zonder dat hij hierdoor zijn bevoegdheid zou delegeren.
In speciale wetten kunnen in de toekomst steeds specifieke taken aan de secretarissen toegewezen worden.
De specifieke taak van de hoofdsecretaris is nieuw omschreven :
« De hoofdsecretaris van het parket is belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder het gezag van de procureur-generaal (...) » (art. 182, § 1).
De hoofdsecretaris krijgt de praktische leiding over het personeel van het secretariaat van het parket.
Het is evident dat de hoofdsecretaris onder het gezag van het hoofd van het parket zijn leiding uitoefent, dit in verband met hetgeen vooraf gesteld werd over de eenheid en de hiërarchische structuur van het parket.
Ingevolge wijzigingen van de wet van 10 oktober 1967 werden aan de parketsecretaris bepaalde bevoegdheden toegekend. De hoofdsecretaris wordt thans onder meer betrokken bij de aanwijzing van de adjuncten en klerken door het voorstel bij dubbeltallen. Zijn advies wordt ingewonnen voor alle benoemingen of bevorderingen van het administratief personeel bij het parket. Hij kan tuchtprocedures instellen tegen vertalers, opstellers, beambten en boden van het parket. Hij beschikt over een budget om de kantoorbehoeften en -kosten te betalen.
Personeel van de parketten
Er dient als slot van de bespreking van het personeel van de parketten nog gesteld dat dit personeel in alle taken optreedt als aangestelde van de Belgische Staat, die aansprakelijk is voor de schuldige nalatigheden door haar leden begaan.
In het algemeen dient nog uitdrukkelijk bepaald dat een degelijke scholing van alle leden van de griffie en alle personeelsleden van de griffies en de parketten dient georganiseerd te worden. Een regelmatige grondige bijscholing, minstens voor het hogere kader, is even noodzakelijk. Zoniet blijven vele maatregelen dode letter.
Wat betreft de benoemingsvoorwaarden en de loopbaan wordt in de griffiers en in de parketten de mogelijkheid ingevoerd tot doorstroming tussen alle rechtsmachten.
In dit kader wordt het ambt van hoofdgriffier van het Hof van Cassatie ook voor niet-universitairen opengesteld. Men kan stellen dat de ervaring en de praktijkkennis op een bepaald niveau een voldoende tegengewicht vormen voor het universitair diploma. Niets belet echter de huidige traditie in de praktijk verder te zetten en eventueel stilaan uit te breiden tot andere rechtsmachten. Het huidig voorstel beoogt ter zake enkel te komen tot een eenvorming systeem voor alle rechtsmachten.
Er wordt een interpenetratie mogelijk gemaakt tussen de griffies en de secretariaten van de parketten bij de graden van adjunct-griffier en adjunct-secretaris, te weten bij de aanvang van de specialisatie, daar de diplomavereisten en het getuigschrift van kandidaat-griffier en kandidaat-secretaris identiek zijn.
Met het oog op de herwaardening van het ambt worden de benoemingsvoorwaarden verzwaard. Er is echter een eenvormig systeem ingebouwd. De licentiaten in de rechten dienen gedurende een bepaalde periode een ambt, minstens gelijk aan dit van beambte, effectief uitgeoefend te hebben in een bepaalde rechtsmacht. Alle leden van de griffie dienen houder te zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs en van kandidaat-griffier.
Daarenboven moet men om tot hoofdgriffier benoemd te worden van eender welke rechtsmacht ten minste 35 jaar oud zijn, ten minste 5 jaar griffier zijn geweest in een rechtbank van ten minste dezelfde rang of hoofdgriffier zijn van een onmiddellijk lagere rechtsmacht; daar de griffieleden van een vredegerecht niet kunnen overgaan naar een lagere rechtsmacht volstaat hier 5 jaar griffier of 10 jaar adjunct-griffier in eender welke rechtbank om tot hoofdgriffier benoemd te worden.
Om tot griffier benoemd te worden van eender welke rechtsmacht moet men daarenboven ten minste 25 jaar oud zijn, en voor het Hof van Cassatie ten minste 5 jaar griffier zijn bij een hof of 5 jaar adjunct-griffier bij Cassatie; voor de hoven van beroep ten minste 5 jaar griffier zijn bij eender welke rechtsmacht of 5 jaar adjunct-griffier bij een hof, voor eerste aanleg adjunct-griffier zijn bij om het even welke rechtsmacht of 5 jaar het ambt van opsteller of beambte uitgeoefend hebben bij de griffier van eender welke rechtsmacht; voor het vredegerecht en de politierechtbank adjunct-griffier zijn bij om het even welke rechtsmacht of ten minste 5 jaar het ambt van opsteller of beambte uitgeoefend hebben bij de griffie van om het even welke rechtsmacht.
Om tot adjunct-griffier van eender welke rechtsmacht benoemd te worden moet men ten minste 21 jaar oud zijn en ten minste 3 jaar het ambt van opsteller of beambte uitgeoefend hebben bij een griffie of een parket.
De benoemingsvoorwaarden zijn identiek voor de vergelijkbare graden in de secretariaten van de parketten.
Teneinde een verdere gelijkschakeling van de benoemingsvoorwaarden tussen griffies en secretariaten van de parketten te bekomen, dient de procedure tot aanwijzing van griffiers-hoofden van dienst gewijzigd, zoals verder aangeduid.
Voor de griffiers moet een bijscholing worden georganiseerd. Voor de toekomstige griffiers moeten de opleiding en de examens worden aangepast en aangevuld. Het lijkt derhalve noodzakelijk om aan toekomstige griffiers en secretarissen een cursus te laten geven over de basisbegrippen van informatica en tekstverwerking en de bronnenstudie en ontleding van de rechtspraak.
Daar de « praktijk » in de voorgeschreven proeven voor de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-griffier en kandidaat-secretaris weinig of niet aan bod komt, lijkt het aangewezen om keuzevakken met betrekking tot de dagelijkse praktijk in te lassen in de examenstof.
Door de examenstof uit te breiden, de minimumleeftijd voor sommige categorieën van hoofdgriffiers op te trekken en het diploma van hoger secundair of gelijkgesteld onderwijs als minimumvoorwaarden te stellen voor de toegang tot de hogere ambten, evenals door een verplichte diensttijd op te leggen in een bepaalde graad ten einde tot een andere graad benoemd te kunnen worden en de stage van de licentiaten af te schaffen en te vervangen door een effectieve dienstuitoefening, wordt het ambt van griffier en secretaris geherwaardeerd.
De thans voorziene stage voor de licentiaten in de rechten, ingesteld tot het verwerven van functies in griffies of secretariaten van parketten, wordt inderdaad vervangen door een effectieve dienstuitoefening in de griffies of secretariaten van de parketten, waarvan de diensttijd wordt bepaald in functie van het ambt.
