Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-904

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 20 april 2016

aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der gebouwen

Radicalisering en het promoten van terrorisme - Strijd - Haatpredikers op Internet en sociale media - Aanpak - Samenwerking tussen de federale overheid en de Gemeenschappen en Gewesten

religieus conservatisme
extremisme
politieke propaganda
internet
virtuele gemeenschap
Europol
uitwisseling van informatie
discriminatie op grond van godsdienst
terrorisme
sociale media
radicalisering

Chronologie

20/4/2016 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 19/5/2016 )
6/6/2016 Antwoord

Vraag nr. 6-904 d.d. 20 april 2016 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De strijd tegen radicalisering is een strijd die dient gevoerd te worden door de federale overheid, de Gewesten en Gemeenschappen en de lokale overheden. Het is bij uitstek een transversale aangelegenheid, waarvoor alle institutionele overheden een deel van de verantwoordelijkheid moeten nemen.

De verschillende regeringen van ons land hebben plannen om radicalisering op het Internet tegen te gaan. De actieplannen van de Gemeenschappen bevatten onder meer maatregelen inzake het lanceren van een verhaal in tegengestelde richting, wellicht met toepassing van de bevoegdheden inzake culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 4, 7°, 8° en 14°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Louter repressieve maatregelen zoals het verwijderen van websites waarop haat wordt gezaaid, vallen onder de bevoegdheid van het federale niveau. Tijdens de mededeling van de federale regering op 19 november 2015 kondigde de eerste minister aan dat er een wet zou worden voorgesteld waardoor dergelijke sites kunnen worden afgesloten.

Het is misschien aangewezen om voor deze problematiek het internationaal perspectief niet uit het oog te verliezen.

Op 26 november 2015 geraakten het Europees Parlement en de Europese Raad het eens over een uitbreiding van het mandaat van Europol om terrorisme tegen te gaan. Luidens het persbericht van het Europees Parlement zou de ontwerpregelgeving duidelijke regels bevatten voor bestaande eenheden zoals de Internet Referral Unit en het nieuwe European Counter Terrorism Centre dat op 1 januari 2016 van start gaat. De Internet Referral Unit van Europol staat in voor de vlotte verwijdering van websites waarop terroristische daden worden verheerlijkt of waarop EU-burgers worden aangemoedigd om zich bij terroristische organisaties aan te sluiten.

Europol zou in sommige gevallen rechtstreeks informatie kunnen uitwisselen met private instanties zoals bedrijven en niet gouvernementele organisaties om sneller te kunnen werken. Zo zal het bijvoorbeeld rechtstreeks Facebook kunnen contacteren om te vragen webpagina's van Islamitische Staat (IS) te verwijderen of details te vragen over pagina's die door dezelfde gebruiker worden onderhouden om zo de verspreiding van terroristische propaganda tegen te gaan.

Op 3 december 2015 organiseerde Europees commissaris voor Migratie, Binnenlandse Zaken en Burgerschap, Dimitris Avramopoulos, een EU Internet Forum ("Bringing together governments, Europol and technology companies to counter terrorist content and hate speech online"). Op dit forum kwamen de Europese ministers van Binnenlandse Zaken samen met high-level vertegenwoordigers van grote internetbedrijven, Europol, de Europese anti-terrorismecoördinator en het Europees Parlement. Bedoeling is om tot een gezamenlijke - vrijwillige - aanpak te komen, gebaseerd op een publiek-private samenwerking, om schadelijke online gegevens te detecteren en er tegen op te treden.

In de Belgische context zou men de oprichting van een burgerlijk meldpunt voor radicalisme kunnen onderzoeken zoals dat voor kinderporno bij Child Focus (http://www.childfocus.be/nl/burgerlijk-meldpunt).