Vanaf de graden van adjunct-griffier en adjunct-secretaris is steeds een getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning als gelijkwaardig verklaard onderwijs noodzakelijk. Ook het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris is steeds vereist, uitgezonderd voor de licentiaten in de rechten.
In het kader van deze herwaardering van de ambten dienen derhalve de artikelen 269bis en 284bis opgeheven, met aanvaarding van de verworven rechten bij wijze van overgangsbepalingen.
De gelijkschakeling van de benoemingsvoorwaarden voor de adjunct-griffiers en de adjunct-secretarissen van alle rechtsmachten heeft geen invloed op de huidige wedden.
De benoemingsvoorwaarden voor de ambten van opsteller, beambte en bode zijn identiek in de griffies en de secretariaten van de parketten (art. 270, 271, 272/282, 283, 284).
Voor de opstellers is een getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs vereist, uitgezonderd voor de kandidaten die gedurende drie jaar het ambt van de beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parket en in het bezit zijn van een getuigschrift van lager middelbaar onderwijs.
Voor de beambten is een getuigschrift van lager middelbaar onderwijs nodig, uitgezonderd voor de kandidaten die gedurende drie jaar het ambt van bode hebben uitgeoefend.
Daar de opstellers, beambten en boden, die geen houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs, uitgesloten zijn van elke verdere bevordering, dient in de toekomst een betere structuur voor het lagere kader bestudeerd te worden met eventueel meer tussengraden en de mogelijkheid tot een vlakke loopbaan.
Dit voorstel voorziet eveneens in de vrijstelling van examens van lagere graden voor de laureaten van hogere examens. Zo zijn licentiaten in de rechten en laureaten kandidaat-griffier en kandidaat-secretaris vrijgesteld van het examen van opsteller en beambte. De laureaat van het examen van opsteller is vrijgesteld van het examen van beambte. Wel voorziet dit voorstel in deze gevallen in een « door de Koning georganiseerd praktijkexamen ».
Artikel 287 van het Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 19 van de wet van 18 juli 1991, dient voor de duidelijkheid en volledigheid te worden aangevuld; dit artikel dient ook uitdrukkelijk van toepassing te zijn op het personeel van de griffies en de parketten. Oorspronkelijk werd overwogen een termijn te bepalen binnen dewelke de personen, die gehouden zijn tot de voordracht van kandidaten, deze kandidaturen moeten indienen, ten einde elke manipulatie uit te sluiten. Iedere schuldige nalatigheid ter zake kan echter voorkomen worden door circulaires en, bij niet-naleving hiervan, door tuchtsancties.
De vraag naar bijkomende bijzondere graden en gespecialiseerde ambten voor bepaalde rechtsmachten of groepen van rechtsmachten vindt thans reeds een antwoord bij een eventuele toepassing van artikel 185, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Dit voorstel vereenvoudigt en versnelt de procedures bij verhinderingen en vervangingen, verhoogt de mobiliteit, en bouwt een automatisme in.
In het aanwerven van personeel op grond van een arbeidsovereenkomst is enkel voorzien « bij dringendheid ». De toepassing van artikel 185 van het Wetboek kan een nuttig instrument zijn om dringend een afwezig personeelslid te vervangen. Het is echter evident dat, indien het contractueel personeelslid niet slaagt in de examens, bij het openverklaren van een ambt een persoon dient benoemd, die wel in de voorwaarden verkeert tot benoeming.
De wijzigingen van artikel 328 van het Gerechtelijk Wetboek maken onmiddellijke vervangingen zonder nieuwe eedaflegging en zonder bijkomende bezoldiging, mogelijk.
Indien dergelijke vervanging langer dan een normaal geachte periode zou duren, kan steeds een opdracht gevraagd worden bij toepassing van artikel 330 van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij, zoals nu reeds het geval is, tijdelijk een hogere bezoldiging mogelijk is.
Het « zich toevoegen van een griffier » door de rechter druist in tegen de essentie van de functie van griffier en kan ook slechts « bij dringendheid » toegepast worden. Het aanwijzen als griffier van een willekeurig persoon, Belg en meer dan 21 jaar oud, is niet meer aanvaardbaar. Het zal in de praktijk ook uiterst zelden voorkomen dat én alle leden van de griffie én alle personeelsleden van de griffie onbereikbaar zouden zijn; in dit geval blijft het artikel 170, laatste lid, van het Wetboek van toepassing.
Artikel 328 van het Gerechtelijk Wetboek dient bovendien gewijzigd daar er een verschil in voorkomt tussen de Nederlandse en de Franse tekst in verband met de verplichting tot eedaflegging van toegevoegde opstellers en beambten.
Bij verhindering van de hoofdgriffier en van alle leden van de griffie, en uitsluitend in dit geval, kan de rechter dus zoals voorheen eender welke opsteller of beambte van de griffie vorderen, echter met uitsluiting van elke andere derde persoon.
De wijziging van artikel 328 laat de hoofdgriffier daarenboven voortaan ook toe een opsteller of beambte, geslaagd in het examen van kandidaat-griffier, met het oog op zijn opleiding, aan te wijzen als griffier. Ook in het geval dat alleen de hoofdgriffier niet verhinderd is, kan hij aldus een van de voormelde laureaten opdracht geven een rechter bij te staan.
Volledigheidshalve dient gesteld dat artikel 329 reeds voorziet in de mogelijkheid tot het benoemen van beambten en opstellers om de taak van griffier te vervullen zonder vergoeding. Misbruiken dienen natuurlijk vermeden te worden.
De werkingskosten (art. 381 en 382 van het Gerechtelijk Wetboek) zijn thans onderverdeeld in « kleine uitgaven » voor de magistraten (art. 382) en « kantoorbehoeften en kosten » voor de griffiers en de secretariaten van de parketten (art. 381). Deze dienen herschikt te worden in de zin dat degene die de verplichting tot en de verantwoordelijkheid voor een bepaalde opdracht heeft, over de daartoe bestemde werkingskosten moet kunnen beschikken.
Zo dienen aan de hoofdgriffier toevertrouwd de gelden voor het betalen van werken en diensten waarvoor hij verantwoordelijk is, zoals het inbinden van arresten, vonnissen, akten en documenten, aankopen en abonnementen voor de griffie, aankopen en drukken van registers, griffieformulieren, kantoorkosten, enz. De hoofdgriffiers dienen hun beleid en beheer ter zake rechtstreeks te kunnen afhandelen met de diensten van het ministerie van Justitie.
Zo dienen ook de kosten, eigen aan het secretariaat, nader omschreven te worden.
De aan het beheer van de voorzitters toevertrouwde kleine uitgaven dienen omschreven, zoals de uitgaven voor de bibliotheek van de rechtbank, de abonnementen en de kantooruitgaven voor de zetel en de kabinetten van de magistraten.
Er zou ook een behoefte bestaan aan gelden voor het vergoeden van bepaalde representatiekosten van de hoofdgriffiers.
Een en ander dient echter niet bij wettekst geregeld te worden.
Heel wat toestanden van nutteloos administratief werk en van dubbel gebruik kunnen eveneens door circulaires opgelost worden en moeten niet door een wettekst geregeld worden.
Als voorbeeld voor de griffie kan de toepassing van artikel 174 van het Wetboek aangehaald worden. Het repertorium is een louter fiscaal document. Het laat de inspecteur der registratie toe het bestaan van alle akten te kennen en aldus na te gaan of bepaalde akten geregistreerd zijn. De « akten van de rechter » zoals « toelating tot huiszoeking » zijn nooit registreerbaar. Sommige « akten van de rechtbank » (arresten en vonnissen) dienen geregistreerd te worden. De inschrijving gebeurt thans op de meest verscheiden wijzen. Sommige griffiers schrijven alle akten in, andere enkel die welke onderworpen zijn aan registratie, weer andere alle vonnissen in strafzaken of enkel die met burgerlijke partijen of de te registreren vonnissen, weer andere schrijven geen strafzaken in. Deze vonnissen zijn immers meestal reeds ingeschreven in tabellen van vonnissen. De door het ministerie geleverde « tabel der uitspraken voor de politierechtbanken » draagt bijvoorbeeld thans de titel « tabel, register of repertorium ». Indien de akten op de meest nuttige plaats ingeschreven zijn, in casu de voormelde tabel, is het nutteloos deze nogmaals in een repertorium in te schrijven. Elk dubbel gebruik is te verwerpen.
De Koning wordt gemachtigd zo nodig in een nadere reglementering in een eigentijdse vormgeving van verschillende taken te voorzien (art. 173 in fine ).
Er dienen overgangsmaatregelen getroffen voor de personeelsleden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet reeds in de voorwaarden verkeren tot de benoeming tot een bepaald ambt. De thans vigerende overgangsmaatregelen, namelijk de artikelen 25 en 27 van artikel 4 van de bijlage van het Gerechtelijk Wetboek blijven eveneens behouden. Deze zijn uitdovend. Het begrip « dienstanciënniteit » in artikel 68 van deze wet dient omschreven als « de termijn die een kandidaat dient doorgebracht te hebben in een bepaalde rang om benoemd te kunnen worden in een hogere rang ».
Deze benoemingsvoorwaarde geldt voor alle kandidaten en kan trouwens door elkeen trapsgewijs bekomen worden. Deze regel draagt bij tot de onmiddellijke herwaardering van het ambt. Wij preciseren nogmaals : alles wat bijvoorbeeld na de woorden « en daarenboven » in de benoemingsvoorwaarden aangegeven is, geldt voor alle kandidaten, zonder uitzondering. Zo moet elke kandidaat om tot hoofdgriffier van een vredegerecht benoemd te worden « ten minste vijf jaar het ambt van griffier of ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend in één van de weergegeven rechtsmachten ». Zo moet elke kandidaat voor een ambt van adjunct-griffier of van adjunct-secretaris « ten minste drie jaar het ambt van opsteller hebben uitgeoefend in een griffie of een parket ».
Er dient vooropgesteld dat, met het oog op de herwaardering van de functies, in de toekomst elke overgangsbepaling dient te worden afgewezen die afbreuk zou doen aan deze herwaardering.
Toch zou eventueel nog moeten voorzien worden in een bijkomende overgangsmaatregel ten voordele van de personen die op de datum van de inwerkingtreding van de wet niet voldoen aan de dienstanciënniteit bijvoorbeeld om deze verplichting slechts vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet op te leggen.
De aandacht dient ten slotte gevestigd op het feit :
dat telkens er in dit voorstel sprake is van de voorzitter, uiteraard ook de vrederechter en de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank bedoeld worden;
dat de bepaling « een ambt uitgeoefend » als bode of als beambte geenszins een vaste benoeming impliceert, maar de dienst ook als contractueel op arbeidsovereenkomst kan uitgeoefend zijn.
Artikel 1
Dit voorstel betreft een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Artikel 2
Dit artikel laat toe de wijzigingen van de titels van de onderscheiden ambten in een koninklijk besluit door te voeren voor alle wetten en besluiten, inbegrepen het Gerechtelijk Wetboek, voor zover deze niet reeds nominatief aangepast worden in dit voorstel zelf.
Artikel 3
Op grond van de evolutie van de politie-rechtbanken werden er enkele maatregelen getroffen, analoog met de overige rechtbanken, zoals het invoeren van een bijzonder reglement (art. 72bis van het Gerechtelijk Wetboek), de mogelijkheid tot aanwijzen van één tot drie griffiers-hoofden van diensten (art. 158 van het Gerechtelijk Wetboek) en eventueel een hoger aantal diensthoofden (art. 161 van het Gerechtelijk Wetboek) (ook art. 7 infra ).
Artikel 4
Betreft de wijziging van titels (art. 157 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 5
Betreft de wijziging van de titels en de mogelijkheid tot aanwerving van griffiers-diensthoofden (art. 158 van het Gerechtelijk Wetboek) (zie ook voormeld art. 3).
Artikel 6
Betreft de wijziging van titels (art. 160 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 7
Voor de griffiers en parketten met meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werd in de mogelijkheid voorzien om in het kader één hoofd van dienst meer aan te stellen per dertig bijkomende personeelsleden. In de loop der jaren is het personeel van de gerechtelijke diensten enorm toegenomen, terwijl het aantal kaderfuncties ongewijzigd bleef. Drie diensthoofden voor honderd en meer personeelsleden lijkt in bepaalde rechtsmachten te min. Deze maatregel heeft slechts budgettaire weerslag voor zover een kaderaanpassing ook wordt doorgevoerd.
Artikel 8
De ervaring heeft geleerd dat bij de keuze van een secretaris uit de griffiers of het griffiepersoneel door de voorzitter het advies van de hoofdgriffier voor de voorzitter van groot nut kan zijn. Hij kent de personeelsleden voldoende om te weten wie het best geschikt is om met de nodige discretie deze vertrouwenspost te bekleden. Het betreft een « secretariaat » en geen « bijstand als griffier aan de rechter ». Sommige leden van de griffie kunnen eventueel onmisbaar zijn voor de « bijstand aan de rechter ». Het blijft alleszins maar een advies (art. 162, 165 en 168 van het Gerechtelijk Wetboek). Deze secretaris van de voorzitter of van het hoofd van het parket heet voortaan « kabinetssecretaris ».