Via het meldpunt van Child Focus kunnen de melders anoniem blijven. De medewerkers zijn gebonden door het beroepsgeheim. Momenteel worden alle meldingen nog doorgestuurd naar de federale politie, zonder dat Child Focus deze opent. Indien na onderzoek door de politie blijkt dat de gemelde beelden wel degelijk beelden van seksueel misbruik van kinderen zijn, wordt nagegaan van waar de beelden afkomstig zijn. Als de site in België wordt gehost, dan doet de politie verder onderzoek naar het misbruik zelf. Tegelijk wordt ook aan de Belgische hosting providers gevraagd om de beelden offline te halen. Indien de betrokken site uit het buitenland komt, worden de beelden doorgestuurd naar de politiediensten van het land in kwestie.

Het nieuwe meldpunt voor radicalisme zou op een vergelijkbare manier de anonieme melding kunnen onderzoeken en indien nodig aan de federale politie doorsturen. Indien de site in het buitenland wordt gehost, wordt de info doorgestuurd naar de diensten van Europol voor verder gevolg.

Maar de strijd tegen haatpredikers op sociale media en Internet moet niet enkel in één richting gezocht worden. Ook de haatpredikers die stelselmatig alle moslims veroordelen en die zich richten tegen één specifieke godsdienst als oorzaak voor terreur en radicalisme, moeten stevig aangepakt worden. Daar is vaak niets van te merken, integendeel de haat tegen moslims lijkt populairder dan ooit.

1) Wat zal de minister doen om, in samenwerking met de deelgebieden, haat en onverdraagzaamheid op het Internet en in de sociale media aan te pakken en hard te bestraffen ?

2) Heeft hij al een initiatief genomen om samen met de Gemeenschappen en de Gewesten aan tafel te zitten en een gemeenschappelijk actieplan op te stellen tegen de haatpredikers op het Internet en de sociale media ?

3) Wat zal hij doen om elke vorm van haatpreken aan te pakken, in alle richtingen en in alle vormen ?

4) Welke initiatieven zal hij nemen om, naast het lanceren van een verhaal tegen terrorisme en het aanpakken van het promoten van vormen van terrorisme, ook de haat tegen de islam wereldwijd aan te pakken en er internationale initiatieven voor te nemen?

5) Welke maatregelen heeft hij sinds zijn aantreden al genomen in de strijd tegen elke vorm van haatprediken?

Antwoord ontvangen op 6 juni 2016 :

Het geachte lid vindt hieronder het antwoord op zijn vragen :

1) Het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD) informeert de betrokken burgemeester en de korpschef van de lokale politie inzake de uitgeweken Syriëstrijders, die in hun gemeente staan ingeschreven overeenkomstig de procedure voorzien in de omzendbrief van 21 augustus 2015 betreffende de informatie uitwisseling rond en de opvolging van de « Foreign Terrorist Fighters » (FTF-de zogenaamde « Syriëstrijders ») uit België.

Het betrokken gemeentebestuur start op basis van deze informatie met een verificatie naar de hoofdverblijfplaats van deze burger en met de eventuele procedure tot ambtshalve afvoering (gemotiveerd verslag van de wijkpolitie, gevolgd door een beslissing van het schepencollege) wanneer deze burger zich niet meer zou bevinden op zijn huidige hoofdverblijfplaats en zijn nieuwe hoofdverblijfplaats in België niet meer kan worden vastgesteld. Dit is de algemene procedure inzake de vaststelling en controle van het hoofdverblijf die is bepaald in de artikelen 7 tot 10 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister.

Indien de uitgeweken Syriëstrijder een vreemde nationaliteit bezit, dan wordt de informatie eveneens overgemaakt aan de Dienst Vreemdelingenzaken om hun recht op terugkeer en verblijf te onderzoeken.

2) Uit het antwoord op vraag 1) volgt dat mijn departement niet rechtstreeks betrokken is bij de verificatie van de hoofdverblijfplaats en ambtshalve afvoering van deze Syriëstrijders, omdat het permanent bijhouden van de gemeentelijke bevolkingsregisters een wettelijke opdracht is van ieder gemeentebestuur. De gemeenten zijn reglementair niet verplicht het departement te informeren van de inschrijving of schrapping van Syriëstrijders in hun bevolkingsregisters.