Artikel 9
Betreft de wijziging van de titels (art. 163 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 10
Betreft het aantal griffiers-hoofden van dienst (art. 164 van het Gerechtelijk Wetboek) (zie ook art. 7 voormeld).
Artikel 11
Betreft het advies van de hoofdgriffier (art. 165 van het Gerechtelijk Wetboek) (zie ook voormeld art. 8).
Artikel 12
Betreft de wijziging van titels (art. 167 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 13
Betreft het advies van de hoofdgriffier (art. 168 van het Gerechtelijk Wetboek) (zie ook art. 8 en art. 11 voormeld).
Artikel 14
Betreft de wijziging van titels (art. 169 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 15
Omschrijft de algemene functie van de griffier (art. 170 van het Gerechtelijk Wetboek) (zie de algemene toelichting). In dit artikel ligt de nieuwe filosofie vervat van de griffiefuncties met enerzijds de bijstand aan de rechter en anderzijds het vervullen van de griffietaken.
Artikel 16
Behandelt de griffie (art. 171 van het Gerechtelijk Wetboek) (zie de algemene toelichting). De toevoeging is nodig om aan te duiden dat de leden van de griffie wel degelijk een gerechtelijke opdracht hebben en dat ze de taken van artikel 173 ook in ruimtelijke zin uitoefenen in de griffie.
Artikel 17
Geeft de specifieke taken van de hoofdgriffier aan (art. 172 van het Gerechtelijk Wetboek) (zie de algemene toelichting). Het spreekt voor zich dat de hoofdgriffier zelf ook kan geroepen worden om de rechter bij te staan, zulks is zelfs de regel in de vredegerechten en bij de voorzitter, zetelend in kortgeding.
Artikel 18
Geeft de taken van de griffier aan in hun tweeledigheid. Enerzijds de griffietaken en anderzijds de bijstand aan de rechter (art. 173 van het Gerechtelijk Wetboek) (zie de algemene toelichting). Het oorspronkelijk artikel 173 van het Gerechtelijk Wetboek omschrijft onder meer gedetailleerd het register van strafzaken. De griffier blijft die opdracht behouden, maar de Koning kan een eigentijdse wijze van registratie voorschrijven.
Artikel 19
Betreft de wijziging van titels (art. 175 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 20
Betreft de wijziging van titels (art. 177 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 21
Betreft de wijziging van titels (art. 181 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 22
Betreft de wijziging van artikel 182 van het Gerechtelijk Wetboek : het secretariaat, de leiding door de hoofdsecretaris, de nieuwe en andere taken van de secretarissen (zie de algemene toelichting). Betreft eveneens de wijziging van titels en het aantal secretarissen-hoofden van dienst.
Artikel 23
Betreft een nieuw artikel 182bis dat bij verhindering in de onmiddellijke vervanging voorziet van de hoofdsecretaris, naar analogie met de hoofdgriffier (zie art. 328 van het Gerechtelijk Wetboek).
De verhindering en vervanging van de secretaris ligt anders dan deze van een griffier, daar het in het laatste geval gaat om een vervanging voor het uitoefenen van zelfstandige griffietaken of bijstand als griffier aan de rechter ter terechtzitting.
Artikel 24
Betreft de wijziging van titels (art. 183 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 25
Betreft de wijziging van titels (art. 184 van het Gerechtelijk Wetboek).
Article 26
Betreft de wijziging van titels (art. 260 van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 27
Betreft de wijziging van artikel 261 van het Gerechtelijk Wetboek : met het oog op de verdere gelijkschakeling van de benoemingsvoorwaarden tussen vergelijkbare graden in de griffies en bij de parketten wordt de bevoegdheid tot voordracht beperkt tot de eerste voorzitters of voorzitters en tot de hoofdgriffiers. Het zijn deze korpsoversten die het dichtst bij de griffiers staan en het best geplaatst zijn om te oordelen over de bekwaamheid van de kandidaat-griffier-hoofd van dienst. Het zijn ook deze personen die de kandidaten voordragen voor de vacatures van griffier en adjunct-griffier.
Wel wordt thans in alle gevallen uitdrukkelijk het advies van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de auditeur opgelegd, ook waar dit vroeger niet uitdrukkelijk gevergd was.
De bevordering tot griffiers-hoofden van dienst blijft beperkt tot de leden van de betrokken griffie.
Artikel 28
In artikel 262 van het Gerechtelijk Wetboek wordt bij de benoeming van griffiers en adjunct-griffiers uitdrukkelijk in het advies van het hoofd van het parket voorzien, zoals vermeld in vorig artikel.
Betreft voorts de wijziging van titels.
Artikelen 29 tot 36
Bevatten de nieuwe benoemingsvoorwaarden voor de griffiers als leden van de rechterlijke orde, zoals bepaald in titel VI, hoofdstuk VI, van het Gerechtelijk Wetboek; deze zijn identiek aan de benoemingsvoorwaarden van de vergelijkbare graden bij de parketten, zoals weergegeven in de gewijzigde artikelen 273 tot en met 280 van het Wetboek (art. 263 tot en met 269bis van het Gerechtelijk Wetboek cfr. de algemene toelichting).
Deze artikelen bevatten ook de opheffing van artikel 269bis van het Wetboek. Dit artikel dient opgeheven in het kader van de herwaardering van de ambten, waarbij het getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs en het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris steeds vereist zijn voor alle ambten vanaf de graad van adjunct-griffier en adjunct-secretaris (art. 284bis wordt opgeheven door art. 50, hiernavermeld).
Artikel 37
Dit artikel behandelt de nieuwe algemene benoemingsvoorwaarden voor alle adjunct-griffiers en vervangt het artikel 269bis . Het vervangt tevens de artikelen 263, § 3, 265, § 2, 267, § 2 en 269, § 2. Niettegenstaande de opheffing van artikel 269bis i.v.m. de gelijkschakeling met getuigschriften hoger middelbaar onderwijs, blijven bij overgangsmaatregel van artikel 68 de verworven rechten gehandhaafd.
Artikelen 38 en 39
Wijzigen de artikelen 270 en 271 van het Wetboek en behandelen de benoemingsvoorwaarden van het administratief personeel bij de griffies. Deze zijn identiek met de benoemingsvoorwaarden van dezelfde graden bij de parketten (zie art. 282-283 van het Gerechtelijk Wetboek). Er is thans een interpenetratie mogelijk gemaakt tussen griffies en parketten (cfr. de algemene toelichting).
Artikelen 40 tot en met 49
Wijzigen de artikelen 273 tot en met 283 van het Wetboek, betreffende de benoemingsvoorwaarden van het personeel van de parketten. Deze zijn thans identiek met de benoemingsvoorwaarden voor de vergelijkbare graden van de leden van de griffies en het griffiepersoneel.