Ter informatie, kan ik het geachte lid wel meedelen dat mijn diensten recent naar aanleiding van een andere parlementaire vraag – op basis van gegevens ter zake verstrekt door het OCAD en met medewerking van de betrokken gemeentebesturen – een onderzoek hebben gedaan naar de 113 teruggekeerde Syriëstrijders in België. Bij een eerste opvraging in het Rijksregister 2016 bleken reeds 21 van de 113 teruggekeerde Syriëstrijders uit de bevolkingsregisters van hun gemeenten te zijn afgevoerd.

Voor de 60 teruggekeerde Syriëstrijders met de Belgische nationaliteit, die nog ingeschreven stonden in de bevolkingsregisters, werd er aan de betrokken gemeenten gevraagd om een woonstcontrole te verrichten. Op datum van 23 mei 2016 heeft dit het volgende resultaat opgeleverd :

– 33 personen met positieve woonstcontrole (waarvan 1 onder elektronisch toezicht aldaar) ;

– 9 personen die zijn opgesloten in een gevangenis ;

– 3 personen die zijn verhuisd naar een andere hoofdverblijfplaats in België (waarvan voor 1 de adreswijziging nog in onderzoek is) ;

– 15 personen voor wie de woonstcontrole nog bezig is.

Voor de 37 personen met vreemde nationaliteit zijn er 28 ingeschreven in de registers van een Belgische gemeente,6 personen werden er van ambtswege afgevoerd, 1 werd afgevoerd naar het buitenland en 2 zijn overleden.

Voor de 28 niet-Belgische burgers ,die nog zijn ingeschreven in de bevolkingsregisters van een Belgische gemeente, is aan de Dienst Vreemdelingenzaken gevraagd na te gaan of zij nog recht op terugkeer hadden gelet op hun verblijf en activiteiten in het buitenland en zo nodig van ambtswege te laten schrappen uit de registers wegens verlies van recht op verblijf in België.

Van deze 28 personen zijn op datum van 23 mei 2016 nog 24 personen ingeschreven in een Belgische gemeente,2 zijn verhuisd naar een andere gemeente en 3 zijn van ambtswege geschrapt.

Uit dit onderzoek blijkt dat het merendeel van de betrokkenen reeds is teruggekeerd voordat de afvoering van ambtswege kon worden gerealiseerd conform met de bestaande reglementering die is voorgeschreven door artikel 8 van het voormelde koninklijk besluit van 16 juli 1992.

3) Uitgeweken Syriëstrijders die van ambtswege werden afgevoerd uit de bevolkingsregisters, volgen bij een eventuele terugkeer de normale reglementering betreffende de inschrijving in de bevolkingsregisters ,zoals bepaald in het voornoemd koninklijk besluit van 16 juli 1992.

Hierbij dient erop te worden gewezen dat burgers met een Belgische nationaliteit steeds kunnen terugkeren naar België en hun inschrijving in de registers van een Belgische gemeente kunnen vragen als zij aldaar hun hoofverblijf vestigen.

Indien de betrokkenen een vreemde nationaliteit bezitten, moet de Dienst Vreemdelingenzaken vooraf steeds het recht op terugkeer en verblijf beoordelen.

4) Het is belangrijk dat deze burgers als zij daadwerkelijk wonen in het Rijk een gekend hoofdverblijf hebben in België, zodat deze burgers verder kunnen worden opgevolgd door de administratieve, politionele en gerechtelijke autoriteiten en in het kader van hun deradicaliseringsproject.

Bovendien kan ik wettelijk, na gemotiveerd advies van het OCAD, sinds begin dit jaar voorkomen dat sommige geradicaliseerde inwoners de grenzen oversteken door hun identiteitskaart tijdelijk in te trekken, wat eveneens automatisch de intrekking of niet-afgifte van hun paspoort tot gevolg heeft.