Artikel 50
Betreft de opheffing van artikel 284bis van het Wetboek. Zie ook artikel 68, overgangsbepaling.
Artikel 51
Betreft een aanvulling van artikel 287 van het Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 19 van de wet van 18 juli 1991, dat reeds aanleiding gaf tot tegenstrijdige interpretaties en parlementaire vragen. Er dient duidelijk omschreven te worden dat dit artikel ook van toepassing is op « het personeel van de griffies en de parketten », het is daarenboven nuttig dat ook de personen, belast met de voordracht van kandidaten, kennis hebben van alle kandidatuurstellingen, ten einde een vrije en objectieve keuze te kunnen maken (cfr. ook de algemene toelichting).
Artikel 52
Betreft de wijziging van titels.
Artikel 53
Betreft de wijziging van titels.
Artikel 54
Betreft de wijziging van artikel 304 van het Wetboek. Gezien de grote betrokkenheid van de griffier bij het gerechtelijk gebeuren is het nuttig dat deze zich zou onthouden bij bloed- en aanverwachtschap.
Artikel 55
Betreft de wijziging van titels.
Artikel 56
Betreft een aanvulling van de artikelen 310, 311 en 312 van het Wetboek, betreffende de rangorde en voorrang, met de parketsecretarissen. Daar deze rangorde ingeschreven is onder de hoofding gerechtelijke ambten, zonder vermelding van de administratieve ambten, werd er onder de hoofding « rangorde en voorrang » een ondertitel opgenomen : « gerechtelijke ambten en parketsecretarissen ».
Artikel 57
Betreft de wijziging van titels.
Artikel 58
Betreft de wijziging van titels.
Artikel 59
Betreft de wijziging van titels.
Artikel 60
Vult artikel 314 van het Wetboek aan, dat handelt over de hiërarchische orde van hoven en rechtbanken bij openbare plechtigheden. De griffiers van vredegerechten en politierechtbanken, die nergens in de rangorde voorkomen, evenmin als de vrederechters en de rechters in de politierechtbank trouwens, worden in dit artikel opgenomen onmiddellijk na voormelde magistraten.
Artikel 61
Dit artikel behandelt de verhindering en de vervanging. In artikel 328 van het Wetboek worden vooreerst de woorden « de algemene vergadering van » ingevoegd, die in de oorspronkelijke tekst blijken vergeten te zijn.
Dit artikel wordt tevens aangevuld met de politierechtbank, zoals reeds eerder aangehaald (zie voormeld artikel 3).
De termijn van opdracht aan een adjunct-griffier voor een andere griffie wordt beperkt tot maximum zes maanden. Het ministerie van Justitie kan intussen de nodige maatregelen treffen. Deze nieuwe toestand bevordert de rechtszekerheid van de betrokken griffiers en de goede werking van beide betrokken griffiers.
In ditzelfde artikel 328 wordt verder de vervanging vereenvoudigd door elke nieuwe eedaflegging overbodig te maken.
Bovendien wordt aan de hoofdgriffier, indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, de mogelijkheid gegeven om opstellers en beambten, die geslaagd zijn in het examen van kandidaat-griffier, opdracht te geven tijdelijk het ambt van griffier uit te oefenen. Dit is van belang ten einde de laureaten van het examen op te leiden en de nodige ervaring te laten opdoen. Dit artikel kadert vooral in de vraag tot opleiding en stage. Het kan ook een oplossing bieden voor het geval dat enkel de hoofdgriffier niet verhinderd is en er plots een zetel zonder griffier valt. Deze opdracht brengt geen wijziging in de bezoldiging. Het probleem van de eedaflegging is tevens opgelost.
Betreft voorts de wijziging van titels.
Artikel 62
Wijzigt het omstreden artikel 329 van het Wetboek en vereenvoudigt de vervanging door afschaffing van een nieuwe eedaflegging. De huidige mogelijkheid tot toevoeging van een willekeurig persoon als griffier is niet meer verantwoord in de huidige omstandigheden. Het feit dat alle leden van de griffie en alle personeelsleden zouden verhinderd zijn is ondenkbaar. In dit geval is artikel 170, laatste lid, van toepassing. Ook hier is het probleem van de eedaflegging opgelost.
Artikel 63
Betreft de wijziging van titels. Tevens maakt dit het voor de hoofdgriffiers mogelijk een opdracht voor bepaalde ministeriële departementen, regeringscommissies, -instellingen en -diensten te bekomen.
Artikel 64
Betreft de wijziging van artikel 331 van het Wetboek. Aangezien de hoofdgriffiers de opdracht hebben het werk te verdelen en de dienst te regelen, moeten zij noodzakelijkerwijze ook de « niet-dienst », te weten de afwezigheden, onder hun bevoegdheid hebben en dit van alle leden van de griffie en van het griffiepersoneel.
Artikel 65
Betreft de wijziging van artikel 354 van het Wetboek. In dit artikel 354 worden de woorden « van de griffiers » weggelaten. Door de wet van 21 februari 1983 werd de mogelijkheid gecreëerd de griffiers en het personeel van de griffies en van de parketten te onderwerpen, wat de afwezigheid wegens ziekte of gebrekkigheid betreft, aan de regels geldend voor het rijkspersoneel. Dit gebeurde door een koninklijk besluit. Voor de magistraten werd in deze mogelijkheid niet voorzien. Er werd aldus een onderscheid gemaakt tussen leden van de rechterlijke orde, waardoor dit artikel discriminerend is voor de griffiers. Wat betreft de afwezigheden werd onder de leden van de rechterlijke orde inderdaad een onderscheid gemaakt tussen magistraten en griffiers. Deze anomalie dient weggewerkt te worden.
Betreft voorts de wijziging van titels.
Artikel 66
Betreft de wijziging van titels in een aantal artikelen van het Wetboek.
Artikel 67
Betreft de wijziging van titels.
Artikel 68
Behelst de overgangsbepaling, waarbij de verworven rechten ingevolge de bestaande wetgeving worden gehandhaafd, meer bepaald ook de artikelen 269bis en 284bis (cf. algemene toelichting, in fine ).
| Hugo VANDENBERGHE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
De Koning wordt gemachtigd in wetten en besluiten de hiernavermelde benamingen te vervangen als volgt : « griffie-hoofd van de griffie » door « hoofdgriffier »; « klerk-griffier » door « adjunct-griffier »; « eerstaanwezend klerk-griffier » door « eerstaanwezend adjunct-griffier »; « secretaris » door « hoofdsecretaris »; « adjunct-secretaris » door « secretaris »; « klerk-secretaris » door « adjunct-secretaris » en « eerstaanwezend klerk-secretaris » door « eerstaanwezend adjunct-secretaris »
Art. 3
In het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 72bis ingevoegd, luidend als volgt :
« Artikel 72 bis. Het bijzonder reglement voor de politierechtbank wordt door de Koning vastgesteld op advies van de voorzitter van de politierechtbank, van de procureur des Konings, van de hoofdgriffier van de politierechtbank en van de stafhouder van de Orde van advocaten. Het reglement wordt ter griffie van de rechtbank aangeplakt. »
Art. 4
Artikel 157 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 157 . Er is een hoofdgriffier in elk vredegerecht en in elke politierechtbank. »
Art. 5
§ 1. In artikel 158 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » en « klerken-griffiers » vervangen door de woorden « hoofdgriffier », respectievelijk « adjunct-griffiers ».
§ 2. Artikel 158 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« Er kunnen bij de politierechtbanken één tot drie griffiers-hoofden van dienst zijn, die onder het gezag van de hoofdgriffier deelnemen aan de leiding van de griffie. »
Art. 6
In artikel 160 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 7
Artikel 161 van hetzelfde Wetboek wordt met de volgende volzin aangevuld :
« In de voormelde rechtbanken waar meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan bovendien per dertig bijkomende personeelsleden een griffier-hoofd van dienst aangeworven worden. »
Art. 8
In artikel 162 van hetzelfde Wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht :
1º het woord « secretaris » wordt vervangen door het woord « kabinetssecretaris »;
2º in fine worden de woorden « op advies van de hoofdgriffier » toegevoegd.
Art. 9
In artikel 163 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 10
Artikel 164 van hetzelfde Wetboek wordt met de volgende volzin aangevuld :
« In de hoven waar ten minste honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan bovendien per dertig bijkomende personeelsleden een griffier-hoofd van dienst aangeworven worden. »
Art. 11
In artikel 165 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het woord « secretaris » wordt vervangen door het woord « kabinetssecretaris »;
2º in fine worden de woorden « op advies van de hoofdgriffier » toegevoegd.
Art. 12
In artikel 167 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 13
In artikel 168 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het woord « secretaris » wordt vervangen door het woord « kabinetssecretaris »;
2º in fine worden de woorden « op advies van de hoofdgriffier » toegevoegd.
Art. 14
In artikel 169 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « klerken-griffiers » en « eerstaanwezend klerk-griffier » vervangen door de woorden « adjunct-griffiers », respectievelijk « eerstaanwezend adjunct-griffier » en worden de woorden « of van de griffierhoofd van de griffie » geschrapt.
Art. 15
Artikel 170 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 170 . De griffier vervult de griffietaken en staat de rechter bij als griffier in alle verrichtingen van zijn ambt.
Op deze regel wordt slechts uitzondering gemaakt wanneer om dringende redenen zijn tegenwoordigheid niet kon worden gevorderd. »
Art. 16
Artikel 171 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 171 . In het Hof van Cassatie, het hof van beroep, het arbeidshof, de rechtbank van eerste aanleg, de arbeisrechtbank, de rechtbank van koophandel, het vredegerecht en de politierechtbank is er een griffie.
De griffie wordt gehouden door de hoofdgriffier.
De griffiers oefenen een gerechtelijke functie uit en vervullen hun taken in de griffie. »
Art. 17
Artikel 172 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 172. De hoofdgriffier leidt de griffie en verdeelt de griffietaken en de administratieve taken en wijst de griffiers aan om de rechter bij te staan. »
Art. 18
Artikel 173 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 173. Tot de taken van de griffier behoren :
hij houdt de griffie open voor het publiek;
hij verlijdt de hem opgedragen akten;
hij bewaart de minuten, registers en alle akten van het gerecht, waarbij hij is aangesteld;
hij levert daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften af;
hij bewaart de verzameling van wetten en andere boekwerken ten gebruike van de rechtbank;
hij houdt de tabellen, registers, repertoria, statistieken en andere documenten, hem bij de wet of besluiten opgedragen;
hij bewaart de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd.
Tot de bijstand van de griffier aan de rechter behoort :
de griffier is aanwezig op de terechtzitting;
hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken, verleent akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan; hij bewaakt de procedure.
De Koning kan nadere regels tot uitwerking van dit artikel bepalen. »
Art. 19
In artikel 175 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt.
Art. 20
In artikel 177 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » vervangen door het woord « hoofdgriffier ».
Art. 21
In artikel 181 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « of van de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt.
Art. 22
§ 1. In artikel 182 van hetzelfde Wetboek worden het eerste en tweede lid vervangen als volgt :
« Bij ieder parket is er een secretariaat verbonden, onder de leiding van een hoofdsecretaris.
De hoofdsecretaris wordt door de Koning benoemd.
De hoofdsecretaris van het parket is belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder het gezag van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur.
De secretaris staat de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. Hij ondertekent de documenten die hem door het hoofd van het parket worden aangeduid. Hij bewaart de registers, het archief en de documenten van het parket.
De procureur-generaal, de procureur des Konings en de arbeidsauditeur bij een rechtbank waarvan het rechtsgebied meer dan vijfhonderdduizend inwoners telt, kunnen zich een kabinetssecretaris kiezen uit het personeel van het parket, op advies van de hoofdsecretaris. »
§ 2. In het derde lid van hetzelfde artikel wordt het woord « Hij » vervangen door de woorden « De hoofdsecretaris ».
§ 3. In het derde lid van ditzelfde artikel worden de woorden « adjunct-secretarissen » en « klerken-secretarissen » vervangen door de woorden « secretarissen », respectievelijk « adjunct-secretarissen ».
§ 4. In het vierde lid van ditzelfde artikel worden de woorden « adjunct-secretarissen-hoofden van dienst », « secretaris » en « adjunct-secretarissen » vervangen door « secretarissen-hoofden van dienst », respectievelijk « hoofdsecretaris » en « secretarissen ».
§ 5. In het vierde lid van ditzelfde artikel wordt na de eerste volzin een nieuwe bepaling ingevoegd luidend als volgt : « In de parketten waar ten minste honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan bovendien per dertig bijkomende personeelsleden een secretaris-hoofd van dienst aangewezen worden. »
Art. 23
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 182bis ingevoegd, luidend als volgt :
« Artikel 182bis . Bij verhindering wordt de hoofdsecretaris van het parket vervangen door de secretaris-hoofd van dienst of de secretaris die hij aanwijst. Wanneer hij in de onmogelijkheid is om die aanwijzing te doen wordt daarin voorzien al naargelang van het geval door de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. »
Art. 24
In artikel 183 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « secretaris » vervangen door het woord « hoofdsecretaris ».
Art. 25
In artikel 184 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « klerken-secretarissen », « secretaris » en « eerstaanwezend klerk-secretaris » vervangen door de woorden « adjunct-secretarissen », respectievelijk « hoofdsecretaris » en « eerstaanwezend adjunct-secretaris ».
Art. 26
In artikel 260 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt en het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 27
Artikel 261 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 261. De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van een rechtbank worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij de rechtbank op voordracht van de voorzitter van de rechtbank en van de hoofdgriffier en naargelang van het geval na advies van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur.
De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van het Hof van Cassatie, van een hof van beroep of een Arbeidshof worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij het hof, op voordracht van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier, na advies van de procureur-generaal.
Zij worden aangewezen voor drie jaar. Deze aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd : na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd. »
Art. 28
§ 1. In artikel 262 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers » en worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt.
§ 2. Hetzelfde artikel wordt aangevuld als volgt : « en al naargelang van het geval na advies van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. »
Art. 29
Artikel 263, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« § 1. Om tot hoofdgriffier van het vredegerecht of van de politierechtbank te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier ofwel ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank. »
Art. 30
§ 1. Artikel 263, § 2, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« § 2. Om tot griffier bij een vredegerecht of een politierechtbank te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 3 opgeheven.
§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 4 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.
Art. 31
§ 1. Artikel 264, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Om tot hoofdgriffier van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier hebben uitgeoefend bij een hof of een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank of een rechtbank van koophandel, ofwel hoofdgriffier zijn van een vredegerecht of een politierechtbank. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 32
§ 1. Artikel 265, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« § 1. Om tot griffier van een rechtbank van eerste aanleg, bij een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, rechtbank, vredegerecht of politierechtbank ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, een rechtbank, vredegerecht of politierechtbank. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 2 opgeheven.
§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 3 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.
Art. 33
§ 1. Artikel 266 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 266. Om tot hoofdgriffier van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof van beroep of een arbeidshof hebben uitgeoefend ofwel hoofdgriffier zijn van een rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank of rechtbank van koophandel. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 34
§ 1. Artikel 267, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« § 1. Om tot griffier van een hof van beroep of bij een arbeidshof benoemd te worden, moet men :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van griffier bij een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij een hof. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 2 opgeheven.
§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 3 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.
Art. 35
§ 1. Artikel 268 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 268. Om tot hoofdgriffier van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend ofwel hoofdgriffier zijn van een hof van beroep of een arbeidshof. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 36
§ 1. Artikel 269, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« § 1. Om tot griffier bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een Hof hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij het Hof van Cassatie of van attaché in de dienst documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 2 opgeheven.
§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 3 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.
Art. 37
Artikel 269bis van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 269 bis. Om tot adjunct-griffier bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank benoemd te worden, moet men :
1º volle eenentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkgesteld onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parket. »
Art. 38
§ 1. Artikel 270, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 2º houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs of gedurende ten minste drie jaar het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een van voormelde rechtsmachten of bij een parket. »
§ 2. Hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, wordt na de woorden « aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen » aangevuld als volgt :
« en die met goed gevolg voor voormelde examencommissie een praktijkexamen hebben afgelegd. De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van beambte zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. De licentiaten in de rechten en de houders van getuigschriften van kandidaat-griffier en kandidaat-secretaris zijn van het maturiteitsexamen vrijgesteld. »
§ 3. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » geschrapt.
Art. 39
§ 1. Artikel 271, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 2º houder zijn van een getuigschrift van lager middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs of gedurende drie jaar bij een griffie van een van voormelde rechtsmachten werkzaam zijn geweest als bode, hetzij in een graad waaraan een wedde is verbonden waarvan de schaal ondergebracht is in niveau 4 vastgesteld bij de bepalingen tot regeling van de bezoldiging van het personeel van de ministeries. »
§ 2. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors of licentiaten in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » vervangen door de volgende bepaling : « Licentiaten in de rechten, houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris en de laureaten van het maturiteitsexamen van opsteller, zijn van het examen vrijgesteld. »
§ 3. In hetzelfde artikel, 4º, worden de woorden « over de dactylografie » geschrapt.
§ 4. Hetzelfde artikel, eerste lid, 4º, wordt aangevuld als volgt :
« De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van opsteller zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. »
Art. 40
In artikel 273 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « adjunct-secretarissen », « klerken-secretarissen » en « secretaris » vervangen door de woorden « secretarissen », respectievelijk « adjunct-secretarissen » en « hoofdsecretaris ».
Art. 41
Artikel 274 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 274. Om tot hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet men :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket of het auditoraat hebben uitgeoefend. »
Art. 42
Artikel 275 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 275. § 1. Om tot secretaris bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet men :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn :
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel adjunct-secretaris zijn bij een parket of auditoraat, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van vertaler, opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een parket of auditoraat.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het getuigschrift van kandidaat-secretaris wordt uitgereikt. »
Art. 43
Artikel 276 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 276. Om tot hoofdsecretaris van het parket bij een hof van beroep of een arbeidshof te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket van een hof, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. »
Art. 44
Artikel 277 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 277. § 1. Om tot secretaris bij het parket bij een hof van beroep of een arbeidshof te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van secretaris bij een parket of auditoraat hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket bij een hof.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het getuigschrift van kandidaat-secretaris wordt uitgereikt. »
Art. 45
Artikel 278 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 278. Om tot hoofdsecretaris van een parket van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel vijf jaar het ambt van secretaris bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van een hof. »
Art. 46
Artikel 279 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 279. § 1. Om tot secretaris bij het parket van Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel van adjunt-secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het getuigschrift van kandidaat-secretaris wordt uitgereikt. »
Art. 47
Artikel 280 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 280. Om tot adjunct-secretaris bij een parket te worden benoemd, moet men :
1º volle eenentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkgesteld onderwijs, alsmede van het getuischrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een parket of een griffie. »
Art. 48
§ 1. Artikel 282, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 2º houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs of gedurende ten minste drie jaar het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij een parket of bij de griffie van een vredegerecht, een politierechtbank, een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank, een rechtbank van koophandel, een hof van beroep, een arbeidshof of het Hof van Cassatie. »
§ 2. Hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, wordt na de woorden « aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen », aangevuld als volgt :
« en die met goed gevolg voor voormelde examencommissie een praktijkexamen hebben afgelegd. De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van beambte zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. De licentiaten in de rechten en de houders van getuigschriften van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het maturiteitsexamen vrijgesteld. »
§ 3. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » geschrapt.
Art. 49
§ 1. Artikel 283, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 2º houder zijn van een getuigschrift van lager middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs en gedurende drie jaar bij een parket werkzaam zijn geweest als bode, hetzij in een graad waarvoor een bijzondere beroepsbekwaamheid vereist is en waaraan een wedde is verbonden waarvan de schaal ondergebracht is in niveau 4, vastgesteld bij de bepalingen tot regeling van de bezoldiging van het personeel der ministeries. »
§ 2. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors en licentiaten in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » vervangen door de volgende bepaling : « Licentiaten in de rechten, houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris en de laureaten van het maturiteitsexamen van opsteller, zijn van het examen vrijgesteld. »
§ 3. In hetzelfde artikel, eerste lid, 4º, worden de woorden « over de dactylografie » geschrapt.
§ 4. Hetzelfde artikel, eerste lid, 4º, wordt aangeduid als volgt :
« De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van opsteller zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. »
Art. 50
Artikel 284bis van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 51
Artikel 287 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« Deze bepaling is eveneens van toepassing op het personeel van de griffies en de parketten. »
Art. 52
§ 1. In artikel 288, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
§ 2. In artikel 288, zesde lid, worden de woorden « hun griffiers-hoofden van de griffie » vervangen door de woorden « de hoofdgriffiers » en het woord « klerken-griffiers » door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 53
In artikel 301 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt en wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 54
In artikel 304 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden « openbaar ministerie » en het woord « of » de woorden « de griffier » ingevoegd.
Art. 55
In artikel 305 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « en de griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt.
Art. 56
§ 1. In deel II, boek II, titel II van hetzelfde Wetboek wordt onder de hoofding « Rangorde en voorrang » van hoofdstuk I, de ondertitel « Gerechtelijke ambten en parketsecretarissen » toegevoegd.
§ 2. De artikelen 310, 311 en 312 van hetzelfde wetboek worden ieder aangevuld met het volgende lid :
« Parketsecretarissen :
De hoofdsecretaris;
De secretarissen-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming;
De secretarissen, naar dezelfde orde;
De adjunct-secretarissen, naar dezelfde orde. »
Art. 57
In artikel 310 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 58
In artikel 311 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 59
In artikel 312 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 60
Artikel 314 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« De hoofdgriffiers van de vredegerechten en politierechtbanken volgen de vrederechters en rechters in de politierechtbanken van de rechtsmacht waarin zij benoemd zijn. Zij worden gevolgd door de griffiers-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming, de griffiers, naar dezelfde orde en de adjunct-griffiers, naar dezelfde orde. »
Art. 61
§ 1. In artikel 328, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » vervangen door het woord « hoofdgriffier ».
§ 2. In hetzelfde artikel, tweede lid, wordt de woorden « of rechtbank, de griffier-hoofd van de griffie van » vervangen door de woorden « een rechtbank ».
§ 3. In hetzelfde artikel, tweede lid, worden tussen de woorden « wordt daarin voorzien door » en de woorden « het hof » de woorden « de algemene vergadering van » ingevoegd.
§ 4. In hetzelfde artikel, tweede lid, wordt het woord « politierechter » vervangen door de woorden « algemene vergadering van de politierechtbank ».
§ 5. In hetzelfde artikel, derde lid, wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
§ 6. In hetzelfde artikel, derde lid, worden tussen de woorden « een bepaalde griffie » en het woord « opdracht » de woorden « voor maximum zes maanden » ingevoegd.
§ 7. In hetzelfde artikel, vierde lid, wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
§ 8. In hetzelfde artikel, vierde lid, worden de woorden « zonder nieuwe eedaflegging » geschrapt.
§ 9. In hetzelfde artikel wordt na het derde lid het volgende lid ingevoegd :
« Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kan de hoofdgriffier een opsteller of een beambte, die geslaagd is in de examens van kandidaat-griffier, opdracht geven tijdelijk het ambt van griffier uit te oefenen, dit voor een bepaalde en beperkte tijd en mits opgave van de reden van de opdracht. »
§ 10. Hetzelfde artikel wordt in fine aangevuld met het volgende lid :
« In alle voormelde gevallen is een nieuwe eedaflegging overbodig. »
Art. 62
Artikel 329 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 329. Wanneer de hoofdgriffier, de griffiers en de adjunct-griffiers verhinderd zijn of zelfs wanneer er gevaar mocht bij zijn te wachten tot een griffier tegenwoordig is, kan de rechter zich als griffier een opsteller of een beambte van de griffie toevoegen. Bij gebreke van dezen is artikel 170, laatste lid, van dit Wetboek van toepassing.
Een nieuwe eedaflegging is overbodig. »
Art. 63
§ 1. In artikel 330, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
§ 2. In hetzelfde artikel wordt na het eerste lid het volgende lid ingevoegd :
« Voorafgaande bepaling is ook van toepassing op de hoofdgriffiers wat betreft de opdrachten in ministeriële departementen, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. »
§ 3. In hetzelfde artikel, tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt tussen het woord « De » en het woord « griffiers » het woord « hoofdgriffiers, » ingevoegd.
§ 4. In hetzelfde artikel, tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 64
In artikel 331 van hetzelfde Wetboek worden de laatste twee leden vervangen door de volgende bepalingen :
« De hoofdgriffiers, zonder vergunning van de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter van de rechtsmacht waaraan zij verbonden zijn.
De griffiers-hoofden van dienst, griffiers en adjunct-griffiers, zonder vergunning van de hoofdgriffier van de rechtsmacht waarin zij verbonden zijn. »
Art. 65
§ 1. In artikel 354, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « secretarissen », « adjunct-secretarissen » en « klerken-secretarissen » vervangen door « hoofdsecretarissen » respectievelijk « secretarissen » en « adjunct-secretarissen ».
§ 2. In hetzelfde artikel, tweede lid, worden de woorden « van de griffiers, » geschrapt.
Art. 66
In de artikelen 366, 367, 369, 370, 372, 373, 374, 375, 403, 415 en 416 van hetzelfde Wetboek worden de vermelde titels telkens gewijzigd zoals aangegeven in artikel 2 van deze wet.
Art. 67
In artikel 381 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « de griffier » en « de secretaris » telkens vervangen door de woorden « de hoofdgriffier », respectievelijk « de hoofdsecretaris ».
Art. 68
De persoon die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet het ambt bekleedt van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris, adjunct-secretaris, opsteller, beambte of bode en overeenkomstig de gewijzigde wetgeving in de voorwaarden verkeerde tot benoeming in een van deze ambten, blijft in de voorwaarden tot deze benoeming, met uitzondering van de in deze wet voorgeschreven dienstanciënniteit.
| Hugo VANDENBERGHE. Sabine de BETHUNE. André BOURGEOIS. |
(1) Op enkele wijzigingen na, stemt dit wetsvoorstel overeen met het reeds op 7 januari 1993 in de Senaat ingediende gedr. st. 605-1 (1992-1993).